Posts tonen met het label Voetbal. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Voetbal. Alle posts tonen

zaterdag 16 juli 2016

Voorzieningenrechter: toelaten van De Graafschap tot de Eredivisie is praktisch onuitvoerbaar


De Feiten
De Graafschap wilde als 19e club worden toegelaten aan de Eredivisie omdat zij stelt dat FC Twente ten onrechte is toegelaten door de beroepscommissie. Volgens De Graafschap zal het besluit van de beroepscommissie in een zogenaamde bodemprocedure onderuit gaan en zal FC Twente halverwege het seizoen uit de competitie worden gezet. Om de chaos die zou ontstaan, en om de schade te beperken, zou De Graafschap alvast toegelaten moeten worden.

Oordeel van de voorzieningenrechter


Het toevoegen van een extra team aan het competitieprogramma, dat begin augustus van start gaat, is onhaalbaar, zo oordeelt de rechter. Een extra club in de Eredivisie heeft gevolgen voor het hele competitieprogramma van de Eredivisie, maar ook voor de Eerste Divisie. Naast alle uitgangspunten van de KNVB zoals uit/thuis verhouding en verdeling van live tv-wedstrijden zal er ook met gemeenten en politie moeten worden afgestemd. In drie weken is dat praktisch onmogelijk, zo oordeelt de rechter.

dinsdag 20 mei 2014

Arbitragecommissie KNVB (Ten Caat/WHC): wie betaalt pensioenpremie bij netto loonafspraak?


Ten Caat vordert in deze procedure Wezep Hattemersroek Combinatie (WHC) te veroordelen  tot betaling van € 10.374,-- bruto aan achterstallig loon over de periode 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013, te vermeerderen met de wettelijke rente en wettelijke verhoging.
Centraal staat in deze procedure de vraag: “Welke arbeidsovereenkomst is afgesproken? En: “Wat is de inhoud van de arbeidsovereenkomst? “
                           
De feiten
Bij de beoordeling van het geschil gaat de arbitragecommissie uit van onderstaande feiten en omstandigheden, die naar het oordeel van de arbitragecommissie voldoende zijn komen vast te staan:
 a.         Op 6 januari 2013 zond voormalig bestuurslid van WHC, de heer Van Diepen, per e-mail aan Ten Caat een concept arbeidsovereenkomst. Die e-mail is in cc toegezonden aan een ander (voormalig) bestuurslid van WHC. In de concept arbeidsovereenkomst was onder meer het navolgende opgenomen:
Artikel 1 lid 1: " Medewerker  is met ingang van 1 januari 2013 in dienst bij de Vereniging in de functie van trainer/coach";
Artikel31id 1: " Het netto basissalaris voor het seizoen 201212013 bedraagt € 22.000,-. Onder seizoen wordt in deze overeenkomst  verstaan de periode van 1 juli van enig jaar tot en met 30 juni direct daaropvolgend. De ingangsdatum in het seizoen 201212013 is 1 januari 2012. Dit netto salaris is inclusief een vakantietoeslag van 8%";
Artikel 4 lid 3: "Werknemer ontvangt de navolgende onkostenvergoedingen:
1: Ingeval er sprake is van het vervullen van de functie van voetbaltrainer als hoofdberoep,  verplicht de werknemer zich deel te nemen in de Stichting Pensioenfonds voor Voetbalmeesters, gevestigd te 's-Gravenhage, indien en voor zover de medewerker  volgens de richtlijnen van de genoemde stichting daarvoor in aanmerking  komt;
2: "Werkgever verplicht zich om de medewerker aan te melden bij de genoemde stichting indien lid 1 van toepassing is;
3. Door de vereniging zowel als de medewerker worden de premies bijgedragen aan de genoemde stichting. De door de medewerker verschuldigde premie wordt door de vereniging ingehouden en aan de stichting afgedragen".

b.         Bij e-mail d.d. 14 januari 2013 reageert Ten Caat aan beide bestuursleden onder meer als volgt:
"Artikel 1:
- geen sprake van volledige "verloning";
- geen heffingskorting toepassen;
- loonheffing 52% over de volledige overeenkomst, expliciet aangeven in de overeenkomst.
(. .................)
 Artikel10:
1.         Inderdaad hoofdberoep;
3.         Daar we een netto-overeenkomst zijn aangegaan, zal de verschuldigde pensioenpremies, verenigings- als werknemersdeel, voor rekening komen van WHC i.v.m. brutering netto salaris."

c.         Per e-mail d.d. 28 maart 2013 bericht de heer Van Diepen, met een cc aan een ander bestuurslid Ten Caat als volgt:
"Bijgaand ontvang je het contract. Volgens mij is alles wat we met elkaar besproken hebben in het contract vastgelegd. Wij zijn uitgegaan van € 22.000,- netto. Vanwege streng toezicht door de belastingdienst, met name op het gebied van onkostenvergoeding hebben we deze geschrapt en het netto salaris opgetrokken naar € 22.500,--.
Deze week spraken wij kort over de loonheffing en de gevolgen. In het contract is de clausule opgenomen dat er geen loonheffingskorting van toepassing is. Deze is (op verzoek van de accountant?) gesteld op 52%. Gebruikelijk valt jouw bedrag van € 22.500,- in de 33% belastingschijf Hierdoor gaat WHC in deze opzet jouw belastingdruk voor een deel betalen.
 Concreet  betekent dit voor de vereniging WHC een extra onvoorziene uitgave van€ 7.500,--. Het netto maandsalaris blijft zoals afgesproken (salaris+ onkosten) €22.000,--  + € 500,- = € 22.500,-. Hetzelfde, maar WHC betaalt een deel van de belasting van het inkomen dat we via een andere werkgever of uitkering wordt verkregen. Hadden we erop moeten letten, onervarenheid van mijn kant laten we maar zeggen.
 Dit neemt niet weg dat we in het totale budget wel linksom of rechtsom moeten. In het huidige budget is nu nog ruimte voor een goede spits. Er is echter geen licht meer voor Thunchu Sahim of een andere centrale verdediger.  De munten zijn op en we willen Veendam niet achterna, laat staan dat ik vanwege bestuursaansprakelijkheid zelf een bordje in de tuin zou moeten zetten.
De vraag is hiermee concreet: moet het op 52% in het contract blijven staan, dan doen wij dat omdat ik en wij heeeeel graag met je verder gaan, of kan het op 33% afgemaakt worden met de afgesproken € 22.500,- netto in de maand?"

d.         Bij de e-mail was een nieuwe versie van de concept arbeidsovereenkomst gesloten waarin - in afwijking van de hiervoor genoemde arbeidsovereenkomst - is bepaald:
Artikel 1 lid 1:
Medewerker is met ingang van 1 januari 2013 tot en met 30 juni 2014 in dienst bij de vereniging in de functie van trainer/coach.
Artikel 3 lid 1:
"Het netto basissalaris voor het seizoen 2013/2014 bedraagt € 22.500,-. Onder seizoen wordt in deze overeenkomst verstaan de periode van 1 juli van enig jaar tot en met 30 juni direct daaropvolgend. De ingangsdatum  aan het seizoen 2012/2013 is 1 januari 2013. Dit netto salaris is inclusief een vakantietoeslag van 8%.
 1. De medewerker  vervult de functie van voetbaltrainer als hoofdberoep, zodat de werknemer  zich verplicht  deel te nemen in de Stichting Pensioenfonds voor Voetbaloefenmeesters, gevestigd te 's-Gravenhage, indien en voor zover de medewerker volgens de richtlijnen van deze genoemde stichting daarvoor in aanmerking komt.
2. De vereniging  verplicht zich om de medewerker aan te melden bij de genoemde stichting indien lid 1 van toepassing is.
3. Door de vereniging zowel als de medewerker worden de premies bijgedragen aan de genoemde stichting. De door de medewerker verschuldigde premie wordt door de vereniging ingehouden en aan genoemde stichting afgedragen.

e.         Per e-mail d.d. 29 maart 2013 reageerde Ten Caat:
" Ik heb het contract ter goedkeuring doorgestuurd  aan mijn accountant. Ik kom er dan na de Pasen op terug. Eén punt eruit halen. Die 52%-regeling,  is niet jouw onervarenheid,  heb ik gelijk al aangegeven  in de verschillende gesprekken c.q. onderhandelingen met en zonder jou. Daar ik in die 52% belastingtarief zit, moet dat expliciet in het contract komen te staan. Anders kost het mij die centen, krijg ik een aanslag van hier naar Tokio': verdere punten zal ik met je bespreken na het Paasweekend".

f.         Per e-mail d.d. 23 april 2013 zendt Van Diepen een nieuwe versie van het contract aan Ten Caat. Daarop reageert Ten Caat op dezelfde dag:
" Ik heb zojuist even contact gehad met mijn financieel adviseur. Mag geen probleem zijn, mogelijk via extra loonbelasting inhouden, hij doet niet anders.
  
g.         Op 25 april 2013 reageert Van Diepen met de opmerking:
"Hoi Theo,
Is het dan goed zo? Afdracht pensioen op het overzicht gaan we regelen".

h.         Waarop Ten Caat reageert:
"Ga hem niet helemaal  meer doorlezen hoor dus akkoord".

i.          In bedoelde derde versie van dearbeidsovereenkomst is in artikel 1 lid 2 opgenomen:
" Op de overeenkomst is geen loonheffingskorting van toepassing. Inhouding van loonbelasting/premie volksverzekering geschiedt op basis van het hoogst geldende tarief (op het moment van ondertekening  52%) voor alle vergoedingen  genoemd in ze overeenkomst".

j.          De arbeidsovereenkomst is niet ondertekend.

k.         Vanwege de slechte financiële positie van WHC is het bestuur van WHC in de zomer van 2013 integraal afgetreden. Het huidig bestuur van WHC is vervolgens als interim bestuur aangetreden. In de tweede helft van 2013 ontstond een nijpende financiële situatie bij WHC; een aangezegde executoriale verkoop door de belasting kon worden afgewend met behulp van een gemeentelijke lening.

I.          Bij e-mail d.d. 20 december 2013 heeft Ten Gaat aan de heer During (voorzitter a.i.) onder meer bericht als volgt:
" De club is verplicht mij deel te laten nemen in de stichting pensioenfonds en dient zich ingevolge lid 2 van genoemd  artikel aan te melden bij de stichting. Dat is voor zover ik kan nagaan nog niet gebeurd. Ik begreep dat wat financiële problemen bij de club zijn, maar dat neemt deze verplichting natuurlijk niet weg. Vriendelijk verzoek ik je derhalve te bevorderen dat ik nog voor de jaarwisseling wordt opgenomen  in het pensioenfonds  en dat ligt (met terugwerkende kracht) alle premies worden betaald. Overigens ga ik ervan uit dat alle premies volledig worden betaald door de club.

m.        Op 6 januari 2014 heeft de gemachtigde de heer During verzocht tot aanmelding bij het pensioenfonds en betaling van de premies.

n.         Op 8 januari 2014 heeft de gemachtigde van WHG een verzoek ingediend bij het UWV de arbeidsovereenkomst tussen partijen te mogen opzeggen. Daarbij is onder meer het volgende gesteld:
"Bij indiensttreding hebben partijen onderhandeld over de invulling van de arbeidsvoorwaarden. Tot overeenstemming is het echter maar zeer ten dele gekomen. Dat hangt mede samen met het vertrek van het bestuur en de vervanging door een (interim-)bestuur. Laatstgenoemde  zijn per 5 augustus 2013 aangetreden. Over het salaris en de onkostenvergoeding hebben partijen wel overeenstemming. Dat blijkt uit de loonbetalingen  die sinds januari 2013 hebben plaatsgevonden".

o.         Ten Gaat heeft verweer gevoerd tegen de gevraagde beëindiging van de arbeidsovereenkomst (gegrond op bedrijfseconomische redenen). Bij beslissing d.d.18 februari 2014 heeft het UWV WHG toestemming gegeven de arbeidsovereenkomst op te zeggen. Van de toestemming is door WHG geen gebruik gemaakt.
  
p.         Het dienstverband van partijen duurt (derhalve) voort.

Beoordeling  geschil
 Derde versie van de arbeidsovereenkomst = overeengekomen arbeidsovereenkomst
Als eerste heeft de arbitragecommissie te oordelen over de vraag of de laatste versie van de niet-ondertekende vaststellingsovereenkomst, mede in het licht van de tussen partijen gevoerde (e-mail)correspondentie, de tussen partijen gemaakte afspraken in het kader van de arbeidsverhouding weergeeft.
Nu tussen partijen uitgebreid is gecorrespondeerd en die correspondentie heeft plaatsgevonden tussen meerdere- voormalige- bestuursleden van WHG enerzijds en Ten Gaat anderzijds en Ten Gaat naar aanleiding van de toezending van de derde versie van de arbeidsovereenkomst uitdrukkelijk bij e-mail d.d. 25 april 2013 heeft bevestigd akkoord te zijn, neemt de arbitragecommissie bedoelde versie van de schriftelijke arbeidsovereenkomst tot uitgangspunt bij haar beoordeling.
Zulks laat onverlet dat de vraag wat partijen zijn overeengekomen niet enkel kan worden beantwoord op grond van een taalkundige uitleg van de bewoordingen van een schriftelijke overeenkomst, maar dat het aankomt op de bedoelingen die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
In de kern zijn partijen een arbeidsovereenkomst aangegaan van 1 januari 2013 tot 30 juni 2014, waarbij aan Ten Caat een netto salaris werd toegekend van € 22.500,-- per seizoen, waarvan een beperkt deel als onkosten werd uitgekeerd en het resterende netto-deel werd gebruteerd op basis van een loonheffingstariet van 52% (zonder toepassing van de loonheffingskorting).
Tussen partijen is niet in geschil dat WHC Ten Caat sedert 1 januari 2013 maandelijks € 1.875,-- netto betaalbaar heeft gesteld, waarvan blijkens de specificatie een beperkt deel als onkosten en het resterende deel (€ 1.848,-- netto per maand) als salaris. Daarmee heeft WHC voldaan aan een deel van de tussen partijen gemaakte afspraken. Ten onrechte heeft WHC echter nagelaten invulling te geven aan een andere tussen partijen gemaakte afspraak, te weten dat het netto salaris (derhalve € 1.848,-- netto per maand) diende te worden gebruteerd, waarbij geen loonheffingskorting diende te worden toegepast en het loonheffingstariet van 52% diende te worden gehanteerd.
Terecht stelt Ten Caat zich op het standpunt dat indien bedoelde afspraak niet door WHC wordt nagekomen, hij, in verband met andere inkomsten, een naheffingsaanslag zal ontvangen.
WHC dient derhalve alsnog op de juiste wijze tot brutering van het overgekomen netto salaris over te gaan. Maandelijks dient- uitgaande van betaling van de onkosten en € 1.848,-- als nettoloon een bedrag van € 2.002,-- door WHC aan de Belastingdienst te worden afgedragen.

WHC te weinig belasting afgedragen
Nu WHC, blijkens haar eigen opgave, slechts over 2013 een bedrag van € 14.325,-- heeft afgedragen, is een bedrag van € 9.699,-- te weinig afgedragen. WHC zal worden veroordeeld dat bedrag alsnog te voldoen. WHC had in 2013 dit bedrag aan de fiscus dienen af te dragen. Nu dat niet meer- goed- mogelijk is, zal WHC worden veroordeeld voornoemd bedrag (onder correcte inhoudingen) aan Ten Caat te voldoen.
 Het vorenstaande maakt dat de vordering van Ten Caat, betaling van achterstallig salaris over de periode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2013, deels kan worden toegewezen; datzelfde geldt voor de vordering over de periode vanaf 1 januari 2014.

Wettelijke verhoging nihil
Met betrekking tot de gevorderde wettelijke verhoging zal de arbitragecommissie deze tot nihil matigen, nu WHC het nettoloon steeds correct aan Ten Caat heeft uitgekeerd. Daarbij klemt dat in casu partijen het in geld vastgestelde loon expliciet hebben bepaald op een nettobedrag. Ook speelt de evident moeizame financiële positie van WHC een rol.
Uit het vorenstaande volgt dat de reconventionele vordering van WHC ten aanzien van het vermeende onverschuldigd betaalde salaris zal worden afgewezen.

WHC moet Ten Caat aanmelden pensioenfonds
Daarnaast heeft de arbitragecommissie te oordelen over de vordering van Ten Caat om per 1 januari 2013 te worden aangemeld bij de Stichting Pensioenfonds voor de Oefenmeesters.
Partijen zijn in artikel 10 van de arbeidsovereenkomst overeengekomen dat werknemer zou dienen deel te nemen in de Stichting Pensioenfonds voor Voetbaloefenmeesters indien en voor zover de medewerker volgens de richtlijnen van de genoemde stichting daarvoor in aanmerking komt.
Blijkens de pensioenregeling is deelname ook mogelijk voor oefenmeesters met een voetbaltechnische functie die in dienst zijn van een club, uitkomend in de competitie amateurvoetbal van de KNVB.
Nu in de Pensioenregeling Voetbaloefenmeesters is voorzien in deelname door een amateurtrainer zoals Ten Caat, volgt naar het oordeel van de arbitragecommissie uit de tussen partijen gemaakte afspraken dat aanmelding met terugwerkende kracht tot 1 januari
2013 behoort plaats te vinden. Bovendien klemt dat de heer Van Diepen nog op 25 april 2013 aan Ten Caat heeft bevestigd dat de afdracht van het pensioen op het overzicht zou worden geregeld. Ook daaruit volgt dat het kennelijk de bedoeling van partijen was dat Ten Caat pensioen zou gaan opbouwen. WHC zal worden gelast tot aanmelding over te gaan.
Tussen partijen is niet in geschil dat WHC het werkgeversdeel van de pensioenpremies dient te dragen, maar partijen verschillen wel van mening over de vraag of WHC ook het werknemersdeel van de pensioenpremies voor haar rekening dient te nemen.

WHC moet ook werknemersdeel pensioen betalen
Uit de arbeidsovereenkomst volgt dat partijen een nettoloonafspraak hebben gemaakt. Een dergelijke afspraak verhoudt zich niet met het in de arbeidsovereenkomst onder punt 10.3 bepaalde, nu het werknemersdeel pensioenpremie alsdan in mindering komt op het nettoloon.
Zoals door de arbitragecommissie reeds is opgemerkt, komt het bij de uitleg van schriftelijke overeenkomsten niet alleen aan op de taalkundige uitleg van de bewoordingen van die overeenkomsten, maar ook op de bedoelingen die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
De bedoeling van Ten Caat ten aanzien van het werknemersdeel van de pensioenpremies was vanaf het begin volstrekt helder. Bij e-mail d.d. 14 januari 2013 heeft hij er expliciet op gewezen dat, nu partijen een nettoloonafspraak hebben gemaakt, de verschuldigde pensioenpremies, waaronder het werknemersdeel, voor rekening komt van WHC. WHC heeft daarop niet nader gereageerd en - naast hetgeen in de schriftelijke arbeidsovereenkomst is opgenomen - uitsluitend bij e-mail d.d. 25 april 2013 bevestigd dat de afdracht van het pensioen zou worden geregeld.
Nu, gelet op de expliciet opmerking van Ten Caat in de e-mail van 13 januari 2013, niet inhoudelijk is gereageerd door WHC en de bedoeling van Ten Caat uit die e-mail zonneklaar is en ook uit de overige e-mails van het voormalig bestuur van WHC volgt dat partijen een nettoloonafspraak hebben gemaakt, oordeelt de arbitragecommissie dat het redelijkerwijs de bedoeling van partijen moet zijn geweest dat WHC ook het werknemersdeel van de pensioenpremies zou dragen. WHC zal daartoe dan ook worden veroordeeld.

Nu WHC in overwegende mate in het ongelijk is gesteld, zal WHC ook worden veroordeeld in de kosten van deze procedure, zowel in conventie als in reconventie.

vrijdag 4 april 2014

Kunstgrasveld zorgt (nog steeds) voor onrechtmatige hinder


Feiten
De eigenaar van een woning grenzende aan het sportcomplex heft ernstige last van geluidsoverlast van de voetbalvereniging OMC. OMC huurt het complex van de gemeente Dordrecht. De eigenaar van de woning spreekt de gemeente aan op grond van een onrechtmatige daad en vordert verwijdering van het veld.
In deze zaak zijn al eerder rechterlijke uitspraken gedaan.
Bij vonnis van 29 december 2011 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht op vordering van een van de buren van de eigenaar van de woning , OMC geboden om tot 1 januari 2013 het gebruik van het kunstgrasveld te beperken en wel zodanig dat het veld voor trainingen uitsluitend nog wordt gebruikt op doordeweekse dagen tot maximaal 20.30 uur (op straffe van een dwangsom) en erop toe te zien dat het gebruik van het veld gedurende het weekeinde wordt beperkt tot het spelen van wedstrijden, inspeeltijd voor de wedstrijdspelers van maximaal 30 minuten daaronder begrepen.
Van dit vonnis heeft OMC hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 26 juni 2013 heeft het hof het vonnis bekrachtigd .
Op 21 december 2012 is door Burgemeester & Wethouders van de Gemeente het besluit genomen om een maatwerkvoorschrift te stellen aan het aspect geluid (productie 1 bij antwoord). De voorschriften luiden:

1.1     Het gebruik van het kunstgrasveld welke is gelegen naast de woningen aan de [straatnaam], is niet toegestaan tussen 20.40 uur en 07.00 uur.
1.2       Sportvereniging OMC dient er op toe te zien dat er gedurende het in voorschrift 1.1 opgenomen tijdsblok geen lawaaimakende verenigingsactiviteiten meer plaatsvinden op het huidige kunstgrasveld naast de woningen aan de [straatnaam].

Blijkbaar was dit onvoldoende voor de eigenaar van deze woning die om deze reden een procedure tegen de gemeente aanspande.

Oordeel rechtbank
De stelling dat de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld, zal in dit civiele geding worden beoordeeld. Het gaat daarbij immers om handelen en/of nalaten van de Gemeente als eigenaar/verhuurder van het sportcomplex. Daarbij is in geschil of de Gemeente uit hoofde van onrechtmatige daad jegens de eigenaar van de woning  aansprakelijk is voor de schadelijke gevolgen van het geluid dat haar huurder OMC veroorzaakt bij het voetballen op het kunstgrasveld.
Onrechtmatig handelen OMC?
Op grond van het in zoverre onbestreden rapport van de Omgevingsdienst staat vast dat als gevolg van het balcontact op het veld de in tabel 2.17a van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit milieubeheer (ook wel Besluit Algemene Regels voor Inrichting Milieubeheer, afgekort “Barim”) toetswaarde van 45 dB(A) in de avondperiode met 3 dB(A) wordt overschreden. Hierdoor handelt OMC in strijd met een wettelijk voorschrift en maakt zij inbreuk op het eigendomsrecht van de eigenaar van de woning  van zijn woning en handelt zij onrechtmatig jegens de eigenaar van de woning  als degene te wiens bescherming genoemde geluidsnormen strekken.
Verder is het de vraag of sprake is van (onrechtmatige) hinder. Bij de beoordeling van die vraag wordt het volgende vooropgesteld.
Het antwoord op de vraag of het toebrengen van hinder onrechtmatig is, is afhankelijk van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor veroorzaakte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waaronder de plaatselijke omstandigheden (Hoge Raad 3 mei 1991, NJ 1991, 476). Daarbij is mede van belang of degeen die zich beklaagt over hinder, zich ter plaatse heeft gevestigd vóór dan wel ná het tijdstip waarop de hinder veroorzakende activiteiten een aanvang hebben genomen. In het laatste geval zal hij een zekere mate van hinder eerder hebben te dulden (Hoge Raad 19 september 1998, NJ 1999, 69).
Het staat vast dat het sportcomplex er al was toen de woning is gebouwd en dat het veld waarover het hier gaat toen een zandtrainingsveld was. de eigenaar van de woning  stelt dat het toenmalige zandtrainingsveld niet werd gebruikt voor wedstrijden, maar alleen werd gebruikt voor trainingen, zijnde een enkele training op een avond gedurende het voetbalseizoen (september t/m mei), terwijl het veld in het weekeinde en gedurende de maanden juni, juli en augustus niet werd gebruikt.
Het ligt voor de hand dat dit intensievere gebruik van het veld heeft geleid – en leidt – tot meer geluidsoverlast voor de eigenaar van de woning . Hoewel hij er niet vanuit mocht gaan dat de toenmalige situatie van/op het (zandtrainings-)veld zo zou blijven toen hij de woning in 2004 betrok en hij rekening had moeten houden met enige toename van het gebruik van het veld en van de daarmee gepaard gaande geluidsoverlast (bijvoorbeeld als gevolg van uitbreiding van het aantal en/of de duur van trainingen door bestaande of nieuwe teams), had de eigenaar van de woning geen rekening behoeven te houden met het afwerken van méér trainingen en het houden van wedstrijden op het kunstgrasveld in de mate als zich thans voordoet.
Geoordeeld wordt dat OMC door het geschetste intensievere gebruik van het veld aan de eigenaar van de woning hinder toebrengt en onrechtmatig jegens hem handelt.

Onrechtmatige daad Gemeente?
De vraag is nu of de Gemeente jegens de eigenaar van de woning  aansprakelijk is voor het vastgestelde onrechtmatige handelen van OMC. Geoordeeld wordt dat de Gemeente jegens de eigenaar van de woning heeft gehandeld in strijd met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt door het veld van zandtrainingsveld te laten ombouwen naar een kunstgrasveld en toe te laten dat OMC dit veld intensiever is gaan gebruiken met de vastgestelde overschrijding van de geluidsnormen en de vastgestelde hinder tot gevolg, terwijl dat voorzienbaar was. Dit onrechtmatig handelen valt de Gemeente toe te rekenen.
Kennelijk ter bestrijding van de gestelde onrechtmatigheid en/of toerekenbaarheid betwist de Gemeente dat zij niet had kunnen voorzien dat de gevolgen van de omzetting overlast met zich zou brengen. De Gemeente voert in dat verband aan dat zij er vanuit ging dat er niet méér geluidsoverlast zou komen ondanks dat er ook wedstrijden op het kunstgrasveld zouden worden gespeeld omdat zij niet wist hoeveel wedstrijden er op het veld zouden worden gespeeld. In het licht van de verklaring van de eigenaar van de woning ter zitting dat het kunstgrasveld nu juist is bedoeld voor wedstrijden en trainingen, ook van de jeugd, en in het licht van de eigen verklaring van de Gemeente ter zitting dat kunstgrasvelden zijn bedoeld voor intensief gebruik, wordt het er voor gehouden dat de Gemeente met het intensievere gebruik van het kunstgrasveld bekend was, althans in ieder geval daarmee bekend had moeten zijn. In die zin was het intensievere gebruik voor de Gemeente voorzienbaar.
De Gemeente voert nog aan dat de keuze om het zandtrainingsveld om te zetten naar een kunstgrasveld een logische was omdat het streven is om op den duur alle zandtrainingsvelden te vervangen door kunstgras, omdat dit het enige veld met verlichting was zodat het veld in de winterperiode kan worden gebruikt voor trainingen en omdat het de wens van OMC was om het hoofdveld als grasveld te behouden. Gezien het voorzienbare intensievere gebruik van het kunstgrasveld was dit niet zonder meer een voor de hand liggende keuze, nog afgezien van het feit dat – zoals de eigenaar van de woning onder verwijzing naar de brief van de Gemeente van 24 februari 2009 terecht aanvoert – niet de gehele veldverlichting is gehandhaafd, maar alleen de masten zijn hergebruikt.
De door de Gemeente (in overleg met OMC) getroffen maatregelen ter beteugeling van de geluidsoverlast ontnemen aan het handelen en nalaten van de Gemeente niet het onrechtmatige karakter. De geluidsoverlast zal daardoor wel zijn verminderd, echter vaststaat dat de overlast nog steeds bestaat in een door de eigenaar van de woning  niet te dulden mate.

Oordeel rechtbank
De ontstane situatie vraagt om een oplossing op maat. De gevorderde verwijdering of verplaatsing van het veld komt als te ingrijpend voor.

De rechtbank zal daarom een descente en aansluitend een comparitie ter plaatse gelasten om de situatie ter plaatse op te nemen en vervolgens met partijen (en deskundigen) de wijze te onderzoeken waarop tot een oplossing kan worden gekomen, zodanig dat zal worden voldaan aan de wettelijke voorschriften.

zaterdag 21 december 2013

Arbitrage commissie KNVB (El H&B Sportsmanagement B.V/B.Y. Arica): Speler blijft bevoegd zelf contract te sluiten, ondanks exclusieve vertegenwoordiging spelersmakelaar


Bij tussenvonnis d.d. 24 juli 2013 heeft de arbitragecommissie bepaald dat verzoekster, hierna te noemen: "El H&B", in de gelegenheid wordt gesteld (getuigen)bewijs  te leveren van haar stelling dat verweerder,  hierna te noemen: "Arica",  zich in de onderhandelingen met de Turkse voetbalclub Kayserispor Kubülü door een andere spelersmakelaar  heeft laten bijstaan.
Op 18 september 2013 zijn op verzoek van El H&B een tweetal getuigen onder ede gehoord, te weten de heer Yalcin Sarica (hierna te noemen: "Sarica" ) en de heer Alex Kroes (hierna te noemen: "Kroes").

Beoordeling
De arbitragecommissie heeft allereerst te oordelen over de vraag of El H&B erin is geslaagd te bewijzen dat Arica zich in de onderhandelingen  met de Turkse voetbalclub Kayserispor Kubülü heeft laten bijstaan door een andere spelersmakelaar.
De arbitragecommissie stelt vast dat geen van de door El H&B gehoorde getuigen heeft verklaard Arica in het kader van de onderhandelingen  rond de transfer te hebben bijgestaan en/of daarvoor een vergoeding te hebben ontvangen. De getuigen hebben verklaard niet als voetbalmakelaar  te hebben opgetreden, niet voor Arica noch voor (één van) de betrokken clubs.
El H&B heeft geen ander bewijs dan getuigenbewijs in het geding gebracht waaruit zou kunnen worden afgeleid dat Arica zich door een andere spekersmakelaar ter zake heeft laten bijstaan. De in dat kader door El H&B overgelegde foto en e-mailberichten  zijn daarvoor onvoldoende nu uit die foto en e-mailberichten  wel volgt dat een vertegenwoordiger van SEG International B.V. (namelijk Sarica) Arica kende en ook dat Arica een vertegenwoordiger van SEG International B.V. kent en kende, maar geenszins dat spelersmakelaars van die onderneming Arica bij of rond de overgang naar Kayserispor Kubülü als spelersmakelaar hebben bijgestaan.
Dat de verklaringen  van Kroes en Sarica niet op alle punten overeenkomen,  zoals terecht door El H&B wordt gesteld, brengt niet met zich dat daaruit kan worden afgeleid dat Arica zich door een andere spelersmakelaar heeft laten bijstaan.
De arbitragecommissie oordeelt dat El H&B er niet in is geslaagd bewijs te leveren van haar stelling. De arbitragecommissie zal er daarom van uit gaan dat Arica zich in het kader van
de onderhandelingen rond de transfer naar Kayserispor Kubülü niet heeft laten bijstaan door een andere spelersmakelaar.
Vervolgens dient de arbitragecommissie te oordelen of Arica in het licht van de FIFA en KNVB reglementen toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van de spelersmakelaarsovereenkomst en/of aan El H&B een vergoeding verschuldigd  is.
 De arbitragecommissie  stelt vast dat in de spelersmakelaarsovereenkomst de FIFA reglementen rechtstreeks van toepassing zijn verklaard en voorts dat de Court of Arbitration for Sport (CAS) het hoogste sportrechtscollege is ten aanzien van de uitleg en toepassing van bedoelde FIFA reglementen.

"The provisions set out in this article are without prejudice to the clients' right to conclude an employment contract or a transfer agreement without the assistance of a representative."


In de uitspraak van het CAS d.d. 5 december 2006 (CAS 2006 /A/1019) overwoog het CAS dat: "Without an express provision for the Agent to be remunerated not withstanding his involvement and the bringing about of a certain event i.e. the conclusion of an agreement for the provision of the Player's services, he will not be entitled to claim a reasonable remuneration on a contractual quantum merit basis. In the absence of an agreement to the contrary, the fact that the Player placed his ''placement rights" exclusively with the Agent does not prevent the Player from contracting himself and having done so before the Agent concluded any contract (which he did not), he is under no liability to pay any commission. If the Player had appointed the Agent as a "safe agent" the Player could not employ any other agent but if he contracted himself he could not be liable to the Agent to pay commission or damages." 

De arbitragecommissie stelt vast dat de spelersmakelaarsovereenkomst die leidde tot deze uitspraak van het CAS vergelijkbare bedingen omtrent exclusiviteit en vergoeding van de spelersmakelaar  bevatte als opgenomen in de spelersmakelaarsovereenkomst tussen El H&B en Arica.
Het CAS achtte die bedingen klaarblijkelijk  niet voldoende expliciet om daaraan een betalingsverplichting van de speler jegens de spelersmakelaar  te ontlenen in de situatie waarin de spelersmakelaar  niet betrokken is bij de totstandkoming van een spelersovereenkomst.
Dat tussen El H&B en Arica is overeengekomen dat de spelersmakelaar exclusief bevoegd is de speler bij te staan in de ontwikkeling van zijn professionele carrière en te vertegenwoordigen bij het benaderen van en onderhandelen met clubs en diens vertegenwoordigers, een en ander met als doelstelling het realiseren van een arbeidsovereenkomst tussen de speler en een club (artikel 1.1 Spelersmakelaarsovereenkomst), brengt in het licht van artikel 19.7 FIFA Reglement en de voornoemde uitspraak van het CAS niet met zich dat de speler niet zelf- zonder tussenkomst van een andere spelersmakelaar- mag contracteren.
Dat Arica - naar het hiervoor geciteerde oordeel van het CAS - aldus vrij is om zonder de assistentie van een (andere) spelersmakelaar voor zichzelf te contracteren, ook als hij gebonden is aan een (exclusief) spelersmakelaarsovereenkomst, wordt door de arbitragecommissie als uitgangspunt gevolgd. Voor zover artikel 1.4 van de spelersmakelaarsovereenkomst tussen partijen de speler zulks zou onthouden of verbiedt, is die bepaling in strijd met de van overeenkomstige  toepassing verklaarde FIFA Reglementen.
Alsdan resteert de vraag of Arica door zelf -zonder tussenkomst van een andere spelersmakelaar- te contracteren op grond van de tussen partijen vigerende spelersmakelaarsovereenkomst toerekenbaar tekort is geschoten en aan El H&B enige vergoeding verschuldigd is.
De arbitragecommissie oordeelt dat dat niet het geval is.
Uit de aangehaalde  uitspraak van het CAS volgt naar het oordeel van de arbitragecommissie immers dat een speler- ook als deze een exclusief spelersmakelaarscontract is aangegaan - (in beginsel) voor zichzelf- zonder inschakeling van een andere spelersmakelaar- mag contracteren zonder dat hij daarvoor een vergoeding verschuldigd is aan de spelersmakelaar, tenzij ter zake een voldoende specifieke contractuele bepaling is opgenomen.
De arbitragecommissie oordeelt dat in de onderhavige  spelersmakelaarsovereenkomst onvoldoende specifiek is vastgelegd dat indien de speler zelf, zonder tussenkomst van de spelersmakelaar, de totstandkoming van een arbeidsovereenkomst bewerkstelligt hij een (schade)vergoeding verschuldigd is.
Voor zover overigens artikel 2 van de onderhavige spelersmakelaarsovereenkomst zou beogen te bepalen dat de speler zelf aan de spelersmakelaar een (courtage)vergoeding verschuldigd  is, is die bepaling in strijd met artikel 3 lid 1 WAADI en daarmee nietig (zie ondermeer uitspraak Arbitragecommissie d.d. 19 december 2011 (Ger Lagendijk Player'sAgents BV- Saïdi Ntibazonkiza)).  Gelet op het vorenstaande komt de arbitragecommissie in casu echter niet toe aan een oordeel hierover.

Oordeel  
Al met al maakt dit dat de vorderingen van El H&B dienen te worden afgewezen. El H&B zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van de procedure worden veroordeeld, waaronder die van de KNVB, de getuigentaxen, en die van rechtsbijstand van Arica. De arbitragecommissie daarom veroordeelt El H&B in de kosten van de KNVB, zijnde € 1.900,00, vermeerderd met de taxen van de gehoorde getuigen ad € 250,00, alsmede de kosten van rechtsbijstand van Arica ad € 2.250,00.


donderdag 14 november 2013

Arbitragecommissie KNVB (ADO/FDS): Spelersmakelaar heeft ook recht op commissie bij uitleen speler Lex Immers


Voor meer Sport en recht, volg mij op Twitter

ADO is op 1 januari 2011 een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, namelijk voor  de  periode  1  januari  2011  tot  en  met  30  juni  2014,  met  Lex  Immers aangegaan.  Eveneens op 1 januari 2011 heeft ADO een overeenkomst (hierna aangeduid als commissieovereenkomst)   met    de    Stichting    Fair    Deal Sportsmanagement (FDS), waarbij partijen onder andere zijn overeengekomen:

"1.1.    Voor  de  door  de  Spelersmakelaar ten  behoeve  van  Speler  verrichte diensten betreffende de totstandkoming van de Arbeidsovereenkomst, meer specifiek de arbeidsbemiddeling in de zin van de WAAD/, ontvangt Spelersmakelaar van   CLUB de navolgende vergoeding,  waarbij Spelersmakelaar verklaart dat niets van deze vergoeding ten goede zal komen aan de Speler zelf of een door Speler aangewezen (rechts-)persoon:

Gedurende de arbeidsovereenkomst, zijnde de periode van 1 januari 2011 tot en met 30 juni 2014, per seizoen een vergoeding  van 5% van het door CLUB en de Speler overeengekomen  bruto jaarsalaris, plus vakantiegeld   doch   exclusief   de       door CLUB en Speler overeengekomen premies, bonussen en/of hand en tekengeld.
2010-2011      5% over € 100.000,00 + vakantiegeld
2011-2012      5% over € 200.000,00 + vakantiegeld
2012-2013      5% over€  200.000,00 +vakantiegeld
2013-2014      5% over € 200.000,00 + vakantiegeld

De vergoedingen van het seizoen 201112012 en de volgende overeengekomen  seizoenen zullen door CLUB jaarlijks op 1 juli van ieder seizoen  verschuldigd  zijn.  Voor seizoen  2010/2011  geldt dat deze vergoeding  verschuldigd  is door CLUB  op het moment  van ondertekening van deze overeenkomst.

3.2  Indien de Arbeidsovereenkomst om welke reden dan ook tussentijds eindigt (derhalve voor de overeengekomen  einddatum),  eindigt per einddatum van de Arbeidsovereenkomst  van rechtswege (zonder dat opzegging is vereist) eveneens deze overeenkomst alsmede de vergoedingsplicht van CLUB uit hoofde van de onderhavige overeenkomst.
3.3. Indien de Arbeidsovereenkomst  (tussentijds)  wordt verlengd zonder dat de Spelersmakelaar daarbij betrokken is, eindigt per ingangsdatum van de verlengde/nieuwe arbeidsovereenkomst tussen Speler en Club van rechtswege (zonder dat opzegging is vereist) onderhavige overeenkomst alsmede de in deze overeenkomst opgenomen vergoedingplicht van CLUB.
(..)
4.6.     Op  deze  overeenkomst  zijn  de  statuten  en  reglementen  van  de  KNVB alsmede de FIFA Players' Agents Regulations van toepassing. Ingeval van tegenstrijdigheden tussen de reglementen van de KNVB en de FIFA Players'Agenets Regulations prevaleren de reglementen van de KNVB."

Het geschil
AOO heeft op 5 juni 2012 met Feyenoord Rotterdam N.V. een uitleenovereenkomst betreffende Lex Immers gesloten. ADO weigert tijdens de uitleen de vergoeding aan spelersmakelaar FDS te betalen. FDS  stelt  dat  met  ADO is  overeengekomen dat  zij  gedurende het bestaan van de arbeidsovereenkomst (tussen Lex Immers en ADO) recht heeft op de commissie als omschreven in artikel 1.1 van de commissieovereenkomst.
  
Oordeel arbitragecommissie
De arbitragecommissie neemt ook in deze zaak tot uitgangspunt dat de vraag wat partijen zijn overeengekomen niet enkel kan worden beantwoord op grond van een taalkundige uitleg  van  de  bewoordingen  van  de  overeenkomst,  maar dat  het aankomt op de bedoelingen die partijen over en weer redelijkerwijs aan elkaars gedragingen mochten toekennen, en op hetgeen zij te dien aanzien  redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
ADO beroept zich op artikel 3.3. en subsidiair op artikel 3.2 van de commissieovereenkomst tussen FDS en ADO. ADO stelt dat deze bepaling(en) aldus moet(en) worden begrepen dat de uitleen door ADO van Lex Immers met ingang van 1 juli 2012 een tussentijdse verlenging van de arbeidsovereenkomst tussen ADO en Lex Immers oplevert, waardoor een nieuwe arbeidsovereenkomst is ontstaan zonder dat FDS daar als spelersmakelaar bij betrokken was.
ADO stelt dat FDS bij de uitleen van Lex Immers aan Feyenoord niet betrokken is geweest en dat het arbeidsvoorwaardenpakket voor de uitleenperiode en de arbeidsovereenkomst tussen Lex Immers en Feyenoord ingaande 1 juli 2014, tot stand is gekomen met bijstand van mr. A Nederveen. Onder verwijzing naar artikel 2 van de uitleenovereenkomst stelt ADO dat het volledige salaris van de speler werd overgenomen door Feyenoord. Op grond daarvan is ADO van mening dat er een nieuwe overeenkomst tussen ADO en Lex Immers in de zin van artikel 3.2 respectievelijk 3.3 van de commissieovereenkomst is ontstaan.
De arbitragecommissie volgt dit betoog van ADO niet. ADO zelf stelt dat het arbeidsvoorwaardenpakket als gevolg van de uitleenperiode is gewijzigd en dat daardoor de arbeidsovereenkomst in gewijzigde vorm is voortgezet. Er is geen sprake van een nieuwe arbeidsovereenkomst tussen ADO en  Lex Immers. Ter zitting heeft ADO aangeboden de nieuwe arbeidsovereenkomst te overleggen die Feyenoord namens ADO met Lex Immers zou hebben gesloten. Aan dit bewijsaanbod gaat de commissie voorbij omdat artikel 3.3 van de  commissieovereenkomst spreekt over een verlengde arbeidsovereenkomst en ADO zelf stelt dat er geen sprake is van een verlenging maar van een nieuwe overeenkomst met voor Lex Immers betere arbeidsvoorwaarden. Evenmin heeft ADO aannemelijk gemaakt dat de arbeidsovereenkomst tussen haar en Lex Immers als bedoeld in artikel 3.2 van de commissieovereenkomst is beëindigd.
ADO heeft onvoldoende gesteld en onvoldoende aannemelijk gemaakt dat partijen de situatie, zoals die zich heeft voorgedaan, hebben willen begrijpen onder artikel 3.2 of 3.3 van de commissieovereenkomst In de arbeidsovereenkomst die ADO zelf met Lex Immers heeft gesloten, wordt al rekening gehouden met het uitlenen van de speler. In artikel 7 van de arbeidsovereenkomst wordt daarover opgemerkt dat de voorwaarden en gevolgen van een uitlening worden vastgelegd in een uitleenovereenkomst, maar dat gedurende de uitleenperiode de arbeidsovereenkomst tussen werknemer en werkgever (lees: Lex Immers en ADO) van kracht blijft, en dat de uit de arbeidsovereenkomst voortvloeiende verplichtingen tijdens deze uitleenperiode blijven voortbestaan, zulks met inachtneming van het bepaalde in die uitleenovereenkomst
Ook in de uitleenovereenkomst die ADO met Feyenoord heeft gesloten, wordt uitgegaan van het voortduren van de oorspronkelijke arbeidsovereenkomst tussen ADO en Lex Immers. In de considerans van deze uitleenovereenkomst wordt bovendien verwezen naar de arbeidsovereenkomst tussen Lex Immers en ADO. In artikel 2 van de uitleenovereenkomst wordt overeengekomen dat Feyenoord gedurende de uitleenperiode het salaris voor haar rekening neemt en dat Feyenoord een aparte afspraak zal maken met de speler voor de arbeidsvoorwaarden gedurende deze periode. In de uitleenovereenkomst wordt expliciet benoemd dat de arbeidsovereenkomst met Lex Immers bij ADO met ingang van 1 juli 2014 eindigt, de datum waarop inderdaad conform de oorspronkelijke  arbeidsovereenkomst tussen Lex Immers en ADO de arbeidsovereenkomst al zou eindigen.
  
Het beroep van ADO op artikel 20 lid 3 van de zogeheten Regulations Players' Agents leidt evenmin tot een ander oordeel. In die regelgeving wordt gesproken over het tot stand komen  van een nieuwe arbeidsovereenkomst, zonder bemoeienis van de makelaar. Daarvan is hier geen sprake. Evenmin gaat de verwijzing door ADO naar de uitspraak van de FIFA van 24 april 2012 op, omdat, anders dan in het daar berechte geval, in deze zaak sprake is van een verplichting zijdens ADO om de makelaar te belonen en niet van een verplichting van de speler, die een volmacht had verstrekt aan de vereniging om namens de speler de spelersmakelaar te betalen.
Evenmin kan ADO zich beroepen op de bepaling dat ADO feitelijk geen salaris meer betaalt aan Lex Immers. Het gegeven dat ADO deze verplichting met instemming van Lex Immers feitelijk overlaat aan Feyenoord, maakt dit niet  anders. In  artikel 1.1  van de commissieovereenkomst wordt namelijk gesproken over het "overeengekomen" salaris, niet over het feitelijk betaalde salaris.
De wettelijke handelsrente is verschuldigd vanaf 15 dagen na factuurdatum, omdat zulks in artikel 2.1 van de commissieovereenkomst tussen partijen is overeengekomen. ADO had deze rente kunnen vermijden door desnoods onder protest van gehoudenheid, tot betaling van de factuur over te gaan en deze als onverschuldigd betaald terug te vorderen. Dat heeft zij om haar moverende redenen niet gedaan zodat er geen reden is om de wettelijke handelsrente te matigen.
Een en ander leidt ertoe dat de vorderingen van FDS, nu ADO niet tegen de hoogte van de facturen als zodanig heeft geprotesteerd, worden toegewezen. De arbitragecommissie zal de vorderingen exclusief BTW toewijzen, nu er tussen partijen kennelijk onduidelijkheid bestaat over de hoogte van het verschuldigde BTW-percentage met betrekking tot in ieder geval de factuur d.d. 11 juli 2013 betreffende seizoen 2013/2014. ADO zal als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld worden in de kosten van de procedure.


Arbitragecommissie KNVB: Onmiddellijke schorsing lid na discriminerende uitlatingen niet terecht


Thissen lid van R.K.V.V. Emplina. Bij e-mail d.d. 8 mei 2013 heeft Thissen aan de heer Van Dam een e-mail gestuurd en deze ook cc toegezonden aan het bestuur en de seniorcommissie van R.K.V.V. Emplina. 
In de e-mail is onder meer het navolgende opgenomen:

"Wanneer  komen die LAMME KLOOTJAVANEN van het bestuur in beweging om deze kwestie mede te regelen zonder daar steeds alleen de spelers rriee op te zadelen en hen het bos in te sturen?"

Zoals te verwachten was, viel deze formulering niet bij iedereen in de smaak. Het bestuur van R.K.V.V. Emplina stuurt s'avonds een mail aan Thissen waar o.a. het volgende in is opgenomen:

" Geachte heer Thissen,
Het Hoofdbestuur van R.K.V.V. Emplina heeft kennisgenomen van uw (cc. aan het Hoofdbestuur) email (onderwerp: Volgend seizoen) en uw verdere reacties (naar aanleiding van) hierop van 8 mei 2013. Hierbij deel ik u namens het Hoofdbestuur  mede, dat de uitlatingen die u in uw mail doet volstrekt onacceptabel  en kwetsend zijn. Hiermee heeft u in ernstige mate artikel 5.6 van de statuten van de vereniging geschonden. In verband hiermee bent u per onmiddellijke ingang geschorst als lid van R.K.V. V. Emplina.Om uw beweegreden  nader toe te lichten, verzoek ik u zich aanstaande  zaterdag 11 juni 2013 om 1100 uur te melden in de bestuurskamer  van R.K.V.V. Emplina om u hiervoor te verantwoorden.  Deze uitnodiging is niet vrijblijvend. Ook bij het niet nakomen zullen we zonder uw aanwezigheid  ter zake besluiten. (…)"

Het geschil
Partijen twisten bij de arbitragecommissie over de vraag of Thissen al dan niet terecht door het bestuur van R.K.V.V. Emplina is geschorst. Voorts twisten zij over de vraag of Thissen zich zou hebben schuldig gemaakt aan racisme/discriminatie.

Het oordeel
De arbitragecommissie is van oordeel dat binnen de interne verhoudingen van R.K.V.V. Emplina op grond van de statuten, het bestuur in beginsel de mogelijkheid leden disciplinair te straffen. Zulks brengt met zich dat de arbitragecommissie de besluitvorming van het bestuur slechts marginaal toetst.
Ter zitting heeft R.K.V.V. Emplina de arbitragecommissie medegedeeld dat haar e-mail d.d. 8 mei 2013 in reactie op de e-mail van Thissen van dezelfde datum waarin Thissen met onmiddellijke ingang werd geschorst, als ordemaatregel moeten worden beschouwd teneinde rust binnen de vereniging te creëren. Gelet op die ordemaatregel - zo heeft R.K.V.V. Emplina ter zitting gesteld - behoefde zij niet vooraf Thissen te horen.
De arbitragecommissie volgt het bestuur van R.K.V.V. Emplina daarin niet.
Nog daargelaten dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat binnen de vereniging een zodanige onrust was ontstaan dat een redelijk handelend bestuur tot een onmiddellijke schorsing zou kunnen komen, volgt ook uit de e-mail d.d. 8 mei 2013 niet dat sprake was van een ordemaatregel. In de e-mail deelt het bestuur Thissen immers mede dat hij met onmiddellijke ingang is geschorst en dat het bestuur zich zal beraden over nadere stappen.
Het beginsel van hoor en wederhoor is in zijn algemeenheid, maar juist ook in de onderhavige situatie naar het oordeel van de arbitragecommissie van groot belang. Daarbij klemt dat Thissen in zijn latere e-mail van 8 mei 2013 - na de reactie van de heer Welcker­ direct heeft aangegeven niet de bedoeling te hebben gehad met zijn (schofferende) woordkeuze te willen discrimineren of te beledigen. Waarom nog een onmiddellijke ordemaatregel noodzakelijk was, is de arbitragecommissie niet duidelijk geworden. Ook is van belang dat Thissen reeds op 9 mei 2013 aan het bestuur heeft medegedeeld op zaterdag 11 mei 2013 niet te kunnen verschijnen. Een nieuwe uitnodiging is door het bestuur niet verzonden. Ook is niet gebleken dat het bestuur anderszins contact met Thissen heeft gezocht (bijvoorbeeld telefonisch). Het onder deze omstandigheden opleggen van een feitelijk definitieve schorsing acht de arbitragecommissie niet in lijn met de handelwijze van een redelijk handelend bestuur.
Dat maakt dat de schorsing niet op deze wijze had mogen worden opgelegd en derhalve dient te worden opgeheven.
Ten overvloede merkt de arbitragecommissie nog op, zoals ook ter zitting is geschied, dat de door Thissen gebezigde kwalificatie als volstrekt ongepast heeft te gelden. Naar het oordeel van de arbitragecommissie is de uitlating in de e-mail d.d. 8 mei 2013 van Thissen "lamme klootjavanen" tenminste als bruuskerend en schofferend te beschouwen. Ook de wijze waarop Thissen zich in het vervolg heeft opgesteld, heeft bepaald niet bijgedragen aan
de-escalatie. Aan de andere kant kan dat ook voor de houding van het bestuur gelden.
Al met al meent de arbitragecommissie dat het bestuur - na hoor en wederhoor- tot een disciplinaire maatregel had kunnen komen op basis waarvan in beginsel van Thissen had kunnen worden gevergd de interne weg van het beroep van de algemene ledenvergadering te volgen, maar is de wijze waarop het bestuur tot schorsing is gekomen in casu naar het oordeel van de arbitragecommissie te zeer in strijd met de door de arbitragecommissie genoemde uitgangspunten.
Het verzoek van het bestuur van RK.V.V. Emplina om Thissen op te leggen zich bij betrokkene schriftelijk te verontschuldigen voor zijn gedane uitlatingen, zal de arbitragecommissie ook niet toewijzen. Zulks zou te zeer in strijd zijn te achten met de vrijheid van meningsuiting; het opleggen van het maken van excuses verhoudt zich daar immers niet mee. Thissen heeft ter zitting overigens toegezegd zich nog met de heer Welcker sr. te zullen verstaan.

De beslissing

De arbitragecommissie gelast RK.V.V. Emplina de aan Thissen opgelegde schorsing op te heffen en bepaalt dat Thissen de contributie over het seizoen 2013/2014 aan RK.V.V. Emplina is verschuldigd.

zaterdag 21 september 2013

Kabinet pakt voetbalgeweld steviger aan

Burgemeesters kunnen straks voor een langere periode een gebiedsverbod, meldplicht of groepsverbod opleggen aan voetbalsupporters die voor het eerst worden betrapt op ernstige verstoring van de openbare orde. Bijvoorbeeld als hooligans rond wedstrijden stenen gooien naar de politie. De ministerraad heeft daarmee ingestemd op voorstel van minister Opstelten van Veiligheid en Justitie, mede namens minister Plasterk van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

De middenstip van een voetbalveld
Nu kunnen burgemeesters een ‘first offender’, ook als deze zich ernstig heeft misgedragen, slechts één of twee voetbalwedstrijden uit de omgeving van het voetbalstadion weren, zonder dat zij daarbij een meldplicht kunnen opleggen. Dit maakt het lastig de voetbaloverlast en de schade die daarvan het gevolg kan zijn, te voorkomen.

De maatregel is onderdeel van een verscherpte aanpak om misstanden rond voetbalwedstrijden te voorkomen. Uit onderzoek blijkt dat de huidige wet in de praktijk voldoet, op een paar knelpunten na. De voorstellen van het kabinet nemen deze obstakels weg.

Nieuw is dat een gebiedsverbod, meldplicht of groepsverbod rond een thuiswedstrijd kan worden uitgebreid naar uitwedstrijden. Burgemeesters die een betaald voetbalorganisatie in hun gemeente hebben, kunnen daarover onderling afspraken maken. Voorwaarde is dat er een ernstige vrees bestaat dat de hooligan de uitwedstrijd bezoekt en zich daarbij zal misdragen.

Ook krijgen burgemeesters de mogelijkheid een stadionverbod van de KNVB of van een voetbalclub te ‘versterken’ met een meldplicht of een gebiedsverbod. Zij moeten wel de stellige indruk hebben dat de openbare orde zal worden verstoord. Dat kan het geval zijn als een voetbalhooligan op de tribune heeft gevochten of vuurwerk heeft gegooid naar een vak met supporters van de tegenpartij.

Straks kan een burgemeester ook een gebiedsverbod, meldplicht of groepsverbod opleggen voor de duur van 90 afzonderlijke dagen, verspreid binnen één jaar. Daarmee kan een hooligan doelgerichter worden aangepakt; zo’n sanctie sluit beter aan bij het wedstrijdschema in het betaald voetbal. De periode van drie aaneengesloten maanden die nu geldt, houdt een hooligan slechts enkele wedstrijden uit het risicogebied.

Nieuw is ook een gebiedsgebod dat de stafrechter kan opleggen. Het is een soort huisarrest waarmee wordt voorkomen dat hooligans op verschillende plaatsen strafbare feiten plegen.

De ministerraad heeft ermee ingestemd het wetsvoorstel voor advies aan de Raad van State te zenden. De tekst van het wetsvoorstel en van het advies van de Raad van State worden openbaar bij indiening bij de Tweede Kamer


vrijdag 20 september 2013

Arbitragecommissie KNVB: Wel arbeidsovereenkomst trainer en club, beroep redelijkheid en billijkheid en onvoorziene omstandigheden afgewezen

Arbitragecommissie KNVB, 17 september 2013, nr. 1378a + 1378b (Van den Berg/ARC)

Tussen Van den Berg en Alphense Racingclub (hierna: ARC) is een arbeidsovereenkomst gesloten voor de bepaalde duur van één jaar van 1 juli 2012 tot en met 30 juni 2013. Van den Berg werd door ARC aangesteld als hoofdtrainer van de A-selectie (senioren).Het salaris van Van den Berg bedroeg € 2.572,70 bruto per maand, inclusief 8% vakantiegeld. In december 2012 heeft overleg plaatsgevonden tussen Van den Berg en het bestuur. Partijen hebben daarbij overeenstemming bereikt over de voortzetting van de arbeidsrelatie met nog één jaar, waarbij het salaris (anders dan het bestuur in eerste instantie wenste) ongewijzigd bleef.
In de digitale nieuwsbrief van ARC van februari 2013 heeft de voorzitter in het voorwoord het volgende vermeld:

"In de eerste maanden  van 2013 zijn er al voorbereidingen getroffen voor het nieuwe seizoen.  Het contract met Ron van den Berg werd verlengd;  ook zijn er gesprekken gevoerd met de jeugdselectietrainers en worden er stappen gezet die gericht zijn op een goede en volwaardige samenstelling van ons selectieteam Daar hoort bij dat we een goed inzicht hebben in de financiële (on)mogelijkheden van onze vereniging. De economische vooruitzichten maken het voor ons op dit moment in ieder geval niet eenvoudig."

Na de winterstop van het seizoen 2012/2013 zijn strubbelingen in de technische staf ontstaan.
Begin april 2013 heeft Van den Berg bepaald dat de maandagavondtraining zou worden geschrapt. Van den Berg heeft dat niet - vooraf - met het bestuur van ARC gecommuniceerd. Het bestuur besluit vervolgens Van den Berg op non-actief te stellen.

Beoordeling van het geschil

Wel of geen arbeidsovereenkomst?
De arbitragecommissie oordeelt als volgt. De meest vergaande stelling van ARC is dat tussen partijen geen overeenstemming is bereikt over de verlenging van de arbeidsovereenkomst na ommekomst van het eerste contractsjaar. ARC stelt in dat kader dat er met Van den Berg weliswaar in december 2012 overeenstemming is bereikt over een voortzetting van de arbeidsrelatie gedurende nog één jaar onder handhaving van het salaris, maar stelt dat daarmee geen overeenstemming is bereikt over alle essentialia van de arbeidsovereenkomst. Indien het tot het tekenen van een nieuwe arbeidsovereenkomst zou zijn gekomen, stelt ARC dat zij, conform de standaardclausules van de KNVB, een tussentijdse opzegmogelijkheid zou zijn overeengekomen en dat een voorziening zou zijn getroffen voor de situatie dat ARC zou degraderen.
De arbitragecommissie verwerpt de stelling van ARC.
De arbitragecommissie acht het niet aannemelijk dat ARC tijdens het overleg in december 2012 ook maar enig voorbehoud heeft gemaakt ten aanzien van de verlenging van de arbeidsovereenkomst en de daarbij volgens ARC nader overeen te komen clausules. Niet alleen betwist Van den Berg zulks nadrukkelijk, maar voorts blijkt uit de nieuwsbrief van de voorzitter van februari 2013 onomwonden dat ook het bestuur van ARC er destijds van uitging dat met Van den Berg een verlenging van de arbeidsovereenkomst was overeengekomen. Indien, zoals ARC het doet voorkomen, slechts een intentie zou zijn uitgesproken om tot een verlenging te komen, had voor de hand gelegen dat die bewoordingen in die nieuwsbrief zouden zijn gebruikt. Bovendien geldt op voet van het bepaalde artikel 7:667 lid 3 BW dat een tussentijdse opzegmogelijkheid slechts schriftelijk kan worden overeengekomen. Dat ARC, zoals zij zelve ter zitting heeft gesteld, "maanden achterligt" bij het vastleggen van gemaakte afspraken, dient voor haar rekening en risico te blijven.
Ook de stelling van ARC dat zij nadere afspraken wilde maken over een beperking van het loon bij degradatie van ARC, is niet aannemelijk geworden. Ter zitting is gebleken dat ARC tijdens de onderhandelingen in december 2012 er bij Van den Berg op heeft aangedrongen dat hij genoegen zou nemen - in het tweede contractsjaar- met een lager salaris. Van den Berg heeft dat van de hand gewezen, waarna partijen overeenstemming hebben bereikt over handhaving van het salaris. Indien ARC afspraken had willen maken voor het geval de club zou degraderen, had ARC dat destijds- in december 2012- dienen af te spreken.
Overigens merkt de arbitragecommissie op dat in het door ARC overgelegde blanco arbeidscontract dat zij thans stelt te hanteren, ook geen voorziening bij degradatie of promotie is opgenomen.
Partijen zijn derhalve naar het oordeel van de arbitragecommissie een verlenging van hun arbeidsovereenkomst voor de duur van één jaar overeengekomen, onder handhaving van het salaris.

Beroep ARC op redelijkheid en billijkheid en onvoorziene omstandigheden
ARC stelt voorts dat van haar in redelijkheid niet kan worden verwacht de arbeidsovereenkomst na te komen. ARC stelt dat nu het contract werd gesloten terwijl ARC in de hoofdklasse speelde, dat een essentieel onderdeel van de arbeidsovereenkomst was en met de degradatie daarmee niet werd ingelost. Onder die - veranderde - omstandigheid kan van ARC niet worden verwacht de arbeidsovereenkomst na te komen. Ook dit standpunt wordt door de arbitragecommissie verworpen.
Voor zover ARC een beroep doet op het bepaalde in artikel 6:248 BW, wordt dat beroep niet gehonoreerd. Niet is gesteld of gebleken dat sprake is van zodanige omstandigheden, dat ongewijzigde handhaving naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Degradatie (en ook promotie) is onlosmakelijk verbonden met de voetbalsport. Indien partijen ter zake geen contractuele voorziening zijn overeengekomen, zal dan ook niet snel worden geoordeeld dat handhaving van een eerdere contractuele afspraak vanwege degradatie/promotie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dat klemt in casu temeer, nu partijen expliciet in december 2012 over het salaris hebben gesproken en kennelijk ARC dat element toen niet in die discussie heeft ingebracht.
Voor zover door ARC beoogd is te stellen dat sprake is van een onvoorziene omstandigheid, wordt ook dat beroep afgewezen. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat aan de in artikel6:258 BW bedoelde wijziging van omstandigheden niet spoedig zal zijn voldaan, temeer omdat de redelijkheid en billijkheid immers op de eerste plaats trouw verlangen aan het gegeven woord en afwijking slechts bij hoge uitzondering is toegestaan.
Los van de vraag of een degradatie niet reeds  - naar zijn aard - voor rekening en risico van de voetbalclub komt (en niet van de trainer) als gevolg waarvan een beroep op artikel 6:258
BW voor de voetbalclub al op voorhand is uitgesloten, geldt dat de arbitragecommissie meent, temeer nu in december 2012 expliciet over het salaris is gesproken, Van den Berg van ARC instandhouding mag verwachten.
Daarmee staat vast dat ARC, totdat aan de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig een einde komt (uiterlijk op 30 juni 2014), het salaris aan Van den Berg dient door te betalen. De door Van den Berg ter zake gevorderde verklaring voor recht zal worden gegeven.

Oordeel
Verklaart voor recht dat de arbeidsovereenkomst tussen Van den Berg en ARC met een jaar is verlengd en daarom een looptijd heeft tot en met 30 juni 2014. De arbitragecommissie neemt bij de hoogte van de schadevergoeding mee dat de financiële positie van ARC zorgelijk is. Tevens is de arbitragecommissie van oordeel dat van Van den Berg had mogen worden verwacht dat hij -juist gelet op de strubbelingen binnen de technische staf- de beslissing om de maandagavondtraining, waar de A-1 jeugd meetrainde, te schrappen vooraf met het verantwoordelijke bestuurslid zou hebben gedeeld.

Van den Berg krijgt niet de volledige schade maar de commissie is van oordeel dat een bedrag van € 13.500,-- billijk is en ontbindt per 1 oktober 2013 de arbeidsovereenkomst.

donderdag 19 september 2013

Kort geding verloren door Ajax fans: Geen buscombi-regeling voor Ajax-supporters

KG rechtbank Osst Brabant, 19 september 2013, ECLI:NL:RBOBR:2013:5173
De gemeente Eindhoven hoeft niet in te stemmen met een buscombi-regeling voor Ajax-supporters. Dat betekent dat zij de wedstrijd PSV-Ajax op 22 september a.s. niet kunnen bijwonen. Dat is de uitkomst van een kort geding bij de rechtbank Oost-Brabant dat Ajax, supportersclub AFCA en de supportersvereniging Ajax aanspanden tegen de gemeente Eindhoven. Ajax vroeg de rechter de burgemeester van Eindhoven te bevelen een besluit te nemen waarbij aan Ajax-supporters de mogelijkheid wordt geboden de wedstrijd PSV-Ajax aanstaande zondag bij te wonen onder verplichtstelling van een buscombi-regeling. Een treincombi-regeling die normaalgesproken verplicht zou zijn bij deze wedstrijd kan niet worden uitgevoerd. De Nederlandse Spoorwegen en ProRail voeren zondag namelijk werkzaamheden uit aan de spoortunnel ter hoogte van Best waardoor er geen treinverkeer mogelijk is aan de noordzijde van Eindhoven. Ajax en de NS hebben uitvoerig overlegd over mogelijke alternatieven over het spoor, maar die bleken niet haalbaar. Ajax heeft de gemeente Eindhoven vervolgens voorgesteld gebruik te maken van een buscombi-regeling, maar dat voorstel wees burgemeester Van Gijzel van de hand, mede naar aanleiding van een veiligheidsanalyse van de politie. Volgens Ajax is de opstelling van burgemeester Van Gijzel onaanvaardbaar, onjuist en in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid nu hij vasthoudt aan de treincombi-regeling ook al is er een passend alternatief aanwezig, namelijk de buscombi-regeling. De Amsterdamse lokale (sub)driehoek (met politie, burgemeester en openbaar ministerie) geeft zonder meer groen licht voor een buscombi vanuit Amsterdam naar Eindhoven. De leden van die driehoek maken zich juist zorgen over de verstoring van de openbare orde en de veiligheidsrisico’s die in en rond PSV-stadion kunnen ontstaan door het weigeren van Ajaxsupporters. Volgens Ajax is niet gebleken dat burgemeester Van Gijzel hiermee rekening heeft gehouden.

Oordeel rechter 

De burgemeester is volgens de wet belast met de handhaving van de openbare orde. Daarbij heeft hij de vrijheid om eigen afwegingen te maken. Een rechter mag niet op de stoel van de burgemeester gaan zitten en moet van de wetgever heel terughoudend toetsen. Daarom mag de rechter zich er niet over uitspreken of Van Gijzel terechte argumenten aanvoert in verband met gevaar voor de openbare orde. De voorzieningenrechter mag ook niet bepalen of moet worden vastgehouden aan de opgelegde treincombi of dat kan worden volstaan met een buscombi. De rechter kan in dit kort geding alleen de vraag beantwoorden of burgemeester Van Gijzel binnen zijn bevoegdheden heeft kunnen oordelen dat het bijwonen van de wedstrijd door de Ajax-supporters met een buscombiregeling teveel risico’s met zich brengt voor de openbare orde, of dat de weigering om genoegen te nemen met een buscombi-regeling als willekeur moet worden gekwalificeerd. De adviezen van de districtschef van de politie zijn doorslaggevend geweest voor het oordeel van burgemeester Van Gijzel. Op grond van deze adviezen, die Ajax niet inhoudelijk heeft betwist, heeft burgemeester Van Gijzel kunnen oordelen dat vanuit het perspectief van de openbare orde vervoer met bussen geen reële optie is. Het valt de rechter wel op dat de districtchef in zijn advies van 11 september 2013 minder stellig is dat een buscombi-regeling geen reële optie is dan in zijn advies van 17 september 2013. In beide adviezen adviseert de districtschef echter vast te houden aan de geplande treincombiregeling. De districtchef raadt een buscombi-regeling af omdat er geen structurele fysieke afscheiding is voor de ontvangst van de supporters per bus tijdens risicowedstrijden bij het PSV-stadion waardoor het risico op een confrontatie tussen de beide supportersgroepen aanmerkelijk vergroot wordt. Die fysieke afscheiding is wel aanwezig als de supporters van Ajax met de trein reizen. Bovendien leidt de in- en uitstroom van Ajax-supporters per bus door Eindhoven tot een verhoogd risico voor een treffen met PSV-aanhangers. De voorzieningenrechter kan deze opmerkingen van de districtchef niet negeren. De rechter oordeelt daarom dat er onvoldoende garanties zijn dat de openbare orde gewaarborgd is als de rechter het verzoek van Ajax zou toewijzen. De voorzieningenrechter kan ook geen andere voorziening toewijzen die tegemoet komt aan de wens van Ajax dat de supporters van Ajax de wedstrijd PSV-Ajax op 22 september 2013 kunnen bijwonen en tegelijkertijd voldoende garanties geeft voor de openbare orde. Het betoog van Ajax dat de openbare orde juist dreigt te worden verstoord als de supporters van Ajax de wedstrijd niet kunnen bijwonen, vindt geen basis in het dossier. De rechtbank begrijpt dat de uitspraak zuur is voor de supporters van Ajax die niet verantwoordelijk zijn voor de ontstane situatie, “maar het is niet anders”, aldus de rechtbank.

Bron: Rechtspraak.nl

dinsdag 10 september 2013

Arbitragecommissie KNVB: Spelersmakelaar niet tekortgeschoten in nakoming spelersmakelaarsovereenkomst met Arica


Arica heeft vanaf 2003 bij de jeugdelftallen  van Ajax gespeeld. Arica had tot 30 juni 2013 een doorlopende  arbeidsovereenkomst met Ajax.
In de periode van december 2010 tot augustus 2012 werden de belangen van Arica behartigd door spelersmakelaar Arie Treffers. Op verzoek van Arica is de spelersmakelaarsovereenkomst met Arie Treffers beëindigd. Tussen Ajax en de toenmalige zaakwaarnemer van Arica, Arie Treffers, is gesproken  over een nieuwe/verlengde  arbeidsovereenkomst tussen Ajax en Arica.
Door Ajax is in de loop van 2012 het voorstel gedaan de doorlopende arbeidsovereenkomst open te breken en een arbeidsovereenkomst voor de duur van 2 jaren aan te gaan, zulks vanaf 1 juli 2012 tot en met 30 juni 2014. Onderdeel van dat aanbod was dat Arica in de periode van 1 juli 2012 tot 30 juni 2013 € 50.000,-- bruto als salaris zou gaan verdienen en in de periode 1 juli 2013 tot 30 juni 2014 € 75.000,-- bruto.
Arica heeft het aanbod van Ajax destijds niet aanvaard.
In de zomer van 2012 heeft EL H&B Arica benaderd met het verzoek hem te mogen begeleiden. Arica heeft daarmee ingestemd.
EL H&B Sportsmanagement B.V. heeft een spelersmakelaarsovereenkomst gesloten met Arica. In de overeenkomst d.d. 13 oktober 2012 is onder andere het volgende bepaald.
"1.1     De spelersmakelaar is exclusief bevoegd de speler bij te staan in de ontwikkeling van zijn professionele carrière en te vertegenwoordigen bij het benaderen van, en onderhandelen met clubs en diens vertegenwoordigers, één en ander met als doelstelling het realiseren van een arbeidsovereenkomst tussen de speler en de club.

1.4       De speler is gehouden bij elke toenadering door een derde betreffende een onderwerp dat valt onder deze overeenkomst te verwijzen naar de exclusieve vertegenwoordigingsbevoegdheid van de spelersmakelaar. De speler onthoudt zich van het aangaan van onderhandelingen zonder tussenkomst van de spelersmakelaar.

2.1                   De Spelersmakelaar ontvangt gedurende de looptijd van dit contract een vergoeding gelijk aan 10 procent van de bruto inkomsten die de speler uit hoofde van zijn arbeidsovereenkomst met de club genereert. Hieronder wordt verstaan het salaris en het tekengeld.
Daarop heeft EL H&B namens Arica op 14 oktober 2012 een tegenvoorstel  gedaan, waarbij werd voorgesteld de arbeidsovereenkomst per 1 oktober 2012 open te breken en te laten voortduren tot 30 juni 2015 tegen een salaris van € 150.000,-- in de periode 1 oktober 2012 tot 30 juni 2013 en voor de resterende duur € 175.000,-- per jaar. Arica was van dat (tegen)voorstel op de hoogte.
Volgens ontstaat er om de één of andere reden een vertrouwensbreuk, tussen EL H&B en Arica met als gevolg dat op op 22 oktober 2012Arica met de directeur voetbalzaken gaat praten de heer Overmars.
Nadat de heer Overmars nader overleg hebben gevoerd - niet in aanwezigheid van EL H&B - heeft de heer Overmars bij e-mail d.d.22 oktober 2012 Arica als volgt bericht

" Hallo Yener,
Zoals vanochtend besproken waarbij je aangaf niet open te staan voor een verfenging van 3 jaar.
2 jaar zoals jij wilt kunnen we als club geen toekomstvisie op los laten.
Ajax trekt zijn aanbieding  in en we vinden het heel erg jammer dat we niet verder samen kunnen werken.
Maar dit is jouw keuze. Succes gewenst.



M. Overmars, directeur voetbalzaken".


Bij e-mail d.d. 30 oktober 2012 heeft Arica EL H&B als volgt bericht:
" Beste Fouad en Yassin,

Er zijn met betrekking van onze samenwerking  toerekenbare tekortkomingen waardoor er geen vertrouwensrelatie meer is welke benodigd is voor een verdere samenwerking, hierdoor beêindig ik per direct onze samenwerking.


Met vriendelijke groet, Yener Arica".

Bij e-mail d.d. 31 oktober 2012 heeft EL H&B Arica als volgt bericht:
" Yener, hierbij ons reactie op jou mail.
1. Bij de reden: "toerekenbare tekortkomingen" hebben we helemaal geen herkenning.
2. Wat opzegging betreft verwijs ik je naar ons overeenkomst d.d. 13 oktober 2012. Groet, Yassin Boutahar".

Tussen EL H&B en Arica is daarna geen contact meer geweest, ondanks pogingen van EL H&B Arica- telefonisch- te spreken.
Arica heeft eind 2012/begin 2013 met de Turkse voetbalclub Kayserispor een arbeidsovereenkomst gesloten. Arica heeft EL H&B daarover niet geïnformeerd en EL H&B niet bij de onderhandelingen betrokken.
Bij brief d.d. 22 januari 2013 is Arica aansprakelijk gesteld voor de gestelde schade van EL H&B.

Het geschil
Partijen verschillen van mening of de tussen hen gesloten spelersmakelaarsovereenkomst al dan niet rechtsgeldig door Arica - buitengerechtelijk- is ontbonden en of El H&B Sportsmanagement B.V. al dan niet een schadevergoeding toekomt op grond van vermeende toerekenbare tekortkoming in de nakoming van de spelersmakelaarsovereenkomst door Arica.
EL H&B stelt zich op het standpunt dat de spelersmakelaarsovereenkomst tussen partijen nog vigeert en Arica, door EL H&B niet te betrekken bij de onderhandelingen rond de totstandkoming van zijn arbeidsovereenkomst met Kayserispor. jegens EL H&B toerekenbaar tekort is geschoten in de op hem uit hoofde van de makelaarsovereenkomst drukkende verplichtingen als gevolg waarvan EL H&B schade heeft geleden, welke schade Arica dan aan EL H&B dient te vergoeden.
Arica stelt zich op het standpunt dat EL H&B verplichtingen uit de tussen partijen gesloten spelersmakelaarsovereenkomst niet is nagekomen en deze tekortkomingen de (buitengerechtelijke) ontbinding van de spelersmakelaarsovereenkomst rechtvaardigden.

Het oordeel
De arbitragecommissie meent dat- voor zover die stelling van Arica al juist zou zijn- niet als een tekortkoming heeft te gelden dat Arica geen nadere mogelijkheid is geboden de spelersmakelaarsovereenkomst door een deskundige te laten beoordelen. Nog daargelaten dat niet is gebleken dat Arica daarom heeft gevraagd, is vast komen te staan dat tussen partijen in september 2012 een vergelijkbare spelersmakelaarsovereenkomst is gesloten en Arica derhalve bij de ondertekening van de tweede versie -desgewenst opnieuw- de mogelijkheid had om zich van de juistheid van de daarin opgenomen bepalingen te vergewissen. Ook heeft Arica na 12 oktober 2012 bij EL H&B op geen enkel moment aangegeven dat hij het met de spelersmakelaarsovereenkomst­ bij nader inzien - toch niet eens was.
Dat tussen Arica en EL H&B zou zijn afgesproken dat Arica van alle contacten en correspondentie op hetzelfde moment (via een cc) op de hoogte zou worden gebracht, is de arbitragecommissie niet gebleken. In casu is voor de arbitragecommissie voldoende komen vast te staan dat het tegenvoorstel dat door EL H&B namens Arica op 14 oktober 2012 aan Ajax is gedaan, vooraf met Arica is besproken. Het uiteindelijke voorstel is, nadat het aan de heer Overmars is gemaild, binnen een uur ook aan Arica gemaild. De arbitragecommissie acht dat toereikend. Van een tekortkoming aan de zijde van EL H&B is dan ook geen sprake.
EL H&B en Arica zijn met het aantreden van de heer Overmars als directeur voetbalzaken bij Ajax geconfronteerd met een nieuw beleid. Anders dan voorheen was Ajax niet langer bereid om Arica een verbeterde arbeidsovereenkomst voor een kortere periode aan te bieden. Ajax wenste Arica voor een langere periode te contracteren. Het is de arbitragecommissie niet gebleken dat EL H&B in strijd met de instructies van Arica met Ajax heeft onderhandeld. De arbitragecommissie meent dat ook het tegenvoorstel van 14 oktober 2012 in lijn is met de instructies van Arica. Dat dat tegenvoorstel niet tot overeenstemming heeft geleid, kan EL H&B niet worden toegerekend; Ajax wenste immers een langere contractduur dan door EL H&B namens Arica was voorgesteld.
Ook op dit punt is EL H&B jegens Arica niet tekortgeschoten.
Dat IEL H&B aan Arica advies heeft gegeven hoe- in de onderhandelingsperiode-op te treden, past in de visie van de arbitragecommissie in de rol die EL H&B als spelersmakelaar had. Die handelwijze vormt- in de gegeven omstandigheden - geen toerekenbare tekortkoming.
De arbitragecommissie overweegt al met al dat EL H&B niet toerekenbaar tekort is geschoten jegens Arica en de buitengerechtelijke ontbinding van de overeenkomst dan ook geen doel treft.
Dat maakt dat de spelersmakelaarsovereenkomst tussen partijen niet (rechtsgeldig) door Arica is opgezegd c.q. beëindigd en dat Arica gehouden is de schade te vergoeden die EL H&B heeft geleden.
Zulks brengt mede dat de arbitragecommissie heeft te onderzoeken of EL H&B schade heeft geleden als gevolg van het feit dat Arica haar niet heeft betrokken bij de totstandkoming van diens arbeidsovereenkomst met Kayserispor en zo ja, hoe hoog die schade redelijkerwijs is, zulks mede indachtig het bepaalde in artikel19.7 van de FIFA Regulations on the Transfer of Players . In dat kader heeft EL H&B zich uitdrukkelijk op het standpunt gesteld dat Arica zich in die onderhandelingen en bij de totstandkoming van die arbeidsovereenkomst door een andere spelersmakelaar heeft laten bijstaan. Ook gelet op het uitdrukkelijke (getuigen)bewijs dat EL H&B ter zake heeft aangeboden, zal EL H&B in de gelegenheid worden gesteld deze stelling te bewijzen.