Posts tonen met het label Non-conformiteit. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Non-conformiteit. Alle posts tonen

vrijdag 1 mei 2015

Bewijsvermoeden van artikel 7:18 lid 2 BW ook van toepassing in geval van koop van een paard


De feiten
Het gaat in deze zaak om het volgende.
Op 13 juli 2010 is het paard Barney Hill zowel klinisch als röntgenologisch gekeurd door dierenarts [E] die een positief aankoopadvies verstrekte. Op of omstreeks 14 juli 2010 heeft de koper Barney Hill gekocht van Westrade voor € 30.000,-. Op 25 juli 2010 heeft de koper Barney Hill bij Westrade bereden. Hiervan is een video-opname gemaakt.
Barney Hill is in augustus 2010 bij Westrade opgehaald en naar Israël getransporteerd. Begin september 2010 heeft de koper met Barney Hill dressuurles genomen bij [G]. [G] schrijft in zijn verklaring van 28 november 2010 dat Barney Hill vanaf de eerste les kreupel was.
De koper heeft Barney Hill in september 2010 door de dierenartsen [A] en [R] laten onderzoeken. Beide dierenartsen concluderen dat Barney Hill kreupel is aan het rechter voorbeen.
Op 7 november 2010 heeft de koper Barney Hill laten onderzoeken door de dierenartsen [K] en [T]. Beide dierenartsen concluderen dat Barney Hill kreupel is aan het rechter voorbeen met als oorzaak een ontsteking in het peesgebied (proximal suspensory desmitis).
 Bij brief van 26 november 2010 heeft de advocaat van de koper de koopovereenkomst vernietigd althans ontbonden.
 Bij exploot van 1 juli 2011, hersteld bij exploot van 4 juli 2011, heeft de koper Westrade gedagvaard voor de kantonrechter te Dordrecht. de koper vorderde een verklaring voor recht dat hij de koopovereenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden en voorts veroordeling van Westrade tot restitutie van de koopsom, tot het ophalen van Barney Hill bij de koper en tot vergoeding van de schade en buitengerechtelijke kosten.
In zijn vonnis van 12 april 2012 heeft de kantonrechter het beroep van de koper op het bewijsvermoeden van artikel 7:18 lid 2 BW verworpen. Volgens de kantonrechter verzet het feit dat het in dit geval gaat om een levend dier, mede gelet op de omstandigheden van het geval, zich tegen (toepassing van) het bewijsvermoeden. Daarbij heeft de kantonrechter in aanmerking genomen dat voorafgaand aan de verkoop door dierenarts Evers kennelijk geen afwijkingen zijn vastgesteld en het gebrek eerst is geconstateerd nadat Barney Hill was getransporteerd naar Israël. Vervolgens heeft de kantonrechter een deskundigenonderzoek bevolen voor het vaststellen van het gestelde gebrek en de oorzaak daarvan.
Het deskundigenbericht dat daarop is gevolgd, vermeldt onder meer:
De video laat zien dat Barney Hill in draf zo nu en dan RV kreupel loopt, maar soms ook enkele passen LV niet geheel zuiver loopt. Met name valt op dat de pas RV niet altijd goed wordt afgemaakt. (…) Naar mijn mening is er op basis van deze video (25-07-2010) geen uitspraak te doen of de geconstateerde kreupelheid te maken heeft met ruiter, paard, dan wel beide.
(…)
Samenvattend: het is hoogstwaarschijnlijk dat de op 7 november 2010 geconstateerde kreupelheid RV van Barney Hill veroorzaakt wordt door een ontsteking van het bovenste deel van de zgn. tussenpees, waarbij er met echografie geen ziekteverschijnselen zijn waar te nemen.

(…)
Op basis van de verklaringen van [G] (4 september), de dierenartsen [A] en [R] (september) en de dierenartsen [K] en [T] (7 november) is in een periode van 2 maanden herhaaldelijk vastgesteld dat Barney Hill RV kreupel loopt. Gelet op deze waarnemingen is er sprake van een chronische kreupelheid. Voor mij valt niet vast te stellen of dat op 1 augustus 2010 (ook) zo was. Immers, tijdens de aankoopkeuring op 13 juli 2010 liep volgens het keuringsrapport van dierenarts [E] Barney Hill niet kreupel en zijn er ook geen bevindingen waargenomen die te zijner tijd tot kreupelheid aanleiding kunnen geven. Op de video van 25 juli is weliswaar een kreupelheid te zien, maar ik kan geen uitspraak doen of dit te maken heeft met ruiter, paard, dan wel beide.
(…)
Bij vonnis van 14 februari 2013 heeft de kantonrechter de vordering afgewezen. Daartoe heeft hij overwogen dat volgens de deskundige een antedatering van de kreupelheid in alle redelijkheid slechts kan tot de datum van het onderzoek van [R] (september 2010) omdat deze in zijn onderzoek de kreupelheidsoorzaak in dezelfde regio vaststelde. In de (ante)datering tot het onderzoek van [R] zit al een marge en verdere (ante)datering is in redelijkheid niet mogelijk omdat men op beelden geen diagnose kan stellen, er vele andere aandoeningen tot vergelijkbare kreupelheid kunnen leiden en desmitis acuut kan ontstaan. Gelet op de nadere, goed gemotiveerde onderbouwing van de deskundige heeft de kantonrechter deze in zijn bevindingen gevolgd. De kantonrechter heeft daarom de koper niet geslaagd geacht in zijn bewijsopdracht.

Oordeel gerechtshof
De koper komt op tegen het oordeel van de kantonrechter dat het bewijsvermoeden van artikel 7:18 lid 2 BW in het onderhavige geval niet van toepassing is omdat het gaat om een levend dier en vanwege de omstandigheden van het geval. de koper betoogt dat uit de wetsgeschiedenis van artikel 7:18 lid 2 BW blijkt dat bij de totstandkoming van de richtlijn waarop deze bepaling is gebaseerd (Richtlijn 1999/44/EG, PbEG 1999, L 171, 12) alsook bij de totstandkoming van de bepaling zelf blijkt dat de problematiek van levende dieren is onderkend maar dat dat niet ertoe heeft geleid dat deze categorie als uitzondering in het kader van de tenzij-bepaling moet worden beschouwd.
Ingevolge artikel 7:18 lid 2 BW wordt bij een consumentenkoop vermoed dat de zaak bij aflevering niet aan de overeenkomst heeft beantwoord, indien de afwijking van het overeengekomene zich binnen een termijn van zes maanden na aflevering openbaart, tenzij de aard van de zaak of de aard van de afwijking zich daartegen verzet. In dit geding ligt de vraag voor of de aard van de zaak, een paard, en/of de aard van de afwijking, chronische kreupelheid vanwege een peesontsteking, meebrengen dat vanwege de tenzij-bepaling geen beroep kan worden gedaan op het bewijsvermoeden van voormeld artikel.
Tijdens de behandeling in de Eerste Kamer van het wetsvoorstel Aanpassing van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek aan de richtlijn betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen, dat heeft geleid tot invoering van artikel 7:18 BW is aan de minister de vraag gesteld of het niet voor de hand had gelegen in de wet uitdrukkelijk planten en dieren uit te zonderen op grond van de aard van de zaak als bedoeld in artikel 7:18 lid 2 BW. De minister heeft daarop als volgt geantwoord:
Het is, zoals aangegeven, juist dat bij bepaalde planten en dieren de aard daarvan zich tegen toepassing van het bewijsvermoeden kan verzetten. Ik noemde reeds planten waarvan men niet mag verwachten dat deze langer dan een aantal maanden leven en aquariumvissen die slechts bij een zeer nauwgezette verzorging in leven blijven. Men zal per geval moeten beoordelen of de aard daarvan zich al dan niet tegen toepassing van het bewijsvermoeden verzet, evenals dat bij andere consumptiegoederen het geval is. Ik meen dat men niet in het algemeen bij dieren en planten kan stellen dat de aard zich tegen toepassing van het bewijsvermoeden verzet. De richtlijn bevat op dit punt een open formulering omdat zo'n algemene uitzondering zich moeilijk in abstracto laat formuleren. Een specificering in de nationale uitvoeringswet zal snel in strijd met de richtlijn zijn.
(zie: Kamerstukken I, 2002-2003, 27 809, nr. 32a (nadere memorie van antwoord), blz. 4)
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de minister hieromtrent nog opgemerkt:
De discussie richt zich nu op dieren en het is zeker niet mijn bedoeling om daar bagatelliserend over te doen. Ik weet ook dat de betrokken branche zich zorgen maakt op dit punt. Daarom zeg ik voor alle duidelijkheid nog eens, dat Nederland zich van het begin af aan tegen het voorstel op dit punt heeft gekeerd, ook omdat Nederland deze omdraaiing van rechtsvermoedens niet juist vindt. Dat heeft er ook toe geleid dat Nederland zich op dit punt heeft onthouden, maar de consequentie van harmonisatie van wetgeving – dat overigens in de meeste gevallen tot goede wetgeving leidt – is nu eenmaal dat een aantal lidstaten overstemd kan worden. Het enkele feit dat Nederland overstemd wordt, is geen bewijs dat het resultaat slecht is. De mogelijkheid om lidstaten te overstemmen, geeft in veel gevallen juist de gelegenheid om betere wetgeving te realiseren.

en

Tijdens de onderhandelingen heeft Duitsland bepleit om de koop en verkoop van vee van de werkingssfeer van de richtlijn uit te sluiten, maar Duitsland heeft dit punt uiteindelijk laten vallen. Hieruit en uit de afwijzing van het Nederlandse voorstel blijkt ook dat onder ogen is gezien dat de richtlijn ook van toepassing is op de koop en verkoop van dieren en dat dit ook altijd de bedoeling is geweest. Dit geldt derhalve ook voor het wettelijke bewijsvermoeden. Zoals gezegd heeft Nederland zich juist tegen dit element van de richtlijn verzet; Nederland heeft gepleit voor de schrapping ervan. Omdat daarvoor onvoldoende steun bestond, is het bewijsvermoeden gehandhaafd en heeft Nederland zich onthouden bij de stemming. Dit punt is ook aan de orde gekomen in de SER die advies heeft uitgebracht over de richtlijn. Een meerderheid van de SER heeft de omkering van de bewijslast afgewezen, onder meer vanwege het mogelijk misbruik dat dit in de hand werkt. Dat deel was van mening dat de rechter van geval tot geval moet afwegen op welke partij de bewijslast rust. Kortom, voor dit onderdeel bestond zeker geen enthousiasme of steun in Nederland, maar het is een consequentie van het besluit over de richtlijn.
(zie: Handelingen I, 2002-2003, 19, blz. 596-597 en 598)

Specifiek over paarden heeft de minister opgemerkt:
De leden van de CDA-fractie stellen een aantal vragen over het effect van artikel 18 lid 2 bij de verkoop van paarden aan particulieren, waarbij de leden van de VVD-fractie zich aansluiten. De leden van de CDA-fractie constateren dat paarden doorgaans worden gebruikt op een wijze die het risico van letsel met zich meebrengt. Daarbij gaat het volgens deze leden om een reeks van mogelijke letsels: enerzijds om van buitenaf zichtbaar letsel dat door een direct van buitenaf op een paard inwerkende oorzaak is veroorzaakt, tot anderzijds om niet van buitenaf zichtbaar, inwendig ontstaan letsel, dat niet rechtstreeks is terug te voeren op een direct van buitenaf inwerkende oorzaak. Als voorbeeld geven deze leden een ontsteking, die het gevolg is van een verkeerd gebruik of een te intensief gebruik van het paard.
Deze leden stellen vervolgens dat de omstandigheid dat het om van buitenaf zichtbaar letsel gaat, spoedig tot de conclusie moet leiden dat de aard van de afwijking zich ertegen verzet, dat het vermoeden van artikel 18 lid 2 wordt toegepast. Onaannemelijk is, volgens deze leden, dat de koper het letsel niet heeft gezien bij de aflevering. Deze stelling kan in zijn algemeenheid worden onderschreven, met dien verstande dat ook bij van buitenaf zichtbaar letsel denkbaar is dat, ook al was deze bij de aflevering niet zichtbaar, de manifestering van dit letsel toch op een afwijking van het overeengekomene wijst. Men denke bijvoorbeeld aan een hond met heupdysplasie die zich na de aflevering manifesteert (vgl. HR 9 januari 1998, NJ 1998, 272). De aard van het letsel is hier derhalve van belang.
Vervolgens vragen de leden van de CDA-fractie aandacht voor een inwendige afwijking als gevolg van een verkeerd gebruik van het paard of een ernstige belasting van het dier. Deze leden wijzen erop dat aan de hand van waarnemingen van een veterinair deskundige, respectievelijk met hulpmiddelen uitgevoerd onderzoek, op basis van ervaringsregels en wetenschappelijke kennis de termijn kan worden bepaald tussen het moment van onderzoek en het moment waarop de aandoening moet zijn ontstaan. Deze leden meenden dat bij het optreden van een afwijking van een dier een dergelijke antedateringstermijn in beginsel bepalend zal zijn voor de vraag of het ten tijde van de aflevering aan de overeenkomst heeft beantwoord. Indien op een dergelijke wijze bepaald kan worden dat de inwendige afwijking nog niet bestond op het moment van aflevering, wil dat niet altijd zeggen dat daarmee het dier aan de overeenkomst beantwoordt. Het is immers goed mogelijk dat de afwijking die zich na aflevering openbaart het gevolg is van een erfelijke afwijking, waardoor het dier niet aan de overeenkomst beantwoordt. Het is verder ook mogelijk dat bijvoorbeeld een hierboven genoemde ontsteking niet het gevolg is van een ernstige belasting van het dier, maar het gevolg is van een overgevoeligheid daarvoor, waardoor een dier reeds bij een normale belasting daarvan last krijgt. Het dier is dan reeds ten tijde van de aflevering niet geschikt voor een normaal gebruik, zodat het niet aan de overeenkomst beantwoordt. Of een dergelijke antedateringstermijn derhalve bepalend kan zijn voor de vraag of het dier aan de overeenkomst beantwoordt, zal afhankelijk zijn van de aard van de afwijking en de wetenschappelijke inzichten omtrent de waarschijnlijke of mogelijke oorzaak of oorzaken daarvan.
Aldus kan een antedateringstermijn ook een rol spelen bij de toepassing van artikel 18 lid 2, waarnaar de leden van de CDA-fractie vervolgens vragen. Indien met toepassing van dit lid de verkoper dient te stellen en, zo nodig, te bewijzen dat het dier bij de aflevering aan de overeenkomst beantwoordde, zal – als zojuist aangegeven – een antedateringstermijn niet in alle gevallen bepalend zijn voor de beantwoording van deze vraag. Dit is zij bijvoorbeeld niet indien de afwijking een natuurlijke, of mede een natuurlijke oorzaak kan hebben. Indien de afwijking evenwel uitsluitend het gevolg kan zijn van een verkeerd gebruik van het paard, dan is met de antedateringstermijn te bewijzen of het paard bij de aflevering al dan niet aan de overeenkomst beantwoordde. Hetzelfde heeft te gelden voor de bewijsfunctie in deze van röntgenfoto's van kwetsbare delen van het paard, waarnaar deze leden verwijzen. In antwoord op de vraag van deze leden zij voorts nog opgemerkt dat indien de aard van de afwijking meebrengt dat de verkoper door een antedateringstermijn of een röntgenfoto kan bewijzen dat het paard bij de aflevering aan de overeenkomst beantwoordde, de koper per definitie niet meer kan bewijzen dat de het paard niet aan de overeenkomst beantwoordde.
Ten slotte beschrijven de leden van de CDA-fractie de situatie waarbij een antedateringstermijn naar wetenschappelijke inzichten niet de beoogde zekerheid geeft omtrent het moment van het ontstaan van de aandoening, danwel de termijn een zekere marge kent, waardoor de afwijking zowel vlak voor de datum van aflevering als vlak daarna kan zijn ontstaan. Deze leden vragen of de zienswijze kan worden omschreven dat in dat geval de verkoper kan aantonen dat in de periode voor aflevering zodanig gebruik is gemaakt van het paard, dat het naar wetenschappelijke inzichten onwaarschijnlijk is dat de afwijking in die periode is ontstaan. Hierbij zij er nogmaals op gewezen dat het mogelijk is dat ook al openbaart een afwijking zich na aflevering, het paard desondanks niet aan de overeenkomst beantwoordt, bijvoorbeeld bij een erfelijke afwijking. Indien evenwel de afwijking louter het gevolg kan zijn van een verkeerd gebruik van het paard en het gezien het gebruik van het paard voor de aflevering naar wetenschappelijke inzichten onwaarschijnlijk is dat de afwijking in die periode is ontstaan, dan zal de beantwoording van de vraag of de verkoper daarmee in voldoende mate heeft bewezen dat het paard bij aflevering aan de overeenkomst beantwoordde, afhankelijk zijn van de mate van onwaarschijnlijkheid dat de afwijking voor de aflevering is ontstaan.
(zie: Kamerstukken I, 2001–2002, 27 809, nr. 323b (memorie van antwoord), blz. 8-9)

Uit het voorgaande volgt dat het enkele feit dat de verkochte zaak een dier en meer specifiek een paard betreft, niet aan toepassing van het bewijsvermoeden van artikel 7:18 lid 2 BW in de weg staat.
Met betrekking tot de vraag of de aard van de onderhavige afwijking, chronische kreupelheid vanwege een peesontsteking, in de weg staat aan een beroep op het bewijsvermoeden kan worden gewezen op de volgende passages in de parlementaire geschiedenis met betrekking tot artikel 18 lid 2 BW:
(…) bij de aard van de afwijking denke men aan de situatie waarin duidelijk is dat de afwijking is ontstaan door de handelwijze van de koper (bijvoorbeeld een overduidelijk door een val niet meer functionerende videorecorder).
(Zie: Kamerstukken II, 2000–2001, 27 809, nr. 3 (memorie van toelichting), blz. 20)
Ik vrees evenwel niet dat de verkoper hierdoor in veel gevallen in een bewijsnood terecht kan komen, omdat het wettelijk vermoeden niet geldt indien de aard van de afwijking zich daartegen verzet. Voor afwijkingen die derhalve duidelijk het gevolg zijn van onoordeelkundig gebruik door de consument, heeft deze regel derhalve geen effect. Uiteraard heeft het wettelijk vermoeden wel effect indien deze duidelijkheid ontbreekt, maar thans is moeilijk in te schatten in welke mate dit effect zich in de praktijk zal manifesteren.
(Kamerstukken I, 2001–2002, 27 809, nr. 323b (memorie van antwoord), blz. 8)

Uit deze passages blijkt dat de aard van de afwijking in de weg staat aan toepassing van het bewijsvermoeden indien reeds uit de aard van de afwijking volgt dat de afwijking zich ten tijde van de levering niet kan hebben voorgedaan. Daarvan is naar het oordeel van het hof in de onderhavige zaak geen sprake. Uit de aard van de afwijking, chronische kreupelheid vanwege een peesontsteking, kan niet worden afgeleid dat die pas na de levering is ontstaan.
 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat noch de aard van de verkochte zaak noch de aard van de afwijking in de weg staat aan toepassing van het bewijsvermoeden van artikel 7:18 lid 2 BW zodat de vierde en vijfde grief van de koper slagen.

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of het beroep van de koper op het bewijsvermoeden slaagt. Daarvoor is vereist dat de afwijking zich binnen een termijn van zes maanden na de aflevering heeft geopenbaard. Tussen partijen staat vast dat Barney Hill in augustus 2010 is geleverd. Uit het deskundigenbericht en het aanvullend deskundigenbericht blijkt dat de afwijking in september en november 2010 door verschillende dierenartsen is vastgesteld. Aldus heeft de afwijking zich binnen zes maanden na augustus 2010 geopenbaard zodat de koper een beroep toekomt op het bewijsvermoeden van artikel 7:18 lid 2 BW.
In de onderhavige zaak dient derhalve te worden uitgegaan van het vermoeden dat Barney Hill tijdens de aflevering aan de koper leed aan chronische kreupelheid vanwege een peesontsteking.
Dit vermoeden wordt nog versterkt door het deskundigenbericht en het aanvullend deskundigenbericht waarin de deskundige op basis van de video-opname van 25 juli 2010 tot de conclusie komt dat Barney Hill reeds op dat, vóór de aflevering gelegen, moment kreupel loopt. Volgens de deskundige loopt Barney Hill blijkens die video-opname kreupel op een wijze die ook wordt gezien bij paarden die lijden aan de bij Barney Hill geconstateerde peesontsteking aan het voorbeen. Daarbij maakt de deskundige wel de kanttekening dat hij niet kan uitsluiten dat de kreupelheid die op de video-opname is te zien een andere oorzaak heeft. Volgens de deskundige zijn er ook andere aandoeningen die tot een vergelijkbare kreupelheid kunnen leiden. Ook de ruiter kan de oorzaak zijn van het kreupel lopen.
Het vermoeden van artikel 7:18 lid 2 BW wordt ook nog versterkt door de volgende door de koper in eerste aanleg overgelegde verklaringen van dierenartsen die ook de video-opname hebben bekeken.
Concluderend:
Het paard Barney Hill is op de video-opname van 25 juli 2010 zichtbaar mank rechts voor. Er zijn geen objectieve elementen die er op wijzen dat de kreupelheid wordt uitgelokt door de ruiter. De kreupelheid op de video is verder qua type vergelijkbaar met de kreupelheid die tijdens de onderzoeken in de maanden volgend op de levering werd toegeschreven aan een proximale insertiedesmopathie.
Alles in acht genomen kan aldus met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden besloten dat (1) de kreupelheid op de video van 25 juli 2010 een fysieke oorzaak heeft en dat (2) die oorzaak dezelfde is als deze die verantwoordelijk wordt geacht voor de kreupelheid tijdens de onderzoeken in het najaar 2010 te Israël.
Het hof is van oordeel dat Westrade met hetgeen zij tot op dit moment heeft overgelegd vooralsnog onvoldoende tegenbewijs heeft geleverd tegen het bewijsvermoeden van artikel 7:18 lid 2 BW.
Westrade heeft in haar memorie van antwoord bewijs aangeboden. Ingevolge artikel 151 lid 2 Rv en vaste jurisprudentie van de Hoge Raad heeft Westrade recht op het leveren van tegenbewijs en behoeft een daarop gericht bewijsaanbod geen specificatie. Westrade zal daarom worden toegelaten tot het leveren van tegenbewijs. Aangezien zij niet heeft toegelicht op welke wijze zij tegenbewijs wenst te leveren, zal Westrade in de gelegenheid worden gesteld om bij akte nader toe te lichten hoe zij tegenbewijs wenst te leveren. De zaak zal daartoe naar de rol van 14 april 2015 worden verwezen. Na de akte van Westrade zal aan de koper de gelegenheid worden gegeven om bij antwoordakte daarop te reageren. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

Beslissing
Het hof:
- verwijst de zaak naar de rol van 14 april 2015 voor het nemen van een akte door Westrade als bedoeld in rov. 31;
- houdt iedere verdere beslissing aan.


woensdag 11 maart 2015

De non-conforme pony met zadeldwang en singelnijd




De feiten
De verkopers hebben eind 2011 op www.marktplaats.nl de pony Eindershof Carlos te koop aangeboden. In de advertentie is, voor zover van belang, vermeld:

Te koop super allround D-pony Einderhofs Carlos
(…)
Niveau:
Nationaal.
(…)
Beschrijving
(…)
Carlos is een lieve pony, die zeer geschikt is om veel van te leren. Het is een hoog geschoolde pony, hij kent alle kunstjes tot en met de wissels om de pas. Ook is hij allround, wat wil zeggen dat hij goed kan dressuren maar ook heel goed kan springen.
(…) Het is een pony die graag voor je aan het werk wil en hij houdt van wedstrijden.
(…)”
De koper was eind 2011 op zoek naar een brave wedstrijdpony voor zijn twaalfjarige dochter.
De koper heeft op 22 oktober 2011 de pony Eindershof Carlos gekocht van de verkopers voor een bedrag van € 6.000,-. In deze koopovereenkomst staat onder meer:
6.
(…)
Carlos is verkocht als een allround sportpony.
Verkoper verklaart kennis te hebben genomen van de hierboven omschreven bedoeling van de koper en verklaart dat het onder 1 beschreven dier (hof: Eindershof Carlos) hiervoor geschikt is.”
Eindershof Carlos is op 22 oktober 2011 aan de koper geleverd.
In eerste aanleg vorderde de koper, verkort weergegeven, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad voor recht te verklaren dat de koopovereenkomst is ontbonden dan wel deze alsnog te ontbinden en, subsidiair, voor recht te verklaren dat de koopovereenkomst is vernietigd dan wel deze alsnog te vernietigen.

Grondslag van de vordering
Op 24 oktober 2011 wilde de dochter van de koper voor de eerste keer op Eindershof Carlos gaan rijden. Hierbij is het echter vreselijk mis gegaan. Tijdens het opstappen steigerde Eindershof Carlos zonder enige aanleiding en heeft hij zichzelf geheel omgegooid. Hierbij is dochter van de koper onder de pony terecht gekomen, gelukkig zonder ernstig letsel. Ook bij het poetsen vertoonde Eindershof Carlos zeer onberekenbaar gedrag en steigerde hij veel.
Vervolgens heeft de koper de pony op 27 oktober 2011 door de dierenarts laten onderzoeken. Deze constateerde dat Eindershof Carlos bij algemeen palpatie van het lichaam zeer sensibel is alsook dat het dier tijdens het opzadelen extreem steigerde en zich bijna achterover liet vallen. Volgens de koper bevestigde de dierenarts verder dat dit gebrek reeds aanwezig moet zijn geweest op het moment van aankoop en dat het om levensgevaarlijk gedrag voor ruiter en/of begeleider gaat.
Daarnaast wees nader onderzoek door de koper in de tussentijd nog uit dat het door de verkopers genoemde niveau, nationaal, absoluut niet correct is. Tijdens de bezichtigingen van de pony voorafgaand aan de koop hebben de verkopers telkens benadrukt dat het een lieve en betrouwbare leerpony was, uitermate geschikt voor kinderen en een goede wedstrijdpony. De verkopers hebben geen melding van gebreken of gedragsproblemen van de pony gemaakt.
De koper stelt zich primair op het standpunt dat de pony niet voldoet aan de koopovereenkomst althans niet aan de verwachtingen die hij op grond daarvan van het dier kan en mag hebben. Er is dan ook sprake van non-conformiteit als bedoeld in artikel 7:17 lid 2 BW. de koper is gerechtigd op grond van artikel 6:265 lid 1 BW de overeenkomst te ontbinden en restitutie van het aankoopbedrag te vorderen. Subsidiair stelt hij zich op het standpunt dat de koopovereenkomst vernietigbaar is wegens dwaling.

Oordeel kantonrechter
In het vonnis waarvan beroep van 10 juli 2012 heeft de kantonrechter overwogen dat gelet op de tegengestelde standpunten van partijen hij het noodzakelijk acht om zich te laten adviseren door een ter zake deskundige en dat partijen ter comparitie ingestemd hebben met de benoeming van een deskundige. De kantonrechter heeft vervolgens de dierenarts S. Welschen tot deskundige benoemd en de deskundige opgedragen om de in dat vonnis geformuleerde vragen te beantwoorden. De kantonrechter heeft ook opgenomen dat bij de rijtechnische beoordeling rijstal Dijkerhoeve van de familie Dorssers zal worden ingeschakeld.
De deskundige heeft op 20 december 2012 een (definitief) rapport uitgebracht. Dit rapport is naast door Welschen voornoemd ondertekend door mw. S. Dorssers van stal Dijkerhoeve.
In het vonnis waarvan beroep van 10 juli 2013 heeft de kantonrechter overwogen dat de deskundige heeft geconcludeerd dat de pony een duidelijke gedragsafwijking, te weten zadeldwang gecombineerd met een lichte vorm van singelnijd, vertoont, dat deze gedragsafwijking volgens Welschen bij de verkopers bekend was en zij daarmee konden omgaan maar dit voor de dochter van de koper niet mogelijk is en ook risico’s meebrengt. De kantonrechter is van oordeel dat de gekochte pony, die bestemd was voor de twaalfjarige dochter van de koper, nu die is aangeboden als lieve en betrouwbare leerpony, geschikt voor kinderen, niet voldoet aan de eisen die de koper redelijkerwijs aan de pony mocht stellen. de koper heeft gelet hierop terecht de koopovereenkomst ontbonden, aldus de kantonrechter.
Op grond daarvan heeft de kantonrechter de primair gevorderde verklaring voor recht toegewezen. Ook heeft hij de vordering om de pony op te halen en weer in bezit te nemen en de veroordeling tot terugbetaling van de door de koper betaalde koopsom van € 6.000,- toegewezen. De gevorderde schadevergoeding is gedeeltelijk toegewezen. De gevorderde buitengerechtelijke kosten zijn afgewezen. De verkopers zijn als de ongelijk gesteld partij veroordeeld in de kosten van de procedure.

Verweer verkopers
De verkopers hebben in hoger beroep in totaal zes grieven aangevoerd. De belangrijkste grieven, grieven 3, 4 en 5, strekken ten betoge dat er geen sprake is van non-conformiteit. Grief 6 houdt in dat de geconstateerde afwijking van zo geringe betekenis is dat deze ontbinding van de koopovereenkomst niet rechtvaardigt.
Bij de beoordeling van de grieven 3, 4 en 5 stelt het hof het volgende voorop.
Op grond van het conformiteitsvereiste van artikel 7:17 lid 1 BW moet bij een koopovereenkomst de afgeleverde zaak aan de overeenkomst beantwoorden. Ingevolge artikel 7:17 lid 2 BW beantwoordt een zaak (in ieder geval) niet aan de overeenkomst indien zij mede gelet op de aard van de zaak en de mededelingen die de verkoper over de zaak heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. Voorts mag de koper verwachten dat de zaak de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen, alsmede de eigenschappen die nodig zijn voor een bijzonder gebruik dat bij de overeenkomst is voorzien.
Het is in dit geval aan de koper als koper om te stellen en bij voldoende betwisting te bewijzen dat niet voldaan is aan het conformiteitsvereiste.
Gesteld noch gebleken is dat de verkopers de pony hebben verkocht handelend in de uitoefening van een beroep of bedrijf, zodat het hof ervan uitgaat dat geen sprake is van een consumentenkoop. Het vermoeden van artikel 7:18 lid 2 BW mist dan ook toepassing.
In eerste aanleg heeft bewijslevering plaatsgevonden in de vorm van deskundigenbewijs. In het vonnis waarvan beroep van 10 juli 2012 heeft de kantonrechter als vraag 1 geformuleerd of de pony afwijkend gedrag vertoont. Blijkens het rapport heeft de deskundige deze vraag als volgt beantwoord:
“De pony vertoont zeker afwijkend gedrag, nl. tijdens het opzadelen van de pony stond hij erg onrustig en gespannen op de wasplaats. Tijdens het zadelen en singelen werd dit gedrag nog sterker. Een duidelijk aanwezige zadeldwang met een in lichte mate aanwezig singelnijd.”
In de conclusie van het rapport heeft de deskundige vervolgens opgenomen dat de pony een duidelijke gedragsafwijking, te weten zadeldwang gecombineerd met een lichte vorm van singelnijd, heeft, zoals de kantonrechter heeft overwogen.
In zoverre wordt het deskundigenrapport door de grieven niet, althans niet voldoende duidelijk, bestreden. In de toelichting op grief 4 hebben de verkopers het hof verzocht het deel van het deskundigenrapport buiten beschouwing te laten dat op de vragen 2 en 3 (en niet vraag 1) ziet. Voor zover de verkopers betwisten dat er sprake is van zadeldwang en singelnijd, hebben zij terzake geen althans onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld om daarin aanleiding te zien van de conclusie van het deskundigenrapport af te wijken.
Volgens de verkopers had moeten worden onderzocht of het gebrek het gevolg is van een karakterafwijking of van invloeden als ziekte en pijnlijkheid. Het hof volgt de verkopers daarin niet. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom de oorzaak van het gebrek relevant is. Het gaat er immers om of de verkopers een gebrekkige pony aan de koper hebben geleverd.
Het hof komt de door de deskundige gebezigde motivering voor de conclusie overtuigend voor. Blijkens het rapport heeft Welschen op 29 oktober 2012 de pony zelf bekeken en onderzocht tijdens de voorbereiding (het poetsen), het zadelen en het aantrekken van de singel. Voorts vindt deze conclusie steun in het onderzoek van de dierenarts [dierenarts] op 27 oktober 2011. Ook is door de verkopers op zichzelf niet betwist dat het door de koper aangevoerde incident van de pony met dochter van de koper op 24 oktober 2011 zich heeft voorgedaan. Het hof zal de conclusie dat de pony de beschreven gedragsafwijking heeft daarom volgen.
Het hof is van oordeel dat de pony Eindershof Carlos gelet op deze gedragsafwijking, welke als een gebrek dient te worden aangemerkt, niet aan de door de koper en de verkopers aangegane koopovereenkomst beantwoordde. Daartoe overweegt het hof, in respons op de door de verkopers bij de grieven gevoerde verweren, verder als volgt.
De verkopers betwisten dat de pony dit gebrek had ten tijde van of vóór de koop/levering. Zij stellen dat het een door de koper zelf veroorzaakt karaktergebrek betreft, naar het hof begrijpt omdat de koper niet op de juiste wijze met Eindershof Carlos is omgegaan. Het hof overweegt dienaangaande het volgende. De koop/levering heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2011 en reeds op 24 oktober 2011, de eerste keer dat dochter van de koper met de pony wilde gaan rijden, heeft het incident plaatsgevonden en drie dagen later, op 27 oktober 2011, heeft de dierenarts Eindershof Carlos onderzocht. Onbetwist is dat deze dierenarts toen al heeft geconstateerd dat de pony zeer sensibel is bij palpatie (voelen) van het lichaam en extreem steigerde tijdens het opzadelen. Het onderzoek van de deskundige van ongeveer een jaar later bevestigde het bestaan van het gebrek. Uit de opmerkingen van dierenarts en de deskundige valt af te leiden dat de pony dit reeds had ten tijde van of vóór de koop/levering, zij het gezien de bevindingen van de deskundige mogelijk minder manifest omdat er bij de verkopers een speciaal protocol was voor het zadelen van Eindershof Carlos zodat dat goed ging. Ook uit de stellingen van de verkopers blijkt dat er reeds voorafgaand aan de levering een ‘gebruiksaanwijzing’ voor de omgang met de pony nodig was. Tegenover al het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof de onderhavige betwisting onvoldoende gemotiveerd. Aan (nadere) bewijslevering komt het hof op dit punt daarom niet toe.
Voorts hebben de verkopers ten verwere naar voren gebracht dat zij voorafgaand aan de koop de koper hebben gewaarschuwd dat Eindershof Carlos een gevoelige sportpony met een gebruiksaanwijzing is en uitgebreide instructies hebben gegeven zodat het aansingelen en zadelen goed zouden gaan. Voorts hebben zij de koper de mogelijkheid gegeven de pony zelf door een dierenarts te laten keuren, de instructrice na de levering te laten helpen met de pony en de koop voor de duur van een week op proef te sluiten, maar de koper heeft dit geweigerd, aldus de verkopers Ook stellen de verkopers dat dochter van de koper tijdens het bezichtigen bij de omgang met de pony zonder problemen is begeleid, ook bij het opzadelen, aansingelen en opstijgen.
Ook indien dit alles juist zou zijn, hetgeen de koper overigens ten dele betwist zodat dit niet vaststaat, dan heeft naar het oordeel van het hof te gelden dat gelet op de gedragsafwijking Eindershof Carlos niet aan de koopovereenkomst beantwoordde. Daartoe overweegt het hof voorts het volgende. Duidelijk is dat de verkopers aan de koper niet hebben meegedeeld dat de pony een duidelijke gedragsafwijking, te weten zadeldwang gecombineerd met een lichte vorm van singelnijd, heeft. Die mededeling hoefde vanzelfsprekend niet letterlijk in deze woorden te worden gedaan, maar de verkopers hadden de koper voorafgaand aan of bij het sluiten van de koopovereenkomst in duidelijke bewoordingen moeten wijzen op de gedragsafwijking, te meer nu de pony in de advertentie is aangeprezen als ‘lieve pony, die zeer geschikt is om veel van te leren’. Het hof volgt de verkopers niet waar zij stellen dat met dit onderdeel van de advertentie duidelijk alleen wordt gedoeld op het gedrag tijdens het rijden en niet op het gedrag van de pony tijdens bijvoorbeeld het poetsen en zadelen. Dat sprake zou zijn van een duidelijke gedragsafwijking, heeft de koper ook redelijkerwijs niet hoeven begrijpen uit de gestelde mededelingen, en evenmin uit de advertentie op www.marktplaats.nl. Voorts was bij de verkopers bekend dat de pony was bestemd voor de dochter van de koper, de (destijds) twaalfjarige dochter van de koper. Genoegzaam is gebleken dat de gedragsafwijking een normaal gebruik van de pony door dochter van de koper in de weg stond. Ook op dit punt is bewijslevering niet aan de orde.
Het vorenstaande brengt mee dat de grieven 3, 4 en 5 (en de grieven 1 en 2 voor zover die een nadere toelichting geven bij deze grieven), falen.
Grief 6 faalt eveneens. Gelet op het ernstige gebrek, dat door de dierenarts als levensgevaarlijk voor ruiter en/of begeleider wordt bestempeld, terwijl ook de deskundige in haar rapport vermeldt dat er risico’s voor dochter van de koper zijn, in onderlinge verband en samenhang bezien met het incident dat reeds heeft plaatsgevonden, kan niet gezegd worden dat er sprake is van een tekortkoming die gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis de ontbinding van de koopovereenkomst niet rechtvaardigt. De rijtechnische kwaliteiten van de pony, die niet (langer) in geschil zijn, maken dat niet anders. De koper was derhalve gerechtigd om de koopovereenkomst te ontbinden.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vonnissen waarvan beroep dienen te worden bekrachtigd. Dit betekent ook dat de terugbetalingsvordering van de verkopers niet toewijsbaar is. Als de in het ongelijk gestelde partij zullen de verkopers worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep.

De uitspraak

Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter

woensdag 12 november 2014

Non conformiteit pony


Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 11november 2014, ECLI:NL:GHARL:2014:8644

Koper heeft op 20 november 2011 een toen 8 jarige [paard] ruin met de naam "[de pony]" (hierna: de pony) van de koper gekocht voor een koopsom van € 5.500,-. Partijen kwamen daarbij overeen dat de pony nog klinisch gekeurd zou worden.
In de advertentie op internet waarin de pony te koop werd aangeboden, werd hij aangeduid als "sport ruin". Voorts werd vermeld dat hij gedurende het afgelopen jaar regelmatig had deelgenomen aan wedstrijden, springen in de klasse de koper heeft met de koper besproken dat zij de pony kocht voor haar dochter [de dochter] met het doel de pony voor de springsport te gebruiken.
Op 25 november 2011 is de pony klinisch onderzocht door dierenarts
[de dierenarts]. Zijn conclusie luidde: "Klinisch gezonde pony. Positief aankoopadvies".
De pony is diezelfde dag aan de koper geleverd.
Op 1 december 2011 heeft de koper de pony naar hoefsmid [de hoefsmid] gebracht. De hoefsmid constateerde dat de pony kreupel liep.
De koper heeft de pony vervolgens opnieuw laten onderzoeken door dierenarts [de dierenarts] en diens collega [collega]. [de dierenarts] schrijft daarover in zijn brief van
30 maart 2012:
"Op vrijdag 8 december 2011 is [de pony] opnieuw beoordeeld op de kliniek door ondergetekende en college [collega]. Pony vertoonde duidelijke ataxie en een wisselende kreupelheid RV. Pony is naar aanleiding van dit onderzoek doorverwezen naar de Universiteitskliniek Utrecht voor nader onderzoek."
 Van 20 tot 23 december 2011 is de pony neurologisch onderzocht in de Universiteitskliniek in Utrecht. De conclusie van dit onderzoek luidt als volgt:
"forse proximale kreupelheid te zien, hoogstwaarschijnlijk afkomstig uit de wervelkolom (cervicothoracale overgang).
Neurologische verschijnselen wijzend op cervicale/begin thoracale compressie. Geen structurele veranderingen zichtbaar waar dit door te verklaren valt, dus wrsch. dynamische compressie. Antedateren hiervan op basis van ons onderzoek lukt niet.
Youtube filmpjes (onofficieel) wijzen wel op eerdere kreupelheid (echte kreupelheid of zelfde als nu niet te onderscheiden).
De regio waar ataxie en kreupelheid samenkomen, is de laatste cervicale wervels en de eerste thoracale wervels. Deze laatste regio (begin thoracaal) is helaas niet verder in beeld te brengen. Opvallend is dat de kreupelheid fors verslechtert bij onderzoeken en/of arbeid. Bij vertrek was [de pony] veel erger kreupel dan bij aankomst.
Verdere onderzoeken zoals electromyografisch onderzoek (EMG) of scintigrafie zijn niet zinvol omdat hoogstwaarschijnlijk deze ook geen juridische antidatering kunnen verschaffen. Myelografie is niet zinvol omdat deze regio niet op röntgen te krijgen is."

Verder worden de volgende diagnose en prognose gegeven:
"Diagnose:
23.12.2011 spinale ataxie
23.12.2011 locomotie-apparaat
Kreupel rechtsvoor proximaal gelokaliseerd thv. cervicothoracale en scapulothoracale overgang.
[…]
Prognose: voor de sport ongunstig".

Uitspraak rechtbank
De koper heeft primair aangevoerd dat de pony niet beantwoordt aan de overeenkomst en subsidiair dat de overeenkomst onder invloed van dwaling tot stand is gekomen. Zij stelt dat de verkoper toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichting een gezonde sportpony te leveren. De koper vordert primair: gehele of gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst en subsidiair: vernietiging van de overeenkomst, een en ander met veroordeling van de verkoper tot terugbetaling van de koopsom vermeerderd met rente alsmede tot betaling van de kosten - op te maken bij staat - van stalling en verzorging van de pony tot aan de dag dat de pony aan de verkoper wordt terug geleverd.
De verkoper heeft verweer gevoerd. Zij heeft betoogd dat de pony op het moment van aflevering aan de overeenkomst beantwoordde en dat dat ook blijkt uit het feit dat de keuringsarts op basis van zijn klinische onderzoek een positief aankoopadvies heeft gegeven.
De rechtbank heeft de vorderingen van de koper afgewezen en heeft daartoe in rechtsoverweging 4.3 en 4.4 van haar vonnis van 10 april 2013 overwogen:
"4.3 Onder de producties bevindt zich onder meer een rapport van de Universiteit van Utrecht. Uit het rapport blijkt niet dat de pony op het moment van aflevering ongeschikt was voor de springsport: het rapport vermeldt een diagnose en een prognose, maar ook dat antedateren door middel van onderzoek niet mogelijk is. Ook op grond van de andere producties kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden aangenomen dat de pony op het moment van aflevering niet geschikt was voor de springsport. Redengevend daarvoor is dat op de dag van de aflevering de dierenarts de pony lichamelijk heef onderzocht en op grond daarvan een positief aankoopadvies heeft gegeven. Dit onderzoek vond plaats in de wetenschap dat de pony bedoeld was voor de springsport en werd uitgevoerd door een dierenarts die kort daarna, op 7 december 2011, tot de conclusie kwam dat de pony problemen met lopen vertoonde. Het is tegen deze achtergrond dat de overgelegde producties niet overtuigen: zonder nadere toelichting, die niet, althans onvoldoende, is gegeven is het niet goed te begrijpen hoe het kan dat de dierenarts op 25 november 2011 een positief aankoopadvies voor de pony gaf als de pony op dat moment niet geschikt was voor de springsport.
4.4 de koper heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet het bewijs geleverd van de stelling dat de pony ten tijde van de aflevering ongeschikt was voor de springsport."

Oordeel gerechtshof
De koper heeft gesteld dat de pony niet aan de overeenkomst beantwoordt omdat hij niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten, te weten dat de pony geschikt is voor de springsport. de koper heeft verwezen naar het rapport van de Universiteitskliniek te Utrecht, die na een neurologisch onderzoek in de periode
20 tot 23 december 2011 concludeerde dat er sprake was van een forse proximale kreupelheid, hoogstwaarschijnlijk afkomstig uit de wervelkolom en de diagnose spinale ataxie stelde. Voorts heeft de koper aangevoerd dat uit een Youtube filmpje van de pony van
11 juni 2011 blijkt dat de pony toen ook kreupelheid en atactische verschijnselen vertoonde.
De verkoper heeft gemotiveerd betwist dat de pony reeds ataxie vertoonde voor de levering op 25 november 2011. Zij heeft gesteld dat de pony slechts eenmaal korte tijd kreupel is geweest in verband met een kneuzing van de zool door het stappen op een steen. Wat op de filmpjes te zien is, is hooguit "teugelkreupelheid" geweest, geen echte kreupelheid maar een onregelmatige gang veroorzaakt door een verkeerde teugelvoering door de amazone. de verkoper heeft benadrukt dat dierenarts [de dierenarts] de pony klinisch heeft onderzocht op 25 november 2011, de dag van de levering, en op basis van zijn onderzoek een positief aan koopadvies heeft gegeven.
Het hof stelt voorop dat op de koper de bewijslast rust van haar stelling dat de pony op de dag van levering behept was met een gebrek dat tot kreupelheid leidt.
Tussen partijen staan de volgende feiten vast:
- hoefsmid [de hoefsmid] heeft zes dagen na de levering, namelijk op 1 december 2011, geconstateerd dat de pony kreupel liep;
- dierenartsen [de dierenarts] en [collega] zijn 13 dagen na levering, namelijk op
8 december 2011, op basis van nader klinisch onderzoek tot het oordeel gekomen dat de pony "duidelijk ataxie en wisselende kreupelheid RV" vertoonde;
- dit oordeel werd op 23 december 2011 bevestigd door de Universiteitskliniek, die de diagnose spinale ataxie stelde;
Op basis van deze feiten acht het hof voorshands bewezen dat de pony reeds op de dag van de levering behept was met het gebrek ataxie. Het hof merkt op dat de omstandigheid dat de Universiteitskliniek op 23 december 2011 in haar rapport heeft aangegeven dat zij op dat moment, ongeveer een maand na levering, niet in staat is tot antedateren van het gebrek, daaraan onvoldoende afdoet. Het hof neemt daarbij ook in aanmerking dat de Universiteitskliniek in haar rapport tevens heeft opgemerkt dat de Youtube filmpjes - de dateren van voor de levering van de pony - wijzen op eerdere kreupelheid, zij het dat niet valt te zeggen of het daarbij gaat om "echte kreupelheid of dezelfde als nu" [het hof begrijpt: onregelmatige gang als gevolg van de ataxie].
Het hof zal de verkoper in de gelegenheid stellen tegenbewijs te leveren tegen het voorshands bewezen geachte feit dat de pony ten tijde van de levering behept was met het gebrek ataxie.
Voor zover de koper haar vorderingen baseert op de (door de verkoper betwiste) stelling dat de pony een luchtzuiger is, gaat het hof daaraan voorbij nu de koper niet heeft gesteld en ook overigens niet is gebleken dat zij van dit gebrek - dat zij naar eigen zeggen al begin december 2011 heeft ontdekt (mvg pt 9) - binnen bekwame tijd na ontdekking melding heeft gemaakt bij de verkoper
De beslissing

Het gerechtshof: stelt de verkoper in de gelegenheid tegenbewijs te leveren tegen het voorshands bewezen geachte feit dat de pony ten tijde van de levering behept was met het gebrek ataxie.

woensdag 23 juli 2014

Mast tot tweemaal toe gebroken tijdens zeilwedstrijden. Non-conformiteit catamaran?


De feiten
Nautical Sports is in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank ’s-Gravenhage, sector kanton, locatie ‘s-Gravenhage tussen partijen gewezen vonnis van 29 augustus 2012. Vervolgens heeft het hof op 4 juni 2013 tussenarrest gewezen en op 23 augustus 2013 een comparitie bepaald. De comparitie is echter niet gehouden, omdat partijen daarvan beide wilden afzien. Daarop heeft Nautical Sports bij memorie van grieven zes grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord met een productie heeft De Vries de grieven bestreden. Tenslotte heeft Nautical Sports bij akte haar eis gewijzigd.
Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep
De door de rechtbank in het vonnis van 29 augustus 2012 vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daar van uitgaan. Het gaat in deze zaak om het volgende:
a. Op 16 september 2010 heeft De Vries van Nautical Sports een catamaran (hierna: de catamaran) gekocht. Daarbij heeft De Vries aangegeven dat hij de catamaran wilde gebruiken om deel te nemen aan zeilwedstrijden. De catamaran is in november 2010 aan De Vries geleverd.
b. Op 4 juni 2011 is tijdens een zeilwedstrijd de mast van de catamaran gebroken. Partijen hebben afgesproken dat De Vries de schade bij zijn verzekeraar zou melden. Nautical Sports zou een nieuwe mast leveren en De Vries zou de eventuele verzekeringsuitkering doorbetalen aan Nautical Sports.
c. Kort na het maken van die afspraak heeft Nautical Sports aan De Vries een nieuwe mast (hierna: de tweede mast) geleverd. De Vries heeft van zijn verzekeraar € 6.000,- ontvangen in verband met de gebroken mast, maar deze niet aan Nautical Sports betaald.
d. Tijdens een zeilwedstrijd in het weekend van 25 en 26 juni 2013 is ook de tweede mast gebroken. Als gevolg van deze breuk zijn ook het grootzeil, de fok en de romp van de catamaran beschadigd.
e. De Vries heeft de gebroken tweede mast laten onderzoeken door Ing. S.A. Fidder van Compose-it. Op 3 augustus heeft deze deskundige rapport uitgebracht van zijn bevindingen. In zijn rapport benoemt Fidder onder meer dat het grootste gedeelte van de breuk te wijten is aan een slechte hechting (tussen het “SB” en het “PS” deel) van de gebruikte hars in de mast.
f. Nautical Sports heeft op haar beurt de gebroken tweede mast laten onderzoeken door haar leverancier HEOL Composites (hierna: HEOL), die in een in het Engels gestelde e-mail van 8 augustus 2011 het rapport van Fidder weerspreekt.
g. De Vries heeft in eerste aanleg gedeeltelijke ontbinding gevorderd van de koopovereenkomst, voor zover die zag op de (tweede) mast, alsmede veroordeling van Nautical Sports tot betaling van schadevergoeding ad € 9.604,66 (of van € 3.604,66 voor zover het beroep van Nautical Sports op verrekening met de door De Vries in verband met de breuk van de breuk van de eerste mast ontvangen verzekeringsuitkering slaagt), één en ander te vermeerderen met rente en kosten.
h. Nautical Sports heeft in reconventie -kort gezegd- betaling van voornoemde  schadeuitkering van de verzekeraar vanDe Vries gevorderd.
i. In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter -samengevat- de vordering van De Vries toegewezen, onder verrekening met de door De Vries ontvangen schadeuitkering van € 6.000,-. De vordering van Nautical Sports is afgewezen.
j. In appel vordert Nautical Sports om de vorderingen van De Vries alsnog af te wijzen, (voorwaardelijk) De Vries te veroordelen tot betaling van € 6.035,10, vermeerderd met rente en kosten, alsmede tot terugbetaling van € 3.992,66 welk bedrag Nautical Sports aan De Vries heeft voldaan op grond van het bestreden vonnis in eerste aanleg, met veroordeling van De Vries in de kosten van beide instanties.

Oordeel Gerechtshof
Stelling De Vries
De Vries legt aan zijn vordering ten grondslag dat de tweede mast non-conform was en beroept zich, nadat hij dit eerder al deed bij dagvaarding in eerste aanleg, op het in artikel 7:18 lid 2 BW opgenomen bewijsvermoeden.
Bij de beoordeling daarvan staat voorop dat De Vries als natuurlijk persoon, niet handelend in de uitoefening van een beroep of bedrijf, bij Nautical Sports, handelend in de uitoefening van haar bedrijf, de tweede mast heeft aangeschaft ten behoeve van de eerder door De Vries bij Nautical Sports gekochte catamaran. Er is derhalve sprake van consumentenkoop in de zin van artikel 7:5 BW. Dat en meer speciaal de toepasselijkheid van artikel 7:18 lid 2 BW is door Nautical Sports ook niet bestreden.
Ingevolge artikel 7:17 lid 1 BW moet een afgeleverde zaak aan de overeenkomst beantwoorden. In artikel 7:18 lid 2 BW is bepaald dat bij een consumentenkoop wordt vermoed dat de zaak bij aflevering niet aan de overeenkomst heeft beantwoord, als de afwijking van het overeengekomene zich binnen een termijn van zes maanden na aflevering openbaart, tenzij de aard van de zaak of de aard van de afwijking zich daartegen verzet. In dit geval heeft de afwijking zich binnen enkele weken na aflevering geopenbaard: ongeveer twee weken na aflevering is de tweede mast gebroken. Noch de aard van de zaak, noch de aard van de afwijking verzet zich tegen toepassing van deze regel. Partijen hebben dat ook niet aangevoerd. Derhalve wordt vermoed dat de door Nautical Sports geleverde tweede mast non-conform was. Dit bewijsvermoeden is bovendien verstrekt, doordat De Vries zijn stellingen omtrent de non-conformiteit van de tweede mast heeft onderbouwd met het deskundigenrapport van Ing. S.A. Fidder, zoals hierboven sub 1.e. is vermeld.

Stelling Nautical Sports
Nautical Sports heeft van haar kant twee e-mails van HEOL in het geding gebracht, waarin L. Tournier in technisch Engels zijn zienswijze op de breuk in de tweede mast heeft verwoord. Deze informatie is echter onvoldoende om het wettelijk bewijsvermoeden, versterkt met genoemd deskundigenrapport aan het wankelen te brengen, niet in de laatste plaats omdat de berichten van HEOL gemotiveerd weersproken zijn. Voorts is daarbij van belang dat HEOL, als leverancier van de tweede mast, een eigen belang bij de uitkomst van deze procedure kan hebben.
Ook het betoog van Nautical Sports dat De Vries ten tijde van de breuk in de tweede mast meedeed aan de “Ronde van Texel”, een zeilwedstrijd die bekend staat om de zware omstandigheden en de kans op schade die daarmee samenhangt, evenals haar nadere stellingen dat tijdens de editie 2011 van de 400 gestarte boten er 147 zijn gefinisht en dat sprake was van een (te) vroege start van de race, zodat er weinig water op het wad stond, leiden niet tot een ander oordeel. De Vries heeft onbestreden aangevoerd dat Nautical Sports wist dat hij de catamaran (en daarmee de tweede mast) zou gebruiken voor zeilwedstrijden. De Vries heeft voorts reeds in eerste aanleg onderbouwd gesteld dat ten tijde van deze wedstrijd sprake was van windkracht 4, zodat van extreme omstandigheden geen sprake was. Tot slot heeft De Vries aangevoerd dat aan deze wedstrijd mede wordt deelgenomen door recreanten die niet altijd de wedstrijd uitvaren en heeft hij betwist dat het omslaan van zijn catamaran en het breken van de tweede mast het gevolg waren van – kort gezegd – zijn eigen schuld. Bij deze stand van zaken heeft Nautical Sports het voorshands vermoeden dat de tweede mast non-conform was niet aan het wankelen gebracht.
Het hof ziet aanleiding om Nautical Sports, overeenkomstig haar aanbod, toe te laten tot het leveren van tegenbewijs tegen het vooralsnog bewezen geachte feit dat de tweede mast non-conform was.

Beslissing
Het hof laat Nautical Sports tot het leveren van tegenbewijs tegen het vooralsnog bewezen geachte feit dat de tweede mast non-conform was.
Indien Nautical Sports getuigen wil doen horen, de getuigenverhoren zullen worden gehouden in een der zittingszalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te
Den Haag ten overstaan van de hierbij benoemde raadsheer-commissaris mr. M. Flipse op 23 juli 2014 om 10.00 uur;


maandag 13 mei 2013

Geen dwaling, bedrog of non-conformiteit bij verkoop paard met zogeheten "patella fixatie"



LJN: BZ9641, Rechtbank's-Gravenhage, Datum uitspraak: 01-05-2013

Feiten
[gedaagde] als verkoper en Remmits als koper hebben op 17 april 2012 een schriftelijke koopovereenkomst gesloten strekkende tot verkoop van het paard Beaucaro voor een bedrag van € 20.000,=. Betaling en levering van Beaucaro hebben eveneens op 17 april 2012 plaatsgevonden. Beaucaro is voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomst klinisch en röntgenologisch gekeurd door dierenarts E. Bergman. Bergman heeft geconcludeerd dat het paard zowel klinisch als röntgenologisch in orde was.
Na het sluiten van de koopovereenkomst - op 12 mei 2012 - is Beaucaro opnieuw onderzocht, ditmaal door E. Enzerink van het Veterinair Centrum Someren. Enzerink rapporteerde over zijn bevindingen als volgt:
“Op stal staat paard geregeld met tong uit de mond. Bij omdraaien op stal heeft paard regelmatig la en ra een habituele patella fixatie. Als paard uit de box gehaald word heeft hij herhaaldelijk een patellafixatie die er wel spontaan af schiet, als het paard wat meer heeft gelopen word de frequentie minder. (…) Paard staat netjes rondom op de ijzers beiderzijdsachter wat binnendoor gezet. (…)Bij het opzadelen op de poetsplaats staat het paard met de tong een stukje naar buiten. Bij aanvang van het rijden gooit het paard enkele malen tong volledig naar buiten.
(…).”

De vordering
Remmits vordert restitutie van de koopsom van € 20.000,= en schadevergoeding. Aan haar vorderingen legt Remmits, samengevat weergegeven, ten grondslag dat de overeenkomst onder invloed van bedrog subsidiair dwaling tot stand is gekomen, nu [gedaagde] heeft verzwegen dat Beaucaro was behept met een tongprobleem en de “patella fixatie (het “mobiliteitsprobleem”), terwijl zij verplicht was beide problemen aan Remmits mede te delen. [gedaagde] had moeten weten dat Remmits de koopovereenkomst niet zou hebben gesloten, indien zij ervan op de hoogte was dat Beaucaro behept is met een mobiliteitsprobleem en een tongprobleem. Voor zover [gedaagde] niet op de hoogte was van het feit dat bij Beaucaro sprake is van een tong- en mobiliteitsprobleem, is meer subsidair sprake van wederzijdse dwaling. Tot slot stelt Remmits zich op het standpunt dat het paard niet aan de overeenkomst beantwoordt, nu het als gevolg van het tong- en mobiliteitsprobleem niet geschikt is voor de dressuursport. Daardoor is sprake van non-conformiteit. Aan de vordering tot schadevergoeding legt Remmits ten grondslag dat [gedaagde] ongerechtvaardigd is verrijkt, subsidiair dat sprake is van wanprestatie aan de zijde van [gedaagde].

Beoordeling geschil
Bedrog
[gedaagde] heeft betwist dat sprake is van bedrog aan haar zijde en heeft daartoe ter comparitie aangevoerd dat zij er niet van op de hoogte was dat Beaucaro zijn tong wel eens naar buiten liet hangen als zij het paard bereed. Zij heeft meegedaan aan dressuurwedstrijden met Beaucaro. Tijdens die wedstrijden is zij nooit “uitgebeld”. Evenmin is op het protocol dat zij na afloop van een wedstrijd ontving een melding gemaakt van het naar buiten laten hangen van de tong door Beaucaro.
Tegenover de betwisting van [gedaagde] heeft Remmits haar stelling dat [gedaagde] ervan op de hoogte was dat Beaucaro zijn tong ook tijdens het rijden naar buiten liet hangen naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. [D] heeft in het kader van het voorlopig getuigenverhoor weliswaar verklaard dat Beaucaro zijn tong tijdens de lessen met [gedaagde] soms naar buiten liet hangen, maar [D] heeft niet verklaard dat hij dit ook met [gedaagde] heeft besproken. Evenmin volgt uit zijn verklaring dat [gedaagde] zelf heeft gezien dat Beaucaro zijn tong soms naar buiten liet hangen tijdens de lessen. Uit de verklaring van [C], die Beaucaro vier tot vijf keer heeft bereden, volgt ook niet dat [gedaagde] ervan op de hoogte was dat Beaucaro zijn tong tijdens het rijden naar buiten liet hangen. [C] heeft immers verklaard:

“(…) Tijdens het rijden bracht Beaucaro zijn tong absoluut niet naar buiten. Dat gebeurde wel op stal, en ik moet daar om giechelen, want dat is een grappig gezicht. Mevrouw [gedaagde] had me er ook al op gewezen dat Beaucaro dat doet. Mij was niet bekend van enig probleem met de tong tijdens het rijden (…).”

[gedaagde] heeft [C] er kennelijk over geïnformeerd dat Beaucaro zijn tong op stal naar buiten liet hangen, niet dat hij dat ook tijdens het rijden deed. Ook anderszins is niet komen vast te staan dat [gedaagde] zelf van “het tongprobleem” op de hoogte was. Het beroep op bedrog wegens het opzettelijk doen van een onjuiste mededeling faalt derhalve.
Ook heeft de [gedaagde] de patella fixatie niet opzettelijk verzwegen volgens de rechtbank teneinde Remmits tot de koopovereenkomst te bewegen c.q. dat is niet komen vast te staan. Dit leidt ertoe dat de het beroep op bedrog strandt.

Dwaling
Niet is komen vast te staan dat [gedaagde] wist van het tongprobleem, zodat haar niet kan worden tegengeworpen dat ze op dit punt een mededelingsplicht heeft geschonden. Ten aanzien van het mobiliteitsprobleem heeft eveneens te gelden dat [gedaagde] geen mededelingsplicht heeft geschonden. Nu zij meende dat het probleem met het binnendoor zetten van de hoeven was verholpen, valt niet in te zien dat zij Remmits daarover had moeten informeren.

Non-conformiteit
Voorts dient de vraag te worden beantwoord of sprake is van non-conformiteit. Een zaak beantwoordt volgens het bepaalde in artikel 7:17 lid 2 BW niet aan de overeenkomst indien zij, mede gelet op de aard van de zaak en de mededelingen die de verkoper over de zaak heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper van de overeenkomst mocht verwachten. De koper mag in elk geval verwachten dat de zaak de eigenschappen bezit die voor normaal gebruik daarvan nodig zijn, alsmede de eigenschappen die nodig zijn voor een bijzonder gebruik dat bij overeenkomst is voorzien.
De rechtbank is van oordeel dat Remmits onvoldoende feiten heeft gesteld om te kunnen concluderen dat Beaucaro niet geschikt is voor het bijzondere gebruik dat haar bij het aangaan van de overeenkomst voor ogen stond, te weten: de dressuursport. Het feit dat het paard is behept met de patella fixatie brengt naar het oordeel van de rechtbank niet mee dat het ongeschikt is voor de dressuursport. De rechtbank hecht in dit verband belang aan de verklaring van [D] ten aanzien van de patella fixatie. Hoewel [D] niet als deskundige is benoemd, komt aan zijn oordeel ter zake grote betekenis toe, nu hij paardentrainer en ervaren dressuurruiter is.
Uit de verklaring van [D] volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de patella fixatie geen beletsel vormt voor gebruik van het paard voor de dressuursport. Het probleem is met het binnendoor zetten immers opgelost. Evenmin kan Remmits worden gevolgd in haar betoog dat het paard vanwege de patella fixatie ongezond zou zijn en daarmee derhalve niet aan de overeenkomst beantwoordt.

De beslissing
De rechtbank wijst de vorderingen af.

De uitspraak staat HIER