Posts tonen met het label Dieren artikel 6:179 BW. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Dieren artikel 6:179 BW. Alle posts tonen

woensdag 28 oktober 2015

Val van pony bij proefrit. Stalhouder aansprakelijk op grond van art. 6:179; Geen beroep op exoneratiebeding. Eigen schuld slachtoffer 33%

Rechtbank Gelderland 19 augustus 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:5316

De feiten
Gedaagde is eigenaar van de [naam stal] , een eenmanszaak. Hier worden paarden en ezels gefokt en gehouden.
Op 27 april 2012 is eiseres, het latere slachtoffer , destijds 15 jaar, samen met haar tante en haar oudere nicht [nicht eiseres] (hierna: [nicht eiseres] ), die tevens haar paardrij-instructrice is, naar [naam stal] gegaan.
[nicht eiseres] was voornemens bij [naam stal] twee pony’s aan te schaffen. Ter beoordeling van de wellicht aan te kopen pony’s was het mogelijk om een proefrit te maken. Omdat het de bedoeling was dat ook het slachtoffer op een eventueel geschikte pony zou gaan rijden tijdens de rijlessen, stelde [nicht eiseres] voor dat het slachtoffer een proefrit zou maken.
Het slachtoffer is een ervaren ponyrijdster, die in 2011 kampioen dressuur NRPS (Nederlands Rijpaarden Pony Stamboek) is geworden. In 2012 was zij kampioen dressuur KNHS (Koninklijke Hippische Sport Federatie) dressuurklasse M1.
Het slachtoffer is op de [naam pony] (hierna: de pony) gaan zitten en gaan stappen. Op enig moment is de pony gaan galopperen en vervolgens abrupt naar links afgeweken waardoor het slachtoffer van de pony is geworpen. Als gevolg hiervan heeft zij een heupfractuur rechts, een sleutelbeenfractuur links en ribfracturen opgelopen.
Het slachtoffer heeft vijftien dagen in de Isalakliniek in Zwolle gelegen, waaronder op de intensive care in verband met een klaplong, met vervolgcontroles in Nijmegen (Sint Maartenskliniek en CWZ). In de rechterheup is osteosynthesemateriaal geplaatst, dat in april 2013 is verwijderd. Tevens kreeg het slachtoffer fysiotherapeutische behandelingen.
De conceptrapportage van 8 juni 2015 opgesteld door dr. A.J.F. Hosman en prof. dr. A. van Kampen, orthopedisch chirurgen (hierna: de deskundigen), vermeldt onder meer het volgende:
SAMENVATTING
Op basis van de anamnese, lichamelijk onderzoek aangevuld met de bijgeleverde bescheiden, röntgendiagnostiek en diverse scoringsformulieren kan gesproken worden over een restloos genezen claviculafractuur en een chirurgisch behandelde en geconsolideerde heupfractuur rechts. Betrokkene geeft aan geen klachten te ondervinden, behoudens tijdens hardlopen. Het beenlengteverschil van [betrokkene]kan adequaat worden gecorrigeerd door middel van een zoolverhoging van twee centimeter.”
De deskundigen hebben het percentage invaliditeit op 0% gesteld.

Bij brief van 19 juni 2015 heeft de medisch adviseur van het slachtoffer in reactie op de conceptrapportage aan de deskundigen het volgende geschreven:
“(…) Graag wil ik u nog een aantal aanvullende vragen voorleggen. U komt in uw expertise tot de conclusie dat sprake is van een beenlengteverschil van 2 cm ten nadele van rechts en dat een b.i.-percentage niet aan de orde is. Volgens AMA 5 leidt een beenlengte van 2 cm tot een b.i.-percentage van 2-3% gehele persoon. Wellicht is dit in AMA 6 niet goed terug te vinden, echter het zou mijns inziens erg vreemd zijn indien dit substantiële beenlengteverschil nu plotseling niet meer tot b.i. zou leiden. Zou u deze uitkomst kunnen heroverwegen?
Tevens wordt geconcludeerd dat sprake is van een geringe varusstandafwijking van de rechterheup ten opzichte van de contralaterale zijde. Zou u deze varusafwijking in maat en getal kunnen specificeren en ook hiervoor eventueel een passend b.i.-percentage berekenen?
Tevens verneem ik graag hoe u het risico van vervroegde arthose van de rechter knie inschat in verband met de geringe varusstandafwijking van de rechterheup?
(…)”
De vordering
Het slachtoffer vordert dat de rechtbank voor recht zal verklaren dat Gedaagde aansprakelijk is voor de door het slachtoffer geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van het pony-ongeval van 27 april 2012, welke schade nader zal worden opgemaakt bij staat en vereffend volgens de wet,
Het slachtoffer legt aan haar vorderingen tegen de achtergrond van de vaststaande feiten het volgende ten grondslag.
Gedaagde is aansprakelijk op grond van artikel 6:179 BW. De ‘lancering’ van het slachtoffer is het gevolg van de eigen energie van de pony. Uit de overgelegde verklaringen blijkt niet van ‘risicoaanvaardend’ gedrag van het slachtoffer . Er is geen sprake van eigen schuld. De exoneratie ‘betreden op eigen risico’ heeft het slachtoffer niet gezien en is haar voorafgaand aan de toestemming om de pony te berijden niet getoond. Bovendien is het beding onredelijk bezwarend en op grond van de wet vernietigbaar. De overige omstandigheden, waaronder het feit dat Gedaagde een commercieel belang had bij de proefrit, maken dat Gedaagde is gehouden om 100% van de schade te vergoeden. Gelet op de vaststaande aansprakelijkheid is een voorschot van € 15.000,00 op de schade een redelijk bedrag. De schadestaat van november 2014 eindigt op een totaalbedrag van € 7.360,15.

Het verweer
Gedaagde concludeert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis de vordering van het slachtoffer zal afwijzen, met veroordeling van het slachtoffer in de kosten van de procedure, waaronder het salaris van de advocaat en de nakosten.
Gedaagde voert de volgende verweren.
Aan het slachtoffer is met betrekking tot de pony verteld dat het een vrij onervaren zadelmakke pony van vier jaar was en dat de hulpen zorgvuldig gebruikt moesten worden. De pony is zonder problemen voorgereden door een stagiaire en bleef rustig. Nadat het slachtoffer op de pony was gaan zitten en duidelijk uitleg had gekregen over de wijze van berijden, heeft het slachtoffer aanvankelijk aan de longe gestapt en gedraafd. Daarna is de longeerlijn eraf gegaan. Op een gegeven moment heeft het slachtoffer de pony laten schrikken door te veel been te geven. De pony ging hierdoor steeds harder draven en in strijd met de instructies heeft het slachtoffer , met de handen te hoog, de teugels strak aangetrokken. De pony ging vervolgens in galop, met als gevolg dat het slachtoffer met haar benen de pony nog meer omklemde. Het gedrag van het slachtoffer heeft ertoe geleid dat ze van de pony is gevallen, en dus niet de eigen energie van de pony. Gedaagde is niet aansprakelijk. Subsdiair voert Gedaagde aan dat de zichtbare borden met ‘Betreden op eigen risico’ een exoneratie inhouden. Voor zover het slachtoffer deze borden met de voor haar begrijpelijke tekst niet heeft gezien, komt dat voor haar risico. Omdat Gedaagde zich getracht heeft te verzekeren, maar gebleken is dat dit niet mogelijk was, is de exoneratie niet onredelijk bezwarend. Voor zover eigen energie van de pony zou worden aangenomen, beroept Gedaagde zich (met verwijzing naar NJ 2004, 405) op eigen schuld van het slachtoffer , zodat hij gegeven een aantal omschreven omstandigheden slechts tot maximaal 30% van de schade aansprakelijk gehouden kan worden. Voorts heeft Gedaagde bezwaar gemaakt tegen een aantal concrete schadeposten.

De beoordeling
In geschil is het antwoord op de vraag of, en in welke mate, Gedaagde aansprakelijk is voor het aan het slachtoffer overkomen ongeval. het slachtoffer heeft haar vordering gegrond op artikel 6:179 BW, omdat zij volgens haar als gevolg van de eigen energie van de pony uit het zadel is geworpen. Het meest verstrekkende verweer van Gedaagde is dat hij aansprakelijkheid bij voorbaat heeft afgewend door zichtbare borden waarop is vermeld “Betreden op Eigen Risico”. Voorts betwist Gedaagde aansprakelijk te zijn en voert hij aan dat geen sprake is geweest van eigen energie van de pony, maar dat het slachtoffer het in strijd met de gegeven instructies te veel been heeft gegeven en de handen te hoog heeft gehouden, waardoor de pony is geschrokken en ervandoor is gegaan. Bovendien had het slachtoffer als reactie op het versnellen van de pony deze in de volte moeten dwingen en niet tegen de bakrand moeten zetten wat een soort laatste redmiddel is.

Exoneratiebeding
Wat betreft het exoneratiebeding heeft het slachtoffer aangevoerd dat zij geen borden heeft gezien en dat haar voorafgaand aan de proefrit hierover niets is gezegd. Ingeval zij het bord wel zou hebben gezien, voert het slachtoffer aan dat zij de strekking van tekst gelet op haar leeftijd niet kon begrijpen. Tot slot beroept het slachtoffer zich op de vernietigbaarheid van het exoneratiebeding.
De rechtbank overweegt het volgende. Gedaagde heeft zijn stelling dat het slachtoffer de borden met de exoneratie heeft gezien niet onderbouwd. Vaststaat dat het slachtoffer niet in de stal is geweest waar haar nicht het gesprek heeft gevoerd, maar alleen buiten heeft rondgekeken. De door Gedaagde overgelegde kopiefoto (productie 1 bij conclusie van antwoord) toont een op een staldeur bevestigde tekst met: “Wij stellen ons niet aansprakelijk voor ongevallen in de paddock, de weide, de stallen en op het terrein (noch tijdens de buitenritten)” en de tekst “ivm de hengsten schuifdeur sluiten!” Dat het slachtoffer hier is geweest, heeft Gedaagde niet gesteld. Evenmin heeft hij aangevoerd dat ook op andere plaatsen de exoneratie kenbaar is gemaakt. Derhalve staat niet vast dat het slachtoffer deze tekst heeft kunnen zien. Niet betwist is dat het slachtoffer over de uitsluiting van aansprakelijkheid niet is geïnformeerd voorafgaand aan de proefrit. Zelfs als zij de tekst had gezien, is een terechte vraag of een 15-jarige de juridische strekking hiervan had moeten begrijpen. Zelfs als daarvan zou worden uitgegaan, brengt artikel 6:237 aanhef en onder f BW mee dat het slachtoffer zich op de vernietigbaarheid van het exoneratiebeding kan beroepen. Immers, dit artikel bepaalt dat een in algemene voorwaarden voorkomend beding dat de gebruiker of een derde geheel of gedeeltelijk bevrijdt van een wettelijke verplichting tot schadevergoeding, vermoed wordt onredelijk bezwarend te zijn. Het is aan de gebruiker van de algemene voorwaarden, in dit geval Gedaagde, om feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen waaruit het tegendeel volgt. Gedaagde heeft gesteld dat de exoneratie niet onredelijk bezwarend is, omdat is gebleken dat het niet mogelijk was om zich voor het risico van ongevallen te verzekeren.
Dit argument is niet valide. Dat Gedaagde niet (b)lijkt te zijn verzekerd voor het risico van ongevallen is, naar het zich thans laat aanzien, een onbedoelde omstandigheid die volgens Gedaagde te wijten is aan zijn tussenpersoon. Voor het risico van ongevallen kan wel degelijk een verzekering worden afgesloten. Andere feiten en omstandigheden heeft Gedaagde niet gesteld, zodat heeft te gelden dat het beding onredelijk bezwarend is en het slachtoffer zich op vernietigbaarheid kan beroepen.

Aansprakelijkheid
 De door Gedaagde in dit verband gevoerde verweren, die inhouden dat geen sprake is van verwijtbaarheid en onzorgvuldigheid van zijn kant, worden gepasseerd. De aansprakelijkheid in kwestie is niet gebaseerd op onzorgvuldigheid, maar op het feit dat het risico dat schuilt in de eigen energie van de pony voor rekening van Gedaagde komt krachtens artikel 6:179 BW.
Voor de beoordeling van de aansprakelijkheid van Gedaagde zijn de volgende feiten en omstandigheden relevant. De destijds 15-jarige het slachtoffer was bij [naam stal] , omdat haar nicht en tevens paardrij-instructrice [nicht eiseres] belangstelling had voor de aanschaf van een tweetal pony’s. [nicht eiseres] vond het leuk om ook een jonge pony uit te proberen. Op het moment dat de vierjarige pony in de bak werd bereden door een stagiaire, vroeg [nicht eiseres] aan het slachtoffer of zij een proefrit wilde maken. Dat wilde ze wel. De stagiaire ging akkoord en zij verzocht het slachtoffer eerst haar sporen uit te doen die ze nog aan had vanwege eerdere paardrij-activiteiten die dag. Vervolgens heeft de stagiaire volgens de eigen verklaring van het slachtoffer gezegd dat ze rustig moest opstappen, rustige beenhulpen moest geven en de handen laag houden. De stagiaire en het slachtoffer hadden afgesproken dat als het goed zou gaan, de longe op een teken van het slachtoffer eraf mocht. Na het opstappen heeft het slachtoffer vijf minuten rustig aan de longe gestapt en voltes gereden. Nadat de longe was losgemaakt, is het slachtoffer gaan stappen op de hoefslag en gaan aandraven. Toen besloot het slachtoffer de diagonaal in te zetten om van hand te veranderen. Voor het inzetten van de diagonaal zijn hulpen nodig, evenals voor het van hand veranderen. Halverwege de diagonaal heeft de pony het op een lopen gezet en is in volle galop gegaan, waarna de pony door plotseling naar links af te slaan het slachtoffer uit het zadel heeft geworpen met als gevolg dat zij tegen de paal van het hekwerk is terecht gekomen. het slachtoffer heeft nog verklaard dat op het moment dat de pony de galop inzette, er helemaal niets gebeurde in de zin van plotselinge geluiden en dergelijke. Over de rijstijl van het slachtoffer heeft [nicht eiseres] verklaard dat zij altijd met de handen redelijk hoog rijdt.
Uit het feitencomplex blijkt dat de meest waarschijnlijke oorzaak van het ongeval is gelegen in de combinatie van het geven van de beenhulpen om van hand te veranderen met mogelijk iets hoog gehouden handen, en de reactie hierop van de nog jonge pony die zich niet meer liet corrigeren. Het is aannemelijk dat het sneller draven van de pony bij het slachtoffer als reactie een steviger zit heeft gegeven waardoor de pony extra is gestimuleerd en is gaan galopperen. Hiermee heeft zich het risico verwezenlijkt dat in de eigen energie van de pony schuilt en het onberekenbare element dat daarin is gelegen. De stelling van Gedaagde dat geen sprake is van eigen energie van de pony maar dat het slachtoffer door haar manier van rijden het ongeval zelf heeft veroorzaakt, gaat voorbij aan het feit dat de pony oncontroleerbaar en daarmee onberekenbaar is geworden. Gedaagde is derhalve jegens het slachtoffer aansprakelijk op grond van artikel 6:179 BW. Vervolgens is de vraag in hoeverre sprake is van aan het slachtoffer toe te rekenen omstandigheden die mede de schade tot gevolg hebben gehad.

Eigen schuld
Vertrekpunt voor de beoordeling van de eigen schuld van het slachtoffer ontleent de rechtbank aan het arrest van de Hoge Raad van 25-10-2002 (ECLI:NL:HR:2002:AE7010).
“3.4 Indien degene die een paard van een ander berijdt, schade lijdt ten gevolge van onberekenbaar gedrag van het paard als door het Hof bedoeld, is het enkele feit dat de benadeelde het paard uit vrije wil berijdt en met toestemming van de eigenaar, dus krachtens een overeenkomst met deze, niet voldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat de uit art. (…) 6:179 BW voortvloeiende aansprakelijkheid van de eigenaar van het paard geheel vervalt. Of en zo ja in hoeverre om die reden sprake is van een omstandigheid die in de risicosfeer van de berijder ligt en daarom aan hem moet worden toegerekend, hangt af van de inhoud van de overeenkomst en de overige omstandigheden van het geval.”
De Hoge Raad vervolgt:
“3.5 Een en ander is niet anders indien het paard door de eigenaar aan de berijder ter beschikking is gesteld in het kader van een door of onder verantwoordelijkheid van de eigenaar gegeven paardrijles. Wel zal in die situatie in gevallen waarin, zoals hier, ervan moet worden uitgegaan dat noch aan de benadeelde noch aan de eigenaar enige onzorgvuldigheid te verwijten is, uit aard en strekking van de overeenkomst in de regel voortvloeien dat het onberekenbare gedrag van het paard, dat immers in het kader van deze overeenkomst niet onverwacht is, in zoverre voor risico van de berijder is en aan hem moet worden toegerekend, dat de schade deels voor zijn rekening moet blijven. Het is echter afhankelijk van de inhoud van de overeenkomst en de verdere omstandigheden van het geval in hoeverre de vergoedingsplicht van de eigenaar dan moet worden verminderd door de schade over beide partijen te verdelen.”

Anders dan in de aan de Hoge Raad voorgelegde casus is geen sprake van een overeenkomst op grond waarvan de pony aan het slachtoffer ter beschikking is gesteld in het kader van een onder verantwoordelijkheid van de eigenaar gegeven paardrijles. het slachtoffer was aanwezig op [naam stal] omdat haar nicht [nicht eiseres] , die paardrij-instructrice is van het slachtoffer , een afspraak had om pony’s te bekijken om eventueel aan te kopen en het slachtoffer dan een proefrit kon maken. De pony is feitelijk tijdelijk aan het slachtoffer toevertrouwd, waarbij door een stagiaire het slachtoffer als instructie is meegegeven dat ze rustig moest opstappen, rustige beenhulpen moest geven en de handen laag moest houden. Gesteld noch gebleken is dat aan het slachtoffer is gezegd dat zij de proefrit moest beperken tot stap en draf. Het feit dat het slachtoffer van hand is gaan veranderen is geen ongebruikelijke oefening. Gesteld noch gebleken is dat het slachtoffer bij het berijden van de pony zichtbaar te veel been heeft gegeven bij de hulpen. [nicht eiseres] heeft verklaard dat het een sensibele maar eerlijke pony was. Omdat de eigen NRPS pony van het slachtoffer ook sensibel was, voorzag [nicht eiseres] geen probleem. Het feit dat [nicht eiseres] aan het slachtoffer voorstelde om een proefrit te maken, maakt dat het slachtoffer zich niet hoefde af te vragen of het eigenlijk wel verantwoord was om op de onervaren jonge pony te gaan rijden, mede in aanmerking genomen haar eigen vaardigheden op het gebied van dressuur. In 2011 en 2012 was het slachtoffer dressuur kampioen geworden in haar klasse. Anderzijds kan, juist door de ervaring van het slachtoffer , niet worden gezegd dat het slachtoffer niet op de hoogte was van de risico’s die verbonden zijn aan het rijden op een onervaren jonge pony. Deze omstandigheid rechtvaardigt dat het onberekenbare gedrag van de pony, dat immers niet onverwacht is, in zoverre voor risico van het slachtoffer komt en aan haar kan worden toegerekend, zodat de schade deels voor haar rekening moet blijven. Mede gelet op de aard van de feitelijke situatie, een proefrit in het kader van mogelijke aankoop van een pony door een familielid bepaalt de rechtbank het voor risico van het slachtoffer komende deel op 33%.
Vervolgens is de vraag of de billijkheid eist dat een andere verdeling plaatsvindt of dat de vergoedingsplicht geheel vervalt of in stand blijft. Vooropgesteld wordt dat beide partijen van het ongeval als zodanig geen enkel verwijt valt te maken. Het beroep van het slachtoffer op de ernst van het letsel wordt gepasseerd. De rechtbank wil zeker de opname en medische behandeling van het slachtoffer niet bagatelliseren, maar dit kan worden verdisconteerd in de immateriële schadevergoeding. Een wijziging van het aansprakelijkheidspercentage is gerechtvaardigd bij ernstig letsel dat gevolgen heeft als blijvende invaliditeit met repercussies voor verschillende schadecomponenten. Daarvan is hier niet gebleken. Op grond van de conceptrapportage van de deskundigen is de verwachting dat het slachtoffer geen blijvende gevolgen heeft overgehouden aan haar val, behoudens een beenlengteverschil van 2 cm dat zich laat corrigeren met een hakverhoging en zal resulteren in een percentage blijvende invaliditeit van 2 à 3% zoals de medisch adviseur van het slachtoffer terecht heeft opgemerkt. Inmiddels is het slachtoffer al weer aan het paardrijden en heeft zij haar andere activiteiten weer kunnen oppakken.
Het beroep van het slachtoffer op het feit dat het gaat om een proefrit in het kader van de aankoop van een pony is reeds bij de aard van de feitelijke situatie meegenomen. Daarbij komt dat de omstandigheid dat haar nicht, tevens paardrij-instructrice, haar voorstelde om een proefrit te maken in de risicosfeer van het slachtoffer ligt en niet aan Gedaagde kan worden toegerekend.
Tot slot heeft Gedaagde in het kader van de billijkheidscorrectie een beroep gedaan op het ontbreken van een verzekering. Dit beroep wordt niet gehonoreerd. Op dit moment is niet duidelijk wat precies de verzekeringssituatie is van Gedaagde . Hij stelt aan zijn tussenpersoon opdracht te hebben gegeven om een aansprakelijkheidsverzekering af te sluiten. In de stukken bevindt zich een e-mailbericht d.d. 21 november 2014 van ASR (productie 5 bij dagvaarding) waarin is bevestigd dat geen dekking bestond ten tijde van het ongeval. Voor zover dit juist zou zijn, zou Gedaagde mogelijk zijn tussenpersoon voor het ontbreken van dekking aansprakelijk kunnen stellen. Gelet op deze onduidelijkheid kan deze omstandigheid thans niet ten voordele van Gedaagde meewegen in de billijkheidscorrectie.
De conclusie op grond van het voorgaande is dat Gedaagde voor 67% aansprakelijk is voor het aan het slachtoffer overkomen ongeval en dat 33% voor eigen rekening van het slachtoffer blijft.

De beslissing

De rechtbankverklaart voor recht dat Gedaagde voor 67% aansprakelijk is voor de door het slachtoffer geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van het pony-ongeval van 27 april 2012, welke schade nader zal worden opgemaakt bij staat en vereffend volgens de wet enveroordeelt Gedaagde in de proceskosten, aan de zijde van het slachtoffer tot op heden begroot op € 1.883,93,

donderdag 18 december 2014

Bezitter paard risicoaansprakelijk voor veroorzaakte schade Artikel 6:179 BW, geen eigen schuld slachtoffer



De feiten
Het slachtoffer had bij manege X in [woonplaats] (hierna: de manege) drie paarden, hengsten, staan.
De verweerders hadden een merrie, een ruim en een jonge hengst genaamd A bij de manege gestald staan. Partijen hielpen elkaar regelmatig met het naar buiten leiden van elkaars paarden.
Op 18 maart 2010 hielp het slachtoffer de bezitters van hengst A om twee paarden van de bezitters van hengst A, waaronder A, naar buiten te brengen. Het slachtoffer is ten val gekomen toen zij met A door de stal van de manege liep richting de paddock op het buitenterrein achter de stallen. Bij brief van 23 januari 2014 heeft (de advocaat van) het slachtoffer de bezitters van hengst A aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van ongeval.

De rechtsvraag
Zijn de bezitters van hengst A volledig aansprakelijk is voor het ongeval van 18 maart 2010 dat is veroorzaakt door haar paard.

De beoordeling
Vast staat dat hengst A van de verweerders in deze procedure was. Ook staat vast dat het slachtoffer ten val is gekomen door een manoeuvre van A.

Aansprakelijk op grond van artikel 6:179 BW?
De vraag is of de bezitters van hengst A op grond van artikel 6:179 BW aansprakelijk zijn voor de schade die het slachtoffer stelt te lijden als gevolg van de val op 18 maart 2010. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
De rechtbank stelt bij de beantwoording van deze vraag voorop dat de bezitter van een dier op grond van artikel 6:179 BW in principe aansprakelijk is voor de door het dier aangerichte schade. Dit is alleen anders in de denkbeeldige situatie dat de bezitter het gedrag van het dier dat tot schade leidde in zijn macht zou hebben gehad (dus bewust zou hebben toegelaten) en dat de bezitter daarvan dan geen verwijt zou zijn te maken.
Het gaat bij artikel 6:179 BW dus om een risico-aansprakelijkheid. De achtergrond daarvan is het gevaar dat in de eigen energie van een dier schuilt en het onberekenbare element dat daarin is gelegen. De rechtbank constateert dat bezitters van hengst A geen beroep doet op de uitzonderingsregel van artikel 6:179 BW. Of sprake is van de hiervoor omschreven denkbeeldige situatie hoeft daarom niet beoordeeld te worden. Dit betekent dat de bezitters van hengst A in principe aansprakelijk is voor de eventuele schade die haar paard A aan het slachtoffer heeft toegebracht.

Eigen schuld slachtoffer?
De bezitters van hengst A hebben echter aangevoerd dat er sprake is van eigen schuld van het slachtoffer, omdat het ongeval volgens haar te wijten is aan het slachtoffer zelf. Volgens de bezitters van hengst A moet de schade van het slachtoffer daarom op grond van artikel 6:101 lid 1 BW volledig voor haar rekening blijven. Kort samengevat zijn de bezitters van hengst A van mening dat het door het onrustige gedrag van de paarden van het slachtoffer komt omdat hengst A richting de uitgang van de stal is gerend waarbij het slachtoffer ten val is gekomen. Bij het naar buiten lopen met hengst A moesten de paarden van het slachtoffer namelijk gepasseerd worden. Hengst A schrok toen van het onrustige, aanvallende gedrag van de paarden van het slachtoffer.
De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de paarden van het slachtoffer op 18 maart 2014 onrustig, aanvallend gedrag vertoonden. Op de zitting heeft de rechter dit aan de orde gesteld, waarop de bezitters van hengst A hebben aangegeven dat zij niet meer weten of de paarden van het slachtoffer op die dag onrustig waren. Of de paarden van het slachtoffer de aanleiding waren voor de manoeuvre van A is dus onduidelijk. Ook als de rechtbank ervan uitgaat dat het gedrag van de paarden wel de aanleiding is geweest voor de reactie van hengst A dan valt dat niet in de vorm van eigen schuld aan het slachtoffer toe te rekenen. Er is namelijk niet gesteld of gebleken dat het slachtoffer heeft bijgedragen aan het onrustige gedrag van haar paarden of dat de oorzaak van het gedrag van de paarden van het slachtoffer het gevolg is van handelen of toedoen van het slachtoffer. De rechtbank gaat daarom voorbij aan het standpunt van de bezitters van hengst A dat het gedrag van de paarden van het slachtoffer een schrikreactie bij hengst A teweeg zou hebben gebracht op grond waarvan de schade wegens eigen schuld volledig voor rekening van het slachtoffer moet blijven.
Hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen betekent dat de bezitters van hengst A ten opzichte van het slachtoffer aansprakelijk zijn, onder de voorwaarde dat sprake is van schade die het gevolg is van het ongeval op 18 maart 2010. De bezitters van hengst A betwisten namelijk dat het slachtoffer schade lijdt als gevolg van haar val

De beslissing

De rechtbank bepaalt dat de bezitters van hengst A volledig aansprakelijk is voor de schade die het slachtoffer lijdt als gevolg van het ongeval op 18 maart 2010.

dinsdag 4 maart 2014

Manege niet aansprakelijk voor schade veroorzaakt door paard op grond van artikel 6:181 BW (bedrijfsmatig gebruik)



De feiten
X is mede-eigenaar van een rijstal. Zij geeft ook rijles. Y sluit met X een stalovereenkomst voor de paarden van Y.
De stalovereenkomst zag uitdrukkelijk niet op deelname aan lessen. In artikel 17 van de stalovereenkomst was bepaald dat Y jegens de stalhouder en derden aansprakelijk zou zijn voor schade veroorzaakt door de eigen gedragingen van haar dieren.
Y wil de jonge paarden africhten en trainen. Het paard wilde zij bovendien een keuring (de ‘Oldenburg Mare Performance Test’) laten ondergaan in Duitsland. Omdat Y geen ervaring had met het rijden op en het trainen en africhten van jonge paarden heeft zij daarvoor les genomen bij X.
Op 10 maart 2012 is X na een les met Y en het paard meegelopen naar de poetsplaats van de manege om Y te laten zien hoe het longeren met een enkele lijn werkt. X heeft toen een beweging gemaakt bij of onder de singel van het paard om daaraan een touwtje te bevestigen, waarna het paard met het linker achterbeen naar voren heeft getrapt en X net boven de knie heeft geraakt. X heeft daar blijvend knieletsel aan overgehouden.

Kern van het geschil
X spreekt Y aan op grond van artikel 6:179 BW, nu Y de bezitter/eigenaar is van het paard. Y verweert zich met een beroep op artikel 6:181 BW en bepleit dat zij van haar wettelijke aansprakelijkheid als bezitter van het paard is bevrijd doordat het paard bedrijfsmatig werd gebruikt door X of althans door de manege.
Indien een paard schade aanricht, dan is de bezitter van het paard daarvoor aansprakelijk (artikel 6:179 BW). Wordt het paard echter gebruikt in de uitoefening van het bedrijf van een ander, dan ligt die risicoaansprakelijkheid bij degene die het bedrijf uitoefent (artikel 6:181 BW).

Stelling  Y
Ter onderbouwing van haar beroep op artikel 6:181 BW voert Y samengevat het volgende aan. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 1 april 2011, dat ging over het paard Loretta, bepaald dat een manegehouder die een paard van een ander (tegen betaling) traint, als bedrijfsmatig gebruiker van dat paard heeft te gelden. De situatie in het onderhavige geval was niet noemenswaardig anders dan die in de zaak van het paard Loretta. De manege had het paard het paard onder zich om het te beleren en klaar te maken voor de keuring in Duitsland. Naast de stalovereenkomst was er een tweede (mondelinge) overeenkomst tot belering van het paard. X had op dat vlak een grote expertise en heeft de lessen die zij gaf separaat - naast de kosten voor de stalling - bij Y in rekening gebracht. Deze lessen vormden een op financieel profijt gerichte bedrijfsactiviteit van het uitermate professionele manegebedrijf van [[...]]. Van de manege kon dan ook worden gevergd dat zij de risico’s daarvan adequaat zou verzekeren, en dat heeft zij ook gedaan zoals blijkt uit het feit dat X met Y heeft besproken dat zij als ORUN-gecertificeerd instructrice, of althans de manege, beschikte over een verplichte verzekering ingeval zich tijdens de les een ongeval zou voordoen. Dit is in overeenstemming met de ratio van artikel 6:181 BW om de aansprakelijkheid te concentreren bij de bedrijfsmatig gebruiker zodat het als één (bedrijfs)risico kan worden berekend en verzekerd.

Stelling  X
X betwist dat zij, of althans de manege, ten tijde van het ongeval als bedrijfsmatig gebruiker van het paard had te gelden en voert daartoe het volgende aan. Het paard was uitsluitend bij haar gestald en dat levert geen bedrijfsmatig gebruik op als bedoeld in artikel 6:181 BW. Zij had het paard niet onder zich om het te beleren en klaar te maken voor de keuring in Duitsland. Voor het beleren van het paard zou X € 800,- per maand in rekening hebben gebracht bij Y. Dit is niet gebeurd. Y wilde haar paarden zelf trainen, en X heeft haar daarbij instructies gegeven. Y bepaalde zelf het doen en laten rond haar paarden, en ook wanneer en hoe lang zij les wilde krijgen. Het ongeval vond bovendien niet plaats tijdens de les, aldus X.

Oordeel rechtbank
Vast staat dat Y haar paard bij de manege heeft gestald. De daartoe gesloten stalovereenkomst hield in dat Y tegen betaling aan de manege de beschikking kreeg over een paardenbox die werd schoongehouden door de manege, dat zij gebruik mocht maken van de verschillende faciliteiten van de manege, en dat de manege het paard zou verzorgen. In de overeenkomst was ook neergelegd dat Y aansprakelijk was jegens de stalhouder en derden voor schade die zou worden veroorzaakt door de eigen gedragingen van haar paard. Deze overeenkomst bracht mee dat indien het paard schade zou veroorzaken tijdens haar verblijf op de manege, Y daarvoor in beginsel aansprakelijk zou zijn. Overigens overweegt de rechtbank dat dit niet alleen gold op grond van de stalovereenkomst maar ook op grond van de wet, artikel 6:179 BW. Dat het paard tegen betaling bij de manege was gestald, leidde nog niet tot een verschuiving van de aansprakelijkheid naar de manege. Uit de parlementaire geschiedenis van artikel 6:181 BW blijkt immers dat onder het bedrijfsmatig gebruiken van dieren niet moet worden begrepen het bedrijfsmatig bewaren (stallen) van dieren voor een ander. Op de manege rustte in zoverre geen kwalitatieve aansprakelijkheid.
Verder staat vast dat met betrekking tot het paard niet alleen sprake was van een stalovereenkomst. X heeft Y ook tegen betaling les gegeven bij het berijden en trainen van het paard. De vraag die partijen in deze zaak verdeeld houdt, is of X (of de manege) door het geven van deze lessen aan Y is aan te merken als bedrijfsmatig gebruiker van het paard in de zin van artikel 6:181 BW en uit dien hoofde risicoaansprakelijk voor de schade die het paard op 10 maart 2012 heeft veroorzaakt.
Het arrest van de Hoge Raad van 1 april 2011 waar Y zich op beroept (ECLI:NL:HR:2011:BP1475) handelde over de vraag wanneer sprake is van ‘bedrijfsmatig gebruik’ van een paard in de zin van artikel 6:181 BW. In die zaak ging het om het paard Loretta, dat door haar eigenaar tegen betaling voor enige tijd was ondergebracht bij een manege ter belering, dat wil zeggen dat de manege het paard zou trainen, africhten en zadelmak maken. Het Hof had in die zaak geoordeeld dat het in een manege aanwezig hebben van een paard van een ander om dit paard in opdracht van die ander en tegen betaling te trainen en zadelmak te maken moet worden gerekend tot een gebruik van het paard in de uitoefening van het bedrijf van de manege. Het Hof achtte daarbij van belang dat het paard niet enkel in de manege aanwezig was omdat het daar was gestald, maar dat de manege een verdergaande bemoeienis had met het paard. Het hof heeft dan ook (net als de rechtbank in die zaak) geoordeeld dat gedurende het verblijf van het paard in de manege ter belering de risicoaansprakelijkheid voor door het paard aangerichte schade op grond van het bepaalde in artikel 6:181 BW op de manege is komen te rusten. De Hoge Raad heeft het hiertegen gerichte cassatieberoep verworpen. Uit zijn arrest volgt onder meer dat voor toepasselijkheid van artikel 6:181 BW niet de eis kan worden gesteld dat de bedrijfsmatig gebruiker ook houder of bezitter is van het dier, en dat evenmin vereist is dat de bedrijfsmatig gebruiker het dier duurzaam en ten eigen nutte exploiteert. De Hoge Raad heeft hiermee een tamelijk ruime uitleg gegeven aan “bedrijfsmatig gebruiken” en daarbij, onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis, overwogen dat artikel 6:181 BW en de verlegging van aansprakelijkheid die daardoor wordt bewerkstelligd - van bezitter naar bedrijfsmatig gebruiker - enerzijds berust op de overweging dat een benadeelde niet behoort te worden belast met de moeilijkheden die inherent zijn aan het onderzoek naar en de bewijslevering betreffende de identiteit van de schuldenaar, en anderzijds op de eenheid van de onderneming in het kader waarvan het dier wordt gebruikt, het feit dat bedrijfsmatig verrichte activiteiten in beginsel zijn gericht op het verkrijgen van profijt, en het feit dat van een ondernemer kan worden gevergd dat hij zijn bedrijfsrisico als één risico verzekert.
De rechtbank is van oordeel dat de situatie die zich in het onderhavige geval heeft voorgedaan ten aanzien van het paard, niet goed vergelijkbaar is met die in de zaak van het paard Loretta. De eigenaar van Loretta had het paard ondergebracht bij de manege met de opdracht het dier tegen betaling te beleren. Y daarentegen heeft haar paarden slechts ondergebracht bij de manege om ze daar te stallen. Y wilde wel dat het paard zou worden beleerd en geschikt zou worden gemaakt voor een keuring in Duitsland, maar zij heeft dit niet aan de manege of aan X uitbesteed. Zij heeft er uitdrukkelijk voor gekozen dit zelf te doen, waarvoor zij samen met het paard een aantal lessen heeft genomen bij X. Anders dan in de zaak Loretta, heeft X het paard dus niet zelf getraind of bereden, zij heeft uitsluitend aan Y instructies gegeven hoe zij haar paarden zelf kon beleren. De bemoeienis van de manege met het paard was zodoende aanmerkelijk minder vergaand dan in de zaak Loretta het geval was en was - buiten het stallen - gedurende de trainingen steeds met tussenkomst en in aanwezigheid van Y. X instrueerde Y immers wanneer deze laatste daar om vroeg, en bemoeide zich daarbuiten in beginsel niet met de paarden van Y. Deze geringe bemoeienis van X als medewerkster van de manege met het paard rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank niet de conclusie dat hier sprake is geweest van bedrijfsmatig gebruik van dit paard door X, dan wel door de manege. De rechtbank ziet dan ook geen grond om te oordelen dat gedurende het verblijf van het paard in de manege, dan wel gedurende de kortdurende lessen aan Y, de risicoaansprakelijkheid voor door het paard aangerichte schade op grond van het bepaalde in artikel 6:181 BW op de manege is komen te rusten.

Conclusie
Het beroep van Y op artikel 6:181 BW slaagt daarom niet, en op grond van artikel 6:179 BW is zij als eigenaar/bezitter van het dier aansprakelijk voor de schade die het paard heeft veroorzaakt. De vraag naar de vestiging van de aansprakelijkheid is hiermee beantwoord en de door X verzochte verklaring voor recht zal in zoverre worden toegewezen.

Aangezien het hier gaat om een deelgeschil zal de rechtbank niet tevens voor recht verklaren dat Y de schade van X volledig dient te vergoeden. De vraag naar de omvang van de aansprakelijkheid - met onder meer het beroep van Y op eigen schuld aan de zijde van X - heeft de rechtbank in het kader van dit deelgeschil immers buiten beschouwing gelaten.