Posts tonen met het label Bestuursrecht. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Bestuursrecht. Alle posts tonen

donderdag 22 december 2016

Ook tentoonstellen van in Frankrijk gecoupeerde paarden is verboden

College van Beroep voor hetbedrijfsleven 22 december 2016, ECLI:NL:CBB:2016:400

Diverse media berichten over deze uitspraak: o.a. hier, hier en hier.
De feiten
De Koninklijke Vereniging Nederlandse Trekpaard en De Haflinger (hierna: KVTH) organiseert onder andere keuringen en tentoonstellingen van trekpaarden en Haflingers. Op 25 juni 2016 hebben toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) een controle uitgevoerd tijdens de ‘Zeeuwse dag van het Paard’. Het rapport van bevindingen dateert van 6 juli 2016. De toezichthouders hebben voor zover van belang het volgende geconstateerd:
“Vooraf aan deze inspectie ontvingen wij de benodigde informatie waaronder een catalogus inzake de 47e Zeeuwse dag van het paard. De keuring op de ZEEUWSE DAG VAN HET PAARD wordt georganiseerd door de K.V.T.H. Afdeling Zeeland.
(…)
Wij zagen dat meerdere aan de keuringen deelnemende paarden een gecoupeerde staart hadden.
Ook zagen wij bij aanvang van het middagprogramma, het concour enkelspan trekpaarden, dat meerdere deelnemende paarden een gecoupeerde staart hadden. (…)
(…)
Van de deelnemende paarden aan de keuringen en het concour hebben wij foto’s gemaakt. Op deze foto’s is zichtbaar welke genummerde paarden een gecoupeerde staart hebben. Tevens is zichtbaar welke voor de genummerde wagen aangespannen paarden een gecoupeerde staart hebben.
(…)”

Voorts hebben de toezichthouders, zoals blijkt uit het rapport van bevindingen van 26 juli 2016, het volgende geconstateerd:
“Dit rapport van bevindingen is opgesteld naar aanleiding van de controle tijdens “De dag van het Zeeuwse paard” op 25-06-2016 en de inspectie (…) in het kader van Welzijn algemeen (…)
Tijdens de controle is de chip van het paard Cylia (…) uitgelezen, (…). Het paard is gecoupeerd.
(…)
Verder wordt ons een kopie overhandigd van de verklaring m.b.t. het couperen van Cylia (…). Volgens de verklaring is het couperen in Frankrijk bij dierenarts [naam 2] gebeurd op ??/06/07.
(…)
Opmerking (…):
(…)
Cylia is in Frankrijk gecoupeerd, ik heb daar een verklaring van en die zal ik jullie tonen. (…)
Ik laat mijn paarden zonder medische noodzaak couperen. Ik vind een paard zonder staart mooier. We hebben een legale weg gevonden om dit te doen.
Ik rij zelf met mijn auto en paardentrailer naar Frankrijk. De ingreep gebeurd door de dierenarts in Frankrijk.
(…)”

Bij brief van 29 juli 2016 heeft de staatssecretaris van Economische Zaken (hierna: verweerder) aan de KVTH een schriftelijke waarschuwing gegeven. Volgens verweerder zijn op 25 juni 2016 paarden toegelaten tot de keuring die gecoupeerd zijn zonder dat daarvoor een medische noodzaak bestond. Daarmee staat volgens verweerder vast dat de Afdeling Zeeland van de KVTH artikel 2.16, vierde lid, van de Wet dieren heeft overtreden. Gelet op deze overtreding wordt een schriftelijke waarschuwing gegeven.
Op 18, 19 en 20 augustus 2016 hebben toezichthouders van de NVWA controles uitgevoerd tijdens de door de KVTH georganiseerde 59e Nationale Tentoonstelling 2016 voor Trekpaarden en Haflingers. Het rapport van bevindingen dateert van 5 september 2016. De toezichthouders hebben voor zover van belang het volgende geconstateerd:
“Wij zagen dat meerdere aan de keuringen deelnemende paarden een gecoupeerde staart hadden.
Ook zagen wij dat tijdens de dressuurwedstrijd trekpaarden, dat een van de deelnemende paarden een gecoupeerde staart had.
(…)”

Bij brief van 6 september 2016 heeft verweerder aan de KVTH het voornemen kenbaar gemaakt een last onder dwangsom op te leggen ter voorkoming van herhaling van overtreding van artikel 2.16, vierde lid, van de Wet dieren. Deze last zal tevens gelden voor alle afdelingen van de KVTH. Vastgesteld is dat de KVTH en haar afdeling Zeeland tijdens de evenementen op 25 juni 2016 en 18,19 en 20 augustus 2016 een groot aantal paarden met gecoupeerde staarten tot de keuring toelieten. Uit nader onderzoek is gebleken dat van een aantal paarden de staart gecoupeerd is in het buitenland zonder dat daarvoor een diergeneeskundige noodzaak bestond. Dit is volgens verweerder een overtreding van artikel 2.16, vierde lid, van de Wet dieren. Tegen dit voornemen heeft de KVTH een zienswijze ingediend.

Relevante wetsartikelen
De Gezondheids- en welzijnswet dieren (Gwwd) luidde tot 1 juli 2014 voor zover van belang als volgt:
“Afdeling 2. Lichamelijke ingrepen bij dieren
Artikel 40
1. Het is verboden een of meer lichamelijke ingrepen bij een dier te verrichten, waarbij een deel of delen van het lichaam wordt of worden verwijderd of beschadigd.
2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op:
(…)
b. ingrepen waarvoor een diergeneeskundige noodzaak bestaat;
(…).

Artikel 41
1. Het is verboden deel te nemen aan tentoonstellingen, keuringen of wedstrijden met dieren waarbij een bij artikel 40 verboden ingreep is verricht.
2. Het is verboden dieren waarbij een bij artikel 40 verboden ingreep is verricht, tot een tentoonstelling, keuring of wedstrijd toe te laten.
3. Het ten verkoop in voorraad hebben, ten verkoop aanbieden, verkopen en kopen van dieren waarbij een bij artikel 40 verboden ingreep is verricht, is verboden.”

De Wet dieren luidt voor zover van belang als volgt:
“Artikel 1.1 Begripsbepalingen
(…)
- lichamelijke ingreep: ingreep bij een dier, waarbij de natuurlijke samenhang van levende weefsels wordt verbroken, met inbegrip van het afnemen van bloed en het geven van injecties, en met uitzondering van het doden van een dier;
(…)
Artikel 1.3. Intrinsieke waarde
1. De intrinsieke waarde van het dier wordt erkend.
2. Onder erkenning van de intrinsieke waarde als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan erkenning van de eigen waarde van dieren, zijnde wezens met gevoel. Bij het stellen van regels bij of krachtens deze wet, en het nemen van op die regels gebaseerde besluiten, wordt ten volle rekening gehouden met de gevolgen die deze regels of besluiten hebben voor deze intrinsieke waarde van het dier, onverminderd andere gerechtvaardigde belangen. Daarbij wordt er in elk geval in voorzien dat de inbreuk op de integriteit of het welzijn van dieren, verder dan redelijkerwijs noodzakelijk, wordt voorkomen en dat de zorg die de dieren redelijkerwijs behoeven is verzekerd.
3. Voor de toepassing van het tweede lid wordt tot de zorg die dieren redelijkerwijs behoeven in elk geval gerekend dat dieren zijn gevrijwaard van:
a. dorst, honger en onjuiste voeding;
b. fysiek en fysiologisch ongerief;
c. pijn, verwonding en ziektes;
d. angst en chronische stress;
e. beperking van hun natuurlijk gedrag;
voor zover zulks redelijkerwijs kan worden verlangd

Artikel 2.8. Diergeneeskundige handelingen
1. Het is verboden:
a. lichamelijke ingrepen te verrichten;
(…)
2 Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing ten aanzien van:
a. lichamelijke ingrepen waarvoor een diergeneeskundige noodzaak bestaat;
(…)

Artikel 2.16. Vertoning dieren
(…)
4. Het is verboden dieren waarbij een bij artikel 2.8 verboden lichamelijke ingreep is verricht, tot een tentoonstelling of keuring toe te laten.”

Rechtsvraag
Het College ziet zich gesteld voor de vraag of verweerder bij het bestreden besluit terecht heeft vastgesteld dat de KVTH artikel 2.16, vierde lid, van de Wet dieren heeft overtreden en derhalve bevoegd was terzake handhavend op te treden.

Oordeel College
Het College stelt vast dat het in artikel 2.16, vierde lid, van de Wet dieren genoemde tentoonstellings- en keuringsverbod verwijst naar de in artikel 2.8, eerste lid, onder a, van de Wet dieren genoemde verboden lichamelijke ingrepen. Zoals blijkt uit de Memorie van Toelichting strekt het verbod van artikel 2.16, vierde lid, van de Wet dieren tot ondersteuning van de handhaving van artikel 2.8, eerste lid, onder a, van de Wet dieren. De wetgever heeft in de Memorie van Toelichting verder nog opgemerkt dat de verboden van artikel 2.16 van de Wet dieren ook van toepassing zijn wanneer bij een dier in een ander land dan Nederland een op grond van artikel 2.8 van de Wet dieren illegale ingreep is verricht, mits de verrichte ingreep in het desbetreffende land ook verboden is. Hieruit leidt het College af dat de wetgever met de verwijzing naar artikel 2.8 van de Wet dieren niet heeft bedoeld om ook het tentoonstellings- en keuringsverbod van artikel 2.16, vierde lid, van de Wet dieren te beperken tot dieren waarbij de verboden lichamelijke ingrepen binnen de Nederlandse rechtsmacht zijn verricht, maar juist om aan dit verbod een zo wijd mogelijk toepassingsbereik te geven.
In het licht hiervan overweegt het College dat de wetgever met zijn verwijzing in de Memorie van Toelichting naar de uitzondering op grond van het gemeenschapsrecht voor dieren die een ingreep hebben ondergaan die in een andere EU-lidstaat is verricht en die naar het recht van die lidstaat is toegestaan, niet kan hebben bedoeld aan artikel 2.16, vierde lid, van de Wet dieren een strekking te geven die de mogelijkheid creëert het verbod te ontduiken. Ook aan de uitspraak van het College van 26 juni 2002 waaraan in de Memorie van Toelichting wordt gerefereerd kan een dergelijke uitleg niet worden toegekend. De uitleg die de KVTH aan artikel 2.16, vierde lid, van de Wet dieren geeft, inhoudende dat verweerder niet bevoegd is handhavend op te treden tegen het toelaten tot een keuring of tentoonstelling van paarden die zijn gecoupeerd in Frankrijk, waar deze ingreep niet is verboden, kan derhalve niet worden aanvaard voor zover het gaat om paarden waarvan duidelijk is dat zij enkel met het doel de verbodsbepaling van artikel 2.8, eerste lid, onder a, van de Wet dieren te ontduiken naar Frankrijk zijn gebracht om daar aan de door deze laatste bepaling in Nederland verboden lichamelijke ingreep te worden onderworpen. Het voorgaande is niet in strijd met het EU-recht. Hiertoe overweegt het College als volgt.
De KVTH betoogt dat verweerder het verbod van artikel 2.16, vierde lid, van de Wet dieren niet kan inroepen om te verhinderen dat paarden die zijn gecoupeerd in een land waar dit niet is verboden (zoals Frankrijk) worden toegelaten tot een keuring of een tentoonstelling in Nederland, omdat dat zou leiden tot een niet gerechtvaardigde beperking van het vrij verkeer van diensten in de zin van artikel 56 VWEU. Het Hof van Justitie van de EU (Hof) heeft na de uitspraak van het College van 26 juni 2002 geen andere uitleg gegeven aan de begrippen dwingende redenen van algemeen belang en openbare orde zoals bedoeld in de punten 40 en 41 van de considerans van de Dienstenrichtlijn waaruit kan worden afgeleid dat dit nu anders zou zijn.
Dierenwelzijn valt volgens de KVTH niet onder de begrippen dwingende redenen van algemeen belang en openbare orde, althans het couperen van de staart van een paard is geen duidelijk geval van een handeling waarbij het welzijn van het paard en zijn integriteit wordt geschaad en die moet worden beschouwd als een werkelijke en voldoende ernstige bedreiging van een fundamenteel belang van de samenleving. De staart van een trekpaard heeft als zodanig geen functie, is onhygiënisch, trekt juist insecten aan en kan de oorzaak zijn van infecties. Couperen van de staart is eenmalig en wordt door een dierenarts pijnloos en onder verdoving uitgevoerd. Couperen tast niet de kwaliteit van het leven van het paard aan. Het niet uitsluiten van gecoupeerde paarden op evenementen draagt niet bij aan het in stand houden van couperen. Het keuren van een paard staat geheel los van het al dan niet gecoupeerd zijn van de staart. Het doel van het tentoonstellingsverbod wordt niet bereikt en schiet zijn doel voorbij omdat de paarden waar het om gaat al zijn gecoupeerd. Het verbod is een onevenredig middel om het doel te bereiken. Verweerder zal zich dienen te richten tot de houders van paarden die het couperen (laten) uitvoeren. Met dit verbod worden bovendien ook niet gecoupeerde paarden getroffen. Het effectueren van het verbod leidt er immers toe dat de KVTH geen evenementen meer zal kunnen organiseren, aldus de KVTH.
Dit betoog van de KVTH moet worden verworpen.
Tussen partijen is niet in geschil dat het tentoonstellings- en keuringsverbod een beperking inhoudt van het vrij verkeer van diensten. Het vrij verkeer van diensten mag volgens vaste jurisprudentie van het Hof echter worden beperkt indien die beperking een met het Verdrag verenigbaar legitiem doel nastreeft en haar rechtvaardiging vindt in dwingende redenen van algemeen belang. De beperking moet voorts geschikt zijn ter bereiking van het ermee beoogde doel en mag niet verder gaan dan met het oog daarop noodzakelijk is (zaak C-76/90, Säger, van 24 juli 1991, ECLI:EU:C:1991:331, punt 15; en recent zaak C-98/14, Berlington Hungary, van 11 juni 2015, ECLI:EU:C:2015:386, punt 54 e.v.). Deze rechtspraak van het Hof is ook neergelegd in artikel 16 van de Dienstenrichtlijn. Bovendien kan een lidstaat, volgens vaste jurisprudentie van het Hof, er een gerechtvaardigd belang bij hebben te verhinderen dat de onderdanen van die lidstaat de krachtens het Verdrag geschapen mogelijkheden misbruiken om zich te onttrekken aan de werkingssfeer van hun nationale wetgeving (zaak 33/74, van Binsbergen, van 3 december 1974, ECLI:EU:C:1974:131, punt 13; zaak C-115/78, Knoors, van 7 februari 1979, ECLI:EU:C:1979:31, punt 25; en recent zaak C-475/12, UPC DTH, van 30 april 2014, ECLI:EU:C:2014:285, punt 76).
Zoals het Hof heeft overwogen is de bescherming van het dierenwelzijn een legitiem doel van algemeen belang waarvan het belang met name tot uitdrukking is gekomen in de vaststelling door de lidstaten van het aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gehechte protocol betreffende de bescherming en het welzijn van dieren (PB 1997, C 340, blz. 110) (zaak C-219/07, NRDL, van 19 juni 2008, ECLI:EU:C:2008:353). Ook de Dienstenrichtlijn noemt, in de punten 40 en 41 van de considerans, dierenwelzijn als dwingende reden van algemeen belang en vallend onder het begrip openbare orde.
Bij gebreke van een gemeenschappelijke regel onder het EU-recht zijn de lidstaten in beginsel vrij om de beleidsdoelstellingen op het gebied van het dierenwelzijn te bepalen en het gewenste beschermingsniveau binnen de nationale rechtsorde nauwkeurig te omlijnen (zaak C-131/93, Commissie v. Duitsland (zoetwaterkreeften), van 13 juli 1994, ECLI:EU:C:1994:290, punten 15 en 16; zie ook zaak C-98/14, Berlington Hungary, van 11 juni 2015, ECLI:EU:C:2015:386, punt 56). De Nederlandse wetgever heeft bepaald dat het couperen van de staart van een paard moet worden beschouwd als een verboden lichamelijke ingreep in de zin van artikel 2.8, eerste lid, van de Wet dieren. Hij heeft het dienstig geacht dit verbod te ondersteunen met een verbod van artikel 2.16, vierde lid, van de Wet dieren om dieren toe te laten tot keuringen en tentoonstellingen. Daarmee heeft de wetgever naar het oordeel van het College geen onredelijke invulling gegeven aan de hem toekomende beoordelingsruimte. Wat de KVTH betoogt over de zeer geringe mate waarin het couperen van de staart van een paard het welzijn van een paard beperkt, wat daar ook van zij, kan hieraan niet afdoen. Omdat, zoals verweerder opmerkt, het keuren en tentoonstellen van gecoupeerde paarden leidt tot profilering van deze dieren, wat tot gevolg kan hebben dat ook andere eigenaren van paarden hun dieren willen laten couperen, is het verbod van artikel 2.16, vierde lid, van de Wet dieren een geschikt middel om het coupeerverbod te ondersteunen. Het verbod gaat niet verder dan hetgeen noodzakelijk is, omdat het verbod enkel het tentoonstellen of keuren van paarden verbiedt die een verboden lichamelijke ingreep hebben ondergaan. Voor zover de KVTH zich beroept op de uitspraak van het College van 26 juni 2002, waar het College oordeelde dat het tentoonstellingsverbod niet noodzakelijk was met het oog op het welzijn of de gezondheid van dieren die rechtmatig zijn gecoupeerd, aangezien de ingreep bij deze dieren reeds had plaatsgevonden, oordeelt het College dat uit deze uitspraak, noch uit het EU-recht, een verplichting voortvloeit voor verweerder om een dier dat uitsluitend met de bedoeling het verbod van artikel 2.8, eerste lid, van de Wet dieren te ontduiken, met gebruikmaking van het vrij verkeer wordt overgebracht naar een andere EU-lidstaat waar dit verbod niet geldt, zoals bijvoorbeeld Frankrijk, om daar te worden onderworpen aan een in Nederland verboden lichamelijke ingreep, gelijk te stellen aan een dier dat aantoonbaar een band heeft met een andere EU-lidstaat en aldaar rechtmatig en niet in strijd met enig verbod is gecoupeerd.
Uit het controlerapport van de NVWA van 25 juni 2016 en uit hetgeen door partijen ter zitting is verklaard, volgt dat sommige eigenaren dan wel houders van paarden die hun dieren in Nederland laten keuren of tentoonstellen, hun paarden naar Frankrijk brengen met als enig doel om de paarden daar te laten couperen teneinde zich te onttrekken aan de nationale wetgeving, terwijl daarvoor geen medische noodzaak is. Bij de door verweerder op de keuringen van de KVTH aangetroffen paarden, is, gelet op de verklaringen van de houders en eigenaren, naar het oordeel van het College gebruik gemaakt van een dergelijke gelegenheidsconstructie.
Gelet op wat hiervoor is overwogen staat naar het oordeel van het College vast dat de overtreding van artikel 2.16, vierde lid, van de Wet dieren is begaan, en dat verweerder bevoegd was daar tegen op te treden. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder had behoren af te zien van handhavend optreden is naar het oordeel van het College geen sprake.

dinsdag 8 juli 2014

Onrechtmatige hinder door voetbalkooi naast woningen


De feiten
Eisers wonen allen aan, of in de omgeving van de straat [adres] in [woonplaats].
De Gemeente is eigenaar van een perceel grond aan het [adres] in [woonplaats]. Op dit perceel grond is een zogenoemde voetbalkooi gelegen. Deze kooi heeft een ondergrond van geluiddempend kunstgras. In de kooi zijn twee doelen geplaatst. Naast de voetbalkooi is een aantal speeltoestellen voor jonge kinderen geplaatst. Voor de voetbalkooi geldt een toegangsverbod tussen 22.00 en 6.00 uur.
De voetbalkooi bevindt zich met de lange zijde, die 19,5 meter lang is, op een afstand van ongeveer vier meter, parallel aan de lange zijde van de woning van [eiser sub 1].
Tussen eisers sub 1, sub 2 en sub 3 als eisers enerzijds en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veenendaal als verweerder anderzijds, hebben procedures (met zaaknummers UTR 12/2875, UTR 12/3161 en UTR 12/3182) plaatsgevonden bij de bestuursrechter van deze rechtbank. Deze procedures resulteerden gezamenlijk in een uitspraak van dezerechtbank van 2 mei 2013 (ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ9538). De gang van zaken voorafgaand aan deze procedure wordt hierna beschreven.
Bij besluit van 7 juli 2011 (door de bestuursrechter van deze rechtbank aangeduid als het primaire besluit; waarover later meer) heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veenendaal het verzoek van [eiser sub 1] om handhavend op te treden tegen – kort gezegd – geluidsoverlast veroorzaakt door het gebruik van de voetbalkooi, afgewezen. Tegen dit besluit heeft [eiser sub 1] bezwaar gemaakt.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veenendaal heeft het bezwaar van [eiser sub 1] (door de bestuursrechter van deze rechtbank aangeduid als het bestreden besluit 1) tegen de weigering van het college om handhavend op te treden tegen – kort gezegd – geluidsoverlast veroorzaakt door het gebruik van de voetbalkooi, gegrond verklaard bij besluit van 14 augustus 2012. In dit besluit is tevens opgenomen het voornemen van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veenendaal om handhavend op te treden.
Eveneens op 14 augustus 2012 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veenendaal ontheffing verleend aan de Gemeente van het verbod tot het veroorzaken van geluidhinder als bedoeld in artikel 4:6 lid 3 van de Algemene Plaatselijke Verordening (door de bestuursrechter van deze rechtbank aangeduid als het bestreden besluit 2). Hierdoor behoefde de Gemeente, als bestuursorgaan, niet langer handhavend op te treden tegen geluidsoverlast. Deze wijze van opereren is door de bestuursrechter van deze rechtbank niet goed bevonden. Hij heeft zowel besluit 1 als besluit 2 vernietigd.
2.8.
De inhoud van de uitspraak van de bestuursrechter van 2 mei 2013 luidt – voor zover relevant – als volgt:
“(…)
Procesverloop
Bij besluit van 7 juli 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser 1. ([eiser sub 1], eiser sub 1 in dit kort geding; voorzieningenrechter) om handhavend op te treden tegen (voortdurende) geluidsoverlast veroorzaakt door het gebruik van de voetbalkooi aan het [adres] te [woonplaats] afgewezen.
Bij besluit van 14 augustus 2012 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eiser 1 gegrond verklaard. Verder is besloten alsnog over te gaan tot handhavend optreden tegen de door de voetbalkooi veroorzaakte geluidsoverlast.
Bij besluit van eveneens 14 augustus 2012 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder aan de gemeente Veenendaal ontheffing verleend van het verbod tot het veroorzaken van geluidhinder als bedoeld in artikel 4:6, derde lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV).
Eiser 1 heeft tegen beide besluiten van 14 augustus 2012 beroep ingesteld. Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder nummer UTR 12/2875.
Eisers 2 en 3 hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit 2. Deze beroepen zijn geregistreerd onder nummers UTR 12/3161 ([eiser sub 2]) en UTR 12/3182 ([eiser sub 3]).
(…)
De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.
13. Na de uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 december 2011 in zaak SBR 11/2552, heeft verweerder onderzoek laten verrichten naar de vraag in hoeverre het gebruik van de voetbalkooi aan het [adres] leidt tot geluidhinder in de zin van de APV. De resultaten uit dit onderzoek hebben er toe geleid dat tussen partijen niet meer in geschil is, en ook voor de rechtbank vaststaat, dat er inderdaad sprake is van geluidhinder als gevolg van het gebruik van bedoelde voetbalkooi.
(…)
Conclusie
21. Het beroep van eiser 1 tegen zowel het bestreden besluit 1 als het bestreden besluit 2 is gegrond.
(…)
22. Het beroep van eisers 2 en 3 tegen het bestreden besluit 2 is eveneens gegrond.
(…)
23. Hoe nu verder? Verweerder zal nieuwe besluiten dienen te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Verweerder zal alle denkbare opties de revue moeten laten passeren om te komen tot een redelijker oplossing. Daaronder valt ook de mogelijkheid van verplaatsing van de voetbalkooi. Indien dit na een gedegen onderzoek geen reële oplossing zal blijken te zijn, bijvoorbeeld vanwege een gebrek aan geschikte locaties of de met verplaatsing gemoeide kosten, dan zal verweerder moeten beoordelen op welke wijze de overlast van de voetbalkooi aan het [adres] verder kan worden ingeperkt. Dit kan een combinatie van maatregelen zijn. Te denken valt aan het eiser 1 geboden pakket aan voorzieningen, in samenhang met een ontheffing onder voorschriften, en een (verdere) inperking van de openingstijden, zoals ook ter zitting van de rechtbank met partijen is besproken. Eiser 1 zal zich daarbij moeten realiseren dat hij enige overlast zal moeten dulden.
(…)”

Bij besluit van 11 juni 2013 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veenendaal een hernieuwd verzoek van [eiser sub 1] om handhavend op te treden, afgewezen.
Zowel [eiser sub 1] als het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veenendaal is in hoger beroep gekomen van de uitspraak van de rechtbank bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. In die procedure zijn tevens eiser sub 2 en sub 3 als partijen betrokken geweest. Op grond van artikel 6:24 in samenhang met artikel 6:19 lid 1 AWB maakte het door [eiser sub 1] tegen het besluit van 11 juni 2013 gemaakte bezwaar van rechtswege deel uit van de procedure bij de Afdeling. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 5 maart 2014 (ECLI:NL:RvS:2014:731JB 2014, 81) de uitspraak van de rechtbank van 2 mei 2013 bevestigd, maar heeft daarbij tevens het beroep van [eiser sub 1] – en kennelijk uitgaande van een beroep van [eiser sub 2] en [eiser sub 3]– en [eiser sub 2] en [eiser sub 3] tegen het besluit van 11 juni 2013 met daarin de weigering tot handhaving over te gaan, ongegrond verklaard.

Het geschil
 [eisers c.s.] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, en met veroordeling van de Gemeente in de proceskosten de Gemeente te bevelen om de voetbalkooi geheel af te (doen) sluiten totdat met eisers overeenstemming is bereikt over de voorwaarden waaronder de voetbalkooi gebruikt mag worden.

De beoordeling
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de Gemeente in dit kort geding optreedt in hoedanigheid van privaatrechtelijke eigenaar van het perceel grond dat naast de percelen van [eisers c.s.] is gelegen en waarop de voetbalkooi is gelegen.
De Gemeente betoogt, onder verwijzing naar het Gorsselse Bomen-arrest (HR 28 april 1961, NJ 1961, 433), dat de door [eisers c.s.] ingeroepen bepalingen van burenrecht niet onverkort geldt voor erven met een publieke bestemming. Dit beroep van de Gemeente faalt. De bepalingen betreffende de rechten en verplichtingen van de eigenaren van naburige erven, kort gezegd bepalingen van burenrecht, vinden alleen dan geen toepassing als de toepassing van deze bepalingen onverenigbaar is met de bestemming van onroerende zaken ten openbare nutte of met de voorzieningen welke met het oog op de verwezenlijking van de ten openbare nutte gegeven bestemming zijn vereist. In dit geval is er geen sprake van de verwezenlijking van de ten openbare nutte gegeven bestemming die alleen gediend kan worden door inbreuk te maken op de belangen van [eisers c.s.] In het bestek van dit kort geding heeft de Gemeente niet gesteld dat zwaarwegende maatschappelijke belangen meebrengen dat [eisers c.s.] (met name) in de avonduren en op zondag onrechtmatige hinder heeft te dulden. Dat dit niet is gesteld klemt omdat er binnen de gemeente Veenendaal meerdere voetbalkooien zijn ingericht, waarvan twee kooien zich binnen een straal van 750 meter van de voetbalkooi aan het [adres] bevinden. Zo onderkent ook de Gemeente. De twee andere voetbalkooien zijn, zo is ter terechtzitting aan de orde gekomen, op enige afstand van bebouwing gelegen en brengen daardoor geen hinder teweeg voor omwonenden. Bovendien bevinden deze andere voetbalkooien zich op een afstand die eenvoudig overbrugbaar is voor jongeren die, gelet op hun leeftijd, in de avonduren en op zondagen gebruik willen (en van hun ouders mogen) maken van deze andere voetbalkooien.
Bezien in het licht van het voorgaande valt zonder nadere toelichting, die niet door de Gemeente is gegeven, niet in te zien dat openstelling van de voetbalkooi aan het [adres] in de avonduren en op zondag vereist is voor de verwezenlijking van de daaraan door de Gemeente ten openbare nutte gegeven bestemming, met name die in het kader van haar Speelruimteplan 2008-2012. De voorzieningenrechter is op grond van het voorgaande van oordeel dat de bepalingen van burenrecht onverkort opgeld doen. Daarom dient onderhavig geschil beoordeeld te worden aan de hand van het burenrecht zoals dit is geregeld in – met name – boek 5 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en artikel 6:162 BW. Van belang hierbij is dat alleen [eiser sub 1] zich kan beroepen op artikel 5:37 BW omdat hij eigenaar is van het naast het perceel van de Gemeente gelegen erf. Toepassing van artikel 5:37 BW brengt mee dat de Gemeente, als eigenaar van het perceel met daarop de voetbalkooi, aan [eiser sub 1] geen hinder mag toebrengen in een mate of op een wijze die onrechtmatig is in de zin van artikel 6:162 BW. De vorderingen van eisers sub 2 tot en met 7 zullen, omdat zij geen eigenaren zijn van aangrenzende erven, worden beoordeeld aan de hand van artikel 6:162 BW.
Partijen zijn het erover eens dat [eisers c.s.] hinder ondervindt van jongeren die in en rond de voetbalkooi spelen, dan wel zich in de omgeving van die kooi ophouden. Zij verschillen echter van mening over het antwoord op de vraag of deze hinder onrechtmatig is jegens [eisers c.s.] De beantwoording van de vraag of het toebrengen van hinder onrechtmatig is, hangt af van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor toegebrachte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waaronder ook de plaatselijke omstandigheden (vgl. Hoge Raad 3 mei 1991, NJ 1991, 476).
Eisers sub 1,2 en 3 hebben vanaf 2011 in diverse bestuursrechtelijke procedures getracht het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veenendaal aan te sporen tot handhavend optreden om de door hen ervaren overlast te beperken of weg te nemen. Deze pogingen duren reeds enkele jaren, maar zijn onsuccesvol gebleken (mede) als gevolg van het feit dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veenendaal ontheffing heeft verleend aan de Gemeente van het verbod tot het veroorzaken van geluidhinder als bedoeld in artikel 4:6 lid 3 van de Algemene Plaatselijke Verordening. Dat aan de Gemeente de genoemde ontheffing is verleend door openbare sport- en speelvoorzieningen en terreinen uit te zonderen van het verbod op – kort gezegd – het veroorzaken van geluidsoverlast, brengt niet zonder meer mee dat de veroorzaakte hinder niet onrechtmatig is of kan zijn jegens – in dit geval - [eisers c.s.]
Ter onderbouwing van zijn stelling dat de door hem ondervonden hinder onrechtmatig is in de zin van de artikelen 5:37 en 6:162 BW, heeft [eisers c.s.] onder meer een drietal rapportages overgelegd met daarin de resultaten van akoestische onderzoeken. Het eerste onderzoek is in opdracht van [eiser sub 1] verricht door onderzoeksbureau LBP Sight. De overige twee onderzoeken zijn in opdracht van de Gemeente verricht door onderzoeksbureau Peutz. Voorts heeft de echtgenote van [eiser sub 1] ter terechtzitting een toelichting gegeven en een tweetal filmpjes getoond van jongeren die in en rond de voetbalkooi spelen.
Onderzoeksbureau LBP Sight komt in haar onderzoeksrapport tot de conclusie dat de locatie van de voetbalkooi onverenigbaar is met de nabijgelegen woningen. Verder is volgens [eisers c.s.] van belang dat de geluidwaarden die LBP Sight heeft gemeten, lager liggen dan de waarden die Peutz heeft gemeten in opdracht van de Gemeente. Uit de resultaten van deze onderzoeksrapporten blijkt volgens [eisers c.s.] dat er sprake is van een sterke overschrijding van waarden die in de milieuwetgeving als maximaal toelaatbaar worden beschouwd.
 [eisers c.s.] heeft in het bestek van dit kort geding voldoende aannemelijk gemaakt dat hij vrijwel dagelijks geluidhinder ondervindt van jongeren die op luidruchtige wijze voetbal spelen in de voetbalkooi en van oudere jongeren die met scooters, brommers en auto’s naar de voetbalkooi komen en zich daar ophouden. Dit wordt door de Gemeente grotendeels onderkend. Verder heeft de Gemeente niet weersproken dat [eiser sub 1] trillinghinder ondervindt van ballen die stuiteren op de grond en dat er sprake is van geluidhinder door het geluid van ballen die tegen het gaas van de kooi komen of die een paal of doel raken. Dit voorgaande blijkt ook uit de ter terechtzitting getoonde filmpjes. Daarop is te zien en te horen dat jongeren die voetbal spelen veel en hard schreeuwen en joelen en dat ballen tegen het gaas van de kooi komen en de regelmatig de doelen in de voetbalkooi raken. Bij het voorgaande komt dat de Gemeente niet weerspreekt dat [eisers c.s.] zich geïntimideerd voelt door de jongeren die om 22.00 uur het speelterrein niet willen verlaten op het moment dat [eisers c.s.] dit verzoekt. In de week voorafgaand aan de terechtzitting is, zoals [eiser sub 1] onweersproken heeft aangevoerd, door jongeren een fles tegen de gevel van zijn huis gegooid nadat [eiser sub 1] hen had verzocht de voetbalkooi te verlaten. Deze daad van de jongeren is op [eiser sub 1] en zijn echtgenote naar eigen zeggen intimiderend overgekomen.
Verder blijkt uit de overgelegde onderzoeksrapporten van LBP Sight en Peutz dat sprake is van overschrijding van geluidsnormen zoals deze gangbaar zijn in milieuwetgeving. De vraag of hoe groot deze overschrijding voor ieder van eisers is en of de door [eisers c.s.] genoemde wettelijke bepalingen (analoge) toepassing vinden, behoeft geen beantwoording.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat [eisers c.s.] dagelijks hinder ondervindt van het rumoer dat wordt veroorzaakt door het geschreeuw en gejoel van jongeren die zich in en nabij de voetbalkooi ophouden en als gevolg van trillingen die worden veroorzaakt door ballen die het gaas van de kooi en de doelen raken. Voorts is duidelijk dat de kinderen van [eiser sub 1] slecht slapen door deze hinder en daardoor slaperig op school verschijnen en dat [eisers c.s.] wordt geïntimideerd door jongeren die zich na de – thans geldende – sluitingstijd van 22.00 uur in en rond de voetbalkooi ophouden. Deze hinder als gevolg van rumoer en trillingen heeft, zo is door hem voldoende onderbouwd gesteld, invloed op het functioneren van hem en zijn gezinsleden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is deze hinder onrechtmatig jegens [eisers c.s.] en dient deze hinder te worden beëindigd.
Gelet op de hiervoor aannemelijk geoordeelde dagelijkse hinder en de invloed daarvan op het (gezins)leven van [eisers c.s.] en gelet op het feit dat de Gemeente weigert vrijwillig de hinder bij de bron aan te pakken door de openingstijden te beperken, heeft [eisers c.s.] een voldoende spoedeisend belang bij de gevorderde voorzieningen. Onder de hiervoor genoemde omstandigheden kan niet van [eisers c.s.] worden verlangd dat hij een bodemprocedure aanhangig maakt om te (laten) bepalen welke maatregelen er genomen moeten worden om de hinder te verminderen of te beëindigen. Dat [eisers c.s.] reeds geruime tijd in de omgeving van de voetbalkooi woont en de Gemeente in 2012 heeft aangeboden geluidwerende voorzieningen aan de woning van [eiser sub 1] aan te brengen, ontneemt niet het spoedeisend belang van [eisers c.s.] bij zijn vorderingen, zoals de Gemeente betoogt. Haar verweren falen en worden daarom verworpen.
Hetgeen de Gemeente heeft aangevoerd over het aanbrengen van geluidwerende voorzieningen in en aan de woning van [eiser sub 1] en de invloed daarvan op de geluidshinder zoals [eiser sub 1] thans ervaart, behoeft geen bespreking. [eiser sub 1] en de Gemeente zijn het immers niet eens over de (rand)voorwaarden waaronder overeenstemming zou kunnen worden bereikt over het aanbrengen van genoemde voorzieningen. Daarbij komt dat het aanbrengen van geluidwerende voorzieningen aan de woning van [eiser sub 1] onverlet laat dat andere omwonenden, onder wie eisers 2 tot en met 7, hinder (kunnen) blijven ondervinden.
Wel wordt nog het volgende overwogen. Waar de Gemeente ter terechtzitting te kennen heeft gegeven dat zij haar aanbod tot het aanbrengen van geluidwerende voorzieningen in en aan de woning van [eiser sub 1] en het plaatsen van een geluidwerend scherm tussen de woning van [eiser sub 1] en de voetbalkooi gestand doet, mag van de Gemeente worden verwacht dat zij de onderhandelingen over het aanbrengen en aanleggen van deze voorzieningen uitermate voortvarend ter hand neemt. Dit met name om ook de hinder die [eisers c.s.] (mogelijk) overdag ondervindt, zo spoedig mogelijk te beëindigen. Bij de te voeren onderhandelingen kan de Gemeente in redelijkheid niet van [eiser sub 1] verwachten dat hij jegens de Gemeente afstand doet van het hem toekomende (proces)recht om op te komen voor zijn belangen waar het overlast van de voetbalkooi betreft.
De overige door de Gemeente gevoerde verweren omtrent bestuursrechtelijke handhaving en de door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veenendaal aangeboden geluidwerende maatregelen, behoeven geen bespreking omdat zij, zoals hiervoor is overwogen, in hoedanigheid van privaatrechtelijke eigenaar van de percelen optreedt.
4.14.
Gelet op het belang van de Gemeente bij de uitvoering van haar Speelruimteplan 2008-2012 en van de gebruikers van de voetbalkooi en speelplaats bij de mogelijkheid om van de faciliteiten gebruik te maken, acht de voorzieningenrechter algehele sluiting van de voetbalkooi niet geraden. Uit de stellingen van [eisers c.s.] en de toelichting daarop ter terechtzitting maakt de voorzieningenrechter op dat de ondervonden hinder zich met name concentreert op de uren na 19.00 ’s avonds en op de gehele zondag en niet op hinder van spelende kinderen in de uren na schooltijd. Als het mindere van het primair gevorderde zal daarom, rekening houdend met de belangen van de Gemeente enerzijds en de belangen van [eisers c.s.] bij ongestoord woongenot en gebruik van zijn tuin anderzijds, de sluiting van de voetbalkooi worden bevolen vanaf 19.00 uur tot 6.00 uur in de morgen op de dagen van maandag tot en met zaterdag en op de gehele zondag.
De Gemeente zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eisers c.s.] worden begroot op:
- dagvaarding € 93,79
- griffierecht 282,00
- salaris advocaat 816,00
Totaal € 1.191,79

De beslissing
De voorzieningenrechter
- beveelt de Gemeente om binnen vierentwintig uren na betekening van dit vonnis de voetbalkooi aan het [adres] te [woonplaats] af te (doen) sluiten vanaf 19.00 uur tot 6.00 uur van maandag tot en met zaterdag en op de gehele zondag, totdat partijen overeenstemming hebben bereikt over de voorwaarden waaronder de voetbalkooi mag gebruikt mag worden,
- veroordeelt de Gemeente in de proceskosten, aan de zijde van [eisers c.s.] tot op heden begroot op € 1.191,79,
- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

- wijst het meer of anders gevorderde af.

donderdag 19 september 2013

Kort geding verloren door Ajax fans: Geen buscombi-regeling voor Ajax-supporters

KG rechtbank Osst Brabant, 19 september 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:5173
De gemeente Eindhoven hoeft niet in te stemmen met een buscombi-regeling voor Ajax-supporters. Dat betekent dat zij de wedstrijd PSV-Ajax op 22 september a.s. niet kunnen bijwonen. Dat is de uitkomst van een kort geding bij de rechtbank Oost-Brabant dat Ajax, supportersclub AFCA en de supportersvereniging Ajax aanspanden tegen de gemeente Eindhoven. Ajax vroeg de rechter de burgemeester van Eindhoven te bevelen een besluit te nemen waarbij aan Ajax-supporters de mogelijkheid wordt geboden de wedstrijd PSV-Ajax aanstaande zondag bij te wonen onder verplichtstelling van een buscombi-regeling. Een treincombi-regeling die normaalgesproken verplicht zou zijn bij deze wedstrijd kan niet worden uitgevoerd. De Nederlandse Spoorwegen en ProRail voeren zondag namelijk werkzaamheden uit aan de spoortunnel ter hoogte van Best waardoor er geen treinverkeer mogelijk is aan de noordzijde van Eindhoven. Ajax en de NS hebben uitvoerig overlegd over mogelijke alternatieven over het spoor, maar die bleken niet haalbaar. Ajax heeft de gemeente Eindhoven vervolgens voorgesteld gebruik te maken van een buscombi-regeling, maar dat voorstel wees burgemeester Van Gijzel van de hand, mede naar aanleiding van een veiligheidsanalyse van de politie. Volgens Ajax is de opstelling van burgemeester Van Gijzel onaanvaardbaar, onjuist en in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid nu hij vasthoudt aan de treincombi-regeling ook al is er een passend alternatief aanwezig, namelijk de buscombi-regeling. De Amsterdamse lokale (sub)driehoek (met politie, burgemeester en openbaar ministerie) geeft zonder meer groen licht voor een buscombi vanuit Amsterdam naar Eindhoven. De leden van die driehoek maken zich juist zorgen over de verstoring van de openbare orde en de veiligheidsrisico’s die in en rond PSV-stadion kunnen ontstaan door het weigeren van Ajaxsupporters. Volgens Ajax is niet gebleken dat burgemeester Van Gijzel hiermee rekening heeft gehouden.

Oordeel rechter 

De burgemeester is volgens de wet belast met de handhaving van de openbare orde. Daarbij heeft hij de vrijheid om eigen afwegingen te maken. Een rechter mag niet op de stoel van de burgemeester gaan zitten en moet van de wetgever heel terughoudend toetsen. Daarom mag de rechter zich er niet over uitspreken of Van Gijzel terechte argumenten aanvoert in verband met gevaar voor de openbare orde. De voorzieningenrechter mag ook niet bepalen of moet worden vastgehouden aan de opgelegde treincombi of dat kan worden volstaan met een buscombi. De rechter kan in dit kort geding alleen de vraag beantwoorden of burgemeester Van Gijzel binnen zijn bevoegdheden heeft kunnen oordelen dat het bijwonen van de wedstrijd door de Ajax-supporters met een buscombiregeling teveel risico’s met zich brengt voor de openbare orde, of dat de weigering om genoegen te nemen met een buscombi-regeling als willekeur moet worden gekwalificeerd. De adviezen van de districtschef van de politie zijn doorslaggevend geweest voor het oordeel van burgemeester Van Gijzel. Op grond van deze adviezen, die Ajax niet inhoudelijk heeft betwist, heeft burgemeester Van Gijzel kunnen oordelen dat vanuit het perspectief van de openbare orde vervoer met bussen geen reële optie is. Het valt de rechter wel op dat de districtchef in zijn advies van 11 september 2013 minder stellig is dat een buscombi-regeling geen reële optie is dan in zijn advies van 17 september 2013. In beide adviezen adviseert de districtschef echter vast te houden aan de geplande treincombiregeling. De districtchef raadt een buscombi-regeling af omdat er geen structurele fysieke afscheiding is voor de ontvangst van de supporters per bus tijdens risicowedstrijden bij het PSV-stadion waardoor het risico op een confrontatie tussen de beide supportersgroepen aanmerkelijk vergroot wordt. Die fysieke afscheiding is wel aanwezig als de supporters van Ajax met de trein reizen. Bovendien leidt de in- en uitstroom van Ajax-supporters per bus door Eindhoven tot een verhoogd risico voor een treffen met PSV-aanhangers. De voorzieningenrechter kan deze opmerkingen van de districtchef niet negeren. De rechter oordeelt daarom dat er onvoldoende garanties zijn dat de openbare orde gewaarborgd is als de rechter het verzoek van Ajax zou toewijzen. De voorzieningenrechter kan ook geen andere voorziening toewijzen die tegemoet komt aan de wens van Ajax dat de supporters van Ajax de wedstrijd PSV-Ajax op 22 september 2013 kunnen bijwonen en tegelijkertijd voldoende garanties geeft voor de openbare orde. Het betoog van Ajax dat de openbare orde juist dreigt te worden verstoord als de supporters van Ajax de wedstrijd niet kunnen bijwonen, vindt geen basis in het dossier. De rechtbank begrijpt dat de uitspraak zuur is voor de supporters van Ajax die niet verantwoordelijk zijn voor de ontstane situatie, “maar het is niet anders”, aldus de rechtbank.

Bron: Rechtspraak.nl

zaterdag 16 maart 2013

Memorie van toelichting aanscherping van de aanpak van voetbalvandalisme en ernstige overlast



Dit wetsvoorstel voorziet – in lijn met de eerdergenoemde brief en het regeerakkoord - in de aanpassingen om de in de praktijk en de evaluatie gesignaleerde knelpunten weg te nemen. In de eerste plaats bevat dit wetsvoorstel een wijziging van artikel 172a van de Gemeentewet zodat de burgemeester ook aan zogenaamde ‘first offenders’ die voor overlast hebben gezorgd een burgemeestersbevel, inhoudende een gebiedsverbod, groepsverbod of een meldplicht, voor een langere duur kan opleggen. Daarnaast introduceert dit wetsvoorstel een (expliciete) mogelijkheid om meldplichten anders dan door een melding op één bepaalde plaats ten uitvoer te leggen. Deze wijziging vloeit voort uit de wens in de praktijk om technische mogelijkheden te benutten om de uitvoering van de meldplicht te verbeteren. Ook voorziet dit wetsvoorstel in de mogelijkheid voor burgemeesters om naar aanleiding van door de KNVB of een voetbalclub opgelegd stadionverbod te ‘versterken’ met een gebiedsverbod, groepsverbod of meldplicht. Tot slot wordt het mogelijk gemaakt dat een burgemeestersbevel op grond van artikel 172a van de Gemeentewet niet meer voor een aaneengesloten termijn hoeft te worden opgelegd en wordt voorgesteld de maximale duur van de rechterlijke vrijheidsbeperkende maatregel te verhogen van twee naar vijf jaar. 

De MvT staat HIER

Het wetsvoorstel staat HIER

donderdag 11 oktober 2012

Intrekking cassatieberoep staatssecretaris: Profvoetballer verrichtte persoonlijke werkzaamheden op buitenlands trainingskamp

Intrekking cassatieberoep staatssecretaris van 21 september in lopende procedure Hoge Raad nr. 2012/03814 n.a.v. uitspraak Hof Den Bosch van 29 juni 2012, nr. 2012/00024
A is beroepsvoetballer. Hij woonde in 2002 in Nederland en was in dienstbetrekking werkzaam. Uit hoofde daarvan genoot A een loon dat mede bestond uit een basissalaris. In 2002 verbleef A met zijn club in Spanje en Thailand wegens aldaar georganiseerde trainingskampen. Tijdens die trainingskampen werden (vriendschappelijke) oefenwedstrijden gespeeld. Die wedstrijden waren toegankelijk voor het publiek.
In geschil is of A recht heeft op belastingvrijstelling t.z.v. het aan de die trainingskampen toerekenbare deel van het basissalaris.
RechtbankDe rechtbank heeft die vraag ontkennend beantwoord, omdat die trainingskampen, waaronder de bedoelde wedstrijden, waren gericht op training en niet op het publiek. Daarom heeft A geen persoonlijke werkzaamheden als zodanig verricht in Spanje en Thailand en heeft hij geen recht op de bedoelde belastingvrijstelling.
HofHet hof stelt A echter in het gelijk. Onder verwijzing naar het arrest 9 februari 2007 nr. 41 478 wordt geoordeeld dat in de omstandigheden van het geval niet anders kan worden geoordeeld dan dat A persoonlijke werkzaamheden als zodanig heeft verricht. Het hof vindt dat er geen reden is om A in dit verband anders te behandelen dan de sporter uit genoemd arrest.
De staatssecretaris laat weten dat hij zijn cassatieberoep heeft ingetrokken. Ter toelichting merkt hij het volgende op.
In het onderhavige geval verbleef belanghebbende in het kader van zijn dienstbetrekking bij X nv ten dele in het buitenland. Hij verbleef onder meer gedurende tien dagen in Spanje en gedurende twaalf dagen in Thailand wegens aldaar georganiseerde trainingskampen. Tijdens het trainingskamp in Spanje heeft X oefenwedstrijden gespeeld tegen onder meer Y. en Z. Tijdens het trainingskamp in Thailand is onder andere een vriendschappelijke wedstrijd gespeeld tegen het nationale elftal van Thailand. Al deze wedstrijden waren toegankelijk voor publiek.
In het arrest van 9 februari 2007, nr. 41 478, BNB 2007/144c*, was sprake van een sporter, die onder meer tien dagen in Spanje verbleef. In Spanje bestonden zijn werkzaamheden uit trainingsarbeid, het uitdragen van de sponsornaam en het onderhouden van contacten met de pers. De Hoge Raad besliste dat een vermindering ter voorkoming van dubbele belasting moest worden verleend. Gelet op dit arrest meen ik dat van het doorzetten van het beroep in cassatie geen succes is te verwachten. Er is in het onderhavige geval geen sprake van uitsluitend een trainingskamp in een ander land zonder enig publieksgericht optreden.
2012/03814 HR
Bvdb en Verdrag Spanje 18 en Thailand 17

Bron: HIER

woensdag 12 september 2012

Terechte vereenzelviging door belastingdienst van voetbalvereniging en stichting die spelers uitbetaalt



De feiten
Belanghebbende is een amateurvoetbalvereniging te Y. In 2002 is "Stichting A" (hierna de Stichting) opgericht. De Stichting heeft ten doel het bevorderen van de sportbeoefening bij belanghebbende. Tussen belanghebbende en de Stichting is hierover een overeenkomst gesloten. Een speler die bij belanghebbende in de A-selectie komt spelen, sluit een overeenkomst met belanghebbende en een overeenkomst met de Stichting.
De belastingdienst is van mening dat er loonbelasting moet worden ingehouden, daar is het belanghebbende niet mee eens. De rechtbank stelt de belastingdienst in het gelijk. Tegen die uitspraak stelt de vereniging beroep in.

Het geschil
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag:
Is de naheffingsaanslag terecht opgelegd?

Stellingen en oordeel gerechtshof
Belanghebbende stelt dat tussen belanghebbende en de spelers geen dienstbetrekking bestaat.
Belanghebbende (de voetbalvereniging) is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.
Belanghebbende stelt primair, dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd, omdat tussen belanghebbende en de spelers geen dienstbetrekking bestaat. Subsidiair stelt belanghebbende dat indien wel uitgegaan dient te worden van de aanwezigheid van een dienstbetrekking tussen de spelers en belanghebbende, de naheffingsaanslag niet had mogen worden opgelegd, omdat de spelers reeds aangifte hebben gedaan in de inkomstenbelasting. Op grond van artikel 7:610, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek wordt onder een arbeidsovereenkomst verstaan de overeenkomst, waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. Er zijn drievoorwaarden waaraan moet zijn voldaan wil sprake zijn van een dergelijke arbeidsovereenkomst (vgl. HR 25 maart 2011, nr. 10/02146, LJN: BP3887, r.o. 3.3.3):
-er moet sprake zijn van een gezagsverhouding tussen werkgever en werknemer;
-de werknemer is verplicht tot het persoonlijk verrichten van arbeid gedurende een zekere tijd, en
-de werkgever heeft een verplichting tot het betalen van loon.

De rechtbank stelt voorop dat het op de weg van de inspecteur ligt om de feiten en omstandigheden te stellen - en bij betwisting aannemelijk te maken - die het oordeel rechtvaardigen dat sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen belanghebbende en de selectiespelers. Niet in geschil is dataan de hiervoor genoemde twee eerste voorwaarden is voldaan. Het geschil spitst zich toe op de derde voorwaarde.

Met betrekking tot de voorwaarde van verplichting tot het betalen van loon overweegt de rechtbank het volgende.

4.4.1. De spelers ontvangen van de Stichting een vergoeding die betrekking heeft op hun functioneren als voetbalspeler bij belanghebbende.

Er is sprake van vergaande verwevenheid tussen belanghebbende en de Stichting. Dat blijkt onder andere uit het volgende:
-de in 2.2vermelde doelstelling van de Stichting; deze is bepaald in een overeenkomst tussen belanghebbende en de Stichting;
-de Stichting kent ten minste drie bestuursleden, waarvan twee worden benoemd op bindende voordracht van belanghebbende;
-de voorzitter van de Stichting is de vader (Hof: bedoeld wordt: de zoon) van de voorzitter van belanghebbende;
-de penningmeester bij belanghebbende en de Stichting is dezelfde persoon; hij ondertekent de contracten met de spelers namens de stichting en namens de vereniging;
-het adres van de Stichting is het adres van de penningmeester;
-voor een statutenwijziging van de Stichting is vooraf schriftelijk toestemming nodig van belanghebbende;
-er is sprake van een fiscale eenheid voor de omzetbelasting tussen belanghebbende en de Stichting;
-de spelersbijdrage aan speler(s) wordt slechts uitbetaald na ontvangst van een declaratie betreffende die speler(s) die geaccordeerd is door/namens belanghebbende.

Uit de stukken en hetgeen ter zitting is opgemerkt leidt de rechtbank de volgende gang van zaken af. De technische commissie van belanghebbende is verantwoordelijk voor de samenstelling van de selectie en bepaalt of met een bepaalde (nieuwe) speler onderhandeld gaat worden. De onderhandelingen met een speler vinden plaats door een of meerdere werknemers van belanghebbende, vaak in het bijzijn van een bestuurslid. Tijdens deze onderhandelingen worden door de speler mondelinge afspraken met belanghebbende gemaakt. De rechtbank acht aannemelijk dat die afspraken ook betrekking hebben op de vergoeding voor de speler, in aanmerking genomen dat het - zo valt uit belanghebbendes verklaringen af te leiden - gebruikelijk is dat spelers van de A-selectie van een vereniging als belanghebbende worden betaald. Vervolgens wordt aan die afspraken uitvoering gegeven door het tegelijkertijd afsluiten van twee verschillende schriftelijke overeenkomsten,één met belanghebbende en één met de Stichting, die nauw met belanghebbende is verweven (zie 4.4.1).

4.4.4. Gelet ophetgeen onder 4.4.1. tot en met 4.4.3. is overwogen, in onderling verband bezien, acht de rechtbank aannemelijk dat steeds sprake is van (mondelinge) overeenkomsten tussen belanghebbende en de spelers die ook betrekking hebben op de door de Stichting uit te betalen spelersvergoeding, dat feitelijk op belanghebbende de verplichting rust tot het (doen) betalen van het loon (de spelersbijdrage) en dat belanghebbende daaraan ook door de spelers kan worden gehouden indien de Stichting in gebreke blijft. Derhalve is sprake van loon van belanghebbende. Het bestaan van de overeenkomst tussen de speler en de Stichting noch het gegeven dat de Stichting (en niet belanghebbende) uiteindelijk de spelersbijdrage betaalt, doen daaraan af. De overeenkomst tussen de speler en de Stichting is in wezen een overeenkomst die strekt tot uitvoering van de voornoemde mondelinge overeenkomst tussen belanghebbende en de speler.

4.4.5. Belanghebbende heeft nog aangevoerd dat de spelers en belanghebbende niet de bedoeling hebben gehad om een dienstbetrekking te laten ontstaan. Zo dit al het geval is leidt dat evenwel niet tot een andere conclusie. Immers, bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst moet worden getoetst of de inhoud van de rechtsverhouding voldoet aan de criteria die gelden voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst (vgl. HR 25 maart 2011, nr. 10/02146, LJN: BP3887, r.o. 3.3.2). Hetgeen partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond, is dan ook niet doorslaggevend.

4.4.6. Conclusie is dat tussen de spelers en belanghebbende sprake is van een dienstbetrekking en dat al hetgeen aan de spelers is betaald, inclusief de spelersbijdrage, behoort tot het uit die dienstbetrekking genoten loon.

4.2. Het Hof onderschrijft de overwegingen van de Rechtbank en maakt deze tot de zijne. Het Hof voegt daaraan het volgende toe.

Belanghebbende stelt dat er duidelijk sprake is van twee verschillende rechtpersonen
In hoger beroep klaagt belanghebbende er over dat de Rechtbank er ten onrechte van uit is gegaan, dat er feitelijk min of meer sprake is van een vereenzelviging van de Stichting en belanghebbende. Belanghebbende stelt dat zij en de Stichting duidelijk twee gescheiden rechtspersonen zijn met ieder een eigen doelstelling, ieder eigen besturen en ieder eigen financiële middelen. De Stichting vaart onafhankelijk van belanghebbende een eigen koers, waarbij de continuïteit van beleid en professionaliteit een andere dimensie hebben. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende nog gesteld dat de Stichting met de financiële middelen mag doen "wat zij wil".

4.4. Het Hof kan belanghebbende in die stellingen niet volgen. De Rechtbank heeft tot uitdrukking gebracht dat - gelijk de Inspecteur ook stelt - de Stichting de vergoedingen aan de spelers betaalt vanwege het feit dat de spelers hun prestaties leveren aan belanghebbende en belanghebbende verschaft de Stichting hiervoor de financiële middelen. De Stichting heeft tot doel het bevorderen van de sportbeoefening bij belanghebbende, zij dient "al hetgeen bevorderlijk kan zijn tot het bereiken van vorenomschreven doel" te doen (vgl. 2.6 hiervoor). Twee van de leden van het bestuur van de Stichting worden bindend voorgedragen door belanghebbende, voor de statutenwijziging van de Stichting is een schriftelijke goedkeuring van belanghebbende vereist.
De spelers wonen de trainingen van belanghebbende bij, maken deel uit van de selectie van belanghebbende bij wedstrijden en behalen resultaten bij deze wedstrijden. Voor deze prestaties worden zij betaald door de Stichting met medeweten van belanghebbende (vgl. deovereenkomsten gesloten tussen de spelers en belanghebbende respectievelijk de Stichting, geciteerd in 2.2 van de uitspraak van de Rechtbank). Niet gebleken is dat de Stichting eigen financiële middelen heeft anders dan de door belanghebbende aan de Stichting contractueel overgedragen sponsorgelden. De Stichting dient jaarlijks deze sponsorgelden af te rekenen met belanghebbende (vgl. 2.10). Uit deze sponsorgelden worden de betalingen aan de spelers gedaan.
Al deze feiten en omstandigheden, in onderlingverband beschouwd, brengen het Hof tot de conclusie, dat feitelijk sprake is van een dienstbetrekking tussen belanghebbende en de spelers; het loon ter zake van deze dienstbetrekking wordt - namens belanghebbende althans met haar medeweten - door de Stichting aan de spelers uitbetaald. Dat de Stichting een aparte rechtspersoon is met eigen rechten en plichten doet aan het vorenoverwogene niet af.
Al hetgeen belanghebbende in hoger beroep overigens ter zake heeft gesteld, maken het oordeel van het Hof nietanders.
Het hoger beroep is in zo verre ongegrond.

Belanghebbende beroept zich op gelijkheidsbeginsel
Naar het oordeel van de rechtbank is het opleggen van de naheffingsaanslag ook niet in strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur. Belanghebbende is reeds in 2006 gewezen op de inhoudingsplicht en het door de briefwisseling met de belastingdienst in 2003 gewekte vertrouwen is daardoor voor de toekomst ongedaan gemaakt. Ook belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt. Belanghebbende heeft naar het oordeel van de rechtbank tegenover de ontkenning van de inspecteur geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt waarop gebaseerd kan worden dat sprake is van (een vermoeden van) een van de juiste wetstoepassing afwijkend beleid of van onjuiste wetstoepassing bij andere verenigingen met het oogmerk tot begunstiging. Evenmin is gesteld of gebleken dat sprake is van het achterwege blijven van een juiste wetstoepassing in de meerderheid van de met belanghebbende vergelijkbare gevallen (meerderheidsregel).

4.6. Het Hof onderschrijft de overwegingen van de Rechtbank en maakt deze tot de zijne. Voor zover belanghebbende, ook in hoger beroep, beroep bedoelde te doen op het gelijkheidsbeginsel verwijzende naar de situatie bij andere clubs, faalt dit beroep reeds omdat belanghebbende ter zitting van het Hof heeft gesteld, dat de situatie bij andere clubs niet dezelfde is als bij belanghebbende. Voorts heeft de Inspecteur onweersproken gesteld dat andere clubs door de Belastingdienst actief worden benaderd, en dat deze clubs, voor zover zij ook met stichtingen werken, de vergoedingen ter zake van prestaties van spelers hoe dan ook met inhouding van de loonheffing uitbetalen, hetzij zelf, hetzij via die stichtingen. Reeds daarom is er geen sprake van vergelijkbare gevallen.

Belanghebbende stelt dat belastingdienst geen belang heeft
4.7. Voor zover belanghebbende stelt dat de Inspecteur de naheffingsaanslag ten onrechte heeft opgelegd bij gebrek aan belang, nu de spelers hun vergoedingen in de inkomstenbelasting aangeven, kan die stelling niet worden gevolgd. De Inspecteur heeft ter zitting van het Hof aangegeven, dat het belang van de heffing in de loonbelastingsfeer mede schuilt in de heffing van de premies voor de sociale verzekeringen.

Belanghebbende stelt dat de discussie te lang geduurd heeft
4.8. Ten slotte overweegt het Hof dat voor zover belanghebbende stelt, dat de discussie met de Inspecteur voor en na het opleggen van de naheffingsaanslag te lang heeft geduurd, het Hof die stelling verwerpt. De naheffingsaanslag is opgelegd nog geen vier maanden na het einde van het tijdvak en de bezwaarfase heeft minder dan een jaar geduurd, hetgeen naar het oordeel van het Hof niet buitensporig lang is gelet op de discussie, die tussen belanghebbende en de Inspecteur is ontstaan omtrent de duiding van de rechtsverhouding tussen de spelers en belanghebbende.

Uitspraak
verklaart het hoger beroep ongegrond;
- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank

De uitspraak staat HIER

vrijdag 7 september 2012

Verloten van een waardecheque waarvoor een pony kan worden verkregen verboden



De feiten
- Een toezichthouder van de Algemene Inspectiedienst (AID) heeft op 7 september 2011 geconstateerd dat appellante voornemens is om op 11 september 2011, vanaf 11:00 uur, te starten met een lotenverkoop, waarbij een waardecheque kan worden gewonnen. De winnaar van de cheque kan kiezen tussen het inwisselen van de cheque tegen een pony of het laten bieden op de cheque.
- In de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: Gwd) is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:
Artikel 57
Het is verboden dieren als prijs, beloning of gift uit te loven of uit te reiken bij wedstrijden, everlotingen, weddenschappen of andere dergelijke evenementen
- Bij het besluit van 8 september 2011 heeft verweerder aan appellante een last onder dwangsom opgelegd omdat appellante voornemens is een loterij te laten plaatsvinden waarbij een pony kan worden gewonnen. Daarmee overtreedt zij artikel 57 Gwd. Appellante wordt gelast, op straffe van betaling van een dwangsom van€ 2.500,-, ervoor zorg te dragen dat geen dieren, zoals bedoelde pony, als prijs, beloning of gift worden uitgeloofd of uitgereikt tijdens de bedoelde loterij of enig ander vergelijkbaar evenement.
- Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt.
- Op 4 januari 2012 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.
- Vervolgens heeft verweerder het besluit van 10 januari 2012 genomen.
Appellante heeft bij brief van 10 januari 2012, bij het College binnengekomen op 16 januari 2012, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 10 januari 2012.
Bij dit besluit heeft verweerder ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen een besluit van 8 september 2011, waarbij haar een last onder dwangsom is opgelegd wegens het voornemen een verloting te laten plaatsvinden waarbij een pony als prijs wordt aangeboden.

Standpunt verweerder
De door appellante georganiseerde activiteit is een loterij waarbij een pony kan worden gewonnen. Weliswaar wint men met het lot niet direct een pony, maar indirect wel. Men wint immers een cheque van € 500,- waarmeeeen pony kan worden verkregen. Doordat met het lot deze waardecheque wordt gewonnen, komt daarmee de pony verkrijgbaar voor de winnaar van het lot. Dat deze de cheque ook kan verzilveren voor geld, doet daar niet aan af. Alleen de winnaar, en niet de andere aanwezige personen, kan van deze waardecheque de pony voor€ 500,- kopen. Bovendien correspondeert het bedrag van € 500,- niet met de waarde van de pony, die volgens appellante € 1.500,- bedraagt. Appellante handelt hiermee in strijd met artikel 57 Gwd. Dat zij als professional handelt en de daadwerkelijke verkrijger van de pony goed begeleidt, kan daar niet aan afdoen. In dit geval doen zich geen uitzonderingsgronden voor om van handhavend op te treden af te zien. Concreet zicht op legalisatie van de overtreding is er niet. Gelet op alle betrokken belangen is handhavend optreden bovendien niet onevenredig. Er is geen sprake van een incidenteel karakter, aangezien de loterij al 26 jaar plaatsvindt. De overtreding is ook niet van geringe ernst. Het verloten van dieren wordt immers door de wet verboden. De achterliggende gedachte van artikel 57 Gwd is dat het niet wenselijk is dat door louter toeval een dier aan een mens toekomt. De houder van een dier dient daarvoor te kunnen zorgen en zich daarvan bewust te zijn. Door een dier middels een loterij te verkrijgen, wordt dit niet voldoende gewaarborgd. Dat de constructie eind jaren negentig door een rechter tijdens een zitting zou zijn aangedragen, toen deze kwestie ook ter discussie stond, heeft appellante niet met bewijs onderbouwd.
Het standpunt van appellante
Appellante heeft het volgende aangevoerd. Al 26 jaar bestaat de traditie dat aan het begin van het nieuwe seizoen van haar manege een open dag wordt georganiseerd, waarbij een waardecheque kan worden gewonnen van € 500,-. Met die cheque kan een pony worden verkregen. De winnaar van de waardecheque kan er ook voor kiezen de aanwezigen te laten bieden op die cheque. De hoogste bieder kan vervolgens de pony aanschaffen met de aldus verkregencheque. De winnaar van de cheque ontvangt dan het geboden bedrag. Aangezien de pony meer waard is dan de waardecheque, kiest de winnaar vaak voor het laten bieden. Vooraf worden de deelnemers aan de verloting er op gewezen dat mogelijk een pony wordt verkregen en wat dat aan onder meer verzorging van de verkrijger vraagt, zodat zij zich daarvan bewust zijn. Naderhand wordt de daadwerkelijke verkrijger van de pony door appellante goed begeleid. Naar haar mening overtreedt zij hiermee artikel 57 Gwd niet. Deconstructie met de waardecheque is eind jaren negentig, in een strafzaak over dezelfde wettelijke bepaling, door een rechter als oplossing aangedragen.

Oordeel CBB
Op grond van de stukken en de nadere toelichting van appellante ter zitting is vast komen te staan dat de activiteit, waar de last onder dwangsom op ziet, het volgende inhoudt. Er vindt een verloting plaats, waarbij de winnaar een waardecheque van€ 500,- wint. Deze waardecheque geeft de winnaar het recht op een pony. Het College is van oordeel dat hiermee in strijd wordt gehandeld met artikel 57 Gwd. De winnaar van de verloting heeft immers recht op een pony als prijs. De winnaar heeft weliswaar de keuze deze pony daadwerkelijk aan te schaffen of voor de voor de cheque geboden waarde te kiezen, en daarmee af te zien van het recht op de pony als prijs, maar dat neemt niet weg dat sprake is van een verloting waaraan als prijs - in de vorm vaneen exclusief recht op aanschaf - een dier is verbonden. Dat appellante als professional voor een goede begeleiding van de verkrijger van deze pony zorg draagt, kan niet afdoen aan het oordeel dat de activiteit in strijd is met artikel 57 Gwd. Dit geldt evenzeer voor de stelling van appellante dat de constructie met de waardecheque eind jaren negentig door een politierechter ter zitting is aangedragen, hetgeen overigens voor het College niet vast is komen te staan.

De beslissing
Het College verklaart het beroep ongegrond.

De uitspraak staat HIER


donderdag 6 september 2012

Evaluatie van de Wet maatregelen bestrijding voetbalvandalisme en ernstige overlast

Evaluatie van de Wet maatregelen bestrijding voetbalvandalisme en ernstige overlast

Brief van 4 september minister aan kamer over "Voetbal en Veiligheid"


Sinds 1 september 2010 is de Wet maatregelen bestrijding voetbalvandalisme en ernstige
overlast (Wet MBVEO) van kracht. Op grond van de wet hebben burgemeesters de bevoegdheid om bij herhaaldelijke verstoring van de openbare orde en bij ernstige vrees voor
herhaling een gebiedsverbod, een groepsverbod en/of een meldingsplicht op te leggen voor
de duur van drie maanden, maximaal drie keer te verlengen. De officier van justitie kan op grond van de wet onder bepaalde voorwaarden aan personen jegens wie ernstige bezwaren bestaan en die verdacht worden van een strafbaar feit, een gedragsaanwijzing geven voor de duur van maximaal negentig dagen, maximaal drie keer te verlengen. Deze gedragsaanwijzing kan bestaan uit een gebiedsverbod, een contactverbod, een meldingsplicht en/of een hulpverleningsplicht.
Naar aanleiding van enkele incidenten in het betaalde voetbal is de wet vervroegd geëvalueerd.
Voor deze evaluatie, van april t/m juni 2012 uitgevoerd door Pro Facto, zijn interviews
gehouden, zijn literatuur en relevante regelgeving bestudeerd, zijn casus bestudeerd waarin
de wet is toegepast en is studie gemaakt van de Engelse aanpak van voetbalvandalisme.
Uit de bestudeerde casus en op grond van gesprekken met gemeentelijke respondenten
blijkt dat de Wet MBVEO vooral bij wijkoverlast en evenementen (zoals jaarwisselingen)
nuttig is. Knelpunten doen zich voor bij de toepassing van de wet voor de aanpak van voetbalvandalisme.
Gemeentelijke respondenten geven aan dat de wet vooral bij wijkoverlast en
evenementen (zoals jaarwisselingen) nuttig is. De meeste kritische geluiden zijn er te horen
bij de toepassing van de wet voor de aanpak van voetbalvandalisme. De volgende juridische
knelpunten worden bij voetbalgerelateerde overlast ervaren:
- De maximale duur (in eerste aanleg) voor een gebiedsverbod (in casu stadionverbod),
al dan niet in combinatie met een meldingsplicht’, is drie maanden. Dit is in de ogen van burgemeesters te kort. Het aantal thuiswedstrijden waarvoor de burgemeestersbevelen
gelden, is beperkt gedurende die periode. Het vormt voor sommige burgemeesters reden om de wet niet of weinig toe te passen.
- Door de eis van herhaaldelijkheid kunnen zogenaamde first offenders niet worden
aangepakt. Vooral bij voetbalgerelateerde overlast wordt dat door burgemeesters
als problematisch gezien.
Handhaving van de maatregelen kan alleen wanneer overtreders op heterdaad worden aangehouden.
Dat wordt in de praktijk gezien als een belangrijk juridisch knelpunt.

Naast deze juridische knelpunten doen zich ook enkele praktische knelpunten voor in de
gemeentelijke uitvoeringspraktijk die zich grotendeels richten op alle vormen van overlast:
- Om de wet te kunnen toepassen moet sprake zijn van goede dossiervorming. Uit
het dossier moet blijken dat aan de toepassingscriteria wordt voldaan. In de praktijk
wordt het opbouwen van een goed dossier als ingewikkeld en arbeidsintensief ervaren.
- De intergemeentelijke meldingsplicht vergt veel afstemming en administratieve lasten.
- Een compleet beeld van alle beschikbare instrumenten en mogelijke maatregelen
om overlast te bestrijden, ontbreekt vaak.
De meeste knelpunten gelden in principe niet voor het Openbaar Ministerie:
- Voor een gedragsaanwijzing door de officier van justitie is geen herhaaldelijkheid
vereist.
- Een gedragsaanwijzing geldt altijd landelijk.
- Bij overtreding van een gedragsaanwijzing van de officier van justitie die gericht is
op ernstig belastend gedrag van de verdachte jegens personen, is aanhouding buiten
heterdaad mogelijk.
- Dossiervorming is bij het OM in mindere mate een probleem dan voor de burgemeester
omdat het vormen van een strafrechtelijk dossier door de officier van justitie bij een gedragsaanwijzing in principe niet afwijkt van de reguliere dossiervorming en de politie gewend is aan de werkwijze van het OM.
In algemene zin zijn er voor het Openbaar Ministerie geen evidente knelpunten bij de toepassing van de wet. De wet biedt volgens gesprekspartners bij het Openbaar Ministerie de
instrumenten die nodig zijn, zeker in combinatie met de sinds 1 april 2012 geldende Wet
rechterlijke vrijheidsbeperkende maatregelen op grond waarvan de officier van justitie bij
de rechter een gebiedsverbod, meldingsplicht of contactverbod kan vorderen gedurende
maximaal twee jaar.
Sommige gemeentelijke respondenten ervaren problemen rond de afstemming tussen gemeenten en het Openbaar Ministerie. Het voornaamste knelpunt daarbij is dat diverse gemeenten weinig medewerking van het OM ervaren als wordt verzocht om de strafrechtelijke inzet van de instrumenten van de Wet MBVEO.
De Wet MBVEO is ten tijde van de evaluatie nog geen twee jaar van kracht. Veel burgemeesters en officieren van justitie hebben nog geen ervaring met de wet, anderen beperkt.
Vooral voor burgemeesters zorgt deze onbekendheid voor problemen bij bijvoorbeeld dossiervorming, informatie-uitwisseling en interpretatie van begrippen. Bij dat laatste speelt
ook een rol dat sommige begrippen zich op grond van de jurisprudentie nog aan het uitkristalliseren zijn.
Centraal in de Engelse aanpak staan de zgn. banning orders, op grond waarvan voetbalsupporters een stadionverbod met bijkomende beperkingen zoals een gebiedsverbod en een reisverbod opgelegd kunnen krijgen voor een periode van minimaal drie jaar tot maximaal
tien jaar. Daarnaast vervullen de clubs en de politie een belangrijke rol.
De kern van de bevindingen en daarmee van de oplossingsrichtingen is dat de toepassing
van het beschikbare instrumentarium verbeterd kan worden, maar dat op onderdelen ook
een aanpassing van de wet een oplossing kan bieden. In het onderzoek worden drie oplossingsrichtingen voor de geconstateerde knelpunten beschreven:

Variant 1: verbetering van de uitvoering
Praktische oplossingen in de vorm van formats, convenanten en handreikingen kunnen de
toepassing van de wet faciliteren. Daarnaast kunnen andere (bestuursrechtelijke en strafrechtelijke)
instrumenten intensiever worden toegepast. Ook de inzet politie van de politie
zou geïntensiveerd kunnen worden, met name als het gaat om de informatiepositie. Een
extra instrument is dat sinds 1 april 2012 de rechter eenvoudiger dan voorheen een strafrechtelijk
stadionverbod opleggen. Bij een veroordeling van een overtreding of misdrijf kan
de rechter als bijkomende straf, al dan niet op vordering van de officier van justitie, een
gebiedsverbod, contactverbod, meldingsplicht en/of landelijk stadionomgevingsverbod opleggen.
Deze figuur doet sterk denken aan een Engelse ban on conviction, waarbij een persoon
die is veroordeeld voor een voetbalgerelateerd delict als bijkomende straf een banning
order krijgt opgelegd.
Variant 2: aanpassing Wet MBVEO.
Op een aantal onderdelen kan aanpassing van de wet toegevoegde waarde hebben. Daarbij
gaat het in de eerste plaats om de duur van voetbalgerelateerde maatregelen, waarbij specifiek
gedacht kan worden aan de mogelijkheid om een maatregel op te leggen voor een
totaal aantal, niet aaneengesloten dagen. De handhaving kan verbeterd worden door de
wet zo aan te passen dat bij overtreding van een burgemeestersbevel ook aanhouding buiten
heterdaad door de politie tot de mogelijkheden behoort.
Variant 3: fundamentele wijziging van wetgeving
De meest vergaande oplossingsrichting zou zijn om de bevoegdheidsverdeling aan te
passen door een rechterlijke toets in te voeren bij alle of een deel van de gevallen.
Er kunnen dan ingrijpender maatregelen worden opgelegd, waarbij gedacht kan
worden aan een (veel) langere duur van de opgelegde verboden.

Het rapport staat HIER

donderdag 28 juni 2012

Terugsturen supporters FC Utrecht door burgemeester Van der Laan niet onrechtmatig



De beslissing van burgemeester Van der Laan om supporters van FC Utrecht op 28 februari 2010 naar Utrecht terug te sturen was niet onrechtmatig. Dat heeft de rechtbank Amsterdam op 26 juni bepaald.

Op 28 februari 2010 vond in de Amsterdam Arena een voetbalwedstrijd plaats tussen Ajax en FC Utrecht. Om deze wedstrijd bij te wonen zijn ongeveer 650 supporters van FC Utrecht met een combi-ticket met de trein naar Amsterdam gereisd. Na het verlaten van de trein in Amsterdam, maar voorafgaand aan de wedstrijd, heeft burgemeester Van der Laan aan de supporters van FC Utrecht het noodbevel gegeven om Amsterdam te verlaten en met de trein terug te keren naar Utrecht. Dit omdat zij de openbare orde ernstig zouden verstoren door ongewenste spreekkoren aan te heffen en leuzen te roepen. De supporters zijn hierop door de Mobiele Eenheid (ME) teruggedreven naar de trein, die hen weer naar Utrecht bracht.

Vrees ernstige wanorde
De rechtbank heeft de 111 supporters die het noodbevel bij de bestuursrechter hebben aangevochten in het ongelijk gesteld. De rivaliteit tussen de aanhang van Ajax en FC Utrecht en de omstandigheid dat twee weken eerder de wedstrijd tussen Feyenoord en FC Utrecht was gestaakt vanwege spreekkoren van FC Utrechtsupporters, maakten dat de burgemeester kon en mocht vrezen voor het ontstaan van ernstige wanorde. De burgemeester was dan ook bevoegd om een noodbevel te geven. Er waren volgens de rechtbank geen minder verstrekkende maatregelen voorhanden om de verboden spreekkoren te stoppen en (verdere) escalatie te voorkomen.

Het terugsturen van alle supporters en niet slechts een deel van hen, acht de rechtbank niet disproportioneel. Het was in de gegeven omstandigheden ondoenlijk om te bepalen wie precies degenen waren die de discriminerende liederen zongen en hen op dat moment uit de groep van ongeveer 650 supporters te isoleren. Ook waren de supporters voldoende gewaarschuwd. Daarbij is meermalen meegedeeld dat geweld zou worden gebruikt als de supporters geen gevolg zouden geven aan het noodbevel.

De uitspraak staat HIER