Posts tonen met het label Hippisch recht. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Hippisch recht. Alle posts tonen

donderdag 11 juni 2015

Amazone hoeft geen schadevergoeding te betalen aan eigenaar dressuurpaard

Een amazone uit Hooge-Mierde hoeft geen schadevergoeding te betalen aan de eigenaar van  dressuurpaard U2. Dat heeft de rechtbank Oost-Brabant zojuist bepaald. Ook de stal in Hooge Mierde waar het paard ruim drie jaar was ondergebracht, hoeft niet te betalen.

De eigenaar van U2, een inwoonster van New York, kocht het paard in 2004. Ze gaf een professionele amazone uit Hoog Mierde de opdracht het paard te trainen van 2006 tot medio 2013. Volgens de eigenaar liep het paard in die tijd onherstelbaar letsel aan zijn mond en flanken op. Het paard zou daarom niet meer als volwaardig rijpaard kunnen worden ingezet en bovendien flink in waarde zijn gedaald; het paard had een onderhandse verkoopwaarde van 250.000 euro en zou nu nog 2.500 euro waard zijn. De eigenaar stelt de amazone en de stal daarvoor aansprakelijk.

Volgens de rechtbank is niet komen vast te staan dat het letsel onherstelbaar is. De verklaringen en medische stukken die de eigenaar heeft ingebracht, geven daarvoor onvoldoende bewijs. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om een schadevergoeding toe te kennen.

Tegenvordering

De amazone diende ook een tegenvordering in bij de rechter. Volgens haar heeft de eigenaar haar in De Telegraaf ten onrechte neergezet als een dierenbeul die U2 ernstig letsel toebracht. De rechtbank stelt vast dat de amazone niet gekwalificeerd wordt als dierenbeul en dat het woord niet voorkomt in het artikel. De rechtbank is van oordeel dat het artikel in de Telegraaf niet meer is dan een korte, zakelijke weergave van de zaak. De informatie is feitelijk en juist. Er is dus geen sprake van onrechtmatig handelen en daarom wijst de rechtbank het verzoek tot schadevergoeding af.



donderdag 18 december 2014

Bezitter paard risicoaansprakelijk voor veroorzaakte schade Artikel 6:179 BW, geen eigen schuld slachtoffer



De feiten
Het slachtoffer had bij manege X in [woonplaats] (hierna: de manege) drie paarden, hengsten, staan.
De verweerders hadden een merrie, een ruim en een jonge hengst genaamd A bij de manege gestald staan. Partijen hielpen elkaar regelmatig met het naar buiten leiden van elkaars paarden.
Op 18 maart 2010 hielp het slachtoffer de bezitters van hengst A om twee paarden van de bezitters van hengst A, waaronder A, naar buiten te brengen. Het slachtoffer is ten val gekomen toen zij met A door de stal van de manege liep richting de paddock op het buitenterrein achter de stallen. Bij brief van 23 januari 2014 heeft (de advocaat van) het slachtoffer de bezitters van hengst A aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van ongeval.

De rechtsvraag
Zijn de bezitters van hengst A volledig aansprakelijk is voor het ongeval van 18 maart 2010 dat is veroorzaakt door haar paard.

De beoordeling
Vast staat dat hengst A van de verweerders in deze procedure was. Ook staat vast dat het slachtoffer ten val is gekomen door een manoeuvre van A.

Aansprakelijk op grond van artikel 6:179 BW?
De vraag is of de bezitters van hengst A op grond van artikel 6:179 BW aansprakelijk zijn voor de schade die het slachtoffer stelt te lijden als gevolg van de val op 18 maart 2010. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
De rechtbank stelt bij de beantwoording van deze vraag voorop dat de bezitter van een dier op grond van artikel 6:179 BW in principe aansprakelijk is voor de door het dier aangerichte schade. Dit is alleen anders in de denkbeeldige situatie dat de bezitter het gedrag van het dier dat tot schade leidde in zijn macht zou hebben gehad (dus bewust zou hebben toegelaten) en dat de bezitter daarvan dan geen verwijt zou zijn te maken.
Het gaat bij artikel 6:179 BW dus om een risico-aansprakelijkheid. De achtergrond daarvan is het gevaar dat in de eigen energie van een dier schuilt en het onberekenbare element dat daarin is gelegen. De rechtbank constateert dat bezitters van hengst A geen beroep doet op de uitzonderingsregel van artikel 6:179 BW. Of sprake is van de hiervoor omschreven denkbeeldige situatie hoeft daarom niet beoordeeld te worden. Dit betekent dat de bezitters van hengst A in principe aansprakelijk is voor de eventuele schade die haar paard A aan het slachtoffer heeft toegebracht.

Eigen schuld slachtoffer?
De bezitters van hengst A hebben echter aangevoerd dat er sprake is van eigen schuld van het slachtoffer, omdat het ongeval volgens haar te wijten is aan het slachtoffer zelf. Volgens de bezitters van hengst A moet de schade van het slachtoffer daarom op grond van artikel 6:101 lid 1 BW volledig voor haar rekening blijven. Kort samengevat zijn de bezitters van hengst A van mening dat het door het onrustige gedrag van de paarden van het slachtoffer komt omdat hengst A richting de uitgang van de stal is gerend waarbij het slachtoffer ten val is gekomen. Bij het naar buiten lopen met hengst A moesten de paarden van het slachtoffer namelijk gepasseerd worden. Hengst A schrok toen van het onrustige, aanvallende gedrag van de paarden van het slachtoffer.
De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de paarden van het slachtoffer op 18 maart 2014 onrustig, aanvallend gedrag vertoonden. Op de zitting heeft de rechter dit aan de orde gesteld, waarop de bezitters van hengst A hebben aangegeven dat zij niet meer weten of de paarden van het slachtoffer op die dag onrustig waren. Of de paarden van het slachtoffer de aanleiding waren voor de manoeuvre van A is dus onduidelijk. Ook als de rechtbank ervan uitgaat dat het gedrag van de paarden wel de aanleiding is geweest voor de reactie van hengst A dan valt dat niet in de vorm van eigen schuld aan het slachtoffer toe te rekenen. Er is namelijk niet gesteld of gebleken dat het slachtoffer heeft bijgedragen aan het onrustige gedrag van haar paarden of dat de oorzaak van het gedrag van de paarden van het slachtoffer het gevolg is van handelen of toedoen van het slachtoffer. De rechtbank gaat daarom voorbij aan het standpunt van de bezitters van hengst A dat het gedrag van de paarden van het slachtoffer een schrikreactie bij hengst A teweeg zou hebben gebracht op grond waarvan de schade wegens eigen schuld volledig voor rekening van het slachtoffer moet blijven.
Hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen betekent dat de bezitters van hengst A ten opzichte van het slachtoffer aansprakelijk zijn, onder de voorwaarde dat sprake is van schade die het gevolg is van het ongeval op 18 maart 2010. De bezitters van hengst A betwisten namelijk dat het slachtoffer schade lijdt als gevolg van haar val

De beslissing

De rechtbank bepaalt dat de bezitters van hengst A volledig aansprakelijk is voor de schade die het slachtoffer lijdt als gevolg van het ongeval op 18 maart 2010.

donderdag 3 april 2014

Veiling Olympisch paard London kan doorgaan

(Mag hopen dat dit een foutje is, dit vonnis is wel heel summier gemotiveerd c.q. not at all)

De voorzieningenrechter van de rechtbank Gelderland heeft in een kort geding dat vandaag diende beslist dat de verkoop van Olympisch paard London, kan doorgaan. Het kort geding was aangespannen door het bedrijf Gevi International, dat beweert eigenaar van London te zijn. Het paard wordt op de veiling te koop aangeboden door Gevi Gorssel, een bedrijf dat deel uitmaakte van het inmiddels failliete Eurocommerce concern. In het kort geding moest antwoord gegeven worden op de vraag wie de eigenaar van London is: Gevi International of Gevi Gorssel.

Curatoren willen London verkopen
London was ooit eigendom van het concern van Eurocommerce dat in 2012 failliet werd verklaard. Vlak voor dit faillissement zijn de aandelen in Gevi Gorssel, waarin de paardenstal met bijzondere en kostbare paarden zat, buiten het concern gebracht en gekocht door Gevi International. In een eerdere rechtszaak is het de curatoren al gelukt om de overdracht van de paardenstal terug te draaien. Schuldeisers van Eurocommerce, waaronder de Rabobank, zijn blijven zitten met miljoenen aan niet meer te incasseren vorderingen. De curatoren van Eurocommerce proberen sindsdien zoveel mogelijk geld terug te krijgen. Dat zou onder andere kunnen doordat het paard London wordt verkocht. Aangezien de bank een pandrecht heeft, zou met de opbrengst van het paard, en de opbrengsten van de andere paarden, zo toch een deel van de vordering betaald kunnen worden.
In kort geding heeft Gevi International geprobeerd dat te verhinderen, maar zonder succes. De vordering van Gevi International dat de veiling niet door mocht gaan, is door de voorzieningenrechter dan ook afgewezen.

Bron: rechtspraak.nl

woensdag 26 maart 2014

Horses.tv maakt geen inbreuk op merk en handelsnaam horses.nl



Eisma is houdster van onderstaande beeldmerken Horses en horses.nl.




De aanduidingen “Horses” en “horses.nl” worden daarnaast als handelsnamen gevoerd ter zake van het deel van de onderneming dat zich op de hippische sector richt. Horses.nl sponsort evenementen en activiteiten. Ook is de naam “Horses” verbonden aan twee awards, namelijk “Horses Ruitersportwinkel van het Jaar” en “Horses Product van het Jaar”.
Macrider wil een hyppisch TV kanaal op te zetten.De pogingen tussen Eisma en Macrider om tot een samenwerking te komen mislukken. Macrider begint zelfstandig een TV kanaal en feeft de domeinnaam horsestv.nl en voorheen inactieve domeinnaam horses.tv overgenomen en deze laten doorlinken. Macrider maakt gebruikt van de volgende afbeelding op de site Macrider.com en horses.tv.







De vordering
Eisma vordert, samengevat, Macrider c.s. te gebieden te staken en gestaakt te houden iedere directe en indirecte vorm van inbreuk op de merken HORSES en HORSES.NL van Eisma c.s.
Ook vordert Eisma de naam van Macrider’s online televisiekana(a)l(en) zodanig te wijzigen dat daarin het element “horses”, althans enige andere naam die verwarringwekkend overeenstemt met de handelsnamen Horses en/of horses.nl, niet meer voorkomt.

Oordeel rechter

Merkinbreuk in de zin van art. 2.20 lid 1 BVIE
Beroep op artikel 2.20 lid 1 sub a BVIE?
Macrider c.s. gebruiken de aanduidingen www.horses.tv en www.horsestv.nl. Dat zijn andere tekens dan de beeldmerken horses.nl met de bijbehorende afbeeldingen en ook andere tekens dan het beeldmerk horses (hippisch nieuws op wereldniveau) met bijbehorende afbeelding. Nu er geen gebruik wordt gemaakt van tekens gelijk aan de merken van Eisma Media Groep, slaagt een beroep op art. 2.20 lid 1 sub a BVIE niet.

Beroep op art. 2.20 lid 1 sub b BVIE?
Ook een beroep op artikel . 2.20 lid 1 sub b BVIE kan niet kan slagen. Voorop staat dat Macrider c.s. een ander lettertype gebruiken dan in de beeldmerken van Eisma Media Groep wordt gebruikt en dat Macrider c.s. geen gebruik maken van een beeldelement. Macrider c.s. maken ook geen gebruik van het element ‘horses.nl’ maar gebruiken alleen het woordelement ‘horses’, voorafgegaan door www. en eindigend met de extensie .tv. Er is dan ook over het geheel gezien geen sprake van een gelijkenis in visueel opzicht.

Wat betreft het onderdeel van het beeldmerk, het woordelement ‘horses’, geldt het volgende. Dat element in het beeldmerk van Eisma Media Groep is redelijk prominent aanwezig. Het element ‘horses’ heeft echter op zichzelf geen onderscheidend vermogen omdat het beschrijvend is voor de diensten waarvoor de merken van Eisma Media Groep zijn ingeschreven, te weten het verstrekken/overbrengen van informatie over paarden en daaraan verwante onderwerpen.

Horses door inburgering onderscheidend vermogen?
Voor beantwoording van de vraag of het woordelement ‘horses’ door inburgering onderscheidend vermogen heeft gekregen, zoals Eisma c.s hebben gesteld, moet rekening worden gehouden met alle factoren waaruit kan blijken dat het element ‘horses’ geschikt is geworden om de waren of diensten van Eisma Media Groep van die van andere ondernemingen te onderscheiden. Gedacht moet dan worden aan het marktaandeel van het merk, de intensiteit, de geografische spreiding en de duur van het gebruik van het merk, de hoogte van de reclamekosten, het percentage van de betrokken kringen dat de waar als afkomstig van de onderneming identificeert, alsmede verklaringen van de kamers van koophandel of andere beroepsverenigingen (vgl. HvJ EG 4 mei 1999,IER 1999, 165, Chiemsee). Bovendien moet in principe de inburgering hebben plaatsgevonden in het gehele Benelux gebied. Eisma c.s hebben hiertoe aangevoerd dat horses.nl een begrip is in hippisch Nederland, dat de website www.horses.nl al bijna 20 jaar onafgebroken in de lucht is en maandelijks door gemiddeld 150.000 unieke bezoekers wordt bekeken, dat de Facebook pagina ‘horsesnl’ een kleine 4000 volgers heeft en dat de naam ‘horses’ verbonden is aan twee speciale awards, te weten “Horses Ruitersportwinkel van het Jaar” en “Horses Product van het Jaar”. Dit is, in het licht van de hierboven genoemde criteria, echter onvoldoende om aan te nemen dat van inburgering van ‘horses’ in het Benelux gebied sprake is. Het is dan ook niet aannemelijk dat het element ‘horses’ op deze grond onderscheidend vermogen heeft gekregen.

Conclusie:
Niet aannemelijk dat bij het publiek verwarring kan ontstaan dus geen strijd met artikel . 2.20 lid 1 sub b BVIE

Beroep op artikel . 2.20 lid 1 sub c BVIE?
Aannemelijk is dat ‘horses.nl’ een bepaalde bekendheid geniet in de kring van de paardensportliefhebbers in Nederland. Of het merk in een aanmerkelijk gedeelte van de Benelux bekendheid geniet en of de bekendheid van het merk bestaat voor het gehele merk, dus inclusief alle beeld- en overige woordelementen, is echter niet uit de verf gekomen. Er kan dan ook niet worden aangenomen dat sprake is van een bekend merk in de zin van artikel 2.20 lid 1 onder c BVIE. Hierop stuit een beroep op dit artikel dan ook af.

Beroep op artikel . 2.20 lid 1 sub d BVIE?
Het gebruik van een merk of teken als domeinnaam kan op zichzelf worden aangemerkt als een gebruik, anders dan ter onderscheiding van waren en/of diensten. Niet is echter gebleken dat hierdoor ongerechtvaardigd voordeel wordt getrokken of afbreuk wordt gedaan aan de reputatie van de merken van Eisma Media Groep. Daarbij geldt, zoals hierboven al is overwogen, dat de totaalindrukken verschillend zijn en dat het woordelement ‘horses’ te weinig onderscheidend is. Hetzelfde geldt voor de vermelding van www.horses.tv in het logo van MacRider Online of op de kleding van de televisieploeg. Op grond hiervan slaagt ook het beroep op art. 2.20 lid 1 onder d BVIE niet.

Handelen in strijd met de Handelsnaamwet
Het gebruik van de internetadressen www.horses.tv en www.horsestv.nl als hyperlink naar www.macrideronline.nl kan niet worden gezien als het gebruik van een handelsnaam. De vermelding van www.horses.tv in het logo van MacRider Online en op kleding van de televisieploeg kan evenmin als gebruik als handelsnaam worden beschouwd. De vermelding staat in kleine lettertjes aan de onderkant van het logo van MacRider Online gedrukt en neemt daarin geen prominente plaats in. Voor de gebruikers op internet is duidelijk dat het gaat om MacRider Online. Internetgebruikers komen immers direct op de site van MacRider Online terecht. De vermelding van www.horses.tv of horsestv.nl lijkt vooralsnog geen andere betekenis toe te komen dan als verwijzing naar het internetadres via hetwelk MacRider Online is te bereiken. Bovendien is bij deze omstandigheden verwarringsgevaar niet aannemelijk. Overigens is de handelsnaam horses(.nl) beschrijvend van karakter en heeft daarom niet veel onderscheidend vermogen en daardoor ook maar een heel beperkte beschermingsomvang. Macrider c.s. maken bovendien geen gebruik van de naam horses.nl maar alleen van het element ‘horses’, welk element ook beschrijvend van aard is. Er kan daarom niet worden gezegd dat Macrider c.s. inbreuk maken op de handelsnaam van Eisma c.s.

Oordeel

Op grond van het bovenstaande zullen de vorderingen van Eisma c.s. worden afgewezen. Bij deze stand van zaken kan in het midden blijven wie van de gedaagden de aanduidingen www.horses.tv en www.horsestv.nl gebruikt

dinsdag 4 maart 2014

Manege niet aansprakelijk voor schade veroorzaakt door paard op grond van artikel 6:181 BW (bedrijfsmatig gebruik)



De feiten
X is mede-eigenaar van een rijstal. Zij geeft ook rijles. Y sluit met X een stalovereenkomst voor de paarden van Y.
De stalovereenkomst zag uitdrukkelijk niet op deelname aan lessen. In artikel 17 van de stalovereenkomst was bepaald dat Y jegens de stalhouder en derden aansprakelijk zou zijn voor schade veroorzaakt door de eigen gedragingen van haar dieren.
Y wil de jonge paarden africhten en trainen. Het paard wilde zij bovendien een keuring (de ‘Oldenburg Mare Performance Test’) laten ondergaan in Duitsland. Omdat Y geen ervaring had met het rijden op en het trainen en africhten van jonge paarden heeft zij daarvoor les genomen bij X.
Op 10 maart 2012 is X na een les met Y en het paard meegelopen naar de poetsplaats van de manege om Y te laten zien hoe het longeren met een enkele lijn werkt. X heeft toen een beweging gemaakt bij of onder de singel van het paard om daaraan een touwtje te bevestigen, waarna het paard met het linker achterbeen naar voren heeft getrapt en X net boven de knie heeft geraakt. X heeft daar blijvend knieletsel aan overgehouden.

Kern van het geschil
X spreekt Y aan op grond van artikel 6:179 BW, nu Y de bezitter/eigenaar is van het paard. Y verweert zich met een beroep op artikel 6:181 BW en bepleit dat zij van haar wettelijke aansprakelijkheid als bezitter van het paard is bevrijd doordat het paard bedrijfsmatig werd gebruikt door X of althans door de manege.
Indien een paard schade aanricht, dan is de bezitter van het paard daarvoor aansprakelijk (artikel 6:179 BW). Wordt het paard echter gebruikt in de uitoefening van het bedrijf van een ander, dan ligt die risicoaansprakelijkheid bij degene die het bedrijf uitoefent (artikel 6:181 BW).

Stelling  Y
Ter onderbouwing van haar beroep op artikel 6:181 BW voert Y samengevat het volgende aan. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 1 april 2011, dat ging over het paard Loretta, bepaald dat een manegehouder die een paard van een ander (tegen betaling) traint, als bedrijfsmatig gebruiker van dat paard heeft te gelden. De situatie in het onderhavige geval was niet noemenswaardig anders dan die in de zaak van het paard Loretta. De manege had het paard het paard onder zich om het te beleren en klaar te maken voor de keuring in Duitsland. Naast de stalovereenkomst was er een tweede (mondelinge) overeenkomst tot belering van het paard. X had op dat vlak een grote expertise en heeft de lessen die zij gaf separaat - naast de kosten voor de stalling - bij Y in rekening gebracht. Deze lessen vormden een op financieel profijt gerichte bedrijfsactiviteit van het uitermate professionele manegebedrijf van [[...]]. Van de manege kon dan ook worden gevergd dat zij de risico’s daarvan adequaat zou verzekeren, en dat heeft zij ook gedaan zoals blijkt uit het feit dat X met Y heeft besproken dat zij als ORUN-gecertificeerd instructrice, of althans de manege, beschikte over een verplichte verzekering ingeval zich tijdens de les een ongeval zou voordoen. Dit is in overeenstemming met de ratio van artikel 6:181 BW om de aansprakelijkheid te concentreren bij de bedrijfsmatig gebruiker zodat het als één (bedrijfs)risico kan worden berekend en verzekerd.

Stelling  X
X betwist dat zij, of althans de manege, ten tijde van het ongeval als bedrijfsmatig gebruiker van het paard had te gelden en voert daartoe het volgende aan. Het paard was uitsluitend bij haar gestald en dat levert geen bedrijfsmatig gebruik op als bedoeld in artikel 6:181 BW. Zij had het paard niet onder zich om het te beleren en klaar te maken voor de keuring in Duitsland. Voor het beleren van het paard zou X € 800,- per maand in rekening hebben gebracht bij Y. Dit is niet gebeurd. Y wilde haar paarden zelf trainen, en X heeft haar daarbij instructies gegeven. Y bepaalde zelf het doen en laten rond haar paarden, en ook wanneer en hoe lang zij les wilde krijgen. Het ongeval vond bovendien niet plaats tijdens de les, aldus X.

Oordeel rechtbank
Vast staat dat Y haar paard bij de manege heeft gestald. De daartoe gesloten stalovereenkomst hield in dat Y tegen betaling aan de manege de beschikking kreeg over een paardenbox die werd schoongehouden door de manege, dat zij gebruik mocht maken van de verschillende faciliteiten van de manege, en dat de manege het paard zou verzorgen. In de overeenkomst was ook neergelegd dat Y aansprakelijk was jegens de stalhouder en derden voor schade die zou worden veroorzaakt door de eigen gedragingen van haar paard. Deze overeenkomst bracht mee dat indien het paard schade zou veroorzaken tijdens haar verblijf op de manege, Y daarvoor in beginsel aansprakelijk zou zijn. Overigens overweegt de rechtbank dat dit niet alleen gold op grond van de stalovereenkomst maar ook op grond van de wet, artikel 6:179 BW. Dat het paard tegen betaling bij de manege was gestald, leidde nog niet tot een verschuiving van de aansprakelijkheid naar de manege. Uit de parlementaire geschiedenis van artikel 6:181 BW blijkt immers dat onder het bedrijfsmatig gebruiken van dieren niet moet worden begrepen het bedrijfsmatig bewaren (stallen) van dieren voor een ander. Op de manege rustte in zoverre geen kwalitatieve aansprakelijkheid.
Verder staat vast dat met betrekking tot het paard niet alleen sprake was van een stalovereenkomst. X heeft Y ook tegen betaling les gegeven bij het berijden en trainen van het paard. De vraag die partijen in deze zaak verdeeld houdt, is of X (of de manege) door het geven van deze lessen aan Y is aan te merken als bedrijfsmatig gebruiker van het paard in de zin van artikel 6:181 BW en uit dien hoofde risicoaansprakelijk voor de schade die het paard op 10 maart 2012 heeft veroorzaakt.
Het arrest van de Hoge Raad van 1 april 2011 waar Y zich op beroept (ECLI:NL:HR:2011:BP1475) handelde over de vraag wanneer sprake is van ‘bedrijfsmatig gebruik’ van een paard in de zin van artikel 6:181 BW. In die zaak ging het om het paard Loretta, dat door haar eigenaar tegen betaling voor enige tijd was ondergebracht bij een manege ter belering, dat wil zeggen dat de manege het paard zou trainen, africhten en zadelmak maken. Het Hof had in die zaak geoordeeld dat het in een manege aanwezig hebben van een paard van een ander om dit paard in opdracht van die ander en tegen betaling te trainen en zadelmak te maken moet worden gerekend tot een gebruik van het paard in de uitoefening van het bedrijf van de manege. Het Hof achtte daarbij van belang dat het paard niet enkel in de manege aanwezig was omdat het daar was gestald, maar dat de manege een verdergaande bemoeienis had met het paard. Het hof heeft dan ook (net als de rechtbank in die zaak) geoordeeld dat gedurende het verblijf van het paard in de manege ter belering de risicoaansprakelijkheid voor door het paard aangerichte schade op grond van het bepaalde in artikel 6:181 BW op de manege is komen te rusten. De Hoge Raad heeft het hiertegen gerichte cassatieberoep verworpen. Uit zijn arrest volgt onder meer dat voor toepasselijkheid van artikel 6:181 BW niet de eis kan worden gesteld dat de bedrijfsmatig gebruiker ook houder of bezitter is van het dier, en dat evenmin vereist is dat de bedrijfsmatig gebruiker het dier duurzaam en ten eigen nutte exploiteert. De Hoge Raad heeft hiermee een tamelijk ruime uitleg gegeven aan “bedrijfsmatig gebruiken” en daarbij, onder verwijzing naar de parlementaire geschiedenis, overwogen dat artikel 6:181 BW en de verlegging van aansprakelijkheid die daardoor wordt bewerkstelligd - van bezitter naar bedrijfsmatig gebruiker - enerzijds berust op de overweging dat een benadeelde niet behoort te worden belast met de moeilijkheden die inherent zijn aan het onderzoek naar en de bewijslevering betreffende de identiteit van de schuldenaar, en anderzijds op de eenheid van de onderneming in het kader waarvan het dier wordt gebruikt, het feit dat bedrijfsmatig verrichte activiteiten in beginsel zijn gericht op het verkrijgen van profijt, en het feit dat van een ondernemer kan worden gevergd dat hij zijn bedrijfsrisico als één risico verzekert.
De rechtbank is van oordeel dat de situatie die zich in het onderhavige geval heeft voorgedaan ten aanzien van het paard, niet goed vergelijkbaar is met die in de zaak van het paard Loretta. De eigenaar van Loretta had het paard ondergebracht bij de manege met de opdracht het dier tegen betaling te beleren. Y daarentegen heeft haar paarden slechts ondergebracht bij de manege om ze daar te stallen. Y wilde wel dat het paard zou worden beleerd en geschikt zou worden gemaakt voor een keuring in Duitsland, maar zij heeft dit niet aan de manege of aan X uitbesteed. Zij heeft er uitdrukkelijk voor gekozen dit zelf te doen, waarvoor zij samen met het paard een aantal lessen heeft genomen bij X. Anders dan in de zaak Loretta, heeft X het paard dus niet zelf getraind of bereden, zij heeft uitsluitend aan Y instructies gegeven hoe zij haar paarden zelf kon beleren. De bemoeienis van de manege met het paard was zodoende aanmerkelijk minder vergaand dan in de zaak Loretta het geval was en was - buiten het stallen - gedurende de trainingen steeds met tussenkomst en in aanwezigheid van Y. X instrueerde Y immers wanneer deze laatste daar om vroeg, en bemoeide zich daarbuiten in beginsel niet met de paarden van Y. Deze geringe bemoeienis van X als medewerkster van de manege met het paard rechtvaardigt naar het oordeel van de rechtbank niet de conclusie dat hier sprake is geweest van bedrijfsmatig gebruik van dit paard door X, dan wel door de manege. De rechtbank ziet dan ook geen grond om te oordelen dat gedurende het verblijf van het paard in de manege, dan wel gedurende de kortdurende lessen aan Y, de risicoaansprakelijkheid voor door het paard aangerichte schade op grond van het bepaalde in artikel 6:181 BW op de manege is komen te rusten.

Conclusie
Het beroep van Y op artikel 6:181 BW slaagt daarom niet, en op grond van artikel 6:179 BW is zij als eigenaar/bezitter van het dier aansprakelijk voor de schade die het paard heeft veroorzaakt. De vraag naar de vestiging van de aansprakelijkheid is hiermee beantwoord en de door X verzochte verklaring voor recht zal in zoverre worden toegewezen.

Aangezien het hier gaat om een deelgeschil zal de rechtbank niet tevens voor recht verklaren dat Y de schade van X volledig dient te vergoeden. De vraag naar de omvang van de aansprakelijkheid - met onder meer het beroep van Y op eigen schuld aan de zijde van X - heeft de rechtbank in het kader van dit deelgeschil immers buiten beschouwing gelaten.

maandag 13 mei 2013

Geen dwaling, bedrog of non-conformiteit bij verkoop paard met zogeheten "patella fixatie"



LJN: BZ9641, Rechtbank's-Gravenhage, Datum uitspraak: 01-05-2013

Feiten
[gedaagde] als verkoper en Remmits als koper hebben op 17 april 2012 een schriftelijke koopovereenkomst gesloten strekkende tot verkoop van het paard Beaucaro voor een bedrag van € 20.000,=. Betaling en levering van Beaucaro hebben eveneens op 17 april 2012 plaatsgevonden. Beaucaro is voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomst klinisch en röntgenologisch gekeurd door dierenarts E. Bergman. Bergman heeft geconcludeerd dat het paard zowel klinisch als röntgenologisch in orde was.
Na het sluiten van de koopovereenkomst - op 12 mei 2012 - is Beaucaro opnieuw onderzocht, ditmaal door E. Enzerink van het Veterinair Centrum Someren. Enzerink rapporteerde over zijn bevindingen als volgt:
“Op stal staat paard geregeld met tong uit de mond. Bij omdraaien op stal heeft paard regelmatig la en ra een habituele patella fixatie. Als paard uit de box gehaald word heeft hij herhaaldelijk een patellafixatie die er wel spontaan af schiet, als het paard wat meer heeft gelopen word de frequentie minder. (…) Paard staat netjes rondom op de ijzers beiderzijdsachter wat binnendoor gezet. (…)Bij het opzadelen op de poetsplaats staat het paard met de tong een stukje naar buiten. Bij aanvang van het rijden gooit het paard enkele malen tong volledig naar buiten.
(…).”

De vordering
Remmits vordert restitutie van de koopsom van € 20.000,= en schadevergoeding. Aan haar vorderingen legt Remmits, samengevat weergegeven, ten grondslag dat de overeenkomst onder invloed van bedrog subsidiair dwaling tot stand is gekomen, nu [gedaagde] heeft verzwegen dat Beaucaro was behept met een tongprobleem en de “patella fixatie (het “mobiliteitsprobleem”), terwijl zij verplicht was beide problemen aan Remmits mede te delen. [gedaagde] had moeten weten dat Remmits de koopovereenkomst niet zou hebben gesloten, indien zij ervan op de hoogte was dat Beaucaro behept is met een mobiliteitsprobleem en een tongprobleem. Voor zover [gedaagde] niet op de hoogte was van het feit dat bij Beaucaro sprake is van een tong- en mobiliteitsprobleem, is meer subsidair sprake van wederzijdse dwaling. Tot slot stelt Remmits zich op het standpunt dat het paard niet aan de overeenkomst beantwoordt, nu het als gevolg van het tong- en mobiliteitsprobleem niet geschikt is voor de dressuursport. Daardoor is sprake van non-conformiteit. Aan de vordering tot schadevergoeding legt Remmits ten grondslag dat [gedaagde] ongerechtvaardigd is verrijkt, subsidiair dat sprake is van wanprestatie aan de zijde van [gedaagde].

Beoordeling geschil
Bedrog
[gedaagde] heeft betwist dat sprake is van bedrog aan haar zijde en heeft daartoe ter comparitie aangevoerd dat zij er niet van op de hoogte was dat Beaucaro zijn tong wel eens naar buiten liet hangen als zij het paard bereed. Zij heeft meegedaan aan dressuurwedstrijden met Beaucaro. Tijdens die wedstrijden is zij nooit “uitgebeld”. Evenmin is op het protocol dat zij na afloop van een wedstrijd ontving een melding gemaakt van het naar buiten laten hangen van de tong door Beaucaro.
Tegenover de betwisting van [gedaagde] heeft Remmits haar stelling dat [gedaagde] ervan op de hoogte was dat Beaucaro zijn tong ook tijdens het rijden naar buiten liet hangen naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. [D] heeft in het kader van het voorlopig getuigenverhoor weliswaar verklaard dat Beaucaro zijn tong tijdens de lessen met [gedaagde] soms naar buiten liet hangen, maar [D] heeft niet verklaard dat hij dit ook met [gedaagde] heeft besproken. Evenmin volgt uit zijn verklaring dat [gedaagde] zelf heeft gezien dat Beaucaro zijn tong soms naar buiten liet hangen tijdens de lessen. Uit de verklaring van [C], die Beaucaro vier tot vijf keer heeft bereden, volgt ook niet dat [gedaagde] ervan op de hoogte was dat Beaucaro zijn tong tijdens het rijden naar buiten liet hangen. [C] heeft immers verklaard:

“(…) Tijdens het rijden bracht Beaucaro zijn tong absoluut niet naar buiten. Dat gebeurde wel op stal, en ik moet daar om giechelen, want dat is een grappig gezicht. Mevrouw [gedaagde] had me er ook al op gewezen dat Beaucaro dat doet. Mij was niet bekend van enig probleem met de tong tijdens het rijden (…).”

[gedaagde] heeft [C] er kennelijk over geïnformeerd dat Beaucaro zijn tong op stal naar buiten liet hangen, niet dat hij dat ook tijdens het rijden deed. Ook anderszins is niet komen vast te staan dat [gedaagde] zelf van “het tongprobleem” op de hoogte was. Het beroep op bedrog wegens het opzettelijk doen van een onjuiste mededeling faalt derhalve.
Ook heeft de [gedaagde] de patella fixatie niet opzettelijk verzwegen volgens de rechtbank teneinde Remmits tot de koopovereenkomst te bewegen c.q. dat is niet komen vast te staan. Dit leidt ertoe dat de het beroep op bedrog strandt.

Dwaling
Niet is komen vast te staan dat [gedaagde] wist van het tongprobleem, zodat haar niet kan worden tegengeworpen dat ze op dit punt een mededelingsplicht heeft geschonden. Ten aanzien van het mobiliteitsprobleem heeft eveneens te gelden dat [gedaagde] geen mededelingsplicht heeft geschonden. Nu zij meende dat het probleem met het binnendoor zetten van de hoeven was verholpen, valt niet in te zien dat zij Remmits daarover had moeten informeren.

Non-conformiteit
Voorts dient de vraag te worden beantwoord of sprake is van non-conformiteit. Een zaak beantwoordt volgens het bepaalde in artikel 7:17 lid 2 BW niet aan de overeenkomst indien zij, mede gelet op de aard van de zaak en de mededelingen die de verkoper over de zaak heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper van de overeenkomst mocht verwachten. De koper mag in elk geval verwachten dat de zaak de eigenschappen bezit die voor normaal gebruik daarvan nodig zijn, alsmede de eigenschappen die nodig zijn voor een bijzonder gebruik dat bij overeenkomst is voorzien.
De rechtbank is van oordeel dat Remmits onvoldoende feiten heeft gesteld om te kunnen concluderen dat Beaucaro niet geschikt is voor het bijzondere gebruik dat haar bij het aangaan van de overeenkomst voor ogen stond, te weten: de dressuursport. Het feit dat het paard is behept met de patella fixatie brengt naar het oordeel van de rechtbank niet mee dat het ongeschikt is voor de dressuursport. De rechtbank hecht in dit verband belang aan de verklaring van [D] ten aanzien van de patella fixatie. Hoewel [D] niet als deskundige is benoemd, komt aan zijn oordeel ter zake grote betekenis toe, nu hij paardentrainer en ervaren dressuurruiter is.
Uit de verklaring van [D] volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de patella fixatie geen beletsel vormt voor gebruik van het paard voor de dressuursport. Het probleem is met het binnendoor zetten immers opgelost. Evenmin kan Remmits worden gevolgd in haar betoog dat het paard vanwege de patella fixatie ongezond zou zijn en daarmee derhalve niet aan de overeenkomst beantwoordt.

De beslissing
De rechtbank wijst de vorderingen af.

De uitspraak staat HIER

maandag 8 april 2013

non-conformiteit pony: bijna 10 jaar procederen voor 10.000 euro




Deze zaak betreft de ontbinding van een koopovereenkomst uit 2004 met betrekking tot een pony. Na een langdurige procedure heeft het Hof Leeuwarden bij eindarrest van 16augustus 2011, LJN BR5103, de koopster in het ongelijk gesteld.

De feiten
Het volgende heeft zich voorgedaan. Koopster heeft op 14 november 2004 de destijds tien jaar oude E-pony Beau Chevalier (verder: de pony) van verkoopster gekocht. De pony was bestemd voor de op dat moment elf jaar oude dochter van koopster, hetgeen bij beide partijen bekend was. De levering heeft eveneens op 14 november 2004 plaatsgevonden. koopster heeft korte tijd later verkoopster telefonisch meegedeeld dat dochter tijdens haar eerste les op de pony (15 november 2004) door haar instructrice van de pony is afgehaald omdat de pony steigerde. Op 25 november 2004 heeft koopster aan verkoopster meegedeeld dat dochter niet meer op de pony durfde te rijden en begin december 2004 heeft zij aan verkoopster meegedeeld dat de pony een trappende beweging richting dochter had gemaakt, alsmede dat de pony de dochter had gebeten. Op 14 december 2004 heeft koopster de pony aan de poort bij verkoopster vastgebonden en is vervolgens weggereden.

Vordering verkoopster
Verkoopster heeft in eerste aanleg gevorderd dat koopster op straffe van verbeurte van een dwangsom wordt veroordeeld om alsnog medewerking te verlenen aan de levering van de pony alsmede tot vergoeding van schade. koopster heeft in reconventie gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat zij de koopovereenkomst ter zake van de pony (primair) heeft mogen ontbinden op grond van de tussen partijen overeengekomen ontbindende voorwaarde, althans op grond van non-conformiteit, en (subsidiair) heeft mogen vernietigen op grond van dwaling en voorts dat verkoopster wordt veroordeeld tot vergoeding van de door koopster geleden schade.

Oordeel rechtbank
De rechtbank Leeuwarden heeft bij vonnis van 28 februari 2007 geoordeeld dat verkoopster voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomst expliciet(er) melding had moeten maken van het sterke karakter van de pony en dat, nu vaststaat dat verkoopster "die nadere toelichting over het temperamentvolle karakter van de pony" niet heeft verstrekt, de pony niet de eigenschappen bezit, die koopster op grond van de overeenkomst mocht verwachten. koopster heeft de koopovereenkomst volgens de rechtbank dan ook rechtsgeldig ontbonden. De vordering in conventie is vervolgens afgewezen en de vordering in reconventie is toegewezen voor zover het om de terugbetaling van de koopprijs ad€ 4.500,00 en de proceskosten gaat en voor het overige afgewezen.

Oordeel gerechtshof
Verkoopster heeft hoger beroep ingesteld. Zij heeft hangende het hoger beroep, in april 2007, de pony voor een bedrag van€ 3.000,00 verkocht aan een derde. verkoopster heeft in verband hiermee haar eis gewijzigd in die zin dat, voor zover in cassatie van belang, slechts het prijsverschil ter hoogte van € 1.500,- en een vergoeding van gemaakte kosten werden gevorderd.
Het Hof in Leeuwarden heeft:
(i) bij arrest van 7 november 2007 een comparitie gelast;
(ii) bij arrest van 12 maart 2008 koopster bewijs opgedragen voor feiten waaruit volgt dat de pony zich vrijwel direct na levering ernstig jegens dochter misdroeg en zich bleef misdragen;
(iii) bij arrest van 18 november 2008 geoordeeld dat koopster door middel van getuigenverhoren in voornoemd bewijs is geslaagd en bepaald dat voor de verdere bewijsvoering van koopster een deskundige zal worden benoemd om bericht uit te brengen over de stelling dat de pony ook al ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst ernstige gedragsproblemen vertoond moet hebben;
(iv) bij arrest van 23 juni 2009 P.J.H.M. Meeus benoemd als deskundige;
(v) bij arrest van 7 september 2010 geoordeeld dat koopster met het bericht van de deskundige niet in het onder (iii) genoemde bewijs was geslaagd en dat daarom niet is vast komen te staan dat de pony niet de eigenschappen had die koopster op grond van de koopovereenkomst mocht verwachten; het hof komt tot het oordeel dat daarom alsnog het verweer van koopster aan de orde komt dat overeen zou zijn gekomen dat de koopovereenkomst zou worden ontbonden als het niet zou klikken tussen haar dochter dochter en de pony en heeft koopster in dat verband een bewijsopdracht gegeven; en
(vi) bij eindarrest van 16 augustus 2011, na getuigenverhoren, geoordeeld dat koopster niet in het onder (v) genoemde bewijs was geslaagd en haar veroordeeld tot betaling aan de verkoopster van€ 1.500,- (restant koopprijs) en van een bedrag aan verzorgingskosten van € 185,49 per maand vanaf 14 december 2004 tot 9 juni 2007, een en ander met rente, alsmede de proceskosten in beide instanties.
Het hof heeft, voor zover in cassatie van belang, in zijn tussenarrest van 7 november 2007 overwogen:
"4. De kern van de zaak - die in grief 3 aan de orde wordt gesteld - betreft de vraag of de pony ten tijde van de levering aan de overeenkomst beantwoordde in de zin van art. 7:17 BW. Het hof stelt hierbij voorop dat de stelplicht en bewijslast volgens de hoofdregel van art. 150 Rv op koopster liggen, nu zij zich beroept op een tekortkoming in de nakoming van de koopovereenkomst door verkoopster en op die grond de koopovereenkomst heeft ontbonden.
4.1 koopster heeft in dit verband naar voren gebracht dat de pony - ook tijdens het rijden - steigerde, met opengesperde mond op dochter afliep en naar haar beet en sloeg. Volgens haar was de pony levensgevaarlijk en behoefde onder geen enkele voorwaarde verwacht te worden dat de pony deze gedragingen aan de dag zou leggen. Het door partijen gevoerde debat over de vraag wat er door hen tijdens het aankoopgesprek op 14 november 2004 is gezegd - naar het hof begrijpt: met betrekking tot de eigenschappen die de pony zou (moeten) hebben - dóet daarom niet ter zake, aldus koopster.
4.2 verkoopster heeft hier tegenover gesteld dat zij de pony zelf heeft gefokt en zadelmak heeft gemaakt toen hij ongeveer vier jaar oud was. De dochter van verkoopster,], is enige tijd later dressuur met de pony gaan rijden en heeft hem naar het wedstrijdniveau M2 gereden, waarin de combinatie reeds een aantalwinstpunten had behaald. Toen de dochter van verkoopster met rijden op de pony begon, was zij twaalf jaar oud. Naast het deelnemen aan wedstrijden heeft de pony ook meegedaan aan allerlei verenigingsactiviteiten zoals ponyspelen, de intocht van Sinterklaas en bosritten. De pony was dan ook 100% betrouwbaar, maar had wel een sterk karakter, hetgeen zij (verkoopster) ook aan koopster heeft meegedeeld. Van een levensgevaarlijke pony was dan ook beslist geen sprake, aldus nog steeds verkoopster.

4.3 Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Een zaak beantwoordt niet aan de overeenkomst indien zij, mede gelet op de aard van de zaak en de mededelingen die de verkoper over de zaak heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. Tussen partijen is niet in geschil dat een pony, die is bestemd voor het gebruik door een meisje van elf jaar, betrouwbaar dient te zijn, zij het dan dat verkoopster heeft betoogd dat zij koopster heeft verteld dat de pony een pittig karakter had (wat koopster een pré zou hebben gevonden), hetgeen koopster vervolgens heeft betwist. koopster heeft naar het oordeel van het hof terecht gesteld dat een "pittig karakter" niet op een lijn gesteld kan worden met het gedrag dat de pony volgens haar na de levering ten toon spreidde, zodat in het midden kan blijven of verkoopster de hiervoor bedoelde opmerking daadwerkelijk heeft gemaakt. verkoopster mist derhalve belang bij de bespreking van grief 1.

4.4 Voorts overweegt het hof dat koopster op toereikende wijze heeft gesteld dat de pony zich na de levering ernstig jegens dochter misdroeg, maar dat verkoopster de door koopster gestelde feiten vervolgens heeft betwist. Dit brengt mee dat koopster haar stellingen op dit punt zal moeten bewijzen. Om tot het oordeel te kunnen komen dat sprake is van non-conformiteit, is evenwel niet voldoende dat bewezen wordt dat de pony zich na de levering zo ernstig heeft misdragen als koopster stelt, maar dient ook komen vast te staan dat de pony zich ten tijde van de levering al min of meer in die zin gedroeg en derhalve ook toen al (zeer) onbetrouwbaar was. Koopster heeft echter niet bestreden dat de pony voordat hij aan haar werd verkocht aan diverse dressuurwedstrijden en verenigingsactiviteiten - waaronder een Sinterklaasintocht waarbij, getuige de door verkoopster overgelegde foto, zeer veel mensen aanwezig waren - heeft deelgenomen, en bovendien werd bereden door de (eveneens vrij jonge) dochter van verkoopster. Het hof kan verkoopster voorshands volgen in haar stelling dat deze omstandigheden er bepaald niet op duiden dat de pony "levensgevaarlijk" was in de tijd dat hij nog van haar was. Hier komt bij dat, zoals koopster zelf heeft gesteld (zie memorie van antwoord, p 2), een koper van een dier niet weet hoe dat dier zich in een voor hem nieuwe omgeving gaat gedragen en het bovendien een feit van algemene bekendheid is dat een dier vanwege zijn eigen energie altijd iets onberekenbaars in zich heeft (welke gedachte ook ten grondslag ligt aan de voor bezitters van dieren geldende risico-aansprakelijkheid; zie art. 6:179 BW). Het hof is op grond van het voorgaande voorshands van oordeel dat koopster niet voldoende feiten heeft gesteld om aannemelijk te maken dat de pony reeds ten tijde van de koopovereenkomst te Waalre op 14 november 2004 niet aan de overeenkomst beantwoordde.

4.5 Het hof ziet in het vorenstaande aanleiding om een comparitie van partijen te gelasten, waarbij koopster in de gelegenheid zal worden gesteld om zich hierover uit te laten en waarbij ook aan de orde gesteld zal worden hoe zij eventueel bewijs denkt te leveren van feiten of omstandigheden, waarop gebaseerd kan worden dat de pony ten tijde van de aflevering niet aan de overeenkomst beantwoordde. Voorts zal hof in ieder geval aan de orde stellen of koopster, zoals zij bij memorie van antwoord heeft gesteld en waarop verkoopster nog niet heeft kunnen reageren, de eigendomspapieren van de pony al aan laatstgenoemde heeft geretourneerd, terwijl daarnaast de vordering tot schadevergoeding (bestaande uit de verzorgingskosten van de pony) van verkoopster besproken zal worden. Het hof wijst op dat verkoopster alleen heeft vermeld wat de volgens haar gebruikelijke kosten van een pensionstalling zijn, maar niet - zoals koopster tot haar verweer heeft aangevoerd - wat de werkelijke verzorgingskosten waren.
(...)

5. Het hof overweegt thans reeds dat in het geval geoordeeld zou moeten worden dat het beroep van koopster op non-conformiteit faalt omdat niet vast iskomen te staan dat de pony ten tijde van de aflevering al (zeer) onbetrouwbaar was, het in eerste aanleg door haar gedane beroep op dwaling eveneens dient te falen omdat in dat geval niet valt in te zien dat een van de in art. 6:228 BW genoemde gevallen van dwaling aan de orde zou kunnen zijn."

1.6.3 Het hof heeft, voor zover in cassatie van belang, in zijn tussenarrest van 7 september 2010 overwogen:

"3.1. De deskundige concludeert in zijn "Conclusie ten aanzien van de gedragingen" in het antwoord op deze vraag dat de door de pony vertoonde gedragingen

"specifieke gedragingen zijn die door ieder paard kunnen worden vertoond als ze in een specifieke omstandigheid gebracht worden. Het is daarom zeker niet uit te sluiten dat de pony ze eerder vertoond heeft, om de gedragingen misdragingen te noemen gaat echter te ver."
(...)
5. De deskundige oordeelt in zijn antwoord dat de in dit verband door verkoper verkoopster aangedragen feiten van deelname door de pony aan dressuurwedstrijden en Sinterklaasintochten sterke argumenten zijn voor de betrouwbaarheid van de pony.
(...)
6.1. De deskundige heeft (...) - voor zover van belang - er nog op gewezen dat ook topruiters er van uitgaan tijd nodig te hebben om een (nieuw) paard in andere omstandigheden te leren kennen".

7. Het hof is van oordeel dat mede gelet op de door de deskundige gegeven onderbouwing van het voorgaande - anders dan door koopster is gesteld - met het deskundigenbericht niet het door het hof opgedragen bewijs is geleverd, omdat met dit oordeel van de deskundige niet is komen vast te staan dat "met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid" de pony de door koopster gestelde misdragingen al moet hebben vertoond ten tijde of voor de levering."

1.6.4 Het hof heeft in zijn eindarrest van 16 augustus 2011, voor zover in cassatie van belang, overwogen:

"16. Het hof constateert dat de verklaring van koopster dat verkoopster haar heeft meegedeeld dat ze de pony weer mochten terugbrengen alleen wordt ondersteund door de verklaring van haar echtgenoot. Voorts constateert het hof dat de verklaringen van koopster en haar echtgenoot niet volledig op elkaar aansluiten. De echtgenoot van koopster heeft verklaard dat verkoopster deze mededeling ook heeft gedaan bij het uitzwaaien. koopster heeft dit niet verklaard. Bij de waardering van de verklaring van de echtgenoot van koopster neemt het hof voorts in aanmerking dat hij belang heeft bij een voor koopster gunstige uitkomst van deze procedure.

17. De verklaringen van koopster en haar echtgenoot staan lijnrecht tegenover de verklaring van verkoopster. De andere op dit onderdeel gehoorde getuigen - dochter, de echtgenoot van verkoopster en de dochter van verkoopster - hebben in het geheel niet gehoord dat verkoopster deze mededeling heeft gedaan.

18. Het hof acht de verklaring van koopster en van haar echtgenoot in dat licht onvoldoende bewijs dat partijen zijn overeengekomen dat de koopovereenkomst zou worden ontbonden wanneer het niet zou klikken tussen dochter en de pony. koopster is daarmee niet geslaagd in het (...) aan haar opgedragen bewijs.
(...)

28. koopster heeft de hoogte van het door verkoopster gevorderde maandelijkse bedrag aan kosten van verzorging betwist. verkoopster heeft ter gelegenheid van de comparitie van partijen onweersproken gesteld dat zij een paardenpension heeft en dat de pony een box in beslag heeft genomen, die zij anders aan een pensionklant zou hebben kunnen verhuren. verkoopster heeft bij akte in het geding brengen van stukken ten behoeve van de comparitie van 7 februari 2008 de tarieven van haar pensionstal in het geding gebracht. Het hof zal deze twee producties als uitgangspunt nemen voor de vaststelling van de kosten van verzorging.

29. Het hof gaat uit van de tarieven die gelden in het geval de kleinste - daarop vermelde - box wordt benut, nu het hier een pony betreft, en niet is gesteld of gebleken dat een grotere box benodigd zou zijn geweest. De maandelijkse basiskosten voor de stalling exclusief BTW zijn in dat geval € 242,49. Het daarin opgenomen bedrag voor arbeid groot € 57,00 neemt het hof niet over, nu verkoopster niet heeft gesteld noch is gebleken dat zij de verzorging van de pony van koopster in de uitoefening van haar bedrijf op zich heeft genomen, zodat zij niet gerechtigd is tot loon. Het hof berekent de maandelijkse kosten die voor verkoopster met de verzorging van de pony van koopster gepaard zijn gegaan daarmee op € 185,49."

Oordeel Advocaat-Generaal
1.7 koopster heeft bij dagvaarding van 16 november 2011 tijdig cassatieberoep ingesteld tegen de tussenarresten van 7 november 2007 en 7 september 2010 en tegen het eindarrest van 16 augustus 2011. verkoopster heeft geconcludeerd tot verwerping en tevens voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. koopster heeft geconcludeerd tot verwerping van het incidentele cassatieberoep. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht en koopster heeft nog een conclusie van re- en dupliek ingediend.

2. Bespreking van de middelen in het principale beroep

2.1 De cassatiedagvaarding bevat vier middelen.

2.2 Middel 1 ziet op rov. 4.4 en 4.5 van het tussenarrest van 7 november 2007. Het bevat twee klachten.

2.3 Volgens de eerste klacht heeft het hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de bewijslast wat betreft het gedrag van de pony ten tijde van de levering bij koopster te leggen. Dit oordeel is in strijd met artikel 149 en 150 Rv, aldus de klacht.
In de cassatiedagvaarding ontbreekt een nadere toelichting, die wel wordt gegeven in de schriftelijke toelichting van koopster. Verkoopster betoogt in haar schriftelijke toelichting op p. 2 dat de klacht daarom niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet. Ik ben geneigd verkoopster daarin te volgen in het licht van de vaste rechtspraak van Uw Raad over de aan een middel te stellen eisen (zie HR 5 november 2010, LJN BN6196, rov. 3.4.1). Ik zal dit echter in het midden laten en de klacht volledigheidshalve bespreken. Zij kan naar mijn mening niet slagen.

2.4 Volgens de klacht zoals toegelicht in de schriftelijke toelichting nr. 2 van koopster heeft het hof miskend dat bewijs pas aan de orde komt als de non-conformiteit wordt betwist door de verkoper. De s.t. van koopster nr. 4 betoogt dat de discussie niet zag op de gedragingen van het dier, maar op, kort gezegd, het karakter van het dier. Volgens de s.t. nr. 1 heeft koopster aan haar beroep op artikel 7:17 BW ten grondslag gelegd, dat zij verwachtte een goedaardig dier dat geschikt was voor een 11-jarig meisje om als rijdier te gebruiken. Volgens de s.t. nr. 2 (slot) heeft verkoopster niet gesteld dat de pony 'kuikenmak' was. De s.t. klaagt in nr. 5 daarom over de bewijsopdracht.

2.5.1 In rov. 4.1 t/m 4.3 van het arrest van 7 november 2007 geeft het hof het partijdebat over de non-conformiteit weer. Het hof concludeert in rov. 4.3 (a) dat de pony betrouwbaar moet zijn en niet de door koopster gestelde gedragingen moet vertonen en (b) dat niet ter zake doet of al dan niettijdens het verkoopgesprek is medegedeeld dat de pony een pittig karakter had.
In verband met het onder (b) bedoelde punt verwijst het hof in rov. 4.1 naar stellingen van koopster in haar MvA, p. 6 (inhoudende, kort gezegd, dat de gedragingen van het dier ten grondslag liggen aan de gevorderde ontbinding c.q. vernietiging en dat niet ter zake doet wat tijdens het verkoopoverleg al dan niet zou zijn gezegd). Het hof oordeelde dan ook dat verkoopster geen belang had bij haar grief 1 (inhoudende: "Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen dat het voor koopster belangrijk was dat de pony een rustig karakter zou hebben en dat verkoopster onvoldoende expliciet aan koopster melding zou hebben gemaakt van (ook) het pittige karakter van de pony.").
Het hof gaat vervolgens in op het gedrag en de betrouwbaarheid van de pony. Na in rov. 4.4 te hebben vastgesteld dat koopster op toereikende wijze heeft gesteld dat de pony zich na de levering ernstig jegens dochter misdroeg, heeft het hof als maatstaf voor de non-conformiteit geformuleerd of "de pony zich ten tijde van de levering al min of meer in die zin gedroeg en derhalve ook toen al (zeer) onbetrouwbaar was." In verband met die vraag geeft het hof de stellingen van verkoopster weer over het gebruik van de pony door (de dochter van) verkoopster en concludeert het hof in rov. 4.4, slot, dat koopster niet voldoende feiten heeft gesteld om aannemelijk te maken dat de pony reeds ten tijde van de koopovereenkomst te Waalre op 14 november 2004 niet aan de overeenkomst beantwoordde. Vervolgens heeft ten aanzien van dit punt bewijslevering plaatsgevonden.
Ik merk op dat het debat in appel met het arrest van 7 november 2007 een wat andere wending kreeg dan in eerste aanleg. Dit is bij pleidooi aan de orde gesteld (zie de pleitnotities voor de zitting van 18 mei 2011 van mr. Meijer, nr. 2). Het hof is blijkens rov. 1-3 en 5 van het eindarrest van 16 augustus 2011 bij zijn eerder gegeven eindbeslissingen gebleven.

2.5.2 Uit het middel zelf (waarover ik al een opmerking maakte), maar ook uit de daarop gegeven schriftelijke toelichting (waarin sporadisch wordt verwezen naar stukken van de feitelijke instanties), blijkt niet dat het oordeel van het hof - kort gezegd, dat het gedrag en de betrouwbaarheid van de pony onderzocht moeten worden - als onbegrijpelijk moet worden gekwalificeerd. Het hof heeft voorts kunnen oordelen dat verkoopster de gestelde non-conformiteit, zoals door het hof begrepen, heeft betwist. Grief 3 van verkoopster hield immers in dat de rechtbank ten onrechte had overwogen dat de pony niet de eigenschappen bezat die koopster op grond van de overeenkomst mocht verwachten (zie MvG p. 2 en p. 9-10).

2.6 Volgens de klacht zoals toegelicht in de s.t. nr. 2 van koopster heeft het hof verder miskend dat volgens artikel 150 Rv bewijs op de koper rust onder de voorwaarde dat er tussen het sluiten van de overeenkomst en het blijken van de non-conformiteit een zodanige tijdsperiode moet liggen, dat inderdaad in redelijkheid met de mogelijkheid rekening moet worden gehouden dat de non-conformiteit eerst in deze tijdsperiode is ontstaan.

2.7 In het onderhavige geval is geen sprake van consumentenkoop (zie rov. 4 van het arrest van 16 augustus 2011) zodat het bewijsvermoeden van artikel 7:18 lid 3 BW (red. AG bedoelt lid 2) toepassing mist. De klacht berust op een onjuiste rechtsopvatting, omdat de koper volgens artikel 150 Rv (bij voldoende betwisting) ook de bewijslast draagt van, kort gezegd, een non-conformiteit die kort na de aflevering zou zijn gebleken. De rechter kan aan de feiten een vermoeden ontlenen dat sprake is van non-conformiteit en oordelen dat de koper, behoudens tegenbewijs, de gestelde non-conformiteit voorshands heeft bewezen. Mogelijk bedoelt het middel gezien het betoog in de s.t. nrs. 3 en 5 hierover te klagen. Dit heeft het hof echter niet miskend, nu uit rov. 4.4 duidelijk blijkt waarom het hof geen aanleiding zag de gestelde non-conformiteit in dit geval voorshands bewezen te achten. Het betoog in de s.t. nr. 3 miskent overigens het oordeel van het hof in zijn arrest 7 september 2010 over het deskundigenbericht.

2.8 Volgens de tweede klacht van middel 1 is de bewijslastverdeling innerlijk tegenstrijdig, omdat het hof de bewijslast wat betreft het gedrag van de pony na de levering en het gedrag van de pony voor en ten tijde van de levering beide bij koopster legt.
De klacht faalt omdat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien waarom de bewijslastverdeling innerlijk tegenstrijdig zou zijn.

2.9 Middel 2 ziet op rov. 5 van het tussenarrest van 7 november 2007. Het klaagt dat het hof het verschil tussen non-conformiteit en dwaling zou hebben miskend door op voorhand het beroep van koopster op dwaling af te wijzen. Het middel voert aan dat goed mogelijk is dat wel aan het conformiteitsvereiste is voldaan, maar toch sprake is van dwaling.

2.10 Het middel kan niet slagen, omdat het is gebaseerd op een onjuiste lezing van het arrest. Het middel neemt ten onrechte tot uitgangspunt dat het hof in algemene zin het verschil tussen non-conformiteit en dwaling zou hebben miskend. Uit hetarrest blijkt niet dat het hof dat onderscheid heeft miskend.

2.11 Het hof heeft daarentegen de stellingen van koopster zo gelezen, dat het beroep op non-conformiteit en het beroep op dwaling in wezen op hetzelfde neerkwamen. In rov. 4.4 formuleert het hof ten aanzien van de non-conformiteit de vraag of "de pony zich ten tijde van de levering al min of meerin die zin gedroeg en derhalve ook toen al (zeer) onbetrouwbaar was." Daarop sluit aan de overweging in rov. 5, dat wanneer het beroep op non-conformiteit zou falen "omdat niet vast is komen te staan dat de pony ten tijde van de aflevering al (zeer) onbetrouwbaar was", niet valt in te zien dat (in casu)één van de in artikel 6:228 BW genoemde gevallen van dwaling aan de orde zou kunnen zijn.

2.12 De klacht berust blijkens de daarop gegeven toelichting (s.t. nr. 6) wederom op het onderscheid tussen het gedrag van het dier (dat door koopster aldaar in verband wordt gebracht met de non-conformiteit) en het karakter van het dier (dat door koopster aldaar in verband wordt gebracht met dwaling). Een dergelijk onderscheid is door het hof in casu echter niet gemaakt terwijl niet blijkt dat dit berust op een onbegrijpelijke lezing van de stellingen van koopster (zie bij 2.5.1-2.5.2).

2.13 Middel 3 klaagt over de begrijpelijkheid van het oordeel in rov. 7 van het tussenarrest van 7 september 2010, dat koopster, mede gelet op de door de deskundige gegeven onderbouwing, niet is geslaagd in haar bewijsopdracht m.b.t. het gedrag van de pony ten tijde van de levering.

2.14 De, in cassatie niet bestreden, bewijsopdracht hield in dat "met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid" vast zou moeten komen te staan dat de pony de door koopster gestelde misdragingen al moet hebben vertoond ten tijde van of voor de levering. Zie daarvoor rov. 2 van het arrest van 12maart 2008 en rov. 1 van het arrest van 7 september 2010.

2.15 Anders dan het middel stelt, volgt uit rov. 3.1 van het arrest van 7 september 2010 geenszins dat naar het oordeel van de deskundigede pony het gedrag al moet hebben vertoond ten tijde van of voor de levering. De deskundige heeft slechts opgemerkt dat dat zeker niet uit te sluiten is.
Het middel mist voorts feitelijke grondslag waar het veronderstelt dat het bestreden oordeel van het hof is gebaseerd op de omstandigheid dat de deskundige de bedoelde gedragingen niet de kwalificatie "misdragingen" wil meegeven (zodat hetgeen het middel onder a t/m d in dit verband aanvoert, niet ter zake doet). Het hof blijft blijkens rov. 7 bij zijnkwalificatie van het gedrag van de pony als misdragingen, maar oordeelt dat niet is komen vast te staan dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de pony deze misdragingen al moet hebben vertoond ten tijde of voor de levering.

2.16 Het middel klaagt voorts, kennelijk, aan de hand van een feitelijk betoog dat het hof heeft verzuimd in te gaan op als essentieel te kwalificeren stellingen van koopster. Het middel, dat stelt dat al deze gegevenheden in het procesdossier terug te vinden waren, geeftniet aan waar in het dossier door koopster een beroep is gedaan op deze stellingen. Daarmee wordt aan de cassatierechter, maar vooral ook aan de wederpartij in cassatie, niet aangegeven dat het middel feitelijke grondslag heeft. Het middel voldoet daarom niet aan de daaraan volgens vaste rechtspraak te stellen eisen. Middel 3 faalt om de voorgaande redenen.

2.17 Middel 4 richt een motiveringsklacht tegen rov. 16-18 van het eindarrest van 16 augustus 2011 waarin het hof tot het oordeel komt dat koopster niet is geslaagd in het bewijs dat was afgesproken dat de overeenkomst ontbonden kon worden als het niet zou klikken tussen dochter en de pony. Het middel richt zich tegen de overweging dat uit de verklaring van dochter niet zou blijken dat die zelf op de hoogte was van de afspraak. Dat oordeel van het hof zou onbegrijpelijk zijn in het licht van het proces-verbaal van de getuigenverhoren van 23 november 2010, omdat dochter blijkens de derde alinea van het proces-verbaal verklaart:

"Bij het wegrijden, bij het afscheid nemen, weet ik dat door verkoopster nog eens is gezegd dat als het niet zou klikken met de pony, dat deze dan teruggebracht mocht worden. Daarbij waren aanwezig mijn ouders en ik, alsmede [de echtgenoot van verweerster] en verkoopster. Misschien de dochter van verkoopster ook, maar dat weet ik niet zeker."

2.18 De gedachte is kennelijk dat uit het citaat zou blijken dat dochter de toezegging bij het afscheid zelf zou hebben gehoord. Blijkens de eerste en de vierde alinea's is ook verklaard:

"(...) Ik heb later, naar ik meen nog op die dag, van mijn ouders, ik denk van mijn moeder, gehoord dat toen tegen hen gezegd is dat als het niet zou klikken tussen de pony en mij, de pony teruggebracht mocht worden."
en
"Op een vraag van mr. Van Schaick, wanneer ik nou heb gehoord dat er al is gesproken over het terugbrengen van de pony, wanneer het niet zou klikken, dan antwoord ik dat het zal zijn geweest tijdens het naar huis rijden. Normaal bespreken mijn ouders en ik dan wat zich heeft voorgedaan."

Het hof heeft de in het middel bedoelde passage dus niet over het hoofd gezien, maar de verklaring van dochter kennelijk zo uitgelegd dat zij achteraf van haar ouders heeft gehoord over de toezegging. Deze uitleg, die aan de feitenrechter is voorbehouden, acht ik niet onbegrijpelijk. Het middel kan m.i. niet slagen.

2.19 Ik kom tot de slotsom dat het principale beroep moet worden verworpen.

3. Bespreking van het middel in het voorwaardelijk incidentele beroep

3.1 Het incidentele beroep is ingesteld onder de voorwaarde dat de principale cassatiemiddelen falen. Gezien de door mij bereikte slotsom dient het incidentele cassatiemiddel te worden behandeld.

3.2 Het beroep ziet op de door verkoopster gevorderde kosten voor de verzorging van de pony. Het hof is blijkens rov. 28 van het eindarrest van 16 augustus 2011 uitgegaan van de door verkoopster ten behoeve van de comparitie van 7 februari 2008 overgelegde stukken. Dit zijn de tarieven die verkoopster als pensionhoudster hanteert. In rov. 29 oordeelt het hof, dat niet is gesteld of gebleken dat verkoopster de verzorging in de uitoefening van haar bedrijf op zich heeft genomen, zodat zij niet gerechtigd is tot de looncomponent in die tarieven.

3.3 Het middel klaagt (zie onderdelen c-f) dat het hof buiten de rechtsstrijd is getreden door in rov. 29 van het eindarrest de factor arbeid ter hoogte van € 57,00 in mindering te brengen op de door verkoopster opgevoerde maandelijkse verzorgingskosten, nuvoor deze aftrek geen enkele steun is te vinden in het partijdebat (waarvan in de onderdelen a-c een weergave wordt gegeven).

3.4 Het middel dient te falen bij gebrek aan feitelijke grondslag. Tijdens de comparitie heeft mr. Meijer bezwaar gemaakt tegen de door verkoopster opgevoerde verzorgingskosten en daarbij aangevoerd dat sprake zou zijn van een eigen paard, terwijl de gehanteerde tarieven zijn afgestemd op pensionpaarden (zie het derde blad van het proces-verbaal). Anders dan het middel veronderstelt, is de factor arbeid dus wel aan de orde gesteld. Voorts heeft koopster gezegd een bedrag van€ 175,- per maand voor verzorgingskosten redelijk te vinden (zie het vierde blad van het proces-verbaal). Het oordeel van het hof in rov. 29 is, in het licht van de vorenstaande stellingen van koopster en haar advocaat in onderling verband bezien, niet onbegrijpelijk en het hof is er m.i. ook niet mee buiten de rechtsstrijd getreden. Het incidentele beroep moet derhalve worden verworpen.

Conclusie A-G
De conclusie strekt in het principale beroep en in het voorwaardelijk incidentele beroep tot verwerping.

De Hoge Raad
De Hoge Raad sluit zich bij het oordeel van de A-G aan. De Hoge Raad verwerpt het principale beroep en incidentele beroep.



vrijdag 21 september 2012

Paspoorten van het Olympische paard Eurocommerce London en 20 andere paarden blijven in bezit van schuldeiser Rabobank




De paspoorten van het Olympische paard Eurocommerce London en 20 andere paarden blijven in bezit van schuldeiser Rabobank. De rechter deelt de zorg van de Rabobank dat de paarden anders buiten het bereik van schuldeisers kunnen worden gebracht. Zonder paspoorten is de kans klein dat de dieren verhandeld worden. De failliete eigenaren van London en de paarden eisten in een kort geding dat de paspoorten werden teruggegeven. Zonder paspoorten konden de dieren niet meedoen aan wedstrijden. Ruiter Gerco Schröder won afgelopen zomer met London zilver op de Olympische Spelen. De Rabobank legde beslag op onder andere London en 20 andere paarden omdat hun eigenaar Gevi International onderdeel is van het failliete vastgoedbedrijf Eurocommerce. De Rabobank eist een bedrag van ongeveer 42 miljoen euro van het bedrijf.

De uitpsraak staat HIER

maandag 16 juli 2012

Geen non-conformiteit omdat de werkelijke afmetingen van binnenrijhal afwijken van in verkoopadvertentie vermelde afmetingen





De feiten
Eiser X heeft een paardenobject (het vrijstaande woonhuis, een stalgebouw met twaalf paardenboxen en een solarium,  een binnenrijbak met vijf paardenboxen, één merriebox en een solarium,  een buitenrijbak en een stapmolen) van verkoper Leeuweneiland gekocht. Leeuweneiland heeft bij de verkoop gebruikt gemakt van de diensten van makelaar VMK.
X wil schadevergoeding omdat de rijhal te klein is er scheurvorming is en het dak en de ramen lekken.
Ter onderbouwing van haar vordering stelt X het volgende:
-  De in de advertentie toegezegde afmetingen van de binnenrijhal zijn onjuist. De werkelijke afmetingen wijken af van de voor de uitoefening van een manegebedrijf en dressuurstal vereiste afmetingen van 20m x 40m. De binnenrijhal is te breed en te kort.
-  X hoefde niet te twijfelen aan de juistheid van de in de advertentie vermelde afmetingen en zij heeft bij de aankoop kenbaar gemaakt dat de binnenrijhal gebruikt zou worden voor dressuurwedstrijden en voor het gedeelte van 5m x 20m voor opslag van hooi en stro.
 -  Bij het woonhuis is sprake van een lekkend dak en van lekkende ramen en de door VMK toegezegde reparatie van die gebreken heeft niet plaatsgevonden. Na de levering van het paardenobject zijn in de stal scheuren ontdekt, die het gevolg blijken te zijn van een constructiefout.
 -  Het paardenobject beantwoordt niet aan de koopovereenkomst in de zin van artikel 7:17 BW, althans Leeuweneiland heeft onrechtmatig jegens X gehandeld, althans X heeft gedwaald.


Het oordeel van de rechtbank
Non-conformiteit
Het paardenobject moet op moment van levering de eigenschappen bezitten die X op grond van de overeenkomst mocht verwachten. Wat X mocht verwachten is afhankelijk van de aard van de zaak en de mededelingen die Leeuweneiland (via VMK) over de zaak heeft gedaan. X stelt dat het paardenobject niet de eigenschappen bezit die zij mocht verwachten, omdat de werkelijke afmetingen van de binnenrijhal afwijken van de in de advertentie vermelde afmetingen, in het woonhuis het dak en een aantal ramen lekken en er is sprake van een constructiefout in de fundering van de stal. Leeuweneiland betwist een en ander.

De binnenrijhal
De in de advertentie vermelde afmetingen van de binnenrijhal zijn onjuist. X mocht uitgaan van de juistheid van die mededeling. In de tekst van de advertentie is immers geen sprake van een indicatie van de afmetingen. Dat bij de onderhandelingen mogelijk is aangegeven dat de koop plaatsvond op basis van “what you see is what you get” doet bovendien geen afbreuk aan een verwachting die door een eerder gedane mededeling is gewekt.
Leeuweneiland doet een beroep op artikel 7:17 lid 6 BW. Ingevolge dat artikel wordt bij de koop van onroerend goed vermelding van oppervlakte vermoed slechts als aanduiding bedoeld te zijn (en dus niet als “conformiteitseis”). De wetsgeschiedenis (Parlementaire Geschiedenis Boek 7, titels 1, 7, 9 en 14, 1991, p. 119 e.v.) biedt geen aanknoping om de vermelding van de afmetingen van een onderdeel van een onroerende zaak, zoals thans het geval is met de binnenrijhal, van genoemd artikel uit te sluiten. Ook het vonnis van de rechtbank Arnhem van 15 oktober 2008 (LJN: BH1455) waarnaar X verwijst, geeft daartoe geen aanleiding. Dit brengt mee dat het op de weg van X ligt om het wettelijk vermoeden van artikel 7:17 lid 6 BW te weerleggen en aan te tonen dat de vermelde afmetingen van de binnenrijhal wél tot de door haar redelijkerwijs te verwachten eigenschappen van het gekochte moeten worden gerekend. Daarvan is sprake indien X in voldoende mate (via VMK) aan Leeuweneiland heeft laten blijken dat de afmetingen van de binnenrijhal voor haar van essentieel belang waren.
Uit de e-mail van 20 mei 2009 (zie 3.4.) blijkt dat X aan VMK heeft gemeld dat zij het paardenobject wilde gaan gebruiken als verkoopstal en dat zij in de binnenrijhal een ruimte van 5m bij 20m voor de opslag van hooi en stro wilde realiseren. Uit die e-mail volgt niet dat de afmetingen van de binnenrijhal overigens voor haar van essentieel belang waren. X heeft ter comparitie verklaard dat zij bij haar bezichtiging de afmetingen en/of het gebruik van de binnenrijhal niet aan de orde heeft gesteld en dat zij niet weet of dat bij de andere namens haar gedane bezichtiging(en) wel is gebeurd. Volgens X was dat ook niet nodig, omdat zij vóór de eerste bezichtiging telefonisch aan VMK heeft meegedeeld dat zij het paardenobject onder meer wilde gebruiken voor (de training voor) dressuurwedstrijden en omdat zij per e-mail de gewenste opslagruimte aan VMK kenbaar had gemaakt. Leeuweneiland voert aan dat X niet expliciet aan VMK kenbaar heeft gemaakt dat zij het paardenobject mede voor dressuurwedstrijden wilde gebruiken en dat het mogelijk is om in de binnenrijhal zowel de gewenste opslagruimte als de gewenste dressuurfaciliteiten te realiseren.
Het Wedstrijdreglement Dressuur van de KNHS bevat voorschriften voor de afmetingen van een terrein waar dressuurwedstrijden worden gehouden. Tussen partijen is niet in geschil dat X niet mocht verwachten dat in de binnenrijhal wedstrijden voor de hogere en internationale klassen konden worden gehouden. De officiële afmetingen voor een terrein waar dergelijke wedstrijden worden gehouden zijn 20m bij 60m en daarmee groter dan de in de advertentie vermelde afmetingen. Voor de dressuurwedstrijden in de lagere klassen volgt uit het genoemde wedstrijdreglement dat de officiële afmetingen van een terrein 20m bij 40m zijn en dat afzetting van een groter terrein met een dressuurring is toegestaan. De werkelijke afmetingen van de binnenrijhal zijn 21,2m bij 45,5m. Dit betekent dat het mogelijk is om in de binnenrijhal, via een dressuurring van 20m bij 40m, een wedstrijdterrein voor dressuur te realiseren en dat daarnaast voldoende ruimte resteert voor een opslagruimte van 20m bij 5m.
Ter comparitie heeft X verklaard dat afzetting van de binnenrijhal met een dressuurring onhandig en optisch onaantrekkelijk is. X heeft evenwel niet gesteld dat zij aan VMK kenbaar heeft gemaakt dat het voor haar van essentieel belang was dat de binnenrijhal precies 20 meter breed was om afzetting daarvan voor dressuurwedstrijden te voorkomen. Gelet op het vorenstaande heeft X niet het wettelijk vermoeden van artikel 7:17 lid 6 BW weerlegd. De omstandigheid dat de in de advertentie vermelde afmetingen onjuist zijn, maakt dus niet dat er sprake is van non-conformiteit.

Het lekkend dak en de lekkende ramen
VMK heeft het bestaan van de herstelafspraak ter comparitie betwist en zij heeft verwezen naar artikel 5.1. van de koopovereenkomst waarin (onvoorwaardelijk) bepaald is dat de feitelijke levering van het paardenobject zal geschieden in de staat waarin het zich bij de totstandkoming van die overeenkomst bevond. In het licht van die gemotiveerde betwisting heeft X onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd die het bestaan van de van de koopovereenkomst afwijkende afspraak onderbouwen. In de dagvaarding heeft X niet gesteld op welke wijze en wanneer de herstelafspraak zou zijn gemaakt en dit volgt evenmin uit de e-mail die X na de inspectie heeft opgesteld.

Dwaling en onrechtmatige daad
Voor dwaling ten aanzien van binnenrijhal is vereist dat Leeuweneiland moest begrijpen dat de omstandigheid waaromtrent werd gedwaald (in dit geval de afmetingen van de binnenrijhal) voor X essentieel was om over te gaan tot contractssluiting. X heeft daartoe onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd. Het beroep op dwaling faalt derhalve.

Oordeel
Rechtbank wijst vorderingen af

De uitpsraak staat HIER

maandag 11 juni 2012

THE BANS OF ABDULLAZIZ AL EID & ABDULLAH WALEED REDUCED TO TWO MONTHS BY THE COURT OF ARBITRATION FOR SPORT (CAS)


The Court of Arbitration for Sport (CAS) has rendered its decisions in the appeals filed by the riders Khaled Abdullaziz Al Eid and Abdullah Waleed Sharbatly (Saudi Arabia) against the decision of the Tribunal of the International Equestrian Federation (FEI).

On 23 May 2012 the FEI Tribunal found that the riders had violated the FEI Equine Controlled Medication Rules and suspended them for a period of eight months. On 24 May 2012, the riders filed appeals at the CAS against such decision. At the request of the riders and with the consent of the FEI, the two appeals were referred to the same sole arbitrator (Mr Graeme Mew, Canada) and were conducted together on an expedited basis. A hearing was held in London on 7 June 2012.

The Sole Arbitrator has today issued his decision by which he partially upholds the appeals and, considering that the infraction was of minor importance, reduces the periods of ineligibility to two months, which have been already served by the athletes.

The full award with the grounds will be notified to the parties in a few weeks.


Persbericht CAS hier