Posts tonen met het label Doping. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Doping. Alle posts tonen

vrijdag 24 juli 2015

Polsstokhoogspringer Koppelaar vecht zonder succes dopingschorsing aan


De feiten
Op 31 mei 2014 heeft Koppelaar meegedaan aan een wedstrijd polsstokhoogspringen in Soest (Duitsland). Koppelaar is die dag ingeloot en aangewezen voor de op die datum door een Doping Control Officer (hierna DCO te noemen) in opdracht van het Deutscher Leichtathletik-Verband uit te voeren dopingcontrole.
In het dopingcontrolestation (de kleedruimte) bij het sportcomplex waar de wedstrijd werd gehouden heeft Koppelaar die dag in een daarvoor bestemde container (opvangbeker) urine geproduceerd, die vervolgens is verdeeld over twee monsters (A en B), die verzegeld naar het WADA-geaccrediteerde laboratorium “Institute of Biochemstry German Sport University Cologne”. Dit laboratorium heeft de urinemonsters van Koppelaar geanalyseerd. De rapporten daarvan bevinden zich bij de stukken.
Op 14 juli 2014 kreeg Koppelaar telefonisch bericht van de Atletiekunie dat de dopingtest van 31 mei 2014 positief was. Diezelfde avond hebben [naam] en [naam 1], technisch directeur respectievelijk algemeen directeur van de Atletiekunie, Koppelaar thuis bezocht en meegedeeld dat aan hem de ordemaatregel van schorsing zal worden opgelegd. Bij brief van 17 juli 2014 heeft de Atletiekunie aan Koppelaar geschreven dat hij per die datum is geschorst. Als gevolg van die maatregel mocht Koppelaar niet langer aan nationale en internationale wedstrijden en aan trainingen in verenigingsverband deelnemen.
Nadien, nadat de analyse van het B-monster het resultaat van de analyse van het A-monster had bevestigd, heeft de Atletiekunie (overeenkomstig artikel 9 lid 1 van het Tuchtreglement) aangifte gedaan bij de tuchtcommissie van overtreding door Koppelaar van artikel 3 van het Dopingreglement. In de aangifte staat, zo kan uit de hierna onder 2.8 nog te noemen uitspraak van de tuchtcommissie worden afgeleid:
“Op 31 mei 2014 is er bij betrokkene in opdracht van de Duitse Atletiekbond een dopingcontrole uitgevoerd tijdens althans (…) in het kader van een wedstrijd bekend als het ‘3. National Soester Stabhochsprung-Festival’, gehouden te Soest (Duitsland). Deze wedstrijd vond plaats onder auspiciën van de internationale Atletiek Federatie (hierna IAAF). De analyserapporten van het dopingcontrolelaboratorium vermelden dat bij de analyse van zowel het A-deel als het B-deel van het urinemonster van betrokkene met nummer 2878795 endogene steroïden van exogene oorsprong zijn aangetroffen. Deze stof komt voor op de Dopinglijst 2014 behorende bij het Dopingreglement van het Instituut Sportrechtspraak. De aanwezigheid van een stof die op de genoemde lijst staat vormt een overtreding van artikel 3 van het Dopingreglement”.
Bij uitspraak van 9 december 2014 heeft de tuchtcommissie bewezen verklaard dat Koppelaar artikel 3 van het Dopingreglement heeft overtreden en hem op grond van artikel 39 lid 1 van dat reglement de straf opgelegd van uitsluiting voor een periode van twee jaar, met aftrek van de periode van uitsluiting op basis van de door de Atletiekunie aan Koppelaar per 17 juli 2014 opgelegde ordemaatregel.
Blijkens de overwegingen in de uitspraak heeft Koppelaar als verweer gevoerd dat uit het positieve resultaat van de dopingtest niet mag worden geconcludeerd dat hij het Dopingreglement heeft overtreden, omdat dit resultaat op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Zowel bij de afnameprocedure en het transport van het urinemonster als in het laboratorium zijn volgens Koppelaar een aantal regels van de geldende International Standard for Testing (IST) respectievelijk International Standard for Laboratories (ISL) geschonden. De argumenten die Koppelaar daarvoor heeft aangevoerd zijn in overweging 7.3.4 van de uitspraak weergegeven. De tuchtcommissie heeft daarover in haar uitspraak onder meer het volgende overwogen:
“7.3.6 (…) De aanwezigheid van de verboden stof in de urine van betrokkene is vastgesteld na analyse van de monsters van betrokkene in het door WADA geaccrediteerde Laboratorium in Keulen. In artikel 2 lid 5 van het Dopingreglement is bepaald dat wanneer er geen sprake is van een afwijking van enige internationaal standard, danwel als enige afwijking niet het belastende analyseresultaat heeft veroorzaakt de positieve uitslag betrouwbaar en onomstotelijk bewijs vormt dat sprake is van een overtreding. De betrokkene erkent dat sprake is van een positieve uitslag, maar stelt zich op het standpunt dat dit resultaat niet als bewijs van de overtreding mag dienen aangezien is afgeweken van de IDT en ISL.
De voorzitter van de tuchtcommissie heeft de raadsman van betrokkene ter zitting gewezen op de bewijsregels van artikel 12 van het Dopingreglement. Hierin is onder meer bepaald dat afwijkingen van enig International Standard die niet aantoonbaar hebben geleid tot het belastende analyseresultaat die controleresultaten niet ongeldig maken. Dit zou hoogstens het geval kunnen zijn indien betrokkene aantoont dat zodanig van deze Standards is afgeweken dat redelijkerwijs mag worden aangenomen dat deze afwijkingen het belastend resultaat (kunnen) hebben veroorzaakt. In dat geval dient het bondsbestuur aan te tonen dat het tegendeel het geval is.
De raadsman van betrokkene heeft noch in de schriftelijke procedure, noch ter zitting op enigerlei concrete wijze aangetoond dat de afwijkingen van de IST en ISL waar hij zich op beroept het belastende analyseresultaat redelijkerwijs hebben veroorzaakt.
De afwijkingen van de IST en ISL waarop betrokkene zich beroept zijn gemotiveerd weersproken door de DA (Dopingautoriteit; de voorzieningenrechter). Het staat voor de tuchtcommissie vooralsnog niet vast dat deze afwijkingen hebben plaatsgevonden. Echter, de tuchtcommissie zal dit in het kader van deze procedure niet nader onderzoeken aangezien het vaststellen van vermeende afwijkingen niet van belang is in het kader van de beoordeling van de vraag of er sprake is van een overtreding van artikel 3 van het Dopingreglement. Immers, zelfs al zouden deze beweerde afwijkingen komen vast te staan, dan nog kunnen deze afwijkingen niet leiden tot de conclusie dat de positieve uitslag geen betrouwbaar en onomstotelijk bewijs van de dopingovertreding vormt. Door betrokkene is namelijk niet aangetoond dat deze afwijkingen redelijkerwijs het belastende analyseresultaat hebben veroorzaakt (artikel 12 lid 5 Dopingreglement). De tuchtcommissie verwijst naar een uitspraak van het NADP Tribunaal van 7 juni 2011 in de zaak UK Anti-Doping v Edwards, alinea 3.431 (…)”.

Koppelaar heeft tegen deze uitspraak geen beroep ingesteld bij de commissie van beroep.

De vordering
Koppelaar vordert samengevat dat de door de Atletiekunie bij beslissing van 9 december 2014 aan Koppelaar opgelegde schorsingsmaatregel te schorsen, zulks totdat in een door Koppelaar aanhangig te maken bodemprocedure is beslist over een vordering tot vernietiging van die beslissing.
Koppelaar heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd, verkort weergegeven, dat het onderzoek dat heeft geleid tot een positieve uitslag ter zake van het gebruik door hem van doping onzorgvuldig en ondeugdelijk is gedaan en om die redenen niet mag worden gebruikt als bewijsmiddel. Daarom wordt niet toegekomen aan toepassing van het in artikel 12 van het Dopingreglement neergelegde zogenaamde “strict liability” principe. Andere bewijsmiddelen dat Koppelaar doping zou hebben gebruikt zijn niet voorhanden.
De beslissing van de tuchtrechter is daarom in strijd met artikel 2:8 BW en aldus op grond van artikel 2:15 BW vernietigbaar. Koppelaar is voornemens een bodemprocedure tegen de Atletiekunie te starten waarin op die grond vernietiging van het besluit zal worden gevorderd. Er is daarom reden dit besluit te schorsen totdat in die bodemprocedure zal zijn beslist.

De beoordeling
De voorzieningenrechter is van oordeel dat Koppelaar heeft zich, door lid te worden van de Atletiekunie, onderworpen aan de statutaire-, tuchtrechtelijke- en dopingregels zoals die zijn neergelegd in de hiervoor onder de feiten genoemde statuten en reglementen. Dat betekent dat de overheidsrechter deze regels zal moeten respecteren.
Voor de door Koppelaar voorgestane aantasting van de beslissing van de tuchtrechter geldt dat die beslissing op grond van het bepaalde in artikel 9 lid 4 van de statuten kan worden gezien als een besluit van een orgaan van een rechtspersoon. Een dergelijk besluit kan op grond van art. 2:15 BW worden vernietigd wegens strijd met de in art. 2:8 BW bedoelde redelijkheid en billijkheid. Op grond van de toepasselijke statutaire- en tuchtrechtelijke regels kan de beslissing van de tuchtrechter ook worden beschouwd als een bindende beslissing, die ingevolge het bepaalde in 7:904 lid 1 BW vernietigbaar is als gebondenheid daaraan in verband met de inhoud of de wijze van totstandkoming daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. In beide gevallen komt aan de voorzieningenrechter in het kader van dit geding slechts een marginale toetsing toe. Met inachtneming daarvan zijn de volgende omstandigheden van belang.
In artikel 12 van het Dopingreglement zijn regels betreffende de bewijslastverdeling neergelegd. Volgens Koppelaar is de in art. 12 van dat reglement neergelegde ‘strict liability’regel slechts van toepassing als het onderzoek dat heeft geleid tot de conclusie dat sprake is van overtreding van het Dopingreglement zorgvuldig heeft plaatsgevonden. Die redenering van Koppelaar gaat evenwel niet op, omdat de mogelijkheid dat er in de procedure die heeft geleid tot het voor de betrokkene belastende analyseresultaat iets niet goed is gegaan al ligt besloten in de regels van art. 12. De bewijslastverdeling die is neergelegd in de diverse leden van art. 12 van het Dopingreglement brengt juist met zich dat afwijkingen van enige International Standard niet tot ongeldigheid van de controleresultaten leiden, tenzij de betrokkene - Koppelaar - aantoont dat zodanig van de International Standards is afgeweken dat redelijkerwijs mag worden aangenomen dat de afwijkingen het belastende analyseresultaat hebben veroorzaakt. In dat geval is het aan het Bondsbestuur om aan te tonen dat die afwijkingen niet het belastende analyseresultaat hebben veroorzaakt. Er is geen grond om aan te nemen dat gebondenheid aan deze regels van bewijslastverdeling en aan de toepassing van die regels door de tuchtcommissie in de uitspraak van 9 december 2014 naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet aanvaardbaar zou zijn. Feiten of omstandigheden die daartoe in de specifieke omstandigheden van dit geval aanleiding zouden geven, zijn onvoldoende gesteld of gebleken.
Dat het in de procedure die heeft geleid tot het voor Koppelaar ongunstige resultaat allemaal niet goed is gegaan heeft Koppelaar bij de tuchtrechter kunnen aanvoeren en dat heeft hij ook gedaan. De tuchtrechter heeft daarover vervolgens een goed gemotiveerd oordeel gegeven en geoordeeld dat Koppelaar in ieder geval niet heeft aangetoond dat de door hem gestelde afwijkingen het voor hem belastende analyseresultaat hebben veroorzaakt. Aan dat oordeel is Koppelaar gebonden. Dat de beslissing van de tuchtcommissie in strijd is met de maatstaven van redelijkheid en billijkheid kan niet worden gezegd, laat staan dat gebondenheid daaraan naar die maatstaven onaanvaardbaar zou zijn. Koppelaar kan thans in deze procedure in beginsel niet met nieuwe argumenten komen, tenzij er bijzondere omstandigheden zijn die meebrengen dat hij die argumenten niet eerder heeft kunnen aanvoeren. Die bijzondere omstandigheden heeft Koppelaar niet aangevoerd. Maar nog afgezien daarvan geldt het volgende. Koppelaar heeft thans (deels opnieuw) gesteld, dat de navolgende afwijkingen het bedoelde analyseresultaat kunnen hebben veroorzaakt:
(a) de DCO sprak nauwelijks Engels en Koppelaar nauwelijks Duits;
(b) de container heeft ruim een uur in een “vervuild” toilet gestaan;
(c) het dopingcontrolestation was niet afgesloten;
(d) Koppelaar heeft de urine in twee delen geproduceerd, maar de ‘deelsampleprocedure’ is niet gevolgd;
(e) vermoedelijk zijn de monsters tijdens het transport, dat meer dan vijftien uur heeft geduurd, niet gekoeld;
(f) bij de analyse van zowel het A als het B-monster is dezelfde analist betrokken geweest;
(g) het laboratorium heeft niet gehandeld conform de voor haar geldende ISO-norm 17025:2005;
(h) voor gebruik van het analyse-apparaat heeft geen kalibratie plaatsgevonden waardoor meetresultaten onzeker zijn en de handtekening is een ‘op de computer ingeplakte handtekening’, waardoor onzeker is of de kalibratie werkelijk is verricht;
(i) de resultaten van de analyse zijn niet op eenduidige en ondubbelzinnige wijze gedaan.

Ten aanzien van deze door Koppelaar gestelde afwijkingen wordt het volgende overwogen.
Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien op welke wijze de omstandigheid sub a, dat Koppelaar en de DCO elkaar door taalproblemen niet goed hebben begrepen, heeft kunnen leiden tot de in de monsters aangetroffen verboden stof.
Wat betreft de gestelde afwijking onder b geldt dat Koppelaar niet heeft gesteld met welke stoffen de ruimte was vervuild. De enkele omstandigheid dat de container in een (mogelijk) vervuilde ruimte heeft gestaan betekent immers nog niet dat de container als gevolg daarvan vervuild is geraakt met de aangetroffen verboden stof. Dat en hoe dat zou zijn gebeurd heeft Koppelaar niet met concrete feiten en omstandigheden onderbouwd en aannemelijk gemaakt. Koppelaar heeft wel gesteld dat het dopingcontrolestation niet was afgesloten (de afwijking sub c), maar hij heeft niet gesteld dat derden die ruimte gedurende de afnameprocedure hebben betreden en dat daarbij de aangetroffen stoffen in de urine terecht zijn gekomen, zodat deze omstandigheid al daarom niet tot het door Koppelaar gewenste resultaat kan leiden. Voor de hiervoor onder e, f, h en i genoemde afwijkingen geldt eveneens dat Koppelaar geen concrete feiten en omstandigheden heeft aangevoerd die het oordeel zouden kunnen rechtvaardigen dat deze omstandigheden tot het afwijkende analyseresultaat hebben kunnen leiden. Dat het laboratorium ten slotte niet zou hebben gehandeld conform de voor haar geldende ISO-norm (de afwijking onder g) is niet relevant, omdat het hier, zo moet als onvoldoende weersproken worden aangenomen, gaat om regels aangaande de formele erkenning van de competentie van een WADA geaccrediteerd laboratorium en niet om bewijsregels.
Al met al rechtvaardigt een of meer van de hiervoor door Koppelaar gestelde (door de Atletiekunie betwiste) afwijkingen niet zonder meer de conclusie dat die afwijkingen tevens moeten hebben geleid tot het voor Koppelaar belastende analyseresultaat. Om tot die conclusie te komen had Koppelaar nadere, concrete, feiten en omstandigheden moeten stellen. Dat heeft hij net zo min als in de tuchtprocedure gedaan, bij gebreke waarvan voorshands niet kan worden aangenomen dat de gestelde afwijkingen tot het belastende analyseresultaat hebben geleid.
Gelet op het voorgaande kan voorshands niet worden aangenomen dat gebondenheid aan de beslissing van de tuchtrechter van 9 december 2014 naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is of dat de kans groot is dat die beslissing in een aanhangig te maken bodemprocedure zal worden vernietigd. Bij gebreke daarvan is er geen grond voor het treffen van de door Koppelaar gevorderde voorzieningen.
Een belangenafweging kan het voorgaande niet anders maken. Het belang van Koppelaar is duidelijk. Hij wil het polsstokhoogspringen blijven beoefenen op het (top)niveau wat hij ambieert en hij wil zich kwalificeren voor de Olympische Spelen van 2016 in Rio de Janeiro. Om dat te bereiken is het noodzakelijk dat hij in verenigingsverband kan blijven trainen en dat hij kan meedoen aan nationale en internationale wedstrijden. Dat daarbij grote vermogensrechtelijke belangen van Koppelaar op het spel staan is gesteld noch gebleken. Daartegenover staat het belang van de Atletiekunie dat haar leden, van wie uit een onderzoek blijkt dat zij doping hebben gebruikt, zijn gebonden aan de aan hen opgelegde sancties en dat zij niet langer kunnen deelnemen aan door de Atletiekunie georganiseerde wedstrijden. Dat (algemene) belang van de Atletiekunie behoort onder deze omstandigheden zwaarder te wegen dan het belang van Koppelaar.

De slotsom is dat de vorderingen van Koppelaar moeten worden afgewezen.

woensdag 20 augustus 2014

Roman kreuziger’s appeal rejected by the Court of Arbitration for Sport (CAS)


The Court of Arbitration for Sport (CAS) has dismissed the appeal of the Czech cyclist Roman Kreuziger against the decision taken by the Anti-Doping Commission of the International Cycling Union (UCI) to provisionally suspend him from competition pending an investigation into a possible anti-doping offence. The rider sought to overturn such suspension in order to be able to compete in the 2014 Tour of Spain and possibly in the UCI World Road Championships.
Roman Kreuziger filed an appeal at the CAS on 5 August 2014. In accordance with the rider’s request and the UCI’s agreement, the arbitration procedure was conducted on an expedited basis. The panel of CAS arbitrators (Prof. Michael Geistlinger, Austria (President), Mr Lars Nilsson, Sweden, and Mr Bernhard Welten, Switzerland) heard the parties during a hearing held at the CAS headquartersfrom 9:30 to 12:30 today.
Accordingly, Roman Kreuziger remains provisionally suspended pending a decision on his alleged anti-doping rule violation.
The full award with the grounds will be issued in a few weeks.

maandag 5 mei 2014

CAS: The suspension of Dominique Blake reduced to 4 years and 6 months


Lausanne, 5 May 2014 - The Court of Arbitration for Sport (CAS) has issued its decision in an arbitration brought by the Jamaican 400m-runner Dominique Blake against the Jamaica Anti- Doping Commission (JADCO). The CAS has upheld in part the appeal filed by Dominique Blake and has decided to reduce her period of ineligibility from 6 years to 4 years and 6 months with retroactive effect as of 1 July 2012.
On 1 July 2012, the athlete participated in the National Senior Championships in the 400m. She underwent a doping control, and the A sample revealed the presence of methylhexanamine(MHA). She admitted the charge, asserting that she took Neurocore, which contains geranium (the alleged source of the MHA), on the date of the competition. She further asserted that she did not intend to enhance her sport performance or to make use of a prohibited substance while ingesting  Neurocore.  JADCO,  however,  disputed  the  athlete’s  intent.  After  an  internal procedure, the Jamaica Anti-Doping Appeals Tribunal (JADAT) sanctioned the athlete with a 6-year ban  as  of  24  July 2012, taking into  account the  existence of  a first  doping offence committed in 2006.
The CAS Panel in charge of this matter found that the athlete did not produce any corroborating evidence in addition to her word that she did not intend to enhance her sport performance: she stated that she ingested the stimulant one hour before the race but that she specifically took Neurocore to help her recover from practice. Moreover, she failed to disclose Neurocore on her doping control form despite taking the products for at least two weeks prior to her doping control. For the same reasons, the athlete has failed to establish that she bears no significant fault or negligence.
To the contrary, there is significant evidence warning athletes as to the risk of presence of a specified substance in Neurocore. As the athlete had been already suspended for 9 months (reduced sanction) for a first doping offence, the relevant range for the calculation of the new period of ineligibility was 4-6 years. The 6-year sanction imposed by the JADAT was deemed to severe for the CAS Panel. In view of some mitigating factors, the CAS Panel determined that the appropriate sanction should be 4 years and 6 months. Therefore, the starting point of such period of ineligibility is the date of the sample collection, 1 July 2012.


The full arbitral award, with the grounds, will be published in a few days.

vrijdag 22 november 2013

The Court of Arbitration for Sport (CAS) partially upholds WADA’s appeal against Anthony West and FIM

The Court of Arbitration for Sport (CAS) has issued its decision in the appeal arbitration procedure between the World Anti-Doping Agency (WADA), the Australian professional motorcycle rider Anthony West and the Fédération Internationale de Motocyclisme (FIM). The appeal filed by WADA has been partially upheld, the FIM decision to suspend the rider for one month has been set aside and a period of ineligibility of 18 months has been imposed on the rider.
WADA appealed to  the  CAS against the decision issued on 2  October 2012 by the  FIM International Disciplinary Court (FIM IDC) in which the rider was sanctioned with a one-month ban  following a  positive anti-doping control for  methylhexaneamine,a  stimulant which is prohibited in competition. In its appeal, WADA requested that the FIM IDC’s decision be annulled and that a two-year period of ineligibility be imposed on the rider. For his defence, the rider admitted that he had been slightly careless and argued that he committed a minor doping violation and that a three month period of ineligibility should be the maximum proportional sanction. He also added that in motorcycling, cheating involves the equipment rather than the rider.
The case was referred to a panel of CAS arbitrators (Prof. Jan Paulsson, Bahrain (President), Prof. Richard H. McLaren, Canada, and Mr Efraim Barak, Israel), who heard the parties, their witnesses and their legal representatives at a hearing held in Lausanne on 21 August 2013.
The rider explained that the prohibited substance had entered his system through an energy drink (“Mesomorph”) that he had purchased, prepared, and consumed on the assumption that it did not contain any prohibited substances since it was purchased in a nutritional shop.
The CAS Panel found that an anti-doping rule violation had occurred and that, according to the applicable regulations, a maximum of two-year suspension could be imposed, unless there were grounds for it to be eliminated or shortened. In light of the circumstances of the case and the degree of fault of the athlete, as well as the fact that methylhexaneamine is a stimulant with short term effects which are not insignificant in competition, the Panel considered it appropriate to impose an eighteen-month period of ineligibility, less the one month provisional suspension already served. The start date of the ban was set back to the date of sample collection, 20 May 2012, and all sporting results obtained by the athlete from 20 May 2012 to the end of the sanction are invalidated.

The arbitral award will be published on the CAS website in the next few days.