Posts tonen met het label aansprakelijkheid. Alle posts tonen
Posts tonen met het label aansprakelijkheid. Alle posts tonen

woensdag 11 april 2018

Geen schending zorgplicht gymleraar tijdens gymles; school niet aansprakelijk voor ernstig letsel leerling





De feiten
De gymleraar, in dienst bij Dunamare, had besloten met de leerlingen het tikspel Pionnenroof (hierna: het tikspel) te spelen. Dit spel werd als volgt gespeeld. Twee teams stonden tegenover elkaar aan weerszijden (de korte zijden) van de zaal. Het verdedigende team stond achter de gele achterlijn die op 1 à 2 meter voor de muur van de gymzaal ligt. Op de witte lijn een paar meter daarvoor stonden zes pionnen. De aanvallende partij stond aan de overzijde en mocht op het fluitsignaal van de gymleraar de pionnen benaderen en moest proberen een pion te veroveren. De spelers van de verdedigende partij moesten, als zij het veld betraden, een leerling van de andere partij tikken, anders waren ze af. Zodra één of meer verdedigende spelers het veld instormden moesten de aanvallers direct terugrennen naar de achterlijn aan hun zijde. Daarachter was een zone waar zij ''veilig'' waren en niet meer getikt mochten worden. Iedereen die afgetikt werd moest aan de zijkant van de zaal op de bank plaatsnemen. Het spel zou doorgaan tot alle pionnen geroofd zouden zijn of alle aanvallers afgetikt zouden zijn.
Bij het spel was een kind ingedeeld bij de verdedigers. Eén van de aanvallers wilde de pion pakken die door een kind werd verdedigd. Het kind rende in volle vaart achter de aanvaller aan met de bedoeling om hem te tikken. Net toen het kind de aanvaller bij zijn schouder zou kunnen aantikken, week de aanvaller uit door zijn lichaam naar links te draaien. Hij raakte met zijn schouder de bekleding aan de wand maar het kind , die met zijn hoofd naar voren liep omdat hij zijn arm uitstrekte om te tikken, kwam met zijn hoofd tegen de muur. Het kind heeft daardoor letsel opgelopen. Hij heeft zijn vijfde nekwervel gebroken en heeft als gevolg daarvan een incomplete dwarslaesie hoog C5.
De muur waartegen het kind is aangelopen was bekleed met geluidsisolerend materiaal.
De ouders hebben Dunamare als werkgever van de gymleraar aansprakelijk gesteld voor de schade die het kind lijdt en nog zal lijden als gevolg van het ongeval. Dunamare heeft de aansprakelijkheid afgewezen.

Oordeel rechtbank
De rechtbank zal thans beoordelen of, zoals de ouders stellen, de gymleraar zijn zorgplicht jegens de zoon heeft geschonden. Daarbij wordt vooropgesteld dat de enkele mogelijkheid van een ongeval, als verwezenlijking van een aan een gymles in het algemeen en een gymnastiekoefening in het bijzonder inherent gevaar, niet zonder meer tot de conclusie leidt dat er sprake is van onzorgvuldig en daarmee onrechtmatig handelen. Enerzijds zijn gymnastiekoefeningen van belang – en gelet op de door de overheid geformuleerde kerndoelen ook verplicht – voor de lichamelijke vorming en ontwikkeling van kinderen, ook al is daaraan uit de aard der zaak een bepaalde mate van gevaar verbonden. Anderzijds dient een school een veilige omgeving te zijn waarin het risico van letsel zoveel als redelijkerwijs mogelijk dient te worden vermeden. Of het niet treffen van voorzorgsmaatregelen, het niet geven van extra specifieke veiligheidsinstructies of het laten deelnemen aan een gymnastiekoefening onrechtmatig is, hangt af van de aard van deze gymnastiekoefening, de ernst van de mogelijke gevolgen, de bezwaarlijkheid van voorzorgsmaatregelen en de kans op schade. In het onderhavige geval betekent dit concreet dat het niet treffen van voorzorgsmaatregelen, het niet geven van extra specifieke veiligheidsinstructies of het laten deelnemen aan een gymnastiekoefening slechts onrechtmatig is, indien de kans op een ongeval en/of letsel bij het tikspel zo groot was, dat de gymleraar ter voorkoming of beperking van het ongeval en/of letsel naar maatstaven van zorgvuldigheid extra veiligheidsmaatregelen had moeten treffen of dit tikspel niet had moeten laten plaatsvinden.

Voorzorgsmaatregelen met betrekking tot de met geluidsisolatie beklede muur
De ouders maken de gymleraar in relatie tot de samenstelling van de muur van de sportzaal de volgende verwijten. Bij de keuze van het tikspel heeft de gymleraar geen rekening gehouden met de feitelijke ongeschiktheid van de zaal voor wat betreft de voorzieningen, meer precies het ontbreken van dikke valkussens op de muur. De zaal was hierdoor geschikt voor gebruik door leerlingen van een basisschool maar niet voor gebruik door leerlingen van de bovenbouw van een middelbare school. De gymleraar heeft bovendien niet gecontroleerd of de bekleding die op de muur was aangebracht voldoende bescherming bood voor de leerlingen wanneer zij, zoals bij dit spel te voorzien was, tegen de muur zouden botsen. Ook heeft de gymleraar niet zelf beschermende valkussens aangebracht. De gymleraar heeft de leerlingen er voorts niet voor gewaarschuwd dat de op de muur aangebrachte bekleding niet bestond uit beschermende valkussens maar uit geluidsisolatie, terwijl de zoon in de veronderstelling verkeerde dat het beschermende valkussens waren en dat hij daar met een zekere snelheid tegenaan kon lopen.
De ouders hebben aanvankelijk ook de stelling ingenomen dat de gymzaal voor wat betreft de afmetingen ongeschikt zou zijn voor gebruik door leerlingen van de bovenbouw van de middelbare school, maar heeft deze stelling ter zitting niet langer gehandhaafd. De rechtbank zal deze stelling daarom niet bij de beoordeling betrekken.
Dunamare heeft betwist dat de zaal voor wat betreft de voorzieningen ongeschikt was voor de leerlingen en voor het spel. Dunamare erkent dat de gymleraar niet heeft gecontroleerd of de bekleding op de muur bescherming bood tegen ongevallen zoals de zoon is overkomen, dat hij geen valkussens heeft aangebracht en dat hij geen instructie heeft gegeven aan de leerlingen dat de bekleding op de muur geen valkussens waren maar geluidsisolatie, maar volgens Dunamare behoort dit alles ook niet tot de zorgplicht van de gymleraar.
Aan de orde is de vraag of het tot de zorgplicht van de gymleraar behoorde om rekening te houden met de mogelijkheid dat een leerling tijdens het tikspel in volle vaart met zijn hoofd tegen de muur zou botsen, en daarom af te zien van het spel dan wel valkussens op de muur aan te brengen of de leerlingen ervoor te waarschuwen dat de op de muur aangebrachte bekleding geluidsisolatie betrof en geen beschermingsmateriaal tegen dat soort botsingen.
Naar het oordeel van de rechtbank is de mate van waarschijnlijkheid dat een leerling, ook als hij, zoals de zoon stelt, voor het eerst les heeft in de gymzaal en de bekleding op de muur ten onrechte houdt voor valkussens, bij het tikspel in volle vaart met zijn hoofd tegen een al dan niet beklede muur botst, niet zodanig groot dat gezegd kan worden dat de gymleraar ter voldoening van zijn zorgplicht gehouden was om af te zien van het spel, zelf valkussens op de muur aan te brengen of de leerlingen ervoor te waarschuwen dat de op de muur aangebrachte bekleding tegen dergelijke ongevallen geen bescherming bood. Uit productie 4 bij conclusie van antwoord, een print van een groot spellenboek met spellen voor kinderen van 4 tot 12 jaar, blijkt dat het tikspel ook door kinderen in het basisonderwijs wordt gespeeld en een overzichtelijk en gangbaar tikspel is, waarbij geen grote snelheden hoeven te worden bereikt. Bovendien is het een feit van algemene bekendheid dat kinderen reeds op jonge leeftijd en zonder enige instructie tikspelletjes spelen. Het voorgaande betekent dat de verwijten die de ouders maken met betrekking tot de wandbekleding van de sportzaal niet tot het oordeel leiden dat de gymleraar zijn zorgplicht jegens de zoon heeft geschonden en daarmee onrechtmatig heeft gehandeld.

Gespannen sfeer
De ouders stellen verder dat de gymleraar niet aan zijn zorgplicht jegens de zoon heeft voldaan omdat hij van het spel af had moeten zien nadat er aan het begin van de les een gespannen sfeer was ontstaan doordat een aantal leerlingen zich had misdragen en de les uit was gestuurd, maar dat niet heeft gedaan.
Dunamare heeft hiertegen aangevoerd dat het wegsturen van de leerlingen juist heeft bijgedragen aan het herstel van een ordelijke sfeer in de gymles, dat pas daarna het spel is aangevangen en dat het spel vervolgens aanvankelijk goed verliep.
De rechtbank oordeelt als volgt. Om dit verwijt jegens Dunamare te laten slagen, is nodig dat komt vast te staan dat er sprake was van een gespannen sfeer en dat deze heeft bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval (causaal verband). De ouders hebben echter niet gesteld laat staan onderbouwd hoe de aanwezigheid van een gespannen sfeer – wat daar ook van zij – heeft bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval. Reeds daarom hebben de ouders onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit zou kunnen volgen dat de gymleraar op dit punt zijn zorgplicht jegens de zoon heeft geschonden en daarmee de schade heeft veroorzaakt. De stelling wordt daarom verworpen. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen.

Instructie en antwoorden op vragen van de zoon
De ouders hebben voorts gesteld dat de gymleraar de zoon onvoldoende instructie over het spel heeft gegeven en geen acht heeft geslagen op de vragen die de zoon hem voor aanvang van het spel heeft gesteld, terwijl de zoon pas kort op deze school zat en het spel niet kende.
Dunamare heeft hiertegen aangevoerd dat het spel en de spelregels goed zijn uitgelegd, dat aandacht is besteed aan de rol van de aanvaller, de rol van de verdediger, de betekenis van de witte en gele lijnen in de zaal voor het spel, en dat de instructie gegeven is dat het tikken rustig moest gebeuren en dat het niet was toegestaan om een leerling te duwen. Andere instructies waren voor dit tikspel, zo stelt Dunamare, niet vereist. Voorts is van de zijde van Dunamare opgemerkt dat de gymleraar altijd vragen van leerlingen beantwoordt en dat hij dat ook nu, hoewel het hem niet meer concreet bijstaat, gedaan zal hebben. De ouders hebben dit verweer van Dunamare niet bestreden.
De rechtbank oordeelt als volgt. Om dit verwijt jegens Dunamare te laten slagen is nodig dat komt vast te staan dat de leraar geen instructie en antwoorden aan de zoon heeft gegeven en dat het nalaten daarvan heeft bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval (causaal verband). De ouders hebben niet gesteld laat staan onderbouwd welke instructies en antwoorden de gymleraar niet heeft gegeven en hoe dat heeft bijgedragen aan het ontstaan van het ongeval. Reeds daarom hebben de ouders onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit zou kunnen volgen dat de gymleraar op dit punt zijn zorgplicht jegens de zoon heeft geschonden en daarmee de schade heeft veroorzaakt. De stelling wordt daarom verworpen. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen.

Toezicht bij de uitvoering van het spel
Tot slot verwijten de ouders de gymleraar het spel niet actief te hebben begeleid en dat hij niets heeft gedaan om het ongeval te voorkomen. De ouders stellen dat de gymleraar op een bank aan de zijkant van de zaal zat terwijl hij zich had moeten opstellen bij de gele lijn, de plek waar de leerlingen mogelijk risico zouden lopen. Hij was bezig met zijn laptop en hij heeft niet ''ho'' of ''stop'' geroepen vlak voor het ongeval, aldus de ouders .
Dunamare heeft hiertegen aangevoerd dat de gymleraar toezicht hield in het midden van de lange zijde van de zaal, dat hij lette op het gehele spel en ook op het stop-gedrag van de leerlingen. Hij erkent dat hij het ongeval niet heeft zien gebeuren. Hij betwist dat hij op dat moment een laptop bij zich had. Voorts voert hij aan dat het roepen van ''ho'' of ''stop'', gelet op de snelheid van de zoon , waarschijnlijk geen zin meer had gehad. De ouders hebben het verweer van Dunamare niet bestreden.
De rechtbank stelt voorop dat in een sportzaal waarin een groep schoolkinderen in de leeftijd van ongeveer 15 jaar een tikspel speelt, een verantwoorde wijze van toezicht houden niet inhoudt dat steeds op elk kind en op elk aspect van het spel direct toezicht wordt gehouden, zodanig dat elke onregelmatigheid direct wordt opgemerkt en dat direct kan worden ingegrepen. Het stellen van een dergelijke eis aan de school en de gymleraar gaat te ver, gelet op de hier toe te passen maatschappelijke zorgvuldigheidsnorm. De rechtbank acht de in dit geval uitgeoefende wijze van toezicht (een gymleraar die zich, dat staat tussen partijen niet ter discussie, positioneert in het midden van het spel), zeker nu het tikspel de gehele zaal bestreek, gebruikelijk en niet onverantwoord, ook al kan dit inhouden dat een onregelmatigheid niet direct wordt opgemerkt, omdat die zich buiten het zicht van de gymleraar afspeelt. De stelling van de ouders dat de gymleraar zich bij de gele lijn in de nabijheid van de muur waar het ongeval plaatsvond had moeten positioneren stuit hierop af.
De stelling van de ouders dat de gymleraar bezig was met zijn laptop, en dus niet naar het spel keek, wordt verworpen. Dunamare heeft deze stelling gemotiveerd betwist. Gelet daarop had het op de weg gelegen van de ouders om zijn eigen stelling nader te onderbouwen met feiten en omstandigheden. Dat heeft de ouders niet gedaan. Dat betekent dat de ouders hun stelling, gelet op de gemotiveerde betwisting door Dunamare, onvoldoende heeft onderbouwd.
Ten aanzien van de vraag of de gymleraar had moeten ingrijpen vlak voor het ongeval door ''ho'' of ''stop'' te roepen, zoals de ouders betogen, overweegt de rechtbank als volgt. Tussen partijen staat niet ter discussie dat de zoon met onverminderde snelheid richting de muur rende en daar tegenaan botste. De rechtbank ziet daarom niet in, en de ouders hebben hiervan ook geen onderbouwing gegeven, dat de gymleraar, ook als hij dit op het moment zelf had waargenomen, voldoende tijd had gehad om in te grijpen en daarmee het ongeval had kunnen voorkomen.
De rechtbank passeert ook de stelling van de ouders dat de afmetingen van de veilige zone te beperkt waren om tijdig voor de muur te kunnen stoppen, nu, daargelaten of feitelijk juist is wat de ouders omtrent die afmetingen stelt, er vanuit gegaan moet worden dat de zoon op geen enkel moment voordat hij de muur raakte vaart heeft geminderd. Gelet daarop komt aan de grootte van de veilige zone geen betekenis toe.
Voormelde overwegingen leiden de rechtbank tot de slotsom dat de gymleraar bij de uitvoering van het spel heeft gehandeld binnen de grenzen van zijn zorgplicht. De stelling van de ouders dat de gymleraar zijn zorgplicht jegens de zoon heeft geschonden door tijdens het spel onvoldoende toezicht te houden wordt op grond van het voorgaande verworpen.

Uit al het voorgaande volgt dat de vorderingen van de ouders zullen worden afgewezen.

zondag 28 mei 2017

Kartcircuit Kombikart aansprakelijk voor letselschade kartster; eigen schuld 50%


De feiten
Slachtoffer X reed op 8 mei 2015 (twee dagen voor haar vijftiende verjaardag) in haar eigen kart, een zogenaamde minimax. Zij was een ervaren kartster en kende het kartcircuit goed. Zij was lid van de kartschool en reed ook wedstrijden. Karter Y was ten tijde van het ongeval 20 jaar oud, had wel eens eerder gekart maar reed die middag voor het eerst op het kartcircuit van Kombikart in Eindhoven.
Na enkele ronden te hebben gereden raakte karter Y van de baan af. Dit gebeurde in de chicane (S-bocht) van het circuit. Op het moment dat karter Y vanaf de rechterkant de baan weer opreed werd hij aangereden door Slachtoffer X . Zij reed met een snelheid van ongeveer 70 km per uur. Zij zag de kart van karter Y pas staan een enkel ogenblik voor de botsing en kon toen niets meer doen om het ongeval te voorkomen. Slachtoffer X is met haar kart tegen het linker voorwiel van de kart van karter Y gereden, waardoor haar kart werd gelanceerd, over de kop ging en een stuk verderop in de berm terechtkwam en in brand raakte. Slachtoffer X viel hierbij uit de kart.  Slachtoffer X had na het ongeval een dubbele klaplong, een gebroken linker sleutelbeen, diverse gekneusde en gebroken ribben, kneuzingen in haar bekken, en de linkerkant van haar lichaam was zeer pijnlijk, zat vol blauwe plekken en schaafwonden. Ook haar linkerhand was erg pijnlijk. Karter Y heeft bij het ongeval geen letsel opgelopen.

De vordering
Slachtoffer X stelt zowel karter Y als de kartschool aansprakelijk voor de schade.

Oordeel rechtbank

Aansprakelijkheid karter Y
Het staat vast dat het ongeval is veroorzaakt doordat karter Y terug het circuit is opgereden juist op het moment dat Slachtoffer X daar aan kwam rijden. De vraag is nu kort gezegd of karter Y , door het circuit op te rijden op de manier waarop hij dat heeft gedaan, onrechtmatig heeft gehandeld als bedoeld in artikel 6:162 BW. De ouders van Slachtoffer X stellen dat karter Y gevaarlijk en daarom onrechtmatig heeft gehandeld en beroepen zich in dit verband op de criteria zoals door de Hoge Raad gegeven in het zogenaamde Kelderluikarrest van 5 november 1965 (ECLI:NL:HR:1965:AB7079).
De rechtbank is van oordeel dat toepassing van deze criteria hier minder voor de hand ligt omdat het verwijt aan karter Y niet zozeer ziet op het in het leven roepen of in stand laten van een potentieel gevaarlijke (min of meer statische) situatie maar op het zich gevaarlijk gedragen. Of het gedrag van karter Y als onrechtmatig is aan te merken, moet als volgt worden beoordeeld. In het algemeen geldt dat niet elke gedraging die kan leiden tot een ongeval ook onrechtmatig is. Een gedraging die gevaar voor een ander kan opleveren is alleen dan onrechtmatig als de kans op een ongeval (met letsel voor een ander) zo groot is, dat de persoon in kwestie zich uit oogpunt van zorgvuldigheid daarvan had moeten onthouden (vergelijk Hoge Raad 9 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1576, ‘zwiepende tak’ en Hoge Raad 28 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2679, ‘Witmarsumer Merke’). Bij het beoordelen of in een concreet geval aan dit criterium is voldaan, moet worden gekeken naar de specifieke situatie waarin partijen zich hebben begeven en naar het gevaar dat partijen in die situatie over en weer redelijkerwijs van elkaar konden en mochten verwachten. In de jurisprudentie is uitgemaakt dat deelnemers aan een sport of spel in redelijkheid tot op zekere hoogte gevaarlijke, slecht gecoördineerde, verkeerd getimede of onvoldoende doordachte handelingen of gedragingen waartoe die activiteit uitlokt, of die daarin besloten liggen, van elkaar moeten verwachten (zie Hoge Raad van 28 juni 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0300, ‘natrappen bij voetbal’ en het al eerder genoemde arrest ‘Witmarsumer Merke’ uit 2003). Als een deelnemer aan een sport of spel door zijn gedrag letsel veroorzaakt bij een andere deelnemer, wordt dat gedrag daarom minder snel als onrechtmatig aangemerkt dan als datzelfde gedrag buiten een sport- en spelsituatie zou hebben plaatsgevonden. In sport- en spelsituaties is dus sprake van een verhoogde aansprakelijkheidsdrempel. Partijen twisten over de vraag of hier sprake was van een sport- en spelsituatie. karter Y meent van wel en stelt dat hij in het vuur van het spel zo snel mogelijk de baan weer op wilde. de ouders van Slachtoffer X meent dat karter Y, nadat hij de bocht was uitgevlogen en naast de baan terecht was gekomen, geen deel meer uitmaakte van de sport- en spelsituatie. Bovendien was er sprake van vrij rijden en ontbrak het competitieve element, zo stelt de ouders van Slachtoffer X . De rechtbank overweegt dat de verhoogde drempel voor aansprakelijkheid niet is opgehouden te gelden zodra karter Y naast de baan terecht is gekomen. Karter Y , die de bocht was uitgevlogen en de baan weer op wilde, maakte ook op het korte moment dat hij met zijn kart naast de baan stond, nog altijd deel uit van de sport- en spelsituatie (vergelijk Hoge Raad 28 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2680, ‘Broere/Kegel’ en het eerdergenoemde arrest ‘Witmarsumer Merke’ van dezelfde datum). Voorts geldt dat van een sport- en spelsituatie niet alleen sprake kan zijn indien de activiteit plaatsvindt in wedstrijdverband. Ook bij zuiver recreatieve activiteiten kan er reden zijn om een verhoogde drempel voor aansprakelijkheid aan te nemen. Bij het vrij karten is overigens wel degelijk sprake van een competitief element. De essentie van karten is toch om zo snel mogelijk het circuit af te leggen. Tijdens het vrij rijden zullen mogelijk minder risico’s worden genomen dan tijdens een wedstrijd, maar uit wat partijen daarover naar voren hebben gebracht begrijpt de rechtbank dat ook deelnemers aan het vrij rijden proberen zo snel mogelijk te rijden om hun rondetijden te verbeteren of om een andere kart bij te houden of in te halen. Dat karter Y buiten de baan was geraakt (en daar weer op probeerde te rijden om zijn ronde af te maken) betekent niet dat hij niet langer deelnam aan het vrij rijden. De rechtbank is daarom van oordeel dat de aansprakelijkheid van karter Y moet worden beoordeeld aan de hand van de maatstaf die geldt in sport- en spelsituaties. Die maatstaf kan variëren naargelang de specifieke omstandigheden van het geval. De aard en intensiteit van de activiteit speelt daarbij een belangrijke rol want (om bij gemotoriseerde activiteiten te blijven) in bijvoorbeeld deelname aan een motorcrosswedstrijd liggen nu eenmaal andere gevaren besloten dan in deelname aan een wat rustiger activiteit zoals een recreatieve snorfietstoertocht. Karter Y heeft over de toedracht van het ongeval en de omstandigheden die middag het volgende verklaard. karter Y had een paar keer eerder gekart maar reed die middag voor het eerst ‘semiprofessioneel’ op het outdoor circuit in Eindhoven, op uitnodiging van een schoolvriend. Hij reed in een kart van zijn vriend en droeg zijn eigen helm en crossbril. Bij aankomst op het circuit heeft karter Y voor het gebruik van de baan betaald en werd een label aan zijn kart bevestigd. Hem is niet gevraagd naar zijn kartervaring en aan hem zijn door het personeel van de kartbaan geen instructies gegeven. De instructies die op een bord bij de ingang hingen heeft hij niet gezien. Hij keek hoe anderen reden. Na enkele ronden te hebben gereden is karter Y met zijn kart gaan spinnen en raakte hij van de baan af. Dit gebeurde in de ‘chicane’ (S-bocht) van het circuit, waar een bocht van 90 graden naar links direct wordt gevolgd door een zelfde bocht naar rechts. Hij kwam in het gras rechts van de baan terecht en zijn kart kwam schuin/dwars in de bocht te staan, een positie van waaruit hij direct terug de baan op kon rijden. karter Y wilde zo snel mogelijk weer de baan oprijden. Voor hij dat deed keek hij naar links. Door de helm en de bril die hij droeg, en de kuipstoel waarin hij zat en waarin hij zich niet kon draaien, kon hij niet zo gemakkelijk naar achteren kijken als hij dat zonder helm en bril in bijvoorbeeld de auto zou kunnen, maar de baan was overzichtelijk en van links zag hij geen karts op korte afstand naderen. Verderop zag hij twee karts naderen, maar zijn inschatting was dat hij daar gemakkelijk voorlangs kon. Hij reed de baan op en werd direct van links aangereden door Slachtoffer X . Zij reed met hoge snelheid tegen zijn linker voorwiel. Karter Y stelt dat hij Slachtoffer X niet heeft gezien, mogelijk omdat zij buiten zijn blikveld, in zijn dode hoek heeft gereden. de ouders van Slachtoffer X (en Kombikart) hebben deze verklaringen van karter Y niet betwist. De ouders van Slachtoffer X verwijten karter Y onder meer dat hij in een onwennige kart reed waarin hij moeilijk kon bewegen en dat hij een helm droeg in combinatie met een crossbril, waardoor hij een kleinere kijkhoek had.
De rechtbank is van oordeel dat karter Y in deze geen verwijt treft. Karter Y reed voor het eerst in de kart, die daarom onwennig voor hem zal zijn geweest, maar de kart voldeed aan alle daaraan te stellen eisen. Zoals ook van de zijde van Kombikart is toegelicht is het uit een oogpunt van veiligheid van belang dat een karter goed vastzit in de kuipstoel van de kart. Het dragen van een helm is om voor de hand liggende redenen verplicht bij het karten, al maakt dit het naar opzij en met name het naar achteren kijken niet makkelijker. Karter Y heeft zijn helm gedragen in combinatie met een crossbril. Het staat niet vast dat hij hierdoor een beperkter zicht had dan wanneer hij een helm met vizier had gedragen. Voor zover zijn crossbril het zicht naar achteren enigszins heeft beperkt, dan betekent dit naar het oordeel van de rechtbank nog niet dat dit karter Y ervan had moeten weerhouden met die bril op te gaan rijden. Bij het binnengaan van de kartbaan is hij door het personeel ook niet gewezen op mogelijke ongeschiktheid van zijn helm met crossbril.
De ouders van Slachtoffer X verwijten karter Y ook dat hij meerdere baanregels heeft overtreden door zich buiten de baan te begeven, zijn hand niet op te steken en geheel onverwachts en zonder goed uit te kijken de baan weer op te rijden, daarbij niet aangevend wat hij van plan was en geen voorrang verlenend aan snellere rijders, waardoor hij anderen heeft gehinderd en afgesneden.
De rechtbank overweegt dat uit de verklaringen van zowel Kombikart als Slachtoffer X volgt dat het regelmatig voorkomt dat een karter buiten de baan raakt. Het van de baan af raken moet worden gezien als (het gevolg van) een tot op zekere hoogte gevaarlijke, slecht gecoördineerde, verkeerd getimede of onvoldoende doordachte handelingen of gedragingen waartoe het karten uitlokt, of die daarin besloten liggen, die karters onderling van elkaar, en zeker van minder ervaren mede-karters, moeten verwachten. De rechtbank overweegt dat er bij Kombikart geen baanregel is die voorschrijft dat een rijder die van de baan is geraakt zijn hand op moet steken bij het weer oprijden van de baan. De baanregels - die karter Y overigens niet had gelezen en waarover hij ook geen instructie had gehad - schrijven voor dat rijders hun beide handen op het stuur moeten houden en dat rijders duidelijk hun hand op moeten steken bij gevaar of bij het verlaten van de baan. Het was wellicht aan te raden geweest wanneer karter Y zijn hand had opgestoken voordat hij (met beide handen aan het stuur) de baan weer op reed, om daarmee andere rijders te waarschuwen. Dat hij dit niet heeft gedaan valt naar het oordeel van de rechtbank hooguit aan te merken als onvoldoende doordacht handelen waarmee andere gebruikers van de kartbaan rekening moeten houden dat dit kan gebeuren, zeker als zij weten dat er ook onervaren karters op de baan rijden. Overigens is het zeer de vraag of met het opsteken van de hand het ongeval zou zijn voorkomen. Op de zitting heeft Slachtoffer X uitgelegd dat het opsteken van de hand bedoeld is om te waarschuwen dat er iets aan de hand is, waarna er gevlagd kan worden en iedereen rustiger gaat rijden. Vast staat echter dat er op de middag van 8 mei 2015 geen vlaggers op het circuit aanwezig waren. Het opsteken van de hand door karter Y had er dus niet toe geleid dat er zou zijn gevlagd en het is niet zeker of Slachtoffer X de opgestoken hand van karter Y zou hebben gezien want zij heeft verklaard dat zij karter Y in zijn kart helemaal niet heeft zien staan naast de baan. Het is bovendien maar zeer de vraag of Slachtoffer X , als zij de opgestoken hand van karter Y wel had gezien, haar handelen daarop zou hebben aangepast. Op de zitting heeft Slachtoffer X immers verklaard dat als er een kart naast de baan staat het niet aan haar is om vaart te minderen, maar dat degene die de baan weer op wil goed moet uitkijken. Het belangrijkste verwijt aan het adres van karter Y is dat hij niet, of althans niet goed heeft uitgekeken voordat hij de baan is opgereden. De rechtbank is met de ouders van Slachtoffer X van oordeel dat het aan karter Y was om goed uit te kijken en te wachten totdat hij zonder anderen te hinderen de baan kon oprijden. Dit is door karter Y ook niet betwist. De ouders van Slachtoffer X stellen dat karter Y zonder te kijken de baan weer is opgereden. De vader van Slachtoffer X , heeft dit zo verklaard. Hij was die middag op het circuit aanwezig en heeft het ongeval naar eigen zeggen zien gebeuren. De rechtbank overweegt dat het voor de heer de ouders van Slachtoffer X heel moeilijk, zo niet onmogelijk moet zijn geweest om vanaf de zijkant van het circuit met zekerheid vast te stellen dat karter Y niet naar links heeft gekeken. De rechtbank ziet in de verklaring van de heer de ouders van Slachtoffer X dan ook onvoldoende grond om aan te nemen dat karter Y , anders dan hij zelf heeft verklaard, helemaal niet naar links heeft gekeken voordat hij de baan weer op reed. De rechtbank gaat er vanuit dat karter Y naar links heeft gekeken en vindt daarvoor een aanknopingspunt in de verklaring van karter Y dat hij twee karts heeft zien naderen waar hij naar zijn inschatting nog voorlangs kon. De heer [naam] , de vriend waarmee karter Y aan het karten was, heeft verklaard dat karter Y twee andere karts voor heeft laten gaan voordat hij de baan weer opging (productie 1 bij de conclusie van antwoord van karter Y ). Ook dit wijst er op dat karter Y niet direct en zonder eerst te kijken de baan weer is opgereden. Hoewel karter Y naar links heeft gekeken heeft toch een ongeval plaatsgevonden. Wat er precies de oorzaak van is geweest dat karter Y , hoewel hij naar links heeft gekeken, niet heeft gezien dat Slachtoffer X hem met hoge snelheid van dichtbij naderde (de aanrijding vond immers plaats direct bij het oprijden van de baan), is onduidelijk. Mogelijk heeft zij op het moment dat karter Y naar links keek juist in zijn dode hoek gereden. Rekening houdend met het feit dat het handelen van karter Y heeft plaatsgevonden binnen een sport- en spelsituatie als bedoeld in de eerder aangehaalde jurisprudentie, en rekening houdend met het feit dat karter Y , zoals zijn raadsman het verwoordt, in het vuur van het spel druk voelde om zo snel mogelijk weer de baan op te rijden, acht de rechtbank de handelwijze van karter Y niet onrechtmatig. De rechtbank ziet onvoldoende grond om te oordelen dat de handelwijze van karter Y zo abnormaal gevaarlijk was dat de andere karters, waaronder Slachtoffer X , hiermee in redelijkheid geen rekening hoefden te houden. Bij vrij karten op de manier waarop dat hier op het circuit van Kombikart gebeurde, kunnen de deelnemers verwachten dat andere (minder ervaren) deelnemers onbedoeld voor gevaarlijke situaties kunnen zorgen. karter Y heeft dan ook niet onrechtmatig gehandeld en is daarom niet aansprakelijk voor de schade die Slachtoffer X als gevolg van het ongeval lijdt. De vorderingen van de ouders van Slachtoffer X voor zover deze zien op karter Y zullen daarom worden afgewezen.

Aansprakelijkheid Kombikart
De vorderingen van de ouders van Slachtoffer X jegens Kombikart zijn er op gegrond dat Kombikart als exploitant van het kartcircuit is tekortgeschoten in de verplichting die zij heeft om te zorgen voor de veiligheid van gebruikers van het circuit. Zij verwijten Kombikart dat zij onvoldoende veiligheidsmaatregelen heeft getroffen. Kombikart voert gemotiveerd verweer.
De ouders van Slachtoffer X stellen dat Kombikart onrechtmatig, want gevaarzettend, jegens Slachtoffer X heeft gehandeld. Zij doen uitdrukkelijk een beroep op artikel 6:162 BW en - wederom - op het eerdergenoemde Kelderluik-arrest van de Hoge Raad uit 1965. Uit dit arrest volgt dat het antwoord op de vraag of het in het leven roepen of in stand laten van een gevaarlijke situatie onrechtmatig is, met name afhangt van (a) hoe waarschijnlijk het is dat anderen niet voldoende oplettend en voorzichtig zijn, (b) hoe groot de kans is dat dit tot ongevallen leidt, (c) de ernst van de gevolgen die een ongeval kan hebben, en (d) hoe bezwaarlijk het is om veiligheidsmaatregelen te nemen. de ouders van Slachtoffer X stellen dat gelet op deze criteria Kombikart onrechtmatig heeft gehandeld. Tegelijk met hun beroep op onrechtmatigheid doen de ouders van Slachtoffer X in verband met de door Kombikart gehanteerde exoneratie een beroep op artikel 6:233 sub a juncto 6:237 aanhef en onder f BW (algemene voorwaarden) en artikel 6:248 lid 2 BW (beperkende werking van redelijkheid en billijkheid), wat duidelijk maakt dat het geschil zich tevens afspeelt tegen de achtergrond van de contractuele relatie met Kombikart. Slachtoffer X is immers een overeenkomst aangegaan met Kombikart op grond waarvan zij tegen betaling gebruik mocht maken van het kartcircuit van Kombikart. De rechtbank zal daarom de stellingen van partijen die zien op de beweerdelijk geschonden zorgplicht van Kombikart tegenover Slachtoffer X als gebruiker van het kartcircuit (mede) beoordelen binnen dit contractuele kader. Partijen zijn het er niet over eens hoever de plicht gaat die Kombikart heeft om te zorgen voor de veiligheid van de gebruikers van het kartcircuit. Zij verschillen van mening over de vraag welke veiligheidsmaatregelen in redelijkheid van Kombikart kunnen worden gevergd. De ouders van Slachtoffer X verwijten Kombikart dat karter Y is toegelaten op het circuit terwijl hij een helm droeg met losse crossbril die niet geschikt was om te karten. Ook verwijten zij Kombikart dat karter Y niet vooraf is geïnstrueerd over de geldende regels en met name niet over wat te doen als je van de baan afraakt. Volgens hen is het gebruikelijk dat gebruikers van een kartbaan vooraf een briefing over de veiligheidsregels krijgen. Tot slot verwijten zij Kombikart dat tijdens het vrij rijden geen toezicht werd gehouden op de baan. Er waren geen vlaggers die de rijders konden attenderen op gevaarlijke situaties, aldus de ouders van Slachtoffer X .
Kombikart voert ter verweer het volgende aan. Het materiaal van karter Y is gecontroleerd en geschikt bevonden. Een helm met losse crossbril biedt misschien iets minder goed zicht dan een helm met vizier, maar is daarmee nog niet ongeschikt of gevaarlijk. Op de informatieborden die duidelijk zichtbaar zijn aangebracht bij de ingang van het circuit heeft karter Y kunnen lezen wat de regels zijn die gelden op de baan. Een briefing is niet gebruikelijk bij het vrij rijden. De aanwezigheid van vlaggers is bij het vrij rijden niet verplicht voorgeschreven en ook niet gebruikelijk. Het inhuren van vlaggers zou de toch al hoge prijs van het vrij rijden zo opstuwen dat dit het einde van het kartcircuit zou betekenen. Deelnemers aan het vrij rijden weten dat er geen vlaggers staan en moeten hier rekening mee houden door wat voorzichtiger te rijden dan tijdens wedstrijden. Op het circuit is wel altijd minimaal één baanbeheerder aanwezig die de materiaalcontrole doet en er op toeziet dat iedereen zich aan de regels houdt. Daarmee is er voldoende toezicht.
De rechtbank overweegt als volgt. Karten is een gevaarlijke sport met een aanmerkelijke kans op ongevallen met (ernstig) lichamelijk letsel. Kombikart exploiteert een kartcircuit en kan niet altijd voorkomen dat ongevallen plaatsvinden, maar door het treffen van bijzondere maatregelen kan Kombikart de kans op (ernstige) ongevallen op haar circuit wel verminderen en van Kombikart als bedrijfsmatig verhuurder van de baan kan ook worden gevergd dat zij uit oogpunt van veiligheid de nodige maatregelen treft. Met name ook bij het vrij rijden. Iedereen die dat wil kan dan tegen betaling met een eigen kart of een gehuurde kart op het circuit rijden, ongeacht leeftijd of rijvaardigheid. Ervaren en onervaren deelnemers rijden dan dus gezamenlijk op het circuit met snelheden die onderling nogal kunnen verschillen, in karts van verschillend gewicht en vermogen. Dit kan leiden tot gevaarlijke situaties. Daar komt bij dat met name de recreatieve deelnemers vaak onverzekerd zullen rijden. Een ongevallenverzekering zullen zij in veel gevallen niet hebben afgesloten en deze biedt bovendien niet altijd dekking bij een gevaarlijke sport als karten. En ook de aansprakelijkheidsverzekering van de deelnemers zal soms, zoals ook in het geval van karter Y , geen dekking bieden. Van Kombikart als bedrijfsmatig exploitant mag daarom vanuit het oogpunt van maatschappelijke zorgvuldigheid worden verwacht dat zij de nodige maatregelen neemt om het ontstaan van gevaarlijke situaties waarbij (letsel)schade kan optreden zoveel als redelijkerwijs mogelijk te voorkomen.
De rechtbank is van oordeel dat van Kombikart onder meer mag worden verwacht dat zij controleert of degenen die de baan op willen gaan beschikken over veilig materiaal. Namens Kombikart is op de zitting verklaard dat de baanbeheerder ‘in één oogopslag’ ziet of alles in orde is van degenen die de baan opgaan. De rechtbank is er niet van overtuigd dat op die manier sprake is van een deugdelijke controle van kart en andere materialen, maar acht dit voor de beoordeling van deze zaak verder niet van belang omdat naar haar oordeel niet vaststaat dat Kombikart karter Y met onveilig materiaal de baan op heeft laten gaan. de ouders van Slachtoffer X stellen dat het gebruik van een helm met losse crossbril wel geschikt is voor motorcross maar niet voor karten, vanwege de beperkte kijkhoek. Zonder toelichting of onderbouwing, die de ouders van Slachtoffer X niet heeft gegeven, valt naar het oordeel van de rechtbank niet in te zien dat tussen beide sporten een relevant verschil bestaat in de mogelijkheid die deelnemers moeten hebben om naast en achter zich te kijken. De rechtbank ziet dan ook geen grond om aan te nemen dat het onveilig is een helm met losse crossbril te dragen bij het karten. Dat de kijkhoek van een helm met losse crossbril mogelijk iets beperkter is dan van een helm met vizier, maakt naar het oordeel van de rechtbank nog niet dat Kombikart het gebruik ervan op haar circuit niet zou mogen toestaan vanwege de onveiligheid daarvan. Van schending door Kombikart van haar verplichting om te zorgen voor veiligheid op het circuit is in die zin dan ook geen sprake. De rechtbank is van oordeel dat van Kombikart ook mag worden verwacht dat zij er voor zorgt dat alle deelnemers aan het vrij rijden, met name ook de beginners of weinig ervaren karters, zich bewust zijn van de gevaren van het karten en weten aan welke veiligheidsregels zij zich moeten houden. Kombikart heeft hierbij niet kunnen volstaan met het ophangen van een informatiebord waarop de baanregels staan vermeld. Veel deelnemers zullen dit bord niet (volledig) lezen, mede gelet op de hoogte waarop het bord hangt en de hoeveelheid informatie die erop vermeld staat. Bovendien staat op het bord niet duidelijk te lezen wat je moet doen als je van de baan raakt, terwijl dit naar de rechtbank heeft begrepen veelvuldig voorkomt en tot gevaarlijke situaties kan leiden. Kombikart dient er voor te zorgen dat alle deelnemers weten hoe zij zich op de baan moeten gedragen. Zij kan dit doen door aan alle deelnemers, of in elk geval aan iedereen die het circuit voor het eerst bezoekt, uitleg te geven over de veiligheidsregels en daarbij die regels op schrift uit te reiken (en eventueel voor kennisgeving of akkoord te laten ondertekenen). Een dergelijke handelwijze, waarbij Kombikart het belang van veiligheid actief onder de aandacht van de deelnemers brengt, zal deze deelnemers ook scherpen in het bewustzijn dat karten gevaarlijk is en dat ze zich aan de regels moeten houden, voor hun eigen veiligheid en die van de andere deelnemers. Naar het oordeel van de rechtbank is dit een handelwijze die redelijkerwijs van Kombikart mag worden gevergd. Door karter Y niet te vragen naar zijn kartervaring en hem zonder enige vorm van instructie toe te laten op het circuit, heeft Kombikart dan ook naar het oordeel van de rechtbank onzorgvuldig gehandeld.
Van Kombikart mag tot slot worden verwacht dat zij zorgt voor adequaat toezicht op en naast de baan. Op 8 mei 2015 was tijdens het vrij rijden slechts één baanbeheerder aanwezig. Kombikart heeft uitgelegd dat een baanbeheerder de materiaalcontrole doet en er op toeziet dat iedereen zich aan de regels houdt. Deze baanbeheerder bevindt zich voornamelijk in de buurt van het clubgebouw en het is niet zijn functie om de rijders door het opsteken van een vlag of op een andere manier te attenderen op gevaarlijke situaties op het circuit. De rechtbank is van oordeel dat Kombikart tijdens het vrij rijden niet kan volstaan met de aanwezigheid van slechts één baanbeheerder. De wijze waarop Kombikart het vrij rijden laat plaatsvinden, waarbij zij beginners en (ver)gevorderden vanaf 14 jaar door elkaar laat rijden in karts met een verschillend vermogen, zonder hen vooraf veiligheidsinstructies te geven, brengt mee dat gevaarlijke situaties te verwachten zijn en dat dus enig toezicht op de baan nodig is. Gegeven die situatie mag van Kombikart worden verwacht dat zij er voor zorgt dat tijdens het vrij rijden de deelnemers worden gewaarschuwd als er gevaar dreigt, bijvoorbeeld door vlaggers of waarschuwingslichten op het circuit te plaatsen. Dat het gebruik van vlaggers buiten wedstrijden om niet verplicht is voorgeschreven en ook niet gebruikelijk is bij outdoor circuits, zoals Kombikart stelt maar niet nader onderbouwt, betekent nog niet dat vlaggers nooit nodig zijn. Het gebruik van vlaggers tijdens het vrij rijden, of het gebruiken van een ander signaleringssysteem, kan uit oogpunt van veiligheid nodig zijn als de omstandigheden op de baan daartoe nopen. Kombikart stelt dat het gebruik van vlaggers financieel onhaalbaar is en ter onderbouwing heeft zij globaal voorgerekend dat het tijdens alle openingsuren inhuren van tien vlaggers tegen een vergoeding van € 20,- per uur de entreeprijs zou doen stijgen van € 40,- naar € 275,- per dag. Kombikart heeft op dit punt bewijs aangeboden. De rechtbank ziet geen aanleiding voor bewijslevering. Zoals door de ouders van Slachtoffer X is aangevoerd hoeven er tijdens het vrij rijden door Kombikart geen tien vlaggers te worden geplaatst, en ook geen negen, zoals bij wedstrijden, maar zou kunnen worden volstaan met bijvoorbeeld twee of drie vlaggers op strategische plekken op het circuit. Deze vlaggers zouden een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan de veiligheid op het circuit, nu van de deelnemers aan het vrij rijden op hun beurt mag worden verwacht dat zij minder risico’s nemen dan bij wedstrijden en oog houden voor wat er om hen heen gebeurt en dus ook voor vlaggen die de lucht in gaan. De vlaggers hoeven bovendien geen betaalde krachten te zijn. Kombikart zou ook gebruik kunnen maken van vrijwilligers die in ruil voor hun diensten bijvoorbeeld gratis gebruik mogen maken van de kartbaan. En als Kombikart geen vlaggers kan of wil plaatsen, zou zij bijvoorbeeld ook kunnen kiezen voor het plaatsen van waarschuwingslichten. Een toezichthouder die overzicht kan houden over het hele circuit kan dan deze lichten in werking stellen als zich een gevaarlijke situatie voordoet. Het plaatsen van vlaggers of het hanteren van een ander signaleringssysteem leidt ontegenzeggelijk tot extra kosten voor Kombikart, en noodzaakt mogelijk tot een verhoging van de reeds aanzienlijke entreeprijs van € 40,- per dag, maar dit nadeel weegt naar het oordeel van de rechtbank niet op tegen het veiligheidsbelang van de deelnemers dat ermee is gediend dat er voldoende toezicht op de baan aanwezig is en dat zij worden gewaarschuwd bij gevaar. De rechtbank concludeert op basis van het voorgaande dat Kombikart tekort is geschoten in haar verplichtingen ten aanzien van de gebruikers van het kartcircuit. Door tijdens het vrij rijden iedereen op het circuit toe te laten zonder hen te vragen of zij ervaring hebben met karten en zonder hen uitleg te geven over de regels die gelden bij het karten, en door alle deelnemers vervolgens gelijktijdig te laten rijden zonder daarbij toezicht te houden, waardoor de rijders niet worden gewaarschuwd als zich een gevaarlijke situatie voordoet, biedt Kombikart haar klanten onvoldoende veiligheid. Van Kombikart, die het kartcircuit bedrijfsmatig exploiteert, mag redelijkerwijs worden gevergd dat zij maatregelen treft om de gevaren die inherent zijn aan het karten te verminderen, waaronder het deugdelijk instrueren van de deelnemers en het houden van voldoende toezicht. Vanuit maatschappelijk oogpunt kan zij de verantwoordelijkheid voor de veiligheid op de door haar bedrijfsmatig geëxploiteerde kartbaan niet uitsluitend en volledig neerleggen bij de individuele rijders.

Causaal verband 
Slachtoffer X stelt dat als karter Y vooraf veiligheidsinstructies had ontvangen, waarbij hem zou zijn uitgelegd wat hij moest doen als hij buiten de baan zou raken, dat karter Y dan niet zomaar de baan weer was opgereden. Als er vlaggers op de baan hadden gestaan hadden zij karter Y instructies kunnen geven en de overige deelnemers, waaronder Slachtoffer X , met hun vlag kunnen waarschuwen. Slachtoffer X had dan vaart geminderd. de ouders van Slachtoffer X is op deze grond van mening dat Kombikart het ongeval had kunnen voorkomen als zij haar verplichtingen was nagekomen.
Kombikart betwist dat een instructie vooraf of het plaatsen van vlaggers het ongeval had kunnen voorkomen. karter Y wist dat hij de andere karts voor moest laten gaan maar heeft eenvoudigweg niet goed uitgekeken. Een instructie vooraf zou hieraan niets hebben veranderd, aldus Kombikart. Voor Slachtoffer X moet karter Y ook zichtbaar zijn geweest, maar toch heeft zij hem niet gezien. Het is daarom niet aan te nemen dat zij een signalerende vlagger wel had gezien, zo stelt Kombikart.  De rechtbank overweegt dat nooit met zekerheid zal kunnen worden vastgesteld wat er was gebeurd als karter Y vooraf instructies had ontvangen en als er vlaggers op de baan hadden gestaan. Aannemelijk is echter wel dat karter Y , en ook Slachtoffer X , anders zou(den) hebben gehandeld. karter Y heeft immers verklaard dat hij in het vuur van het spel zo snel mogelijk de baan weer op wilde. De rechtbank acht daarom voldoende aannemelijk dat Kombikart met goede instructies en goed toezicht het ongeval zoals dat zich hier heeft voorgedaan had kunnen voorkomen. Voor zover het causaal verband niettemin nog onzeker is, dient dit naar het oordeel van de rechtbank voor risico van Kombikart te komen. De rechtbank verwijst in dit verband naar de zogenaamde omkeringsregel die inhoudt dat als er sprake is van schending van een norm die strekt ter bescherming tegen een specifiek gevaar, en dat specifieke gevaar zich verwezenlijkt, de rechtbank het condicio sine qua non-verband tussen die normschending en de verwezenlijking van het gevaar als vaststaand moet aannemen, behoudens door de normschender te leveren tegenbewijs (zie o.a. Hoge Raad 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7345 ‘lekkende tankcontainer’). Naar het oordeel van de rechtbank heeft Kombikart onvoldoende gemotiveerd gesteld dat het ongeval ook zou zijn gebeurd als de vereiste veiligheidsmaatregelen waren getroffen en zal zij Kombikart daarom niet toelaten tot tegenbewijs.

Exoneratie
Het staat vast dat Kombikart op het circuit borden heeft opgehangen met daarop de waarschuwing dat het gebruik van het circuit gebeurt op eigen risico. Kombikart doet een beroep op deze uitsluiting van aansprakelijkheid. De ouders van Slachtoffer X betwisten niet dat deze waarschuwing is gegeven en deel uitmaakt van de overeenkomst met Kombikart over het gebruik van het circuit. de ouders van Slachtoffer X beroepen zich er op dat dit een beding is dat ingevolge de wet vermoed wordt onredelijk bezwarend te zijn en dat Kombikart geen feiten en omstandigheden stelt waaruit het tegendeel kan blijken. Zij menen daarom dat de exoneratie vernietigbaar is.
De rechtbank is van oordeel dat de exoneratie waarop Kombikart zich beroept moet worden aangemerkt als een beding in algemene voorwaarden waarvan in artikel 6:237 aanhef en onder f BW is bepaald dat het vermoed wordt onredelijk bezwarend te zijn, omdat de exoneratie tot doel heeft Kombikart tegenover haar klanten (consumenten) geheel te bevrijden van elke wettelijke verplichting tot schadevergoeding. Deze exoneratie is daarom op grond van artikel 6:233 BW aanhef en onder a BW vernietigbaar, tenzij Kombikart dit vermoeden - dat het beding onredelijk bezwarend is - kan weerleggen.
Of de exoneratie onredelijk bezwarend is hangt af van de aard en overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de exoneratie tot stand is gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval. Kombikart voert ter ondersteuning van haar stelling dat de exoneratie niet onredelijk bezwarend is de volgende argumenten aan:
a) Kombikart heeft het niet in haar macht om ongevallen door fouten of onvoorzichtigheid van de deelnemers te voorkomen;
b) Kombikart hoeft bij het vrij rijden niet hetzelfde niveau van veiligheid te bieden als bij wedstrijden;
c) Slachtoffer X heeft de risico’s van het karten aanvaard en heeft nooit bezwaar gemaakt tegen de voorwaarde dat het karten gebeurde op eigen risico;
d) Slachtoffer X had door voorzichtig te zijn het ongeval kunnen voorkomen;
e) Slachtoffer X had een ongevallenverzekering kunnen afsluiten.

De rechtbank overweegt dat de argumenten onder (a), (b) en (d) spelen een rol bij de vraag naar (de omvang van) de aansprakelijkheid van Kombikart maar zijn geen argumenten die in geval van aansprakelijkheid een exoneratie rechtvaardigen. De overeenkomst tussen Slachtoffer X en Kombikart hield in dat Slachtoffer X tegen betaling gebruik mocht maken van het circuit van Kombikart om te kunnen karten. Zij reed op het circuit met eigen materiaal en heeft daarmee naar het oordeel van de rechtbank het risico aanvaard dat haar kart beschadigd zou kunnen raken. Uit de waarschuwing van Kombikart dat het karten op eigen risico plaatsvindt heeft zij moeten begrijpen dat Kombikart eventuele schade aan haar kartmateriaal niet zou vergoeden. Zij had een schadeverzekering voor haar kartmateriaal kunnen afsluiten. De rechtbank is daarom van oordeel dat van de exoneratie niet kan worden gezegd dat deze onredelijk bezwarend is voor zover deze ziet op de materiaalschade die de ouders van Slachtoffer X van Kombikart vorderen.
Voor zover de exoneratie echter tot doel en tot gevolg heeft aansprakelijkheid van Kombikart ook uit te sluiten bij lichamelijk letsel van haar klanten, moeten aan de weerlegging van het vermoeden dat de exoneratie onredelijk bezwarend is, hoge eisen worden gesteld. In de indicatieve bijlage bij artikel 3 lid 3 van Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten is een dergelijk beding ook omschreven als een beding dat als oneerlijk kan worden aangemerkt. De rechtbank is van oordeel dat Kombikart met de door haar aangevoerde argumenten er niet in is geslaagd het vermoeden, dat het beding onredelijk bezwarend is, te weerleggen. De overeenkomst met Slachtoffer X is naar de rechtbank begrijpt mondeling tot stand gekomen. Dat Slachtoffer X (of haar ouders) enig schriftelijk stuk van Kombikart heeft (hebben) ondertekend, is niet gesteld of gebleken. Hoewel karten een gevaarlijke sport is, heeft Kombikart bij het sluiten van de overeenkomst geen bijzondere aandacht besteed aan de vraag naar aansprakelijkheid bij (letsel)schade. Zij heeft Slachtoffer X (of haar ouders) er ook niet op gewezen dat het haar eigen verantwoordelijkheid is om een ongevallenverzekering af te sluiten. Kombikart heeft slechts borden opgehangen met de waarschuwing dat het rijden op de kartbaan en het verblijf op het terrein voor eigen risico is. Dat Kombikart daarmee iedere aansprakelijkheid uitsluit, ook voor letselschade die (mede) het gevolg is van onrechtmatig handelen of nalaten van Kombikart zelf, is hen niet uitdrukkelijk voorgehouden. Kombikart zou een te respecteren belang kunnen hebben bij beperking van haar aansprakelijkheid voor zover deze redelijkerwijs niet door een verzekering kan worden gedekt, maar over eventuele onverzekerbaarheid is door Kombikart niets gesteld of onderbouwd. Uit de betrokkenheid van Achmea bij deze procedure begrijpt de rechtbank daarentegen dat de aansprakelijkheid van Kombikart door verzekering is gedekt.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat Kombikart er niet in is geslaagd het vermoeden te weerleggen dat de exoneratie onredelijk bezwarend is voor zover deze exoneratie ziet op de letselschade die de ouders van Slachtoffer X vorderen. De exoneratie is in zoverre vernietigbaar op grond van artikel 6:233, aanhef en onder a BW en Kombikart kan daarop geen geslaagd beroep doen. Voor wat betreft de materiaalschade die de ouders van Slachtoffer X vorderen kan Kombikart wel een geslaagd beroep doen op de exoneratie.

Eigen schuld
Door Kombikart is een beroep gedaan op eigen schuld aan de kant van de ouders van Slachtoffer X als bedoeld in artikel 6:101 BW.


De rechtbank is van oordeel dat dit beroep op eigen schuld slaagt op de daartoe door Kombikart aangevoerde gronden. Slachtoffer X is met haar snelle kart gaan vrij rijden op een circuit waar op dat moment ook onervaren karters reden en geen vlaggers aanwezig waren. Zij heeft zich hierdoor willens en wetens blootgesteld aan de risico’s die in het algemeen zijn verbonden aan het karten en meer in het bijzonder aan het risico van een ongeval door een fout van een minder ervaren karter. Slachtoffer X is bovendien onvoldoende oplettend geweest. Zij heeft karter Y niet naast de baan zien staan terwijl hij voor haar wel zichtbaar moet zijn geweest. Het circuit kon immers goed worden overzien en de stelling van de ouders van Slachtoffer X dat karter Y vanuit zijn positie Slachtoffer X in haar kart kon zien aankomen impliceert dat Slachtoffer X vanuit haart kart karter Y ook kon zien staan. Slachtoffer X heeft ook een risico genomen door met onverminderd hoge snelheid door de chicane en vlak langs karter Y te rijden. Hoewel Slachtoffer X een gevaarlijke sport beoefent is gesteld noch gebleken dat de ouders van Slachtoffer X in verband daarmee een ongevallenverzekering voor haar hebben afgesloten. De schade die Slachtoffer X lijdt door het ongeval is mede een gevolg van al deze omstandigheden die aan de ouders van Slachtoffer X kunnen worden toegerekend, wat de vergoedingsplicht van Kombikart doet verminderen.

In de omstandigheden van het geval ziet de rechtbank geen grond om te oordelen dat de aan Kombikart toe te rekenen omstandigheden meer hebben bijgedragen aan de schade dan de omstandigheden die aan Slachtoffer X (en dus aan de ouders van Slachtoffer X ) zijn toe te rekenen. De rechtbank zal daarom bepalen dat Kombikart 50% van de letselschade zal dienen te vergoeden en dat de overige 50% van de letselschade voor eigen rekening van de ouders van Slachtoffer X zal blijven

donderdag 23 maart 2017

Duw na afloop van ijsvoetbal, sport en spel situatie?



De feiten
Het voetbalteam waarvan zowel X als Y deel uitmaken, heeft een meerdaags uitstapje naar Düsseldorf georganiseerd dat is geëindigd met een wedstrijd ijsvoetbal op 5 september 2015 in het ijsstadion. X , onder meer eigenaar van een evenementenbureau, heeft het uitstapje mede georganiseerd. Bij het ijsvoetbalspel trekken de deelnemers grote plastic ballen (over het hoofd) aan. De plastic ballen creëren een beschermingsconstructie die ervoor zorgt dat spelers tegen elkaar aan kunnen duwen en stoten tijdens het spel. De plastic ballen bieden tevens valbescherming. Het doel van het spel is om de voetbal in het doel van de tegenstander te krijgen.
Nadat het ijsvoetbalspel op 5 september 2015 was geëindigd en het fluitsignaal van de scheidsrechter had geklonken, heeft X de plastic bal uitgetrokken om de ijsbaan via de ijshockeyspelersklapdeur te kunnen verlaten. Y , die de plastic bal op dat moment nog droeg, heeft X op dat moment bij wijze van grap in de rug geduwd als gevolg waarvan X ten val is gekomen en met zijn hoofd tegen de rand/boarding van de ijsbaan is gegleden. X is daarbij buiten westen geraakt. X heeft Y aansprakelijk gesteld voor de schade als gevolg van het ongeval.

Standpunt X
Uit de getuigenverklaringen blijkt dat Y bewust roekeloos heeft gehandeld na een spelsituatie. Het spel was afgelopen na een duidelijk fluitsignaal van de scheidsrechter en verscheidene personen hadden de plastic bal al uitgetrokken. Y heeft toen besloten, ook al was de uiteindelijke schade niet het beoogde gevolg, om X een forse duw te geven. Daarmee aanvaardde Y het aanmerkelijke risico dat het zou aflopen zoals prompt het geval werd: een zware hersenschudding met restgevolgen bij X . Uit de verschillende verklaringen over de toedracht van het ongeval blijkt dat er geen sprake was van een speels duwtje. Ook echter indien door Y geduwd zou zijn zonder dat hij daarbij een aanloop nam, is er sprake van aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad (6:162 BW). Het vermaak tijdens het ijsvoetbalspel had niets van doen met het gewraakte incident. Het effect van de duw was groot. Door de energie van het botsen met een opgeblazen bal stuiterde X weg. Hij werd gelanceerd door een verende bal die veel energie toevoegde. X is voorover gevallen en over het ijs met zijn hoofd tegen de onderrand van de boarding terecht gekomen.

Standpunt Y
IJsvoetbal is een spel met een wedstrijdelement. De gedraging van Y vond daarom plaats in een sport- en spelsituatie. Het beëindigen van de wedstrijd door de scheidsrechter betekent nog niet dat de sport- en spelsituatie is geëindigd. De enkele omstandigheid dat X – in tegenstelling tot Y , die nog aan het doorspelen was – zijn plastic bal had uitgetrokken om vervolgens naar de boarding te lopen, maakt nog niet dat hij zijn hoedanigheid van deelnemer aan het spel had verloren. Nu nog sprake was van een sport- en spelsituatie geldt bij de beoordeling van de aansprakelijkheid een verhoogde aansprakelijkheidsdrempel. Die drempel wordt volgens Y niet gehaald. De mate van waarschijnlijkheid dat X letsel zou oplopen als gevolg van de duw was niet zo groot, dat Y zich daarvan naar maatstaven van zorgvuldigheid had dienen te onthouden. Y beoogde niet X te laten vallen of hem letsel toe te brengen. Y ontkent dat sprake is geweest van een forse duw of het lanceren van X . Het betrof een speelse duw. Omdat er geen spelregels waren, kan hij de regels van het spel niet hebben overtreden.

Oordeel rechtbank
Aan de orde is de vraag of Y aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval van X op 5 september 2015. Uitgangspunt daarbij is dat niet reeds de enkele mogelijkheid van een ongeval, als verwezenlijking van aan een bepaald gedrag inherent gevaar, dat gedrag onrechtmatig doet zijn, maar dat zodanig gevaar scheppend gedrag slechts onrechtmatig is indien de mate van waarschijnlijkheid van een ongeval (het oplopen van letsel door een ander) als gevolg van dat gedrag zo groot is dat de dader zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat gedrag had moeten onthouden (vgl. o.m. Hoge Raad 9 december 1994, NJ 1996, 403 en Hoge Raad 28 maart 2003, NJ 2003, 718).
De vraag of aan dit criterium wordt voldaan, dient te worden beantwoord op grond van de specifieke omstandigheden van het geval. Bij de toetsing aan de hiervoor genoemde maatstaf dient betrokken te worden het gevaar dat partijen gezien de specifieke situatie over en weer redelijkerwijze van elkaar kunnen en moeten verwachten. Deze nuancering komt in de rechtspraak onder meer tot uiting in gevallen waarin de schadeveroorzakende gebeurtenis plaatsvindt binnen een sport- en/of spelsituatie. De vraag of een deelnemer aan een sport of spel onrechtmatig heeft gehandeld door een gedraging als gevolg waarvan een andere deelnemer letsel is toegebracht, wordt minder spoedig bevestigend beantwoord dan in het geval dat diezelfde gedraging buiten een sport- of spelsituatie heeft plaats gevonden. De reden daarvan is dat deelnemers aan een sport of spel in redelijkheid tot op zekere hoogte gevaarlijke, slecht gecoördineerde, verkeerde getimede of onvoldoende doordachte handelingen of gedragingen waartoe de activiteit uitlokt of die daarin besloten liggen, van elkaar moeten verwachten (vgl. o.m. Hoge Raad 28 juni 1991, NJ 1992, 622 en, nogmaals, Hoge Raad 28 maart 2003 NJ 2003, 718).
De rechtbank is met Y van oordeel dat de in voornoemde jurisprudentie benoemde verhoogde aansprakelijkheidsdrempel in dit geval van toepassing is. Deze verhoogde drempel om aansprakelijkheid te kunnen aannemen, houdt naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet op te gelden doordat het fluitsignaal van de scheidsrechter had geklonken en enkele deelnemers bezig waren het veld te verlaten om een volgende groep spelers de mogelijkheid te bieden het ijsvoetbalspel te spelen. Zowel X als Y bevonden zich ten tijde van het ongeval nog op het ijs.
In dit licht dient vervolgens met betrekking tot de aansprakelijkheid de vraag te worden beantwoord of de gedraging van Y op 5 september 2015 valt binnen een normale uitoefening van het ijsvoetbalspel. Dat is naar het oordeel van de rechtbank niet het geval. Het handelen van Y jegens X op 5 september 2015 was zodanig gevaarlijk en onzorgvuldig dat dit handelen als onrechtmatig moet worden aangemerkt (artikel 6:162 BW). Daarbij oordeelt de rechtbank met name de volgende vaststaande feiten en omstandigheden doorslaggevend:
- het fluitsignaal voor het einde van de wedstrijd had reeds geklonken en verschillende deelnemers waren bezig de ijsbaan te verlaten of hadden de ijsbaan reeds verlaten;
- X was bezig de ijsbaan te verlaten en nam geen deel meer aan het spel;
- X had de plastic bal reeds uitgetrokken en droeg geen bescherming meer, hetgeen voor Y kenbaar was;
- Y heeft X opzettelijk in de rug geduwd, hetgeen X niet aan heeft zien (kunnen) komen;
- Y droeg ten tijde van de duw wel nog de plastic bal, waarvan het extra verende effect op X Y gelet het eerder gespeelde spel bekend was.
Op grond van deze vaststaande feiten en omstandigheden was de mate van waarschijnlijkheid van een ongeval en het oplopen van letsel door X als gevolg van de duw naar het oordeel van de rechtbank zo groot dat Y zich daarvan naar maatstaven van zorgvuldigheid had moeten onthouden. De stelling van Y dat hij niet had hoeven verwachten dat X zou vallen, laat staan letsel oplopen, wordt door de rechtbank verworpen. In dat verband merkt de rechtbank op dat voldoende vast staat dat geen sprake is geweest van een speels duwtje. De verschillende getuigenverklaringen (productie 1 verzoekschrift) waarin onder meer wordt gesproken over: ‘met behoorlijke snelheid op X inbeukte’, ‘vol in zijn rug gelopen werd’ en ‘vol in zijn rug werd geraakt’ zijn naar het oordeel van de rechtbank onverenigbaar met deze door Y gebruikte kwalificatie. Dat de exacte snelheid van de duw niet vaststaat, zoals Y bij monde van zijn advocaat ter comparitie nog heeft opgemerkt, oordeelt de rechtbank mede gelet op het hiervoor genoemde criterium voor de aansprakelijkheidsvraag niet van belang. De rechtbank oordeelt evenmin van belang de stelling van Y dat er door het verhuurbedrijf van de ballen, [naam verhuurder] , of door anderen nauwelijks instructies waren gegeven of spelregels uiteen waren gezet. Nog daargelaten dat X deze stelling heeft betwist, heeft Y niet aangegeven welke specifieke instructies volgens hem hadden moeten worden gegeven en waarom het ongeval, als gevolg van een bewuste gedraging van Y , daardoor had kunnen worden voorkomen. Aan deze stelling gaat de rechtbank daarom voorbij. De rechtbank merkt tot slot nog op dat het oordeel omtrent de aansprakelijkheid wellicht anders had kunnen zijn geweest indien Y per ongeluk tegen X was aangebotst of indien Y niet had gezien dat X geen bescherming meer droeg, maar daarvan is in dit geval geen sprake geweest.
De conclusie van het voorgaande is dat Y aansprakelijk is voor de door X ten gevolge van het ongeval op 5 september 2015 te Düsseldorf geleden schade.

Geen eigen schuld slachtoffer
Bij de vraag of de volledige schade van X dient te worden vergoed, is van belang het beroep van Y op eigen schuld bij X (artikel 6:101 BW).
In dit verband heeft Y in de eerste plaats aangevoerd dat X de luchtbal al had uitgetrokken toen hij zich nog op het speelveld bevond terwijl er nog enkele deelnemers aan het doorspelen waren. X had, als organisator van het spel, een andere uitgang kunnen kiezen waar hij wel met de bal doorheen had gekund. X zou zich, door de bal op de ijsbaan uit te trekken, hebben blootgesteld aan risico’s waarmee hij bekend was omdat hij vaker ijsvoetbal had gespeeld.
In de tweede plaats heeft Y aangevoerd dat X als organisator zelf een spel heeft uitgezocht dat gericht is op baldadig gedrag. X heeft daarmee zelf de omstandigheden in het leven geroepen waaronder het ongeval kon gebeuren, door de setting en de sfeer te creëren. Vervolgens heeft hij op een onzorgvuldige manier de ijsbaan verlaten. Dat mag hem volgens Y op grond van artikel 6:101 BW aangerekend worden. Y meent dat door de toepassing van voornoemd wetsartikel de schade voor rekening van X dient te blijven.

De rechtbank verwerpt dit beroep op eigen schuld aan de zijde van X . Naar het oordeel van de rechtbank had X er redelijkerwijs geen rekening mee hoeven te houden dat hij, nadat het voor het einde van de wedstrijd was gefloten, hij zijn bal had uitgetrokken en zich richting de uitgang van de ijsbaan begaf, opzettelijk in de rug zou worden gelopen door een teamgenoot. Ondanks de door Y gestelde baldadige/jolige sfeer tijdens het uitstapje, kan van X als initiatiefnemer van het spel redelijkerwijs niet worden gevergd dat hij zodanige maatregelen treft dat de kans op baldadig gedrag volledig wordt uitgesloten. De stelling van X dat onder meer voor het ijsvoetbalspel is gekozen omdat de kans op ongelukken gelet op de beschermingsconstructie van de plastic bal daarbij klein was, oordeelt de rechtbank niet onbegrijpelijk. X heeft verder onweersproken gesteld dat het niet mogelijk was de ijsbaan door de spelersuitgang te verlaten met de bal om het lichaam. Door Y zijn verder onvoldoende feiten omtrent de situatie ter plaatse gesteld waaruit kan worden afgeleid dat X bij het verlaten van de ijsbaan zodanig afwijkende of weinig voor de hand liggende keuzes heeft gemaakt, dat zijn gedrag als onzorgvuldig moet worden aangemerkt. Evenmin is gesteld of gebleken dat X bij het verlaten van de ijsbaan zich anders heeft gedragen dan zijn teamgenoten. Naar het oordeel van de rechtbank kan Y bovendien ter afwering van een schadevergoedingsplicht voor een eigen opzettelijke gedraging die heeft geleid tot een ongeval, niet stellen dat het slachtoffer van die gedraging maar maatregelen had moeten te treffen om het ongeval te voorkomen.

dinsdag 1 november 2016

Manege niet aansprakelijk voor ongeval met pony; geen sprake van ‘eigen energie’ pony


De feiten
Slachtoffer X is begonnen met paardrijden toen zij zeven jaar oud was. In de middelbare school tijd heeft zij gedurende enkele jaren niet gereden. slachtoffer X heeft een eigen pony gehad. Op 19 januari 2011 heeft (een van) de ouder(s) van de toen 17-jarige slachtoffer X , slachtoffer X ingeschreven voor groepslessen bij manege Y. Het ondertekende inschrijfformulier vermeldt dat manege Y geen enkele aansprakelijkheid aanvaardt. slachtoffer X is door manege Y ingedeeld in de gevorderden groep.
Op 4 januari 2012 is slachtoffer X tijdens een groepsles (van 5 of 6 amazones) een ongeval overgekomen. Slachtoffer X reed die dag op de aan manege Y toebehorende pony Likorette, een pony waarop zij reeds eerder had gereden. De les stond onder leiding van de vaste en tot het geven van de les bevoegde instructrice A. De les begon met oefeningen in stap, draf en galop en aan het eind van de les werd, zoals gebruikelijk om de twee à drie weken, gesprongen. Dit springen werd geleidelijk opgebouwd, waarbij slachtoffer X met Likorette zonder problemen de hindernissen nam. Aan het eind van de les werd een klein parcours gereden. Tijdens de dubbelsprong weigerde Likorette de tweede hindernis te nemen. slachtoffer X is hierdoor (voorover) van de pony af gevallen en met haar hoofd op de hindernis terecht gekomen. slachtoffer X droeg ten tijde van het ongeval een cap voorzien van het veiligheidskeurmerk.
Instructrice A was getuige van het ongeval. Slachtoffer X kan zich van de periode tussen het moment dat zij op de eerste hindernis van de dubbelsprong af reed en de val niets meer herinneren. Slachtoffer X was na het ongeval duizelig en ze had een bloedneus en een schrammetje op haar neus. Ze is met haar vader naar de huisarts gegaan.
Slachtoffer X is in verband met de klachten die ze had na de val in juni 2012 doorverwezen naar een revalidatiearts. De klinische revalidatie van 24 oktober 2012 tot en met 31 januari 2013 bij Revalidatiecentrum Friesland is gevolgd door een poliklinische revalidatie. Per 15 december 2013 is aan slachtoffer X een Wajong-uitkering toegekend. De (huidige) klachten van slachtoffer X bestaan onder meer uit hoofdpijn en een verminderde (cognitieve) belastbaarheid.

De vordering en verweer
Slachtoffer X verzoekt de rechtbank te bepalen dat manege Y aansprakelijk is voor het ongeval en letsel op grond van artikel 6:179 BW van 4 januari 2012 dat is veroorzaakt door hun pony.
Manege Y zich onder andere op het standpunt dat zij niet aansprakelijk is voor de door slachtoffer X geleden schade op grond van artikel 6:179 BW, nu er sprake is van een ruitersfout. Voor het geval er wel sprake zou zijn van aansprakelijkheid van manege Y , beroept manege Y zich op de eigen schuld van slachtoffer X .

Oordeel rechtbank
De vraag of manege Y op grond van het bepaalde in artikel 6:179 BW aansprakelijk is voor de door slachtoffer X geleden schade dient naar het oordeel van de rechtbank ontkennend te worden beantwoord. Dit artikel bepaalt dat de bezitter van een dier aansprakelijk is voor de door het dier aangerichte schade. De grondslag voor de risicoaansprakelijkheid krachtens dit artikel is gelegen in het gevaar dat schuilt in de eigen energie van het dier en het onberekenbare element dat in die energie ligt opgesloten. Dit brengt mee dat voor toepassing van het artikel nodig is dat de schade veroorzaakt is door een eigen gedraging van het dier, waarbij het dier dus niet 'als instrument handelt van de persoon, die hem berijdt of leidt' (Toelichting-Meijers op art. 6030208 NBW) (zie HR d.d. 23 februari 1990, NJ 1990/365, Zengerle/Blezer). Naar het oordeel van de rechtbank is er in dit geval geen sprake van een onberekenbaar element dat in de eigen energie van het dier ligt opgesloten. De rechtbank acht daartoe het volgende redengevend.
Slachtoffer X , als berijder van Likorette, wilde dat Likorette over de hindernis zou springen. Aangezien een pony over het algemeen niet uit zichzelf over een hindernis zal springen, heeft het nadere aansturing nodig van de berijder, en is het doorlopend afhankelijk van diens instructies. Bij de uitvoering van een dergelijke, bijzondere, verrichting handelt de pony als het ware als instrument van de berijder, een berijder die op haar beurt het instrument bespeelt.
Dat Likorette vóór het de tweede hindernis nam langzamer ging lopen, onvoldoende sturing kreeg en vervolgens, vrij abrupt, tot stilstand kwam, is naar het oordeel van de rechtbank niet te beschouwen als een onberekenbaar gevolg van de eigen energie, maar als een te verwachten gedraging, veroorzaakt door de berijder. Likorette heeft onvoldoende aansturing gekregen waardoor zij de hindernis niet op de beoogde wijze heeft genomen.
Aldus kan niet geoordeeld worden dat het ongeval is veroorzaakt door het onberekenbare element dat in de eigen energie van een dier ligt opgesloten, waartegen een gelaedeerde jegens de bezitter van een dier dient te worden beschermd. Van feiten of omstandigheden die in het onderhavige geval tot een ander oordeel zouden moeten leiden, is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken.

Nu manege Y naar het oordeel van de rechtbank niet aansprakelijk is voor de door slachtoffer X geleden schade, behoeft het verzoek om het percentage van de aansprakelijkheid te bepalen, waaronder de vraag in hoeverre slachtoffer X een ruitersfout heeft gemaakt, geen bespreking.

donderdag 1 september 2016

Levert het geven van een “boks” in plaats van een "high five" na een gewonnen tafeltenniswedstrijd een onrechtmatige daad op


  














De feiten
Slachtoffer X is van beroep tandarts. Slachtoffer X en dader Y zijn lid van een tafeltennisvereniging. Zij namen als teamgenoten deel aan competitiewedstrijden.
Op vrijdagavond 27 februari 2015 vond er een competitiewedstrijd plaats waaraan onder andere slachtoffer X en dader Y als teamgenoten deelnamen. Dader Y speelde die avond zijn tweede wedstrijd tegen de heer Z. Slachtoffer X trad daarbij op als scheidsrechter/teller.
Nadat dader Y de wedstrijd tegen Z had gewonnen en Z een hand had gegeven, liep hij naar de stoel waarop slachtoffer X zat. Slachtoffer X stak vanuit zittende positie haar geopende rechterhand op omdat zij verwachte dat dader Y haar om de overwinning te vieren een high five zou geven. Dader Y gaf echter, vanaf een hogere, staande positie, een slag met zijn vuist naar beneden in (de onderste helft van) de palm van de hand van slachtoffer X . Hierna voelde slachtoffer X pijn. Daarvan heeft ze direct uiting gegeven aan dader Y. Slachtoffer X heeft hierna nog 2 wedstrijden gespeeld.
De slag met de vuist (verder: de boks) is, naast door slachtoffer X en dader Y zelf, waargenomen door Q en Z . Van deze getuigen en de partijen zijn schriftelijke verklaringen opgenomen.
In de verklaring van dader Y staat over de boks:
Mevrouw slachtoffer X stak haar hand omhoog en ik gaf haar met mijn vuist een “box”. U vraagt mij of ik mijn arm daartoe eerst naar achteren haalde om vervolgens een stotende beweging te maken. Nee volgens mij niet, ik denk daar niet bij na. Mevrouw slachtoffer X stak haar rechterhand omhoog en ik stootte er met mijn vuist tegen.

In de verklaring van slachtoffer X staat over de boks:
Ik had de wedstrijd tussen Z en P geteld. Na afloop van een wedstrijd geef je eerst de tegenstander een hand en normaal gesproken geef je dan vervolgens je teamgenoot een “handje klap”. P gaf nu eerst de heer Z een hand om daarna naar mij te lopen waarbij hij niet met zijn hand maar met zijn vuist tegen mijn hand sloeg. […] Ik zat naast de tafel. P kwam naar mij toe lopen en ik stak mijn hand omhoog om een “high five” te geven. Ik meen dat P met een geopende hand kwam aanlopen. Vervolgens stootte hij met zijn vuist tegen mijn vlakke handpalm. Ik weet nog dat ik riep: “Au ben je wel helemaal goed bij je hoofd”.

In de verklaring van en toeschouwer staat over de boks:
Ik was toeschouwer van de vijfde wedstrijd. Mevrouw slachtoffer X zat achter het scorebord en had de wedstrijd geleid. Na afloop van de wedstrijd stak ze haar hand omhoog. De heer dader Y liep naar haar toe en gaf haar met zijn vuist een “high five” terug. De vuist was absoluut als een high five bedoeld en niet om mevrouw slachtoffer X bewust te verwonden. Misschien omdat ze wat lager zat heeft de vuist haar hand ongelukkig geraakt. Mevrouw slachtoffer X had direct na de klap met de vuist pijn aan haar hand.

In de verklaring van Z staat over de boks:
Dader Y had tegen mij gespeeld en gewonnen. Hij was enthousiast. Mevrouw slachtoffer X had onze wedstrijd geteld en zat achter het scorebord. Zij stak haar hand omhoog om een “high five” te geven. dader Y gaf een “box” tegen haar hand, een vuist. Ik weet niet of de beweging hard of zacht was, dat kan ik niet beoordelen. Z zei na de wedstrijd dat ze pijn had aan haar hand.

Op maandag 2 maart 2015 heeft slachtoffer X de EHBO bezocht alwaar haar hand in het gips is gezet. Nadat na anderhalve week het gips is verwijderd zijn röntgenfoto’s gemaakt waaruit bleek dat geen sprake was van een fractuur. Vanwege verschijnselen als zwelling, immobiliteit, tintelingen en pijn werd slachtoffer X naar een ergotherapeut verwezen.
Op 20 maart 2015 heeft slachtoffer X een handchirurg bezocht.

In een brief van gedateerd 8 september 2015 schrijft de chirurg over het onderzoek, de behandeling en het verloop van de klachten van slachtoffer X :
[…] Bij lichamelijk onderzoek was er sprake van tintelingen in de wijs-, middel- en ringvinger van de rechter hand en was de handfunctie sterk beperkt door pijnklachten. De klachten pasten bij een acute kneuzing en/of beklemming van de middenhandszenuw (nervus medianus), welke is opgetreden ten gevolge van de klap. Deze oorzaak van kneuzing/ beklemming is ongewoon en past bij een fors trauma.
Na operatieve decompressie van de zenuw op 03-04-2015 zijn de klachten verdwenen. Bij het laatste polikliniek bezoek was de revalidatie succesvol afgesloten en had patiënte haar werkzaamheden weer kunnen hervatten. Er was sprake van geringe restklachten, waarvan verwacht wordt dat deze in de tijd in ernst zullen afnemen.

Het geschil
Slachtoffer X vordert veroordeling van dader Y tot betaling van de door haar geleden schade a raison van  € 52.516,40.
Slachtoffer X voert aan dat de door dader Y gegeven boks onrechtmatig is nu slachtoffer X daar niet op bedacht hoefde te zijn aangezien het geven na afloop van een wedstrijd van een high five wel, maar van een boks niet gebruikelijk is in de tafeltenniswereld. Dader Y had zich van deze gedraging dienen te onthouden omdat het, aldus slachtoffer X zeer waarschijnlijk is dat er letsel ontstaat als iemand een harde, naar beneden gerichte stoot geeft. De gedraging is, zo stelt slachtoffer X , in strijd met wat volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, althans een inbreuk op een recht, te weten het recht op onaantastbaarheid van het lichaam (artikel 11 van de Grondwet). Zij stelt dat dit temeer het geval is nu dader Y op de hoogte was van het beroep tandarts van slachtoffer X en dat zij haar beroep niet kan uitoefenen zonder adequaat gebruik van haar handen en nu een alternatief, het geven van een high five, voorhanden was. De onrechtmatige gedraging is, aldus slachtoffer X, aan dader Y toe te rekenen, aangezien iedere aanleiding of noodzaak tot het geven van de boks ontbrak. Slachtoffer X heeft als rechtstreeks gevolg daarvan schade geleden.

Dader Y voert verweer. Hij voert aan dat geen sprake is van een onrechtmatige gedraging. De boks vond plaatst in een sport- en spelsituatie waarin een verhoogde drempel voor aansprakelijkheid geldt. De door dader Y gegeven boks is, aldus dader Y, geen ongebruikelijk, uitzonderlijke, laat staan abnormale en gevaarlijke gedraging die buiten het risico van sport of spel valt en in de gegeven omstandigheden niet onrechtmatig. Ook indien niet aangenomen zou worden dat sprake is van een sport- of spel situatie was het geven van de boks niet onrechtmatig nu het geen gedraging is waarvan de mate van waarschijnlijkheid van het veroorzaken van letsel zo groot is dat dader Y zich daarvan had dienen te onthouden. dader Y betwist voorts de hoogte van de gevorderde schade.

De beoordeling
Slachtoffer X baseert haar vordering op de stelling dat dader Y op 27 februari 2015 onrechtmatig heeft gehandeld toen hij haar de boks gaf waardoor zij letsel heeft opgelopen. Zij stelt primair dat hij daarmee heeft gehandeld in strijd met wat volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt.
De rechtbank stelt voorop dat conform vaste jurisprudentie van de Hoge Raad de vraag of een deelnemer aan een sport of spel onrechtmatig heeft gehandeld door een gedraging als gevolg waarvan aan een andere deelnemer letsel is toegebracht, minder spoedig bevestigend moet worden beantwoord dan wanneer die gedraging niet in een sport- of spelsituatie had plaatsgevonden. De reden daarvan is dat de deelnemers aan die sport of dat spel in redelijkheid tot op zekere hoogte gevaarlijke, slecht gecoördineerde, verkeerd getimede of onvoldoende doordachte handelingen of gedragingen waartoe de activiteit uitlokt of die daarin besloten liggen, van elkaar moeten verwachten. Aangezien de door die sport of dat spel bepaalde verhouding tussen de deelnemers daaraan niet direct en geheel hoeft te veranderen doordat en op het moment waarop aan die sport of dat spel volgens de daarvoor geldende regels, een einde komt, houdt ook de verhoogde drempel om aansprakelijkheid te kunnen aannemen, dan niet steeds direct en geheel op te gelden. Een (korte) tijd daarna kan het feit dat partijen zo-even nog met elkaar hebben gewedijverd of in een spelsituatie waren verwikkeld, de verwachtingen die zij van elkaar mogen of moeten hebben, blijven beïnvloeden, afhankelijk van de aard van die activiteit en de verdere omstandigheden van het geval (HR 28 maart 2003ECLI:NL:HR:AF2679, NJ 2003, 718, vgl. HR 28 juni 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0300, NJ 1992, 622). Voorts heeft te gelden dat voor een bevestigende beantwoording van de vraag of sprake is van een sport- en spelsituatie waarin een verhoogde drempel voor aansprakelijkheid geldt, niet is vereist dat de bij een ongeval betrokkenen rechtstreeks met elkaar aan het wedijveren zijn, noch ook dat het slachtoffer van het ongeval, wil hij als deelnemer aan het spel kunnen worden beschouwd, ten tijde van het ongeval ook zelf handelingen verrichtte die karakteristiek zijn voor de beoefening van die sport of dat spel (HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1239, NJ 2004, 238).
Vast staat dat dader Y direct na het winnen van zijn tafeltennispartij en na het geven van een hand aan zijn tegenstander naar zijn, bij die wedstrijd als teller/scheidsrechter aanwezige, teamgenoot slachtoffer X is gelopen om de winst van de partij ‘te vieren’, dat slachtoffer X vanuit zittende positie haar rechterhand met dat doel omhoog heeft gehouden teneinde een ‘high five’ te geven en dat dader Y toen met enige kracht een stomp in de hand van slachtoffer X heeft gegeven, tegen de onderkant van haar handpalm.
Gesteld noch gebleken is dat bij dader Y opzet bestond om slachtoffer X te bezeren.
Dader Y betwist voorts dat hij de boks met een dusdanige kracht heeft gegeven dat de kans op letsel aanmerkelijk was, althans zo groot dat dat hem daarvan had moeten weerhouden.
Dat de boks met zo’n kracht was gegeven dat wel een dergelijke kans op letsel aanwezig was, kan niet enkel uit de pijn en het letsel (acute kneuzing en/of beklemming van de middenhandszenuw, nervus medianus) dat slachtoffer X daarvan heeft ondervonden worden afgeleid. Er kan immers zonder nadere motivering, die niet is gegeven, redelijkerwijs niet worden uitgesloten dat ook een klap met een kracht die doorgaans geen pijn of letsel veroorzaakt dit in dit geval door een ongelukkige samenloop van omstandigheden wél heeft gedaan. Ook in de in de hiervoor weergegeven schriftelijke verklaringen, waaronder de verklaring van slachtoffer X zelf, kan daarvoor geen steun worden gevonden. Voor zover slachtoffer X stelt dat iedere met enige kracht gegeven naar beneden gerichte stomp tegen een handpalm een aanmerkelijke kans op letsel geeft, kan dat niet in zijn algemeenheid als feit worden aangenomen. Dat een handpalm een bijzonder kwetsbaar lichaamsdeel is, is niet onderbouwd, terwijl ook dit niet als feit van algemene bekendheid kan worden aangenomen.
Nader bewijs van omstandigheden waaruit kan blijken dat dader Y een dusdanig harde stomp gaf dat deze een aanmerkelijke kans op letsel met zich bracht, is niet gegeven of aangeboden, zodat de rechtbank bij de beoordeling daarvan niet uit gaat.
In de in hiervoor genoemde omstandigheden levert de gedraging van dader Y geen strijd op met wat volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, noch een daarop gebaseerde onrechtmatige daad. De rechtbank betrekt daarbij dat de boks direct aansluitend aan de competitiewedstrijd is gegeven om het winnen van de partij te vieren en daarmee, gelet op het kader, in een sport- en spel situatie, waarbij een verhoogde drempel voor aansprakelijkheid geldt.
De rechtbank acht in dat verband van belang dat:
- slachtoffer X en dader Y die avond teamgenoten in een tafeltenniscompetitie waren,
- slachtoffer X bij de door dader Y gewonnen wedstrijd niet alleen als teamgenote maar ook als teller/scheidsrechter direct betrokken was,
- slachtoffer X zelf ook een handeling verrichtte, te weten het omhoogsteken van haar hand om een high five te geven, om het winnen van de wedstrijd te vieren, en dat slachtoffer X in die omstandigheden, hoewel zij op dat moment niet als speelster deelnam aan de wedstrijd, daarbij wel dusdanig betrokken was dat zij voor de toepassing van het sport en spel kader als deelneemster moet worden gezien
Mede gelet op voornoemde verhoogde drempel doet de (door slachtoffer X gestelde en door dader Y gemotiveerd betwiste) omstandigheid, dat het geven van een “boks” in plaats van een “high five” ongebruikelijk zou zijn, daar niet aan af en de omstandigheid dat ( dader Y wist dat) slachtoffer X tandarts was evenmin.
Subsidiair heeft slachtoffer X nog aangevoerd dat de boks onrechtmatig was omdat deze een inbreuk op een recht, namelijk het recht op onaantastbaarheid van het lichaam opleverde. Deze stelling wordt niet gevolgd. Uit de parlementaire geschiedenis van artikel 6:162 volgt dat niet iedere gedraging die als voorzienbaar gevolg letsel of zaakbeschadiging heeft om die reden reeds onrechtmatig is als zijnde een inbreuk op een recht; zodanige gedraging is in het algemeen alleen onrechtmatig als zij in strijd is met een van de vele normen van geschreven of ongeschreven recht, strekkende om letsel of zaaksbeschadiging te voorkomen (Toelichting Meijers, parlementaire geschiedenis 6, p. 614). Uit hetgeen is overwogen volgt dat van een normschending niet is gebleken, terwijl niet is onderbouwd waarom desalniettemin sprake is van onrechtmatig handelen wegens inbreuk op een recht.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat geen sprake is van onrechtmatig handelen door dader Y en dat de vordering van slachtoffer X dient te worden afgewezen.