Posts tonen met het label sponsorovereenkomst. Alle posts tonen
Posts tonen met het label sponsorovereenkomst. Alle posts tonen

vrijdag 2 februari 2018

Vordering tot vernietiging arbitraal vonnis inzake einde sponsorovereenkomst vanwege antisemitische spreekkoren tussen Feyenoord en sponsor slaagt niet






De feiten
  
Feyenoord exploiteert een voetbalclub. EZTD, een Israëlische onderneming, is in augustus 2014 op zoek gegaan naar mogelijkheden om reclame te maken op de Nederlandse sportmarkt en heeft zich via een tussenpersoon, Sportlive, gewend tot Feyenoord. Op 21 augustus 2014 is tussen EZTD en Feyenoord een sponsorcontract gesloten met de naam Strategic Partnership. De overeenkomst gold voor de periode 24 augustus 2014 tot en met 30 juni 2017. Feyenoord verplichtte zich voor EZTD reclame te maken. EZTD zou daartegenover € 1.025.000- betalen in drie jaarlijkse termijnen.
Op 21 september 2014 heeft [CEO EZTD] met zijn echtgenote en een aantal gasten de thuiswedstrijd van Feyenoord tegen Ajax Amsterdam bezocht. Voor, tijdens en na de wedstrijd hieven de supporters van Feyenoord spreekkoren aan. Zij riepen onder meer:
“Hamas, Hamas, Joden aan het gas”
“Wie niet springt die is een Jood”
“De Joden gaan eraan, olé, olé”.

Daarnaast maakten de supporters sisgeluiden (als verwijzing naar de gaskamers) en zwaaiden zij met Hamasvlaggen.
Op 28 september 2014 heeft [CEO EZTD] namens EZTD aan Feyenoord geschreven dat hij als zoon van een familie die de Holocaust heeft overleefd, als jood en als Israëlisch burger geen sponsor kan zijn van een team met zovele antisemitische fans. Daarom lijkt het hem het beste om de relatie op een eerzame wijze te beëindigen en het Strategic Partnership op te zeggen. Bij brief van 7 oktober 2014 heeft de raadsman van Feyenoord geantwoord dat Feyenoord van mening is dat EZTD de overeenkomst niet kan opzeggen op de in de brief genoemde gronden en dat Feyenoord ontkent dat zij tekortgeschoten is in haar verplichtingen uit de Partnership overeenkomst.
Op 7 november 2014 heeft EZTD aan Feyenoord geschreven dat zij zich niet langer als partner van Feyenoord zag. Artikel 5.3 van het sponsorcontract schrijft voor dat geschillen worden opgelost door arbiters in overeenstemming met de regels van het Netherlands Arbitration Institute (NAI). Feyenoord heeft op 12 januari 2015 een arbitrale procedure aanhangig gemaakt bij het NAI. Als arbiters zijn benoemd H.W. Kesler, F.W.H. van den Emster en M.A.R. Bernasconi. Zij hebben op 6 april 2016 hun arbitraal vonnis gewezen.


Het geschil
EZTD vordert vernietiging van het op 6 april 2016 tussen partijen gewezen arbitraal vonnis van het Nederlands Arbitrage Instituut (kenmerk:4327) en veroordeling van Feyenoord in de kosten van deze procedure.
EZTD legt aan haar vordering ten grondslag:
1.         dat het scheidsgerecht zich niet aan zijn opdracht heeft gehouden (art. 1065 lid 1, aanhef en onder c Rv),
2.         dat het vonnis niet met redenen is omkleed (art. 1065 lid 1, aanhef en onder d Rv) en
3.         dat het vonnis of de wijze waarop het is tot stand gekomen in strijd is met de openbare orde (art. 1065 lid 1, aanhef en onder e Rv). Zij voert daartoe aan dat het vonnis op onderdelen (steekhoudende) motivering mist en dat het onvoldoende invulling geeft aan fundamentele rechten van de mens.



De beoordeling
Toetsingskader
Vooropgesteld wordt dat de mogelijkheid van aantasting van arbitrale beslissingen beperkt is en dat de rechter daarbij terughoudendheid dient te betrachten, in het bijzonder wanneer het gaat om de vraag of het vonnis in strijd is met de openbare orde.

Art. 1065 lid 1 aanhef en onder c Rv: het scheidsgerecht heeft zich niet aan zijn opdracht gehouden
EZTD heeft als eerste grond voor vernietiging genoemd dat het scheidsgerecht zich niet aan zijn opdracht heeft gehouden. Zij licht dit aldus toe dat het scheidsgerecht niet, zoals hij diende te doen, recht gesproken heeft volgens de regelen des rechts, omdat hij het recht verkeerd uitlegt. Dat leidt ertoe, aldus EZTD, dat de motivering van het arbitraal vonnis niet steekhoudend is. Een scheidsgerecht kan buiten de opdracht treden doordat hij niet de juiste beslissingsmaatstaf aanlegt. Klaarblijkelijk doelt EZTD daarop, waar zij aanvoert dat de arbiters die moesten oordelen volgens de regels van het recht, dat recht onjuist hebben toegepast. De rechter is, voor zover het gaat om de beslissingsmaatstaf, echter alleen bevoegd te controleren of de arbiters de juiste maatstaf hebben aangelegd, dat wil zeggen, of zij hebben recht gesproken volgens de regels van het recht of bijv. naar billijkheid, al naar gelang hun opdracht luidt. Niet in geschil is dat het scheidsgerecht diende recht te spreken volgens de regelen des rechts en dat hij dat ook heeft gedaan. Hij heeft dan ook de juiste beslissingsmaatstaf aangelegd. Wat EZTD kennelijk wenst is dat wordt nagegaan of de arbiters de regels van het recht wel goed hebben uitgelegd. Het staat de burgerlijke rechter echter niet vrij om inhoudelijk te toetsen of de arbiters de aangelegde maatstaf, hier de regels van het recht, op de juiste wijze hebben toegepast. Dat zou neerkomen op een verkapt hoger beroep, waartoe de vernietigingsprocedure niet mag worden gebruikt.
Uit de toelichting op de hier aan de orde zijnde vernietigingsgrond kan worden afgeleid dat EZTD zich in wezen beroept op de vernietigingsgrond dat het vonnis niet met redenen is omkleed. De tegen het vonnis aangevoerde bezwaren zullen in dat, hierna te bespreken, kader worden beoordeeld.

Art. 1065 lid 1 aanhef en onder d Rv: de motivering ontbreekt 
Vernietiging op de grond dat het vonnis niet met redenen is omkleed kan alleen plaatsvinden indien de motivering ontbreekt, en dus niet in gevallen van een ondeugdelijke motivering, omdat de rechter niet bevoegd is om het arbitraal vonnis inhoudelijk te toetsen.
Met een ontbrekende motivering wordt het geval gelijkgesteld dat er wel een motivering is gegeven maar daarin geen steekhoudende verklaring voor de gegeven beslissing valt te onderkennen. EZTD voert aan dat het scheidsgerecht het beroep op dwaling onvolledig heeft getoetst doordat hij uitsluitend de feiten in de periode voorafgaand aan het tot stand komen van de overeenkomst in aanmerking neemt en de gebeurtenissen op 21 september 2014 buiten beschouwing laat (§ 44 van het arbitraal vonnis).
Het scheidsgerecht oordeelt dat de gebeurtenissen op 21 september 2014 buiten beschouwing blijven, omdat voor dit onderdeel, dat wil zeggen voor de dwaling, alleen de omstandigheden in aanmerking worden genomen die aanwezig waren in de periode vóór het sluiten van het Sponsorcontract op 21 augustus 2014. Daarmee is het vonnis voldoende gemotiveerd. Het is ook juist. Voor het antwoord op de vraag of er bij het sluiten van de overeenkomst sprake was van dwaling zijn alleen de bij het sluiten bestaande omstandigheden van belang. Latere omstandigheden kunnen immers geen dwaling bij het sluiten van de overeenkomst hebben veroorzaakt.
Daarnaast acht EZTD het vonnis niet gemotiveerd omdat de in § 45 opgesomde omstandigheden niet de conclusie kunnen dragen dat EZTD de overeenkomst niet onder invloed van dwaling is aangegaan.
Het scheidsgerecht doet de opsomming van een aantal omstandigheden in § 45 volgen door de conclusie dat geen sprake was van dwaling, in § 46 van het vonnis. Daarna volgt een aantal overwegingen waarmee het in § 46 gegeven oordeel, naast de in § 45 genoemde omstandigheden, wordt gemotiveerd. Daarin wordt overwogen dat EZTD, haar CEO, kennis droeg van het Nederlandse voetbal en van de onaangename kanten daarvan, en dat het onderwerp van racisme rondom de club aan de orde is gekomen, maar dat EZTD het Sponsorcontract is aangegaan zonder garanties op dit punt te verlangen of een recht om het contract op deze specifieke grond te beëindigen en dat EZTD op eenvoudige wijze te weten had kunnen komen dat er nog steeds incidenten met de supporters waren bij Feyenoord. Met dit geheel van overwegingen heeft het scheidsgerecht zijn oordeel dat EZTD niet dwaalde, voldoende gemotiveerd.
EZTD voert verder aan dat het scheidsgerecht niet duidelijk maakt of het de kennis van Sportfive toerekent aan EZTD, welke invloed de betrokkenheid van EZTD, dan wel haar CEO, [CEO EZTD] , bij voetbalactiviteiten heeft gehad, waarom het EZTD wordt aangerekend dat zij geen garantie bedong en welke invloed de korte periode waarin de onderhandelingen hebben plaatsgevonden heeft gehad.
De door EZTD genoemde feiten worden door het scheidsgerecht opgesomd als omstandigheden die van belang zijn bij de beoordeling van het beroep op dwaling. Het is niet noodzakelijk om de relevantie van de van belang geachte feiten te motiveren, noch om bij elke omstandigheid aan te geven hoe groot de invloed daarvan is op het oordeel. Bovendien is, zoals hiervoor is overwogen, in de op § 46 volgende paragrafen duidelijk gemaakt in welk opzicht de opgesomde omstandigheden hebben meegewogen bij het oordeel van het scheidsgerecht dat geen sprake is van dwaling.
EZTD acht ook het oordeel van het scheidsgerecht in § 50 van het vonnis dat EZTD niet als een onvoorzichtige partij kan worden aangemerkt. ongemotiveerd. In § 50 zet het scheidsgerecht uiteen dat in het algemeen in het kader van de dwaling een mededelingsplicht boven een onderzoeksplicht gaat, maar er geen verplichting tot mededeling bestaat voor de ene partij wanneer de andere partij de feiten kent of de eerste partij ervan mag uitgaan dat die ander de feiten kende. De eerste regel strekt ertoe, zo vervolgt het scheidsgerecht, om de onvoorzichtige partij te beschermen. Het scheidsgerecht oordeelt dat EZTD niet zo een partij is en komt op grond van de bijzondere omstandigheden van dit geval tot het oordeel dat art. 6:228 lid 1 BW niet van toepassing is (§ 51). Uit deze laatste paragraaf blijkt dat het scheidsgerecht de omstandigheden, die in § 46 zijn opgesomd en in de paragrafen 47 tot en met 49 zijn samengevat en die meebrengen dat EZTD deskundig was op voetbalgebied en op de hoogte van het Nederlandse voetbal (ook) ten grondslag legt aan zijn oordeel dat EZTD geen onvoorzichtige partij is. Daarmee is het oordeel afdoende gemotiveerd.
EZTD heeft ook bezwaren tegen § 52 van het arbitrale vonnis, omdat de overweging dat de gebeurtenissen op 21 september 2014 geen beroep op art. 6:228 lid 2 BW rechtvaardigen overbodig is, nu al is geconstateerd dat het beroep op dwaling niet opgaat. Zoals EZTD zelf al aangeeft, heeft zij geen belang bij vernietiging van het oordeel in § 52, omdat dat in haar voordeel is. Haar bezwaar tegen dit oordeel behoeft dan ook geen behandeling.
EZTD voert verder aan dat het scheidsgerecht zijn oordeel dat er geen rechtvaardiging is voor het ontbreken van een ingebrekestelling onvoldoende heeft gemotiveerd.
Het scheidsgerecht heeft in § 68, nadat hij tot de conclusie was gekomen dat sprake was van een tekortkoming door Feyenoord, vastgesteld dat EZTD niet heeft voldaan aan de in artikel van het sponsorcontract gestelde formele eisen, omdat zij geen aangetekende brief heeft gestuurd waarin werd aangegeven dat er een tekortkoming was een waarin een termijn voor nakoming werd gegeven. Het scheidsgerecht tekent verder aan dat EZTD haar nalatigheid eenvoudig kon herstellen, maar daar om haar moverende redenen niet voor heeft gekozen. Verder overweegt het scheidsgerecht, in § 69, dat een termijn voor nakoming in dit geval wellicht zinloos zou zijn geweest. Dat alles tezamen brengt hem tot de conclusie dat EZTD het contract heeft beëindigd zonder zich aan de formele vereisten te houden en met een beperkte rechtvaardiging voor het nalaten daarvan. Daarmee heeft het scheidsgerecht zijn oordeel dat er slechts een beperkte rechtvaardiging is voor het ontbreken van een ingebrekestelling voldoende gemotiveerd. Daarbij dient nog te worden opgemerkt dat het scheidsgerecht uiteindelijk tot de slotsom komt dat het sponsorcontract op grond van de redelijkheid en billijkheid op 27 januari 2015 geacht moet worden te zijn geëindigd (§ 81) en dat EZTD daarbij 50 % van de overeengekomen sponsorgelden verschuldigd is (§ 83).

Art. 1065 lid 1 aanhef en onder e Rv: het vonnis strijdt met de openbare orde 
EZTD voert aan dat het vonnis in strijd is met de openbare orde, omdat EZTD, haar vertegenwoordigers en haar gasten het slachtoffer zijn geworden van discriminatie, maar hen door het arbitrale vonnis effectieve rechtsbescherming wordt onthouden, doordat zij haar verplichtingen op grond van de overeenkomst voor 50% moet voldoen.
Het hof stelt voorop dat de teksten van de spreekkoren van fans van Feyenoord, zoals die op 21 september 2014 werden aangeheven, en hun sisgeluiden weerzinwekkend zijn en door hun antisemitische inhoud uiterst kwetsend voor de mensen van EZTD. De uitingen vallen naar hun aard onder de omschrijving van art. 137c WvSr, het zich in het openbaar opzettelijk beledigend uitlaten over een groep mensen wegens hun ras of godsdienst. Het gaat hier om een vorm van belediging, maar de belediging levert geen discriminatie op in de zin van art. 14 van het EVRM, aangezien niet kan worden gezegd dat de spreekkoren tot gevolg hebben dat het genot van de rechten en vrijheden die in het EVRM zijn vermeld, niet zijn verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals ras, taal en godsdienst. Strikt genomen kan EZTD dan ook geen aanspraak maken op een effectieve rechtsbescherming tegen discriminatie.
Van meer belang is echter dat de kwestie waarover de arbiters zich moesten buigen, niet was of de mensen van EZTD gediscrimineerd waren en welke effectieve rechtsbescherming daartegen kon worden geboden. Zij waren geroepen om te oordelen of het sponsorcontract kon worden beëindigd en onder welke voorwaarden. Zij hebben onomwonden uitgesproken dat de gezangen en gedragingen antisemitisch van aard zijn en kwetsend voor Joden. Vervolgens hebben zij geoordeeld dat Feyenoord aansprakelijk is voor het gedrag van haar supporters en dat dit gedrag een ‘material breach’ in de zin van artikel 3.3 van het sponsorcontract oplevert en reden vormt voor beëindiging van het contract, zij het pas per 27 januari 2015 en onder betaling van 50% van het sponsorgeld. Niet kan worden gezegd dat EZTD daarmee geen daadwerkelijk rechtsmiddel heeft gehad om de haar aangedane belediging te keren binnen de context van het sponsorcontract, mede gezien het feit dat ook werd meegewogen dat EZTD, die geacht werd kennis te hebben van het Nederlandse voetbal, zelf ook verantwoordelijkheid draagt dat zij het sponsorcontract aanging zonder garanties te vragen. Het vonnis levert dan ook geen strijd op met de openbare orde.

vrijdag 30 oktober 2015

Uitleg sponsorovereenkomst Clafis Ingenieurs/ Sport Navigator


Clafis is een landelijk opererend ingenieursbureau. Sport Navigator houdt zich bezig met sportmarketing en sportmanagement. Zij heeft professionele schaatsers uit verschillende landen onder contract en ondersteunt deze schaatsers op commercieel gebied. Zij werft daartoe sponsors. Tegen betaling door de sponsor voeren de schaatsers het logo van de sponsor op hun schaatspak tijdens (internationale) wedstrijden.
Partijen hebben vanaf 2008 zaken met elkaar gedaan. Op 30 mei 2008 hebben zij een sponsorcontract gesloten voor de periode tot en met 1 april 2010 (de “Logo overeenkomst 2008-2010”). Hierin is opgenomen dat Sport Navigator zal zorgdragen voor een dominante logopositie voor Clafis tijdens internationale ISU langebaan schaatsevenementen met inzet van internationale schaatsers. De schaatsers zouden worden voorzien van het Clafis logo op de schouder van het wedstrijdpak, links of rechts, en de zijkant van de warming-up- c.q. podiummuts. Partijen hebben vervolgens een aanvullende overeenkomst gesloten voor de periode van 23 december 2008 tot en met 1 april 2009 (de “Aanvullende Logo overeenkomst 2008-2009”). Daarin is geregeld dat Sport Navigator zal zorgdragen voor extra logo-exposure voor Clafis tijdens alle nog komende internationale ISU langebaan schaatsevenementen. De schaatsers zouden worden voorzien van het Clafis logo op het linkerbeen van het wedstrijdpak, tegen een door Clafis te betalen extra vergoeding. Op 19 oktober 2009 hebben partijen opnieuw een aanvullende overeenkomst gesloten, nu voor de periode tot en met 1 april 2010 (de “Aanvullende Logo overeenkomst 2009-2010”). Daarin is geregeld dat Sport Navigator zal zorgdragen voor massale logo exposure voor Clafis tijdens alle komende internationale ISU langebaan schaatsevenementen. De schaatsers zouden worden voorzien van het Clafis logo op het linkerbeen van het wedstrijdpak (het schouderlogo uit de oorspronkelijke logo overeenkomst kwam te vervallen), ook weer tegen een extra vergoeding.
Partijen hebben vervolgens een nieuw sponsorcontract gesloten voor de periode van 3 mei 2010 tot en met 1 april 2014 (de “Logo-overeenkomst 2010-2014”). Sport Navigator is hierin aangeduid als SN en Clafis als CE.
In de considerans van de overeenkomst staat onder meer:
“(…) SN in staat is gebleken een constante dominante logo-positie te kunnen realiseren. Dit is wat CE ook van SN wenst af te nemen tijdens belangrijke internationale schaatswedstrijden. Alle schaatsers, verbonden met SN, zullen (voor zover van toepassing) hun wedstrijden zoals bijv. EK Allround, WK afstanden, WK Allround, WK Sprint en de wedstrijden van de World Cup rijden met het logo van CE volgens de bepalingen zoals vastgelegd in deze overeenkomst; (…)”

De overeenkomst houdt verder, voor zover hier van belang, het volgende in:

“Artikel 2 – Diensten SN

1.      SN zal zorgdragen voor een dominante logo-positie voor CE tijdens komende internationale ISU lange baan schaatsevenementen met inzet van internationale schaatsers. Deze internationale schaatsers zullen daar waar mogelijk worden voorzien van het logo van CE. Doelstelling is dat minimaal 50% van alle buitenlandse deelnemers aan de EK’s Allround en de WK’s Sprint deze evenementen hun races zullen rijden met het logo van CE.

2.      De EK’s Allround en de WK’s Sprint zullen als meetmoment gelden om te bepalen of de doelstelling van 50% is gehaald. Hierbij geldt steeds dat deze schaatsers ook tijdens al hun andere internationale wedstrijden, voor zover van toepassing, in het onderhavige seizoen dit logo zullen dragen. Het spreekt voor zich dat SN zich zal inspannen om voorts zoveel mogelijk overige schaatsers van het CE logo te voorzien teneinde een zo maximaal mogelijke exposure te behalen ten tijde van de terzake doende internationale wedstrijden.

3.      De schaatsers worden van het logo voorzien op de volgende plaatsen:
- Op het linkerbeen van het wedstrijdpak
- Op het linkerbeen van de inrijbroek

4.      Indien met betrekking tot de onder artikel 2.3 genoemde logoplaatsen reeds bestaande afspraken gelden tussen schaatser en bond, bond en bedrijfsleven of schaatser en bedrijfsleven, zal door SN indien mogelijk een alternatieve positie worden gekozen.

5.      (…)”

Artikel 3 – Financiële verplichtingen

1.      CE gaat met SN een betalingsverplichting aan, m.b.t. hetgeen in artikel 2 is overeengekomen, voor een totaal bedrag van (…) in het eerste jaar van deze overeenkomst.

2.      Ieder volgend jaar zal, gedurende de looptijd van deze overeenkomst, het bedrag overeengekomen in artikel 3.1 jaarlijks verhoogd worden met (…).

(…)

5. In artikel 2 is overeengekomen wat de beoogde logo-positie zal zijn. Indien dit niet wordt gerealiseerd (al dan niet op de overeengekomen plaatsen) dan wordt de betalingsverplichting van CE gereduceerd volgens de volgende staffel:
- Indien een logo-positie, o.b.v. hetgeen is overeengekomen in artikel 2, van minder dan 20% van 50% van het totale deelnemersveld wordt gerealiseerd dan heeft CE een betalingsverplichting van 25% van het bedrag;
- Indien, o.b.v. hetgeen is overeengekomen in artikel 2, 20% - 40 % van 50% wordt gerealiseerd dan voldoet CE 60 % van het bedrag;
- Indien, o.b.v. hetgeen is overeengekomen in artikel 2, 40 % - 70 % van 50% wordt gerealiseerd dan voldoet CE 80 % van het bedrag;
- Indien, o.b.v. hetgeen is overeengekomen in artikel 2, meer dan 75 % van 50% wordt gerealiseerd dan voldoet CE het volledige bedrag.
- Voor elke 10% boven de overeengekomen 100% van 50% zal CE 5% boven op het bedrag betalen.

(…).

Artikel 5 – Exclusiviteit

1. CE en SN zullen geen nieuwe partnerships overeenkomen die de rechten en positie van de andere partij in deze overeenkomst ondermijnt met dien verstande dat zulks enkel betrekking heeft op de logo-posities zoals beschreven in artikel 2.3 van deze overeenkomst op straffe van een dwangsom van € 50.000,= excl. BTW per gebeurtenis.

(…)

3. CE zal in geen geval rechtstreeks schaatsers en/of bonden benaderen dan wel overeenkomsten aangaan op straffe van een dwangsom van € 50.000,= excl. BTW per gebeurtenis.

Artikel 6 – Informatie en vertrouwelijkheid

1.      Partijen zullen elkaar alle informatie verschaffen welke redelijkerwijs noodzakelijk is voor uitvoering van deze overeenkomst (…).
2.      (…)

3.      SN zal CE inzicht verschaffen met welke bonden/schaatsers tot overeenstemming is gekomen. (…)

Artikel 7 – Publicaties

1. Partijen zullen alleen met wederzijdse instemming in reclame-uitingen en/of andere publicaties mededeling doen over deze overeenkomst/samenwerking.

(…)

Artikel 9 – Contractuele relatie tussen SN en bonden/schaatsers

1.      SN sluit overeenkomsten met de schaatsers waarin zij de met CE in deze overeenkomst en eventueel aanvullend gemaakte afspraken, vastlegt.

2.      SN zal zich inspannen om met de bonden/schaatser een akkoord te sluiten voor plaatsing van het logo van CE op de overeengekomen logopositie, zoals bepaald in artikel 2, en het niet aanbrengen van logo’s, op willekeurig welke positie, van ondernemingen die zich in dezelfde branche begeven als CE.
(…)”

Op 13 maart 2014 heeft de directeur van Clafis bekend gemaakt dat Clafis een eigen schaatsploeg zal starten. Bij brief van 10 april 2014 heeft (de advocaat van) Sport Navigator aan Clafis meegedeeld dat Clafis door deze mededelingen onder meer in strijd met de artikelen 5 en 7 van de overeenkomst heeft gehandeld en dat Clafis aansprakelijk is voor de door Sport Navigator geleden schade, alsmede dat Clafis een boete van € 700.000,-- heeft verbeurd. Bij brief van 24 april 2014 heeft Clafis de aansprakelijkheid van de hand gewezen en op grond van artikel 6 van de overeenkomst Sport Navigator verzocht haar te informeren over de schaatsers/bonden die aan Sport Navigator verbonden zijn geweest tijdens de duur van de Logo-overeenkomst 2010-2014, welke van die schaatsers met het logo van Clafis hebben gereden tijdens de belangrijkste wedstrijden en welke exposurepercentages werden gehaald. Sport Navigator heeft Clafis aangeboden haar te informeren over welke buitenlandse schaatsers in de jaren 2010-2014 met het Clafis logo hebben gereden op de EK’s Allround en WK’s Sprint, wat de exposurepercentages bij deze wedstrijden waren en met welke schaatsers Sport Navigator gedurende de duur van de Logo-overeenkomst 2010-2014 tot overeenstemming is gekomen over het rijden met het Clafis logo. Sport Navigator heeft daarbij aangegeven dat Clafis op grond van de Logo-overeenkomst 2010-2014 geen recht had op informatie over andere internationale toernooien dan de EK’s Allround en WK’s Allround (bedoeld is kennelijk: WK’s Sprint, hof), als ook geen recht had op informatie over welke schaatsers en bonden bij Sport Navigator zijn aangesloten. Sport Navigator heeft daarbij voorts als voorwaarde gesteld dat zij met het verstrekken van de door haar voorgestelde informatie aan haar informatieverplichting zou hebben voldaan en dat na het verstrekken van informatie en de overzichten het door Clafis aangekondigde kort geding zou worden ingetrokken. Clafis is hiermee niet akkoord gegaan.


De beoordeling

Rechtsverwerking?
De grieven II tot en met IV zijn gericht tegen het oordeel in rov. 4.1 van het vonnis dat het beroep van Sport Navigator op rechtsverwerking niet slaagt. Sport Navigator betoogt dat Clafis, door ieder jaar 100% van de gefactureerde vergoeding te betalen, verder niet te verzoeken om informatie en de door Sport Navigator gestuurde overzichten te accepteren, afstand heeft gedaan van haar recht om alsnog informatie op te vragen, althans haar recht op dit punt heeft verwerkt. In dit standpunt wordt Sport Navigator niet gevolgd. Voorop staat dat voor het aannemen van rechtsverwerking enkel tijdsverloop of enkel stilzitten onvoldoende is. Vereist is de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hetzij bij de wederpartij het gerechtvaardigde vertrouwen is gewekt dat de gerechtigde zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de wederpartij in zijn positie onredelijk zou worden benadeeld in geval de gerechtigde zijn aanspraak alsnog geldend zou maken. Voor afstand van recht is een door verklaringen of gedragingen van Clafis opgewekt vertrouwen dat een recht wordt prijsgegeven vereist, nu niet is gesteld of gebleken dat Clafis haar wil daartoe aan Sport Navigator door een verklaring heeft geopenbaard. Sport Navigator, op wie hier de stelplicht rust, heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld om zulks hier aan te nemen. Daarbij is (wat betreft het beroep op rechtsverwerking) allereerst van belang dat Sport Navigator niet heeft toegelicht op welke wijze zij wordt benadeeld doordat Clafis aanspraak maakt op de door haar gevraagde informatie, zodat moet worden aangenomen dat van een dergelijke benadeling geen sprake is. Voorts geldt dat, zoals de voorzieningenrechter heeft vastgesteld, het jaartarief aan het begin van ieder jaar door Sport Navigator werd gefactureerd en vervolgens door Clafis, conform de overeenkomst, in vier gelijke termijnen werd betaald. Door de in rekening gebrachte vergoeding te betalen, heeft Clafis dan ook slechts aan haar contractuele verplichting op dit punt voldaan. Uit het feit dat Clafis in dat stadium niet om nadere informatie over de prestaties van Sport Navigator vroeg, kon Sport Navigator niet zonder meer afleiden dat Clafis geen aanspraak meer zou maken op haar recht op (nadere) informatieverstrekking, noch mocht zij het niet vragen om nadere informatie redelijkerwijze opvatten als een tot haar gerichte verklaring welke ertoe strekte dat Clafis haar rechten op dat punt prijsgaf. De grieven II tot en met IV falen derhalve.

Beroep binnen bekwame tijd?
Met de grieven V en VI keert Sport Navigator zich tegen de verwerping van haar beroep op artikel 6:89 BW (De schuldeiser kan op een gebrek in de prestatie geen beroep meer doen, indien hij niet binnen bekwame tijd nadat hij het gebrek heeft ontdekt of redelijkerwijze had moeten ontdekken, bij de schuldenaar terzake heeft geprotesteerd Red.). Sport Navigator wijst erop dat Clafis informatie wenst te verkrijgen om na te gaan of Sport Navigator is tekort geschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst en of Clafis recht heeft op terugbetaling van sponsorgelden. Naar Sport Navigator stelt, heeft zij elk seizoen vele schaatsers met het logo van Clafis (op het linkerbeen) laten rijden en heeft zij geregeld informatie daarover aan Clafis verstrekt, zodat Clafis zelf de exposurepercentages kon berekenen. Sport Navigator bestrijdt daarmee dat zij nog aanvullende informatie zou moeten verstrekken. Bovendien voert zij aan dat Clafis heeft verzuimd te onderzoeken of de prestatie beantwoordde aan hetgeen was overeengekomen. Clafis kan dit niet verbloemen door nu alsnog allerlei informatie op te vragen, aldus Sport Navigator. Naar het hof begrijpt stelt Sport Navigator zich hiermee op het standpunt dat Clafis geen belang meer heeft bij de door haar gevraagde informatie, omdat zij zich in een eventuele procedure niet meer kan beroepen op een tekortkoming in de nakoming van de overeenkomst. Ook voor dit standpunt ziet het hof echter onvoldoende grond. Clafis heeft onweersproken gesteld dat pas in het laatste seizoen vragen bij haar rezen over de nakoming van de contractuele verplichtingen door Sport Navigator. Zij heeft toen om nadere informatie gevraagd. Uit hetgeen Sport Navigator heeft gesteld, volgt niet dat Clafis al eerder aanleiding had moeten zien om onderzoek naar de door Sport Navigator verrichte prestaties (en de door Sport Navigator opgegeven resultaten) te doen. Het betoog dat Clafis niet binnen bekwame tijd onderzoek heeft gedaan en dus ook niet tijdig over een eventuele tekortkoming heeft geklaagd, gaat naar voorlopig oordeel van het hof dan ook niet op. Niet in geschil is verder dat de informatie over de bonden/schaatsers die tijdens de contractperiode aan Sport Navigator waren verbonden, welke schaatsers hebben gereden met het Clafis logo en welke exposurepercentages zijn behaald, tot het domein behoort van Sport Navigator. Sport Navigator stelt weliswaar dat zij in ieder geval voor elk jaar een overzicht heeft gestuurd van alle schaatsers die met een logo van Clafis hebben gereden, maar daarmee heeft zij niet alle voor Clafis mogelijkerwijs relevante informatie verstrekt om na te kunnen gaan of Sport Navigator aan haar verplichtingen uit de Logo-overeenkomst 2010-2014 heeft voldaan (voor het berekenen van het in artikel 2.1 van de Logo-overeenkomst 2010-2014 genoemde exposurepercentage dient Clafis bijvoorbeeld te weten wie er allemaal zijn gestart tijdens de verschillende EK’s Allround en WK’s Sprint). Het hof deelt het oordeel van de voorzieningenrechter dat niet van Clafis kan worden verlangd dat zij de ontbrekende informatie zelf uit openbare bronnen vergaart. Voor zover Sport Navigator zich op het standpunt stelt dat Clafis geen belang heeft bij de gevraagde informatie, volgt het hof haar daarin dus ook niet. Daarmee falen ook de grieven V en VI.

Spoedeisend belang?
Met grief VIII keert Sport Navigator zich tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat Sport Navigator een voldoende spoedeisend belang heeft bij haar vordering (rov. 4.4 van het vonnis). Sport Navigator wijst erop dat zij heeft aangeboden om informatie over de EK’s Allround en WK’s Sprint te verstrekken, onder de voorwaarde dat Clafis het kort geding zou intrekken en een verklaring zou afgeven. Dat zij deze voorwaarden heeft gesteld en Clafis daarmee niet akkoord is gegaan, maakt volgens haar nog niet dat Clafis een spoedeisend belang heeft bij het verkrijgen van de informatie. Bij de beoordeling hiervan stelt het hof voorop dat de vraag of een eisende partij in kort geding voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening, beantwoord dient te worden aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak. Clafis heeft als spoedeisend belang bij de gevorderde voorzieningen aangevoerd dat zij op korte termijn haar rechtspositie kan bepalen: nadat zij de gevraagde informatie heeft ontvangen, kan zij bepalen of sprake is geweest van een toerekenbare tekortkoming door Sport Navigator; dit kan vervolgens aanleiding zijn voor een bodemprocedure waarin schadevergoeding wordt gevorderd. Naar het oordeel van het hof heeft Clafis hiermee haar spoedeisend belang bij de voorziening als zodanig voldoende aannemelijk gemaakt. Van belangen die daartegen moeten worden afgewogen, is (behalve ten aanzien van de vorderingen tot overlegging van contracten en afgifte van de in beslag genomen informatie, die in het incidenteel appel aan de orde komen) verder niet gebleken. Dat Sport Navigator zich vóór de procedure onder bepaalde voorwaarden bereid heeft verklaard om informatie te verstrekken, maakt het voorgaande niet anders. Waar het om gaat, is dat Sport Navigator de informatie - ook die waarvan zij het belang voor Clafis op zichzelf erkende - (tot het vonnis) feitelijk niet heeft verstrekt. De grief treft dus geen doel.

Recht op opgave van schaatsers/schaatsbonden?
Grief IX is gericht tegen de veroordeling van Sport Navigator om aan Clafis opgave te doen van alle schaatsers/schaatsbonden die in de contractperiode aan haar waren verbonden (dictum onder 5.1. sub a van het vonnis). Volgens Sport Navigator is deze veroordeling in tegenspraak met rov. 4.5 van het vonnis, waarin de voorzieningenrechter overweegt dat niet aannemelijk is dat partijen zijn overeengekomen dat alle aan Sport Navigator verbonden schaatsers bij alle internationale wedstrijden met het logo op het linkerbeen zouden rijden. Naar het voorlopig oordeel van het hof ziet Sport Navigator er hiermee echter aan voorbij dat Clafis op grond van het bepaalde in artikel 6.3 van de Logo-overeenkomst 2010-2014 (gelezen in het licht van de considerans van de overeenkomst) al zonder meer aanspraak op deze informatie had. Deze grief kan Sport Navigator daarom niet baten. Ten overvloede merkt het hof op dat, zoals hierna zal blijken, naar zijn voorlopig oordeel wel degelijk het hiervoor genoemde uitgangspunt tussen partijen geldt (zie rov. 4.18).
 
Onduidelijk welke bescheiden moeten worden overlegd?
Grief X is gericht tegen de veroordeling van Sport Navigator om opgave te doen van de exposurepercentages, “onder overlegging van voldoende gespecificeerde bescheiden waaruit zulks blijkt”. Volgens Sport Navigator is onduidelijk op welke bescheiden de voorzieningenrechter hiermee doelt. Clafis heeft vanwege de onduidelijkheid die hierover klaarblijkelijk is ontstaan haar eis gewijzigd, in die zin dat zij nu onder 1 sub c om overlegging van door de organisatoren van de wedstrijden opgestelde startlijsten vraagt. Het hof maakt hieruit op dat Clafis haar oorspronkelijke vordering tot overlegging van (niet nader omschreven) bescheiden in dit verband niet heeft gehandhaafd. Het desbetreffende onderdeel van de veroordeling moet daarom worden geschrapt. In zoverre slaagt grief X.

In het incidenteel hoger beroep verder:
In de memorie van grieven in incidenteel appel heeft Clafis verwezen naar haar stellingen in het principaal appel, inhoudende dat in het kader van de Logo-overeenkomst 2010-2014 aan haar een exclusief recht op vermelding van haar logo op het linkerbeen van alle aan Sport Navigator verbonden schaatsers en schaatsbonden bij alle belangrijke internationale schaatswedstrijden is toegezegd. Daarmee keert Clafis zich onmiskenbaar tegen het oordeel van de voorzieningenrechter (in rov. 4.5 van het bestreden vonnis) dat niet aannemelijk is dat de Logo-overeenkomst 2010-2014 daartoe strekt. Clafis heeft verder betoogd dat de voorzieningenrechter haar volledige vordering had moeten toewijzen en niet had mogen volstaan met enkel de verplichting tot het verschaffen van gegevens omtrent de schaatsers die deelnamen aan de EK’s Allround en WK’s Sprint in de contractperiode. Daarmee keert Clafis zich ook tegen het oordeel van de voorzieningenrechter (eveneens in rov. 4.5 van het vonnis) dat Sport Navigator slechts gehouden is informatie te verschaffen over de EK’s Allround en WK’s Sprint. Sport Navigator heeft dit blijkens haar reactie in de memorie van antwoord en tijdens het pleidooi ook zo begrepen. Het standpunt van Sport Navigator dat Clafis geen (voldoende kenbare) grieven tegen het vonnis heeft aangevoerd en daarom niet-ontvankelijk is in het incidenteel hoger beroep, wordt daarom verworpen.
Het bezwaar van Sport Navigator tegen de eiswijziging ziet in de eerste plaats op de vordering tot overlegging van contracten tussen Sport Navigator en schaatsers/bonden.
Sport Navigator voert daarbij aan dat het overleggen van contracten door Clafis in eerste aanleg bewust buiten de rechtsstrijd tussen partijen is gehouden, zodat de voorzieningenrechter daarover geen oordeel heeft gegeven. Volgens Sport Navigator maakt Clafis misbruik van procesrecht door nu alsnog deze vordering in te stellen. Het hof volgt Sport Navigator niet in dit betoog. Juist is dat Clafis in eerste aanleg - in het kader van haar vordering ex artikel 843a Rv - te kennen heeft gegeven dat zij niet om inzage verzocht in de onderliggende contracten tussen Sport Navigator en alle respectievelijke schaatsbonden en schaatsers en dat zij zich kon voorstellen dat inzage daarin te zeer indruist tegen de belangen van Sport Navigator. Dat maakt echter nog niet dat het in hoger beroep alsnog vorderen van overlegging van de bedoelde contracten, kennelijk op grond van een gewijzigd standpunt van Clafis over het belang dat zij bij het verkrijgen van deze informatie heeft, in strijd komt met de eisen van een goede procesorde. Dat hierdoor slechts in één feitelijke instantie over deze vordering wordt beslist, maakt dit niet anders: dit is inherent aan het gegeven dat de eiser ook in beroep nog zijn eis kan wijzigen op de voet van artikel 130 Rv (vgl. artikel 353 Rv).

Sport Navigator maakt verder bezwaar tegen de eiswijziging die betrekking heeft op de afgifte van de in beslag genomen stukken. Sport Navigator voert daarbij aan dat er op oneigenlijke gronden en onnodig beslag is gelegd door Clafis en dat, doordat de vordering tot afgifte pas in hoger beroep is ingediend, haar de mogelijkheid is ontnomen om een eis in reconventie in te stellen tot opheffing van het beslag. Hoewel dat laatste juist is, ziet het hof daarin onvoldoende reden om de eiswijziging in strijd te achten met de eisen van een goede procesorde en daarom niet toe te staan. Het standpunt dat het beslag onnodig en op oneigenlijke gronden is gelegd, levert geen reden op om de eiswijziging als zodanig niet toe te staan, maar betreft een inhoudelijk verweer dat zo nodig hierna zal worden onderzocht.

Het bezwaar van Sport Navigator tegen de eiswijziging wordt daarom verworpen.

Voor het antwoord op de vraag op welke informatie Clafis aanspraak kan maken, is allereerst van belang wat de inhoud is van de verplichtingen die uit de Logo-overeenkomst 2010-2014 voor partijen voortvloeien. Deze inhoud moet worden vastgesteld door uitleg van de overeenkomst aan de hand van de zogenaamde Haviltex-maatstaf, waarbij het niet enkel aankomt op de letterlijke tekst van de overeenkomst, maar ook op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepaling mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden, gewaardeerd naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid.

In de considerans van de Logo-overeenkomst 2010-2014 staat dat alle schaatsers, verbonden met Sport Navigator, (voor zover van toepassing) hun wedstrijden zoals bijvoorbeeld het EK Allround, WK afstanden, WK Allround, WK Sprint en wedstrijden van de Worldcup zullen rijden met het logo van Clafis, volgens de bepalingen zoals vastgelegd in de overeenkomst. In artikel 2 is uitgewerkt welke diensten Sport Navigator in dit kader zal leveren. Sport Navigator zal zorgdragen voor een dominante logopositie voor Clafis tijdens de internationale langebaan schaatsevenementen met inzet van internationale schaatsers, door deze schaatsers daar waar mogelijk van het logo van Clafis te voorzien. Als doelstelling is geformuleerd dat minimaal 50% van de buitenlandse deelnemers aan de EK’s Allround en WK’s Sprint hun races met het logo van Clafis zullen rijden. Daarbij is bepaald dat de EK’s Allround en WK’s Sprint als meetmoment zullen gelden om te bepalen of de doelstelling van 50% is gehaald. Daaraan is toegevoegd dat de bedoelde schaatsers ook tijdens alle andere internationale wedstrijden voor zover van toepassing het logo van Clafis zullen dragen en dat Sport Navigator zich ervoor zal inspannen om zoveel mogelijk overige schaatsers van het Clafis logo te voorzien. In artikel 2 lid 3 is de logopositie (het linkerbeen van het wedstrijdpak en de inrijbroek) vastgesteld. In artikel 2 lid 4 is bepaald dat, indien met betrekking tot de bedoelde logoplaats al bestaande afspraken gelden tussen schaatsers, bond en bedrijfsleven, Sport Navigator zo mogelijk een alternatieve positie zal kiezen. In artikel 3 lid 5 is de hoogte van de betalingsverplichting van Clafis gekoppeld aan de mate waarin de in artikel 2 genoemde doelstelling is gehaald. In artikel 9 lid 2 is ten slotte bepaald dat Sport Navigator zich zal inspannen om met de bonden/schaatsers een akkoord te sluiten voor plaatsing van het logo van Clafis op de overeengekomen logopositie zoals bepaald in artikel 2.

Naar het voorlopig oordeel van het hof volgt uit deze bepalingen dat Sport Navigator zich ertoe heeft verbonden om ervoor te zorgen dat zoveel mogelijk internationale schaatsers met het logo van Clafis op het linkerbeen van het wedstrijdpak hun internationale wedstrijden zouden schaatsen. Op grond van deze contractsbepalingen stond het Sport Navigator in beginsel niet vrij om met bonden of schaatsers “concurrerende” afspraken te maken over het dragen van andere logo’s op de aan Clafis toegezegde positie. Alleen was voorzien in de mogelijkheid dat tussen schaatser en bond, bond en bedrijfsleven of schaatser en bedrijfsleven al bestaande afspraken voor die logopositie golden. Voor dat geval schreef artikel 2 lid 4 voor dat Sport Navigator dan zo mogelijk een alternatieve positie zou kiezen.

Dat de EK’s Allround en WK’s Sprint als meetmoment zijn aangeduid om te bepalen of de doelstelling is gehaald, waaraan de omvang van de door Clafis verschuldigde vergoeding is gekoppeld, wil naar het voorlopig oordeel van het hof niet zeggen dat alleen het resultaat tijdens die evenementen van belang is voor het antwoord op de vraag welke verplichtingen Sport Navigator jegens Clafis heeft op grond van de Logo-overeenkomst 2010-2014. Zoals hiervoor is weergegeven, is in de overeenkomst immers nadrukkelijk vermeld dat de desbetreffende schaatsers ook tijdens andere internationale wedstrijden het Clafis-logo zullen dragen. Op grond van het uitgangspunt in de considerans en de uitwerking daarvan in de artikelen 2 en 9 van de overeenkomst, mocht Clafis verder ook verwachten dat Sport Navigator alle aan haar verbonden schaatsers met het logo van Clafis op de toegezegde plaats zou laten rijden, tenzij bestaande afspraken tussen schaatsers, bonden en bedrijfsleven daaraan in de weg zouden staan. Sport Navigator heeft geen feiten of omstandigheden gesteld (buiten de tekst van de overeenkomst) die voor een andere uitleg zouden pleiten. In zoverre volgt het hof dan ook voorshands het standpunt van Clafis. Op het betoog van Clafis dat uit een vergelijking van de bedragen in de opeenvolgende sponsorcontracten blijkt dat de Logo-overeenkomst 2010-2014 een exclusieve positie voor Clafis op het linkerbeen betrof voor alle aan Sport Navigator verbonden schaatsers tijdens alle internationale wedstrijden, behoeft gelet op dit oordeel verder niet te worden ingegaan.

De vraag is vervolgens op welke informatie Clafis tegen deze achtergrond aanspraak kan maken. In artikel 6 lid 1 van de overeenkomst is bepaald dat partijen elkaar alle informatie zullen verschaffen die redelijkerwijs noodzakelijk is voor de uitvoering van de overeenkomst. Naar het voorlopig oordeel van het hof valt daaronder de informatie die benodigd is om het in artikel 2 lid 1 en 2 bedoelde exposurepercentage tijdens EK’s Allround en WK’s Sprint te berekenen. Volgens artikel 3 lid 5 bepaalt dit immers de uiteindelijke betalingsverplichting van Clafis. Verstrekking van deze informatie is daarmee noodzakelijk voor de uitvoering van de overeenkomst. De in rov. 4.7 vermelde vorderingen onder 1 sub b en c - die op bepaalde punten afwijken van de onderdelen b en c van het dictum van het bestreden vonnis - zijn op deze grond dus toewijsbaar, voor zover het om gegevens over de EK’s Allround en WK’s Sprint tijdens de contractperiode gaat. De vordering tot overlegging van startlijsten van deze evenementen is eveneens toewijsbaar, omdat het daarbij om relevante informatie in dit kader gaat (ook deze informatie heeft Clafis nodig voor berekening van de exposurepercentages). Dat deze lijsten openbare informatie betreffen die Clafis zelf ook kan achterhalen, zoals Sport Navigator stelt, doet daaraan niet af, te meer nu deze informatie in elk geval in het domein van Sport Navigator ligt. Sport Navigator heeft tijdens het pleidooi overigens ook verklaard dat zij over deze gegevens beschikt.

Bij de andere door Clafis verlangde gegevens (voor zover niet toegewezen door de voorzieningenrechter) ligt dit anders. Clafis vraagt om die gegevens om na te kunnen gaan of Sport Navigator haar contractuele verplichtingen al dan niet volledig is nagekomen, met het oog op een eventuele vordering tot schadevergoeding. Het gaat dan niet meer om gegevens die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de overeenkomst in de zin van artikel 6 lid 1. Aan het bepaalde in artikel 6 lid 3, dat Sport Navigator Clafis inzicht zal verschaffen met welke schaatsbonden/schaatsers tot overeenstemming is gekomen, kan Clafis zonder nadere toelichting, die ontbreekt, ook niet het recht ontlenen om kennis te nemen van de inhoud van de contracten die Sport Navigator met de bonden/schaatsers heeft gesloten.

De vordering is, wat dit betreft, op deze grondslag dus niet toewijsbaar.

Clafis heeft subsidiair verstrekking van deze gegevens gevorderd op grond van artikel 843a Rv. Dit artikel bepaalt dat degene die daarbij rechtmatig belang heeft, op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel kan vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij partij is, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking heeft. In lid 4 is bepaald dat degene die de bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft, niet gehouden is aan deze vordering te voldoen indien daarvoor gewichtige redenen zijn, alsmede indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd. Artikel 843aRv biedt, gelet op deze beperkingen, niet de mogelijkheid voor het opvragen van documenten waarvan Clafis slechts vermoedt dat zij steun zouden kunnen geven aan de stelling dat Sport Navigator één of meer verplichtingen uit de overeenkomst niet is nagekomen. Naar het oordeel van het hof heeft Clafis, in het licht van de betwisting door Sport Navigator, onvoldoende gesteld om een rechtmatig belang bij verstrekking van deze gegevens aan te kunnen nemen. Ten aanzien van haar vordering tot overlegging van de overeenkomsten tussen Sport Navigator en de schaatsbonden/schaatsers, heeft Clafis gesteld te vermoeden dat Sport Navigator afspraken met bonden/schaatsers heeft gemaakt over plaatsing van logo’s van andere sponsoren op de aan Clafis toegezegde positie, wat uit de overeenkomsten zou kunnen blijken. Haar stellingen daarover heeft Clafis echter niet of nauwelijks onderbouwd. In de memorie van antwoord stelt zij (sub 3.22) dat bij belangrijke wedstrijden is gebleken dat de complete ploegen van Frankrijk en Polen met andere sponsoren op het linkerbeen reden, en even verderop (sub 4.7) dat moest worden vastgesteld dat de ploegen van Canada en Polen met een andere sponsor op het linkerbeen reden. Een verdere toelichting hierop heeft zij in de gedingstukken niet gegeven. Bij het beslagrekest, dat als productie G bij haar memorie is overgelegd, zijn nog wel enkele foto’s en printscreens overgelegd waaruit volgens het beslagrekest zou blijken dat een aantal aan Sport Navigator verbonden schaatsers met het logo van ‘KIA’ op het linkerbeen heeft gereden in de periode 2012-2013. Sport Navigator is hierop in de memorie van antwoord in incidenteel appel uitvoerig ingegaan en heeft het door Clafis geuite vermoeden gemotiveerd betwist. Clafis heeft hierop tijdens het pleidooi niet gereageerd. Gelet daarop is van concrete aanwijzingen voor het door Clafis geuite vermoeden op dit punt niet gebleken. De in rov. 4.3 vermelde vordering onder 1 sub a tot overlegging van de overeenkomsten is daarom niet toewijsbaar. Ten aanzien van de vordering onder 1 sub b en c, voor zover deze betrekking heeft op gegevens over andere wedstrijden dan de EK’s Allround en WK’s Sprint, geldt dat Clafis haar rechtmatige belang daarbij ook onvoldoende duidelijk heeft gemaakt. Clafis heeft geen concrete feiten gesteld die het vermoeden rechtvaardigen dat Sport Navigator wat dit betreft niet aan haar verplichtingen jegens Clafis heeft voldaan. De vordering is in zoverre dus evenmin toewijsbaar.

De beslissing

Het hof, recht doende in zowel het principale als het incidentele hoger beroep in kort geding:
- bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 11 augustus 2014, behalve voor zover het de veroordeling onder 5.1 sub b en c van het dictum betreft, vernietigt het vonnis in zoverre en doet in zoverre opnieuw recht;

- beveelt Sport Navigator om binnen zeven dagen na betekening van dit arrest aan Clafis opgave te doen van:
a. het aantal schaatsers (met naam en nationaliteit gespecificeerd) die hebben gereden met het logo van Clafis op het linkerbeen tijdens de EK’s Allround en de WK’s Sprint in de periode van 3 mei 2010 tot en met 1 april 2014,
b. de exposurepercentages van de buitenlandse rijders die hebben gereden op de EK’s Allround en de WK’s Sprint in de periode van 3 mei 2010 tot en met 1 april 2014, zulks onder overlegging van door de organisatoren van deze wedstrijden opgestelde startlijsten;