Posts tonen met het label Discriminatie. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Discriminatie. Alle posts tonen

vrijdag 25 juli 2014

KNVB hoeft wedstrijden Ajax niet stil te leggen bij spreekkoren met "Jood"


Aanvulling dd. 19 mei 2015
Het onderstaande oordeel werd door het gerechtshof bevestigd:
De vordering van Stichting BAN tegen KNVB wordt afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang
GerechtshofArnhem-Leeuwarden 12 mei 2015, ECLI:NL:GHARL:2015:3395
Red.
..............................................
Rechtbank Midden-Nederland 25-07-2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:3170
 De feiten
KNVB heeft, in het kader van de voetbalwedstrijden die onder haar auspiciën plaatsvinden, beleidsuitgangspunten geformuleerd en de naleving daarvan voorgeschreven aan de lokale organisatoren van die wedstrijden, de zogenaamde BVO’s (Betaald Voetbal Organisaties). Daartoe behoort onder meer de Richtlijn Bestrijding Verbaal Geweld, waarin is bepaald:
“ b. BVO’s en supportersverenigingen zijn verantwoordelijk voor duidelijke tolerantiegrenzen ten aanzien van ongewenste spreekkoren c.q. verbaal geweld. Deze grenzen worden onder meer bekend gemaakt in het huisreglement.
c. BVO’s en supportersverenigingen ondernemen al het mogelijke om ongewenste spreekkoren c.q. verbaal geweld tegen te gaan. Dat doen zij zowel preventief, beheersmatig als repressief. Dit betekent in elk geval dat aanstichters en daders worden aangesproken op hun gedrag. (…)”
De bedoelde maatregelen dienen te worden getroffen door daartoe adequate afspraken te maken met de stadionspeaker, de arbiters, de politie en de stewardgroepen.
Tweemaal per jaar vindt een wedstrijd plaats die niet door een lokale BVO wordt georganiseerd, maar door KNVB zelf. Dit betreft de finalewedstijd om de KNVB-beker (de Bekerfinale) en de wedstijd om de Johan Cruijffschaal. Hoewel zij daarbij formeel niet BVO geldt, acht KNVB zich wel gehouden daarbij de voor BVO’s geldende regels na te leven.
Op 20 april 2014 is de Bekerfinale gespeeld tussen PEC Zwolle en Ajax. Tijdens deze wedstrijd hebben onder andere Ajax-supporters de volgende spreekkoren aangeheven:
“Wie niet springt, die is een Jood”,
“Wie niet springt, die is geen Jood” en
“Wat zijn die Joden stil”.
KNVB heeft niets ondernomen tegen deze spreekkoren.
De wedstrijd om de Johan Cruijffschaal, eveneens tussen PEC Zwolle en Ajax, zal dit jaar plaatsvinden op 3 augustus 2014.

Het geschil
Stichting BAN vordert om vanaf 24 uur na betekening van het vonnis onmiddellijk adequate maatregelen te treffen indien zich tijdens de door KNVB georganiseerde voetbalwedstrijden langdurig – dan wel in geval van kortstondigheid – bij herhaling spreekkoren voordoen, waarin de woorden “Jood” en/of “Joden” in enige samenstelling voorkomen, teneinde die spreekkoren te beëindigen en/of nieuwe spreekkoren te voorkomen, welke maatregelen zo nodig dienen uit te monden in het stilleggen van de betreffende wedstrijd, zulks op straffe van een dwangsom ter hoogte van € 1.000.000,- per wedstrijd waarin KNVB dit gebod niet naleeft.
Stichting BAN heeft aan deze vordering - zakelijk weergegeven - ten grondslag gelegd dat de spreekkoren tijdens de Bekerfinale antisemitisch waren en ongewenst en dat KNVB onrechtmatig heeft gehandeld door niet op te treden.
KNVB voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

De beoordeling
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de vordering van Stichting BAN vanwege de door KNVB georganiseerde voetbalwedstrijd tussen PEC Zwolle en Ajax die op 3 augustus 2014 zal plaatsvinden, voldoende spoedeisend is om een behandeling in kort geding te rechtvaardigen. Echter, of de spoedvoorziening ook daadwerkelijk kan worden verleend is afhankelijk van de uitkomst van een beoordeling van de voorlopige merites van de zaak waarbij de gevorderde voorlopige voorziening alleen voor toewijzing in aanmerking komt als in deze kortgedingprocedure aan de hand van de door partijen gepresenteerde feiten en omstandigheden - zonder dat daarbij ruimte is voor nader onderzoek - geoordeeld moet worden dat de vordering van Stichting BAN in een eventueel tussen partijen te voeren bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft, dat vooruitlopen daarop door toewijzing reeds nu gerechtvaardigd is. Daarbij dient een afweging van belangen plaats te vinden, waarbij de ingrijpendheid van de gevolgen voor de eiser bij uitblijven van de voorziening moeten worden afgewogen tegen de gevolgen voor gedaagde bij verlening van de voorziening.
In de kern genomen betreft het geschil tussen partijen de vraag of ieder gebruik van het woord “Jood” of “Joden” in een spreekkoor ontoelaatbaar is. Het gaat daarbij niet om spreekkoren als “Wij gaan op Jodenjacht”, “Hamas, Hamas, Joden aan het gas” en “Kutkankerjoden”, waarvan het antisemitische karakter tussen partijen vast staat en waarvan tussen hen in confesso is dat daartegen moet worden opgetreden, maar om spreekkoren zoals zich voordeden bij de laatste Bekerfinale, te weten “Wie niet springt, die is een Jood”, “Wie niet springt, die is geen Jood” en “Wat zijn die Joden stil”. Dat de eerstgenoemde spreekkoren niet de inzet van dit geding vormen, volgt uit het vaststaande feit dat deze zich tot op heden niet tijdens een door KNVB zelf georganiseerde wedstrijd hebben voorgedaan en het vaststaande feit dat, in het geval zich dergelijke spreekkoren wel zullen voordoen tijdens een dergelijke wedstrijd, KNVB daar tegen op zal treden. Ook is hier van belang dat, voor zover dergelijke spreekkoren zich wel voordeden tijdens andere KNVB-wedstrijden dan de Bekerfinale, Stichting BAN daarop de desbetreffende BVO (ook in rechte) aanspreekt.
Stichting BAN heeft niet weersproken dat (een deel van de fanatieke) Ajax-supporters zelf uiteenlopende spreekkoren met daarin het woord “Jood” al tientallen jaren bij iedere (thuis)wedstrijd van Ajax inzetten, omdat zij dat zelf beschouwen als een geuzennaam waarvan zij zich met een grote mate van trots bedienen, zoals KNVB ter zitting uitgebreid heeft toegelicht. Bij die door hen zelf gebezigde naam sluiten ook andere clubs zich met hun tot Ajax(-supporters) gerichte spreekkoren aan. Dat betekent dat er bij de wedstrijd van 20 april 2014 geen sprake was van een nieuw fenomeen, maar van een verschijnsel dat zich al vele jaren voordoet en dat kennelijk door de BVO’s (en door KNVB in de wijze waarop zij de aan de BVO’s voorgeschreven richtlijnen nageleefd wenst te zien), al dan niet noodgedwongen, wordt getolereerd. Hoewel - zoals Stichting BAN terecht heeft aangevoerd - KNVB deze wedstrijd organiseerde (anders dan het geval is bij de overige wedstrijden van het KNVB-bekertoernooi) betrof het aldus spreekkoren die een vast gebruik zijn bij de wedstrijden van Ajax.
Partijen zijn het niet eens over de vraag of de spreekkoren zoals die geklonken hebben op 20 april 2014, in objectieve zin als antisemitisch zijn aan te merken en op die grond tot ingrijpen van de wedstrijdorganisator dienen te leiden (waarschuwen door de stadionspeaker/stilleggen van de wedstrijd/staken van de wedstrijd). Naar de voorzieningenrechter verstaat, op grond van de in zoverre eensluidende stellingen van partijen, zijn zij het er wel over eens dat - ook als die spreekkoren in objectieve zin niet als antisemitisch zijn aan te merken - zij wel in subjectieve zin door aanhoorders als antisemitisch en kwetsend kunnen worden ervaren en dat dat rechtvaardigt dat die spreekkoren worden teruggedrongen. Naar KNVB voldoende aannemelijk heeft gemaakt, is in dat verband overleg noodzakelijk met alle betrokken (voetbal-, supporters- en veiligheidsinstanties en Joodse organisaties), opdat bij degenen die die bedoelde spreekkoren aanheffen bewustheid wordt gecreëerd omtrent het karakter daarvan en om in verband daarmee te kunnen komen tot een passend beleid ter terugdringing van die spreekkoren en tot adequate maatregelen daartoe die handhaafbaar zijn. KNVB heeft ter zitting aangeboden in dat overleg het voortouw te nemen.
Daarbij is voorts aannemelijk dat in dat overleg een belangrijke rol voor Ajax zelf is weggelegd, omdat KNVB slechts twee wedstrijden per jaar organiseert, omdat Ajax voor het verloop van al haar thuiswedstrijden zelf verantwoordelijk is, maar vooral omdat het voortduren van de bedoelde spreekkoren mede is gebaseerd op het gebruik van de woorden “Jood” en “Joden” (als geuzennaam) door de Ajaxsupporters zelf en Ajax geacht moet worden op die praktijk aanmerkelijke invloed uit te kunnen oefenen. Dat Stichting BAN, naar zij heeft gesteld, al in 2011 met Ajax afspraken heeft gemaakt, maakt dat niet anders, nu niet ter discussie staat dat Ajax - net als KNVB dus - ook niet optreedt tegen de bedoelde spreekkoren of tegen het gebruik door haar supporters van de naam “Jood” en Stichting BAN niet heeft toegelicht welke afspraken zij met Ajax heeft gemaakt en waarom zij op grond daarvan Ajax sindsdien niet meer aanspreekt.
Op grond van dit een en ander is de voorzieningenrechter van oordeel dat dit kort geding een te beperkt kader biedt om reeds thans - door toewijzing van het gevorderde - vooruit te kunnen lopen op het oordeel dat in een eventueel bodemgeschil omtrent deze kwestie zou worden gewezen, zowel wat de vraag betreft of (en in welke mate) de bedoelde spreekkoren als antisemitisch en kwetsend zijn aan te merken, als wat de daarmee samenhangende vraag betreft met welke feitelijke maatregelen aan de terugdringing ervan gewerkt dient te worden en de vraag welke maatregelen daartoe (thans en/of in de nabije toekomst) handhaafbaar zijn.
In het voordeel van KNVB speelt daarbij voorts een rol dat KNVB ter zitting heeft aangevoerd – en voldoende aannemelijk gemaakt - dat er aan toewijzing van de door Stichting BAN gevraagde voorzieningen onbeheersbare veiligheidsrisico’s zitten, omdat de verwachting is dat van (de handhaving van) een plotseling algeheel verbod op het gebruik van het woord “Jood” zo kort vóór de wedstrijd een zeer escalerend effect zal uitgaan. Daarnaast heeft zij toegelicht dat het voor haar niet mogelijk is om de gevorderde maatregelen voor 3 augustus 2014 te treffen en (met het oog op de handhaafbaarheid) voldoende openbaar te maken. Dit betekent dan ook dat de gevolgen (voor KNVB, maar ook in breder verband) bij oplegging van het gevorderde gebod te ingrijpend zijn om daartoe thans over te gaan, zo daar overigens reeds aanleiding toe zou bestaan.
Ten aanzien van de gevorderde publicatie van de ‘tolerantiegrenzen’ van KNVB (met de door Stichting BAN gewenste inhoud) bestaat ook afgezien van de omschreven bezwaren onvoldoende grond, daar het voornoemde overleg de juiste plek lijkt om die normen en het draagvlak daarvoor te bewerkstelligen. Dat aan de zijde van Stichting BAN voldoende belang bestaat om die normen reeds thans geopenbaard te zien, ook zonder dat de handhaafbaarheid ervan is gegeven, is niet gebleken. Daarbij telt dat het afzien van het bedoelde overleg naar verwachting aan de zeggingskracht en uiteindelijke handhaafbaarheid van die normen af zal doen. Er bestaat in dit geding daarom ook geen grond om KNVB te verplichten tot openbaarmaking van zodanige normen zonder dat haar (zoals Stichting BAN als subsidiaire mogelijkheid heeft geopperd) ter zake een dwangsom wordt opgelegd of zonder dat zij (krachtens toezegging van Stichting BAN) een dergelijke dwangsom verbeurt.

Alles overziend is de voorzieningenrechter van oordeel dat de gevorderde voorzieningen in dit kort geding niet kunnen worden toegewezen. Dit neemt niet weg dat ook de voorzieningenrechter het belang ervan inziet dat er duidelijkheid komt over de (on)toelaatbaarheid van spreekkoren als hier in het geding zijn en de daartoe te formuleren normen en dat daarover het door KNVB omschreven brede gesprek wordt gevoerd. Op grond van de door KNVB ter zitting gedane uitlatingen mag Stichting BAN verwachten dat KNVB het hare zal doen om dat gesprek op gang te brengen en te houden.

dinsdag 15 juli 2014

CRM: PSV heeft een supporter niet gediscrimineerd vanwege zijn afkomst bij de kaartcontrole, discriminatieklacht van supporter is niet zorgvuldig behandeld


Situatie
Drie mannen afkomstig uit Bosnië-Herzegovina hadden kaarten gekocht voor een wedstrijdPSV-GNK Dinamo Zagreb. Er bestond een hoog veiligheidsrisico, omdat er aanwijzingen waren dat een groep aanhangers van GNK Dinamo Zagreb kaarten zou hebben gekocht voor het thuisvak. Zij hadden eerder voor ernstige ongeregeldheden gezorgd. Er was daarom een noodverordening van kracht. PSV heeft extra veiligheidsmaatregelen getroffen, waaronder het invoeren van extra kaartcontroles in het stadion. Verder mocht slechts één kaart per Club Card Houder worden gekocht (1 op 1 kaartverkoop). Op weg waren naar hun zitplaatsen werden de kaarten van de 3 mannen nog een keer gecontroleerd. Zij kregen uiteindelijk geen toegang tot de wedstrijd, omdat zij kaarten hadden gekocht met Club Cards die niet op hun naam stonden. Volgens de mannen zijn zij eruit gepikt vanwege hun uiterlijk (donker haar en donkere ogen) en de taal die zij spraken (Servisch). Ook voelen zij zich gediscrimineerd door de wijze waarop zij zijn behandeld tijdens deze extra kaartcontrole. Eén van de mannen dient hierover een klacht in bij PSV en later bij het College.

Oordeel College
Het College voor de Rechten van de Mens oordeelt dat PSV N.V. jegens de man geen verboden onderscheid heeft gemaakt op grond van ras bij de selectie voor een nadere kaartcontrole en dat niet is gebleken dat PSV N.V. jegens hem onderscheid op grond van ras heeft gemaakt door de wijze waarop hij is bejegend tijdens de nadere kaartcontrole. Wel heeft PSV N.V. jegens de man verboden onderscheid gemaakt op grond van ras door zijn discriminatieklacht onvoldoende zorgvuldig te behandelen.

Toelichting
Niet is komen vast te staan dat het uiterlijk van de man een reden was om zijn toegangskaart nog eens te controleren. Wel is duidelijk dat PSV extra kaartcontroles heeft gehouden, waarbij in ieder geval bezoekers werden gecontroleerd die niet werden herkend als vaste bezoeker met een Club Card. De steward die de kaart van de man nogmaals controleerde, heeft gezegd dat hij vermoedde dat de man geen vaste bezoeker was. Zijn vermoeden werd bevestigd toen hij de man een vreemde taal hoorde spreken. Selectie (mede) op basis van het spreken van een vreemde taal treft vooral personen van niet-Nederlandse afkomst. Daarom levert dit indirect onderscheid op grond van ras op. Indirect onderscheid is niet verboden als hiervoor een rechtvaardiging bestaat. Dat was hier het geval. PSV moest voorkomen dat zich ongeregeldheden zouden voordoen tijdens de wedstrijd.

Er bestond een hoog risico dat aanhangers van GNK Dinamo Zagreb kaarten voor het thuisvak zouden hebben en daar met de PSV aanhangers slaags zouden raken. Om die reden waren de extra veiligheidsmaatregelen en in het verlengde hiervan de nadere controle van bezoekers die niet worden herkend als vaste bezoeker noodzakelijk. Dat de steward de man voor niet-vaste bezoeker hield mede vanwege de taal die hij sprak, maakt dat niet anders. Niet is komen vast te staan dat de man is gediscrimineerd door de wijze waarop hij is behandeld tijdens de nadere kaartcontrole. De discriminatieklacht van de man is echter niet zorgvuldig behandeld. PSV heeft de man een toelichting heeft gegeven op de veiligheidsvoorschriften en de kaartverkoop voor de wedstrijd maar niet is ingegaan op de klacht van de man dat hij geselecteerd zou zijn vanwege zijn afkomst, uiterlijk en tal die hij sprak. Ook niet na herhaald verzoek.

vrijdag 20 juni 2014

Sportschool mag bij de werving van baliemedewerker kiezen voor een man, omdat die de herenkleedkamers moet schoonmaken


Situatie
Een vrouw heeft in oktober 2013 gesolliciteerd bij De Fitness Factory als baliemedewerker. In een e-mail schrijft de sportschool dat de vrouw is afgewezen, omdat ze op zoek zijn naar een mannelijke baliemedewerker. De vrouw schrijft daarna aan de sportschool dat het maken van onderscheid op grond van geslacht niet is toegestaan. De sportschool neemt haar sollicitatie daarna alsnog in behandeling, maar schrijft dat ze toch wordt afgewezen omdat ze bij een concurrent werkt en een fout heeft gemaakt in haar curriculum vitae. De vrouw heeft nog steeds het gevoel dat ze is afgewezen, omdat ze een vrouw is en vraagt het College om een oordeel.

Oordeel College
Het College voor de Rechten van de Mens oordeelt dat De Fitness Factory B.V. geen verboden onderscheid heeft gemaakt op grond van geslacht bij de werving en selectie, door de vrouw vanwege haar geslacht af te wijzen voor de functie van baliemedewerker.

Toelichting

Fitness Factory erkent dat in oktober 2013 werd gezocht naar een mannelijke baliemedewerker. Deze moet naast het baliewerk ook de kleedkamers en douches schoonmaken. De dameskleedkamer wordt schoongemaakt door vrouwen en de herenkleedkamer door mannen. Daarom is het nodig dat er voldoende mannelijke en vrouwelijke baliemedewerkers zijn. In oktober 2013 was de sportschool op zoek naar een mannelijke baliemedewerker. Het College oordeelt dat de vrouw mede vanwege haar geslacht is afgewezen en dat daarom direct onderscheid op grond van geslacht is gemaakt. In de wet staat dat je in bepaalde gevallen een man of een vrouw mag werven, als sprake is van werkzaamheden die ernstige schaamtegevoelens oproepen. Volgens het College speelt dat bij sporters als zij zich in het bijzijn van iemand van het andere geslacht moeten omkleden en douchen. De sportschool mag daarom, in verband met de schoonmaak van de kleedkamers, bij de werving en selectie van baliemedewerkers rekening houden met het geslacht. Geen verboden onderscheid.

Discriminatie door sportschool door vrouw die transgender is niet meer toe te laten tot de dameskleedkamer en sauna


Situatie
Een vrouw die transgender is (van man naar vrouw) en die nog geen geslachtsveranderende operatie heeft ondergaan, mocht van de sportschool gebruik maken van de dameskleedkamer en sauna. Na een paar maanden mocht dit niet meer, omdat er volgens de sportschool tientallen klachten van leden waren die de vrouw als een man zien. Zij hebben het mannelijk geslachtsdeel van de vrouw in de dameskleedkamer en in de sauna gezien. De vrouw zegt dat haar maar twee of drie klachten bekend zijn en biedt aan om de klagers haar situatie uit te leggen. De sportschool heeft van dat aanbod geen gebruik gemaakt.

Oordeel College
Het College voor de Rechten van de Mens oordeelt dat Trainmore ’s-Hertogenbosch B.V. jegens de vrouw verboden onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt door haar de toegang tot de dameskleedkamer en sauna te ontzeggen.

Toelichting
De sportschool heeft vanwege klachten van haar leden besloten de vrouw niet meer toe te laten tot de dameskleedkamer en sauna. Omdat deze klachten verband houden met het feit dat de vrouw transgender is, heeft de sportschool direct onderscheid op grond van geslacht gemaakt. Het College heeft er begrip voor dat de sportschool het al haar leden naar de zin wil maken, maar door mee te gaan in de klachten van haar leden, is de sportschool tegemoet gekomen aan hun discriminatoire wens de vrouw te weren van de dameskleedkamer en de sauna en heeft daarom direct onderscheid op grond van geslacht gemaakt. Direct onderscheid is verboden tenzij er een wettelijke uitzondering is.

In het Besluit gelijke behandeling is een uitzondering opgenomen op grond waarvan het is toegestaan onderscheid te maken tussen mannen en vrouwen bij het gebruik van onder andere de sauna en kleedruimte, voor zover voor beide geslachten gelijkwaardige voorzieningen aanwezig zijn. Gezien de bijzondere positie van de vrouw als transgender, is het College van oordeel dat de sportschool haar niet, met een beroep op voornoemde uitzondering, de toegang tot de vrouwenkleedkamer kan weigeren als ware zij een man. Het College oordeelt dat de sportschool rekening had moeten houden met de bijzondere positie van de vrouw als transgender en dat de sportschool in dit geval geen beroep kan doen op de uitzondering.


Er is niet gebleken dat er een andere wettelijke uitzondering van toepassing is. Het gemaakte onderscheid is dan ook verboden.                       

donderdag 20 maart 2014

Vereniging Karate-Do Youkou Breda maakt verboden onderscheid op grond van godsdienst door een meisje niet toe te staan met een sporthoofddoek te trainen


Situatie
Een meisje van 12 jaar is om godsdienstige redenen een hoofddoek gaan dragen. Zij is vanaf haar negende lid van de vereniging Karate-Do Youkou Breda. De karatevereniging staat niet toe dat het meisje traint met een (sport)hoofddoek. Het meisje heeft daarom haar lidmaatschap van de vereniging Karate-Do Youkou Breda opgezegd en is lid geworden van een andere karatevereniging waar zij wel met een hoofddoek mag trainen. De moeder van het meisje is van mening dat sprake is van discriminatie op grond van godsdienst jegens haar dochter.

Oordeel College
Het College is van oordeel dat Vereniging Karate-Do Youkou Breda jegens het meisje verboden onderscheid op grond van godsdienst heeft gemaakt door haar niet toe te staan met een (sport)hoofddoek te trainen.

Toelichting
Het verbod op het dragen van een (sport)hoofddoek tijdens de trainingen is in het Huishoudelijk Regelement van de karatevereniging neutraal geformuleerd en verwijst niet naar de grond godsdienst. Daarom is geen sprake van direct onderscheid op grond van godsdienst. Er is wel sprake van indirect onderscheid op grond van godsdienst. Door het verbod om met een (sport)hoofddoek te trainen worden leden die vanwege hun godsdienst een hoofddoek dragen bijzonder getroffen. Indirect onderscheid is niet verboden als de karatevereniging een goede reden heeft voor dit onderscheid (een objectieve rechtvaardiging).
Het College stelt vast dat de karatevereniging vier redenen heeft voor het verbod om met een (sport)hoofddoek te trainen, namelijk het waarborgen van:
(1) de gelijkheid van de leden binnen de vereniging vanuit de karatetraditie,
(2) de veiligheid van haar leden tijdens de training,
(3) de hygiëne tijdens de training en
(4) respect voor elkaar en discipline vanuit de karatetraditie.


Het College oordeelt dat als de kleding van het meisje verder precies gelijk is aan die van de andere leden, een (sport)hoofddoek niet een zo wezenlijk verschil in uiterlijk maakt dat dat het belang van het meisje moet wijken voor het belang van de karatevereniging. Verder is het College van oordeel dat de karatevereniging niet aannemelijk heeft gemaakt dat een sporthoofddoek onveilig is. Ook heeft de karatevereniging niet aannemelijk gemaakt dat een verbod van het dragen van een (sport)hoofddoek in dit geval noodzakelijk is om de hygiëne te waarborgen. Ten slotte is een verbod op het dragen van een hoofddoek niet noodzakelijk om respect voor elkaar en discipline te waarborgen. De karatevereniging heeft dan ook geen goede reden (objectieve rechtvaardiging) voor het gemaakte onderscheid op grond van godsdienst gegeven. Door het meisje niet te laten deelnemen aan de trainingen met een (sport)hoofddoek heeft de karatevereniging verboden onderscheid gemaakt op grond van godsdienst.

dinsdag 19 november 2013

College Rechten van de Mens: Voetbalvereniging Germania heeft klacht over discriminatie door haar supporters voldoende zorgvuldig behandeld


Feiten
Een vrouw van Molukse afkomst is toeschouwer bij een voetbalwedstrijd bij Voetbalvereniging Germania. Volgens de vrouw worden er tijdens de wedstrijd discriminatoire opmerkingen gemaakt door de supporters van de voetbalvereniging. Zij dient hierover een klacht in bij de voetbalvereniging en bij Stichting Artikel 1 Overijssel (hierna: de Stichting), die personen bijstaat die menen dat zij zijn gediscrimineerd. De voetbalvereniging reageert binnen de gestelde termijn per brief van 21 mei 2012 op de discriminatieklacht. In de brief staat dat over en weer, door beide supportersgroepen, woorden zijn gevallen, dat niet meer kan worden achterhaald wie wat heeft gezegd en dat het bestuur afstand neemt van de door de vrouw gestelde discriminatoire opmerkingen. De vrouw is niet tevreden over de afhandeling van haar klacht, omdat niet duidelijk is hoe haar klacht is onderzocht en hoe discriminatie in de toekomst wordt voorkomen. Ook voert zij aan dat zij niet is gehoord en dat niet is gereageerd op een voicemailbericht van de Stichting dat zij niet tevreden is over de klachtbehandeling. De voetbalvereniging zegt dat zij deze voicemail nooit heeft ontvangen en pas op 11 juli 2013 begreep dat de vrouw niet tevreden was over de klachtbehandeling toen zij hierover een brief ontving van het College.   

Oordeel College
Het College voor de Rechten van de Mens spreekt als zijn oordeel uit dat niet is gebleken dat Voetbalvereniging Germania jegens de vrouw onderscheid heeft gemaakt op grond van ras door de wijze waarop zij haar discriminatieklacht heeft behandeld.

Toelichting
Het verbod van onderscheid, omvat tevens de verplichting om klachten over discriminatie zorgvuldig te behandelen. In dit geval moet ervan worden uitgegaan dat de voetbalvereniging pas wist dat de vrouw de klacht niet zorgvuldig behandeld vond toen zij hierover een brief ontving van het College. Dit was ruim een jaar na haar schriftelijke reactie van 21 mei 2012 op de discriminatieklacht. Omdat de voetbalvereniging stelt dat zij de voicemail van de Stichting nooit heeft ontvangen, kan namelijk niet worden vastgesteld dat de vrouw na de reactie van 21 mei 2012 nog contact heeft opgenomen met de voetbalvereniging. Ter zitting is verder komen vast te staan dat de voetbalvereniging naar aanleiding van de discriminatieklacht 5 á 6 mensen heeft gehoord en dat zij met ingang van 19 februari 2013 een gedragscode heeft waarin staat dat discriminatie niet wordt geaccepteerd en aanleiding kan zijn voor sancties. Tot slot is relevant dat de voetbalvereniging tijdig en binnen de door de Stichting gestelde reactietermijn heeft gereageerd op de klacht. Daarom is niet gebleken dat de voetbalvereniging onderscheid op grond van ras heeft gemaakt door de wijze waarop zij de discriminatieklacht heeft behandeld.


donderdag 14 november 2013

Arbitragecommissie KNVB: Onmiddellijke schorsing lid na discriminerende uitlatingen niet terecht


Thissen lid van R.K.V.V. Emplina. Bij e-mail d.d. 8 mei 2013 heeft Thissen aan de heer Van Dam een e-mail gestuurd en deze ook cc toegezonden aan het bestuur en de seniorcommissie van R.K.V.V. Emplina. 
In de e-mail is onder meer het navolgende opgenomen:

"Wanneer  komen die LAMME KLOOTJAVANEN van het bestuur in beweging om deze kwestie mede te regelen zonder daar steeds alleen de spelers rriee op te zadelen en hen het bos in te sturen?"

Zoals te verwachten was, viel deze formulering niet bij iedereen in de smaak. Het bestuur van R.K.V.V. Emplina stuurt s'avonds een mail aan Thissen waar o.a. het volgende in is opgenomen:

" Geachte heer Thissen,
Het Hoofdbestuur van R.K.V.V. Emplina heeft kennisgenomen van uw (cc. aan het Hoofdbestuur) email (onderwerp: Volgend seizoen) en uw verdere reacties (naar aanleiding van) hierop van 8 mei 2013. Hierbij deel ik u namens het Hoofdbestuur  mede, dat de uitlatingen die u in uw mail doet volstrekt onacceptabel  en kwetsend zijn. Hiermee heeft u in ernstige mate artikel 5.6 van de statuten van de vereniging geschonden. In verband hiermee bent u per onmiddellijke ingang geschorst als lid van R.K.V. V. Emplina.Om uw beweegreden  nader toe te lichten, verzoek ik u zich aanstaande  zaterdag 11 juni 2013 om 1100 uur te melden in de bestuurskamer  van R.K.V.V. Emplina om u hiervoor te verantwoorden.  Deze uitnodiging is niet vrijblijvend. Ook bij het niet nakomen zullen we zonder uw aanwezigheid  ter zake besluiten. (…)"

Het geschil
Partijen twisten bij de arbitragecommissie over de vraag of Thissen al dan niet terecht door het bestuur van R.K.V.V. Emplina is geschorst. Voorts twisten zij over de vraag of Thissen zich zou hebben schuldig gemaakt aan racisme/discriminatie.

Het oordeel
De arbitragecommissie is van oordeel dat binnen de interne verhoudingen van R.K.V.V. Emplina op grond van de statuten, het bestuur in beginsel de mogelijkheid leden disciplinair te straffen. Zulks brengt met zich dat de arbitragecommissie de besluitvorming van het bestuur slechts marginaal toetst.
Ter zitting heeft R.K.V.V. Emplina de arbitragecommissie medegedeeld dat haar e-mail d.d. 8 mei 2013 in reactie op de e-mail van Thissen van dezelfde datum waarin Thissen met onmiddellijke ingang werd geschorst, als ordemaatregel moeten worden beschouwd teneinde rust binnen de vereniging te creëren. Gelet op die ordemaatregel - zo heeft R.K.V.V. Emplina ter zitting gesteld - behoefde zij niet vooraf Thissen te horen.
De arbitragecommissie volgt het bestuur van R.K.V.V. Emplina daarin niet.
Nog daargelaten dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat binnen de vereniging een zodanige onrust was ontstaan dat een redelijk handelend bestuur tot een onmiddellijke schorsing zou kunnen komen, volgt ook uit de e-mail d.d. 8 mei 2013 niet dat sprake was van een ordemaatregel. In de e-mail deelt het bestuur Thissen immers mede dat hij met onmiddellijke ingang is geschorst en dat het bestuur zich zal beraden over nadere stappen.
Het beginsel van hoor en wederhoor is in zijn algemeenheid, maar juist ook in de onderhavige situatie naar het oordeel van de arbitragecommissie van groot belang. Daarbij klemt dat Thissen in zijn latere e-mail van 8 mei 2013 - na de reactie van de heer Welcker­ direct heeft aangegeven niet de bedoeling te hebben gehad met zijn (schofferende) woordkeuze te willen discrimineren of te beledigen. Waarom nog een onmiddellijke ordemaatregel noodzakelijk was, is de arbitragecommissie niet duidelijk geworden. Ook is van belang dat Thissen reeds op 9 mei 2013 aan het bestuur heeft medegedeeld op zaterdag 11 mei 2013 niet te kunnen verschijnen. Een nieuwe uitnodiging is door het bestuur niet verzonden. Ook is niet gebleken dat het bestuur anderszins contact met Thissen heeft gezocht (bijvoorbeeld telefonisch). Het onder deze omstandigheden opleggen van een feitelijk definitieve schorsing acht de arbitragecommissie niet in lijn met de handelwijze van een redelijk handelend bestuur.
Dat maakt dat de schorsing niet op deze wijze had mogen worden opgelegd en derhalve dient te worden opgeheven.
Ten overvloede merkt de arbitragecommissie nog op, zoals ook ter zitting is geschied, dat de door Thissen gebezigde kwalificatie als volstrekt ongepast heeft te gelden. Naar het oordeel van de arbitragecommissie is de uitlating in de e-mail d.d. 8 mei 2013 van Thissen "lamme klootjavanen" tenminste als bruuskerend en schofferend te beschouwen. Ook de wijze waarop Thissen zich in het vervolg heeft opgesteld, heeft bepaald niet bijgedragen aan
de-escalatie. Aan de andere kant kan dat ook voor de houding van het bestuur gelden.
Al met al meent de arbitragecommissie dat het bestuur - na hoor en wederhoor- tot een disciplinaire maatregel had kunnen komen op basis waarvan in beginsel van Thissen had kunnen worden gevergd de interne weg van het beroep van de algemene ledenvergadering te volgen, maar is de wijze waarop het bestuur tot schorsing is gekomen in casu naar het oordeel van de arbitragecommissie te zeer in strijd met de door de arbitragecommissie genoemde uitgangspunten.
Het verzoek van het bestuur van RK.V.V. Emplina om Thissen op te leggen zich bij betrokkene schriftelijk te verontschuldigen voor zijn gedane uitlatingen, zal de arbitragecommissie ook niet toewijzen. Zulks zou te zeer in strijd zijn te achten met de vrijheid van meningsuiting; het opleggen van het maken van excuses verhoudt zich daar immers niet mee. Thissen heeft ter zitting overigens toegezegd zich nog met de heer Welcker sr. te zullen verstaan.

De beslissing

De arbitragecommissie gelast RK.V.V. Emplina de aan Thissen opgelegde schorsing op te heffen en bepaalt dat Thissen de contributie over het seizoen 2013/2014 aan RK.V.V. Emplina is verschuldigd.

woensdag 19 juni 2013

Regeling buitenlanders KNBSB in strijd met artikel 45/56 VWEU en Algemene wet gelijke behandeling en artikel 18 VWEU


Niet alleen in het voetbal wordt met nationaliteitsclausules aangelopen tegen beperkingen die het Europees recht meebrengt op het gebied van die clausules. Zo had de Koninklijke Nederlandse Baseball en Softball Bond (KNBSB) bepalingen in de reglementen staan die het opstellen van buitenlandse speelsters beperkte. Een aangesloten club, Terrasvogels, had een Italiaanse speelster te vaak opgesteld en de KNBSB oordeelde dat Terrasvogels een aantal wedstrijden over moest spelen. In het wedstrijdreglement van de KNBSB staat namelijk dat: "Eén volledige wedstrijd (indien nodig inclusief tie break) van een dubbel moet gecatcht worden door een Nederlandse speelster/s" De Italiaanse speelster was door Terrasvogels twee keer als catcher opgesteld.Terrasvogels spant vervolgens een kort geding aan tegen de KNBSB omdat de regels volgens Terras in strijd zijn met het VWEU.
De KNBSB heeft de regeling opgesteld met het doel om de Nederlandse speelsters in de nationale competitie de kans te geven in het eerste team te spelen en hun talent verder te ontwikkelen, zodat het nationale team internationaal een grotere rol kan gaan spelen.
De rechter is van oordeel dat er sprak is van directe discriminatie naar nationaliteit. Er wordt immers expliciet op grond van nationaliteit onderscheid gemaakt tussen personen die in dezelfde situatie verkeren. Op grond van de artikelen 18, 45, 49 en 56 VWEU is het verboden te EU burgers te discrimineren naar nationaliteit. In de eerder uitspraak van het Hof van Justitie Koch en Walrave had het Hof uitgesproken  dat het discriminatieverbod niet slaat op de samanestelling van nationale teams. In het Bosman arrest heeft eht Hof van Justitie echter ook uitgesproken dat discriminatie naar nationaliteit door beperkingen te stellen aan het aantal niet-nationale spelers dat wordt opgesteld bij andere (nationale) wedstrijden geen geoorloofde uitzondering is op het discriminatieverbod omdat niet isvoldaan aan de vereiste dat de uitzondering beperkt blijft tot haar specifieke doel (“remain limited to its proper objective”). De regeling KNBSB is daarom in strijd met artikel 45 VWEU.
Vervolgens kijkt de rechter of er een rechtvaardiging is voor het handelen in strijd met artikel 45 VWEU. Er zijn twee uitzonderingen die een inbreuk op het discriminatieverbod van artikel 45 VWEU rechtvaardigen:
1.         beperkingen uit hoofde van openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid. Die uitzondering is in dit geval niet van toepassing.
2.         een aanvullende, open categorie van rechtvaardigingsgronden, gebaseerd op noodzakelijke vereisten in het algemeen belang, die beperkt moet worden uitgelegd. In sportzaken zijn als gerechtvaardigd aangemerkt:
-          de noodzaak om de opleiding en training van jonge spelers te bevorderen;
-          het handhaven van een bepaalde sportieve en financiële balans tussen clubs;
-          de noodzaak om een reguliere competitie en onzekerheid van de uitkomst te  verzekeren.
Die open categorie van rechtvaardigingsgronden is door het Europese Hof echter alleen aanvaard als het gaat om indirecte discriminatie naar nationaliteit. Aangezien het in dit geval om directe discriminatie gaat is ook die tweede categorie rechtvaardigingsgronden niet van toepassing.
De regeling van de KNBSB is dus in strijd met artikel 45 VWEU
Tot slot gaat de voorzieningenrechter in op twee andere punten:

Is er hier sprake van een economische activiteit?
De KNBSB is van mening dat artikel 45 of 56 VWEU niet van toepassing zijn, omdat het hier gaat om een amateursport en dat is volgensde KNBSB geen economische activiteit en dus is het VWEU niet van toepassing.
De voorzienigenrechter geeft daar geen echt antwoord op. Terrasvogels kan echter een sponsorcontract overleggen van de Italiaanse speelster.  De voorzieningenrechter is daarom van oordeel dat als Italiaanse aanspraak kan maken op gelijke behandeling als zij verblijft in een andere lidstaat van de EU (artikel 18 VWEU), ongeacht of de door haar beoefende sport is aan te merken als economische activiteit.

Is de regeling in strijd met de Algemene wet gelijke behandeling?
Op grond van artikel 7 lid 1 Awgb is het onderscheid op basis van nationaliteit verboden bij het aanbieden van of verlenen van toegang door instellingen die werkzaam zijn op het gebied van welzijn. Sportinstellingen vallen onder dat begrip. De voorzieningenrechter is dan ook van oordel dat de regeling van de KNBSB hiermee in strijd is en dat ook der rechtvaardiging van artikel 2 lid 5 Awgb niet van toepassing is. Op grond van dat artikel is onderscheid op grond van nationaliteit alleen toegestaan, indien het onderscheid ziet op het nationale team.

zondag 2 juni 2013

Batboy en geen batgirl gezocht: discriminatie naar geslacht


Situatie
De Stichting honkbalweek organiseert elke twee jaar een internationaal honkbaltoernooi, de Haarlemse Honkbalweek. De organisatie van de honkbalweek had een nieuwsbrief aan alle honkbalclubs in Nederland gestuurd met daarin een oproep voor batboys. Een vergelijkbare advertentie stond ook op hun website. In de advertentie was onder meer opgenomen dat de organisatie op zoek was naar enthousiaste jongens in de leeftijdscategorie 12 tot en met 15 jaar voor batboy tijdens de Honkbalweek. Een meisje had zich aangemeld voor de try-outs die hiervoor zouden worden gehouden. De organisatie van de Honkbalweek vertelde haar echter dat zij niet in aanmerking kwam omdat zij een meisje is. Het meisje voelt zich gediscrimineerd op grond van geslacht. De Stichting stelt dat zij al jaren alleen jongens vraagt als batboy maar dat zij nooit bewust meisjes hebben willen uitsluiten. Honkbal wordt namelijk van pupil tot en met senior hoofdzakelijk gespeeld door personen van het mannelijk geslacht.

Oordeel
Het College oordeelt dat Stichting Honkbalweek verboden onderscheid op grond van geslacht heeft gemaakt bij de behandeling bij de vervulling van een openstaande betrekking door het meisje uit te sluiten van deelname aan try-outs voor batboy voor de Haarlemse Honkbalweek.

Toelichting
Het College oordeelt dat de Stichting direct onderscheid op grond van geslacht maakt door meisjes uit te sluiten van de mogelijkheid om batboy te worden. Direct onderscheid is verboden tenzij er een wettelijke uitzondering van toepassing is. Deze uitzondering zou er kunnen zijn, als er sprake is van een geslachtsbepaalde functie. Omdat de Stichting heeft verklaard dat de functie van batboy uitstekend door zowel jongens als meisjes kan worden vervuld, is hiervan geen sprake. Er is dan ook geen wettelijke uitzondering van toepassing. Daarom heeft de Stichting verboden onderscheid op grond van geslacht gemaakt.

KNAC Nationale Autosport Federatie maakt geen verboden onderscheid op grond van leeftijd door de licentie van een 76-jarige sportcommissaris niet te verlengen


Situatie
Een man, geboren in 1935, is sinds 1954 als vrijwilliger werkzaam als sportcommissaris bij nationale en internationale autosportevenementen. Sportcommissarissen moeten elk jaar een nieuwe licentie aanvragen bij KNAC Nationale Autosport Federatie (KNAF). De autosportfederatie heeft in 2011 een maximumleeftijd vastgesteld voor het verstrekken van licenties aan sportcommissarissen. Voor deze functie geldt sindsdien een leeftijdsgrens van 70 jaar. Als eerder een licentie is verstrekt geldt een maximumleeftijd van 75 jaar. Na het verlopen van de laatste licentie van de man op 31 december 2012 heeft de autosportfederatie hem geen nieuwe licentie verstrekt.

Oordeel College
Het College voor de Rechten van de Mens spreekt als zijn oordeel uit dat Knac Nationale Autosport Federatie jegens de man geen verboden onderscheid heeft gemaakt op grond van leeftijd door hem geen nieuwe licentie voor de functie van sportcommissaris te verstrekken.

Toelichting
Het College stelt vast dat de man zijn vrijwilligerswerkzaamheden onder gezag van de autosportfederatie verricht en dat daarom sprake is van een arbeidsverhouding als bedoeld in de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid (WGBL). Het besluit om de man geen nieuwe licentie meer te verstrekken is ingegeven door zijn leeftijd. Daarom is sprake van onderscheid op grond van leeftijd. In de WGBL staat een uitzondering op het verbod van onderscheid op grond van leeftijd. Die uitzondering houdt in dat ontslag bij het bereiken van de AOW-leeftijd of een hogere leeftijd die eerder is vastgesteld, toegestaan is. Daarom mocht de autosportfederatie, bij het nemen van een besluit over het verstrekken van een nieuwe licentie aan de man, de leeftijdsgrens van 75 jaar hanteren. Het door de autosportfederatie gemaakte leeftijdsonderscheid is daarom niet verboden.

Sportcentrum maakt verboden onderscheid door een vrouw af te wijzen voor een stageplaats vanwege het dragen van een hoofddoek


 Situatie
Sportcentrum L. Hollander B.V. wijst een vrouw af voor een stageplaats vanwege het dragen van een hoofddoek. Het sportcentrum verbiedt zijn werknemers het dragen van hoofddeksels. Daarnaast verbiedt het sportcentrum iedere uiting van godsdienst.

Oordeel College
Het College oordeelt dat Sportcentrum L. Hollander B.V. jegens de vrouw verboden onderscheid heeft gemaakt op grond van godsdienst door haar af te wijzen voor een stageplaats vanwege het dragen van een hoofddoek.

Toelichting

Verzoekster heeft bij het sportcentrum gesolliciteerd naar een stageplaats. Zij mocht stage lopen als zij haar hoofddoek afdoet. Zij weigert dit en de stage gaat daarom niet door. In een mail van het sportcentrum aan de vrouw staat dat het sportcentrum iedere uiting van godsdienst verbiedt. Het College oordeelt daarom dat er sprake is van direct onderscheid. Direct onderscheid is verboden, tenzij er een uitzondering van toepassing is. Dit is in deze situatie niet het geval.

Volledige oordeel staat HIER

donderdag 25 april 2013

ECJ: Homophobic statements by the ‘patron’ of FC Steaua may shift the burden of proof on to the club to prove that it does not have a discriminatory recruitment policy




The appearance of discrimination on ground of sexual orientation may be refuted by a body of consistent evidence

The directive on equal treatment in employment and occupation ( Council  Directive  2000/78/EC  of  27  November  2000)    lays down a general framework for combating discrimination on the grounds of religion or belief, disability, age or sexual orientation as regards employment and occupation. Pursuant to that directive, where facts from which it may be presumed that there has been discrimination are established before a court or another competent authority, the burden of proof shifts to the defendants concerned who must prove that, notwithstanding the appearance of discrimination, there has been no breach of the principle of equal treatment.

On 3 March 2010, Accept, a non-governmental organisation whose aim is to promote and protect lesbian, gay, bisexual and transsexual rights in Romania, lodged a complaint before the National Council for Combatting Discrimination (CNCD) against SC Fotbal Club Steaua București SA (‘FC Steaua’) and Mr Becali, who presents himself as being the ‘patron’ of that club. Accept claims that the principle of equal treatment was breached in recruitment matters.  In an interview concerning the possible transfer of a professional footballer, Mr Becali had stated essentially that he would never hire a homosexual player. As regards the other defendant before the CNCD, FC Steaua, Accept maintains that the club has at no time distanced itself from Mr Becali’s statements. The CNCD held, in particular, that since Mr Becali’s statements could not be regarded as emanating from an employer or a person responsible for recruitment, those circumstances did not fall within the sphere of employment. However, the CNCD took the view that those statements constituted discrimination in the form of harassment (According to that directive a form of discrimination within the meaning of paragraph 1, when unwanted conduct related, in particular, to sexual orientation takes place with the purpose or effect of violating the dignity of a person and of
creating an intimidating, hostile, degrading, humiliating or offensive environment.) and gave Mr Becali a warning. That penalty was the only one then possible under Romanian law, since the CNCD’s decision had been given more than six months after the date on which the facts complained of occurred. Accept brought an action against that decision before the Curtea de Apel București (Court of Appeal, Bucharest, Romania), which referred questions for a preliminary ruling to the Court of Justice on the interpretation of the directive.

In today’s judgment, the Court observes that the directive applies to situations such as those on which the dispute in the main proceedings before the Curtea de Apel București is based, which involve statements concerning the conditions for access to employment, including recruitment conditions. The Court states that the specificities of the recruitment of professional footballers are irrelevant in that regard because sport constitutes an economic activity which is covered by EU law.

As regards the position of FC Steaua in the case in the main proceedings, the Court points out that the mere fact that statements such as Mr Becali’s do not come directly from a given defendant is not necessarily a bar to establishing, with respect to that defendant, the existence of ‘facts from which it may be presumed that there has been … discrimination’  within the meaning  of the directive. Consequently, a defendant employer cannot deny the existence of facts from which it may be presumed that it has a discriminatory recruitment policy by asserting that the statements indicative of a homophobic recruitment policy come from a person who, while claiming to play an important role in the management of that employer and appearing to do so, is not legally capable of binding it in recruitment matters. According to the Court, the fact that that employer might not have clearly distanced itself from those statements may be taken into account in the appraisal of its recruitment policy.

Furthermore, the Court states that the burden of proof, as modified by the directive, does not require evidence which is impossible to adduce without interfering with the right to privacy. The appearance of discrimination on grounds of sexual orientation may be refuted with a body of consistent evidence, without the defendant having to prove that persons with a specific sexual orientation have been recruited in the past. That evidence may include, in particular, distancing itself  from  discriminatory  public  statements  and  the  existence  of  express  provisions  in  its recruitment policy aimed at ensuring compliance with the principle of equal treatment.

Finally, the Court observes that the directive precludes national rules by virtue of which, where there is a finding of discrimination on grounds of sexual orientation, it is only possible to give a ‘warning’ after the expiry of six months from the date on which the facts occurred, if that penalty is not effective, proportionate and dissuasive. However, it is for the Romanian court to determine if that is the situation in the present case.


The preliminery ruling can be found HERE

vrijdag 16 maart 2012

Commissie Gelijke Behandeling: Organisatie marathon Utrecht maakt verboden onderscheid op grond van ras en nationaliteit bij de verdeling van start- en prijzengeld




Situatie
De Stichting UtrechTrent organiseert de Jaarbeurs Utrecht Marathon. In 2011 heeft deze Stichting voor de categorie Mannen Senior (18 tot en met 34 jaar) een groot deel van het budget alleen beschikbaar gesteld voor het start- en prijzengeld voor twintig geselecteerde atleten. Deze atleten moesten een Nederlandse wedstrijdlicentie hebben en in Nederland wonen. Zij waren geselecteerd op grond van hun potentie om een marathon in minder dan 2:30 uur te lopen. De geselecteerde atleet die het hoogst eindigde binnen de geselecteerde groep van twintig krijgt €10.000 aan prijzengeld. De nummer twintig binnen de groep van de geselecteerde kandidaten krijgt €250,-. Dat geldt onafhankelijk van hun plaats in het totaal klassement van de marathon. Dus ook als deze atleten bijvoorbeeld niet bij de snelste vijf of tien atleten van de Marathon zouden behoren.  Andere atleten, buiten de selectie van deze twintig atleten,  kunnen deelnemen aan de marathon maar komen in aanmerking voor veel lager prijzengeld. De winnaar van de marathon kan maar maximaal €100,- aan prijzengeld winnen, de nummer twee €80,- . De Jaarbeurs Utrecht Marathon is gewonnen door een van de geselecteerde atleten, hij ontving aan prijzengeld €10.100.  De tweede plaats werd ingenomen door een Keniaanse atleet, hij ontving €80 aan prijzengeld.

Oordeel
De Commissie oordeelt dat de Stichting UtrechTrent verboden onderscheid maakt op grond van ras en nationaliteit.

Toelichting
De Stichting heeft beargumenteerd dat zij graag de hardloopsport in Nederland wil bevorderen. Daarom heeft zij in samenwerking met de Nederlandse Atletiekunie, een stimuleringsprogramma opgezet. Dit bestond onder andere uit extra trainingen ter voorbereiding op de Jaarbeurs Utrecht Marathon. In deze marathon zouden de geselecteerde atleten het tegen elkaar opnemen in de ‘Dutch Battle’.  Dit is het sluitstuk van het stimuleringsprogramma. De trainingen werden georganiseerd en betaald door de Atletiekunie, de Stichting stelde het prijzengeld aan de geselecteerde atleten ter beschikking. Op deze manier hoopt de Stichting nieuwe helden te creëren voor de hardloopsport in Nederland. Alhoewel de Commissie begrip heeft voor deze doelstelling,  is de manier waarop dit gebeurt onderscheidmakend. De Stichting hanteert onder meer het criterium woonplaats voor de selectie.  Hierdoor worden met name atleten met een andere afkomst en/of nationaliteit dan de Nederlandse benadeeld. De meesten van hen zijn immers op grond van dit criterium uitgesloten van het hogere prijzengeld.  Door aan deze andere atleten een veel lager prijzengeld te bieden, wordt deelname aan deze marathon voor hen veel minder aantrekkelijk. Het deelnemen aan dergelijke (internationale) hardloopwedstrijden vormt voor veel topatleten een belangrijke bron van inkomsten. Voor een dergelijk onderscheid moet een organisatie zoals de Stichting UtrechTrent dus een goede reden (objectieve rechtvaardiging) hebben. De Commissie acht het verschil in prijzengeld tussen een geselecteerde atleet en alle overige atleten in deze categorie Mannen Senior niet proportioneel, het verschil is te groot. Gelet op het belang van atleten om een hoog bedrag aan prijzengeld te winnen en de grote groep die de Stichting van dat hoge bedrag aan prijzengeld uitsluit, concludeert de Commissie daarom dat het onderscheid dat de Stichting maakt, verboden is.

De uitspraak staat HIER

donderdag 15 maart 2012

Commissie Gelijke Behandeling: in algemene voorwaarden opnemen van verbod om "eigen taal" te spreken in sportschool is verboden onderscheid op grond van ras



De sportschool Indoor Action V.O.F. heeft verboden onderscheid op grond van ras gemaakt door in de Algemene Voorwaarden op te nemen dat de voertaal Nederlands of Engels is, en dat het onderling spreken van de ‘eigen taal’ niet is toegestaan. Indoor Action V.O.F. heeft geen verboden onderscheid op grond van ras gemaakt door ten behoeve van het veilig kunnen sporten de eis te stellen dat sporters op basaal niveau Nederlands of Engels moeten kunnen verstaan en spreken.

De uitspraak staat HIER

woensdag 14 maart 2012

Commissie Gelijke Behandeling: verbod van fitnessclub tot dragen van hoofddoek is verboden onderscheid op grond van godsdienst




Fitness & Health Center Rijkerswoerd maakt verboden onderscheid op grond van godsdienst door vrouw te verbieden tijdens het sporten een hoofddoek te dragen. Geen vermoeden dat ook onderscheid op grond van ras jegens de vrouw is gemaakt, omdat niet is gebleken dat de vrouw verplicht werd Nederlands te spreken.

De relevante rechtsoverwegingen:
3.3 Artikel 7, eerste lid, aanhef en onderdeel a, van de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB) verbiedt, in samenhang met artikel 1 van deze wet, onderscheid op grond van godsdienst en ras bij het aanbieden van of verlenen van toegang tot goederen of diensten indien dit geschiedt in de uitoefening van een beroep of bedrijf. De activiteiten van verweerster als commerciële exploitant van een sportaccommodatie vallen onder onderdeel a van artikel 7, eerste lid, AWGB


3.9 Verweerster heeft toegelicht dat zij het hoofddekselverbod hanteert in het kader van de veiligheid van de sporters. Zo bestaat het gevaar van beklemming door een (loszittende) hoofdbedekking die verstrikt kan raken in de sportapparaten. Daarnaast bestaat er een risico van oververhitting van de sporter, omdat door de hoofdbedekking het zweet mogelijk niet goed weg kan, aldus verweerster


3.10 De Commissie acht het doel legitiem. Het waarborgen van de veiligheid is voldoende zwaarwegend en heeft geen discriminerend oogmerk. Voorts kan een hoofddekselverbod bijdragen aan de veiligheid van de sporters. De Commissie is van oordeel dat het middel om het doel te bereiken echter niet noodzakelijk is aangezien er alternatieven voorhanden zijn. Zo kan verweerster van haar cliënten, die om religieuze redenen een hoofddoek dragen, verlangen dat zij een sporthoofddoek dragen, een hoofddoek die speciaal is ontworpen om mee te sporten (vergelijk CGB 1 april 2010, 2010-54, r.o. 3.12). Verzoekster en verweerster hebben echter destijds deze optie niet besproken.

3.11 Op grond van het bovenstaande oordeelt de Commissie dat geen objectieve rechtvaardiging aanwezig is voor het gemaakte onderscheid



De uitspraak staat HIER

woensdag 1 februari 2012

Dansen is plezier voor twee!.......... mannen

LJNAY5005 Rechtbank 's-Gravenhage 26-07-2006 (twee mannen willen stijldansen)

 Kort geding over deelname van ongemengd danspaar aan wedstrijden van de NADB. Handelt NADB jegens eisers in strijd met de AWGB (Algemene Wet Gelijke Behandeling)?

De feiten

Een danspaar van twee mannen wil uitkomen in danswedstrijden. De NADB (de Nederlandse Algemene DansportBond) organiseert de Nederlandse danskampioenschappen en stelt de lijst vanafgevaardigden voor de internationale danswedstrijden samen. Dit mag volgens deNADB alleen als een paar bestaat uit een man en een vrouw.
De Commissie Gelijke Behandeling heeft geoordeeld dat de NADB in strijd met de Algemenewet gelijke behandeling handelde aangezien zij direct onderscheid maakt opgrond van homoseksuele gerichtheid en geslacht door ongemengde paren uit tesluiten van deelname aan georganiseerde danswedstrijden.
In het seizoen 2005-2006is het danspaar eenmaal gedoogd dat zij mochten deelnemen aan een wedstrijd.Voor het komende seizoen zal de NADB deelname van ongemengde paren via eengedoogconstructie niet meer toestaan.

Het geschil
Eisers vorderen opstraffe van een dwangsom het danspaar met ingang van het wedstrijdseizoen2006-2007 als regulier wedstrijdpaar toe te laten tot alle danswedstrijden, opdezelfde wijze en onder dezelfde voorwaarden als de andere deelnemers alsmedehet wedstrijdreglement zodanig te wijzigen dat dit geen bepalingen meer bevatdie een ongelijke behandeling van ongemengde wedstrijdparen ten opzichte van degemengde paren ten gevolge kan hebben.

De Beslissing
Onderscheid op grond vangeslacht is toegestaan bij sport voor zover een relevant verschil bestaattussen de gemiddelde prestaties van mannen en vrouwenartikel 2 lid 2 AWBG.
De NADB stelt zich op hetstandpunt dat het uithoudingsvermogen van een gemengd paar significant afwijktvan dat van een ongemengd mannelijk of vrouwelijk paar. Door eisers wordt ditniet, maar dat leidt volgens hen nog niet tot een verschil in prestatie van hetdanspaar en daarmee tot relevante verschillen bij de jurering.
In het totale tebeoordelen resultaat zullen deze verschillen in de visie van eisers geen ofslechts een beperkte rol spelen. De juistheid van dit standpunt is echtervooralsnog onvoldoende komen vast te staan. Het sportadviesbureau Contestonderzoekt (in opdracht van het NADB) op het moment dit punt, waarvan devoorlopige conclusies voormeld standpunt van eisers lijken te weerspreken. Almet al is nader onderzoek noodzakelijk, waartoe de onderhavige procedure zichechter niet leent.
Vooralsnog kan nietworden geoordeeld dat voor het gemaakte onderscheid naar geslacht geenobjectieve rechtvaardiging bestaat. Dit leidt ertoe dat evenmin met de vereistemate van zekerheid kan worden geoordeeld dat eisers in een eventuelebodemprocedure het gelijk aan hun zijde zullen hebben zodat er thans alleen alop die grond geen plaats is voor de door eisers gevraagde voorzieningen.
Eisers worden veroordeeldin de kosten van het geding.
De uitspraak staat HIER