Posts tonen met het label Sport en Spel. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Sport en Spel. Alle posts tonen

zondag 28 mei 2017

Kartcircuit Kombikart aansprakelijk voor letselschade kartster; eigen schuld 50%


De feiten
Slachtoffer X reed op 8 mei 2015 (twee dagen voor haar vijftiende verjaardag) in haar eigen kart, een zogenaamde minimax. Zij was een ervaren kartster en kende het kartcircuit goed. Zij was lid van de kartschool en reed ook wedstrijden. Karter Y was ten tijde van het ongeval 20 jaar oud, had wel eens eerder gekart maar reed die middag voor het eerst op het kartcircuit van Kombikart in Eindhoven.
Na enkele ronden te hebben gereden raakte karter Y van de baan af. Dit gebeurde in de chicane (S-bocht) van het circuit. Op het moment dat karter Y vanaf de rechterkant de baan weer opreed werd hij aangereden door Slachtoffer X . Zij reed met een snelheid van ongeveer 70 km per uur. Zij zag de kart van karter Y pas staan een enkel ogenblik voor de botsing en kon toen niets meer doen om het ongeval te voorkomen. Slachtoffer X is met haar kart tegen het linker voorwiel van de kart van karter Y gereden, waardoor haar kart werd gelanceerd, over de kop ging en een stuk verderop in de berm terechtkwam en in brand raakte. Slachtoffer X viel hierbij uit de kart.  Slachtoffer X had na het ongeval een dubbele klaplong, een gebroken linker sleutelbeen, diverse gekneusde en gebroken ribben, kneuzingen in haar bekken, en de linkerkant van haar lichaam was zeer pijnlijk, zat vol blauwe plekken en schaafwonden. Ook haar linkerhand was erg pijnlijk. Karter Y heeft bij het ongeval geen letsel opgelopen.

De vordering
Slachtoffer X stelt zowel karter Y als de kartschool aansprakelijk voor de schade.

Oordeel rechtbank

Aansprakelijkheid karter Y
Het staat vast dat het ongeval is veroorzaakt doordat karter Y terug het circuit is opgereden juist op het moment dat Slachtoffer X daar aan kwam rijden. De vraag is nu kort gezegd of karter Y , door het circuit op te rijden op de manier waarop hij dat heeft gedaan, onrechtmatig heeft gehandeld als bedoeld in artikel 6:162 BW. De ouders van Slachtoffer X stellen dat karter Y gevaarlijk en daarom onrechtmatig heeft gehandeld en beroepen zich in dit verband op de criteria zoals door de Hoge Raad gegeven in het zogenaamde Kelderluikarrest van 5 november 1965 (ECLI:NL:HR:1965:AB7079).
De rechtbank is van oordeel dat toepassing van deze criteria hier minder voor de hand ligt omdat het verwijt aan karter Y niet zozeer ziet op het in het leven roepen of in stand laten van een potentieel gevaarlijke (min of meer statische) situatie maar op het zich gevaarlijk gedragen. Of het gedrag van karter Y als onrechtmatig is aan te merken, moet als volgt worden beoordeeld. In het algemeen geldt dat niet elke gedraging die kan leiden tot een ongeval ook onrechtmatig is. Een gedraging die gevaar voor een ander kan opleveren is alleen dan onrechtmatig als de kans op een ongeval (met letsel voor een ander) zo groot is, dat de persoon in kwestie zich uit oogpunt van zorgvuldigheid daarvan had moeten onthouden (vergelijk Hoge Raad 9 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1576, ‘zwiepende tak’ en Hoge Raad 28 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2679, ‘Witmarsumer Merke’). Bij het beoordelen of in een concreet geval aan dit criterium is voldaan, moet worden gekeken naar de specifieke situatie waarin partijen zich hebben begeven en naar het gevaar dat partijen in die situatie over en weer redelijkerwijs van elkaar konden en mochten verwachten. In de jurisprudentie is uitgemaakt dat deelnemers aan een sport of spel in redelijkheid tot op zekere hoogte gevaarlijke, slecht gecoördineerde, verkeerd getimede of onvoldoende doordachte handelingen of gedragingen waartoe die activiteit uitlokt, of die daarin besloten liggen, van elkaar moeten verwachten (zie Hoge Raad van 28 juni 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0300, ‘natrappen bij voetbal’ en het al eerder genoemde arrest ‘Witmarsumer Merke’ uit 2003). Als een deelnemer aan een sport of spel door zijn gedrag letsel veroorzaakt bij een andere deelnemer, wordt dat gedrag daarom minder snel als onrechtmatig aangemerkt dan als datzelfde gedrag buiten een sport- en spelsituatie zou hebben plaatsgevonden. In sport- en spelsituaties is dus sprake van een verhoogde aansprakelijkheidsdrempel. Partijen twisten over de vraag of hier sprake was van een sport- en spelsituatie. karter Y meent van wel en stelt dat hij in het vuur van het spel zo snel mogelijk de baan weer op wilde. de ouders van Slachtoffer X meent dat karter Y, nadat hij de bocht was uitgevlogen en naast de baan terecht was gekomen, geen deel meer uitmaakte van de sport- en spelsituatie. Bovendien was er sprake van vrij rijden en ontbrak het competitieve element, zo stelt de ouders van Slachtoffer X . De rechtbank overweegt dat de verhoogde drempel voor aansprakelijkheid niet is opgehouden te gelden zodra karter Y naast de baan terecht is gekomen. Karter Y , die de bocht was uitgevlogen en de baan weer op wilde, maakte ook op het korte moment dat hij met zijn kart naast de baan stond, nog altijd deel uit van de sport- en spelsituatie (vergelijk Hoge Raad 28 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2680, ‘Broere/Kegel’ en het eerdergenoemde arrest ‘Witmarsumer Merke’ van dezelfde datum). Voorts geldt dat van een sport- en spelsituatie niet alleen sprake kan zijn indien de activiteit plaatsvindt in wedstrijdverband. Ook bij zuiver recreatieve activiteiten kan er reden zijn om een verhoogde drempel voor aansprakelijkheid aan te nemen. Bij het vrij karten is overigens wel degelijk sprake van een competitief element. De essentie van karten is toch om zo snel mogelijk het circuit af te leggen. Tijdens het vrij rijden zullen mogelijk minder risico’s worden genomen dan tijdens een wedstrijd, maar uit wat partijen daarover naar voren hebben gebracht begrijpt de rechtbank dat ook deelnemers aan het vrij rijden proberen zo snel mogelijk te rijden om hun rondetijden te verbeteren of om een andere kart bij te houden of in te halen. Dat karter Y buiten de baan was geraakt (en daar weer op probeerde te rijden om zijn ronde af te maken) betekent niet dat hij niet langer deelnam aan het vrij rijden. De rechtbank is daarom van oordeel dat de aansprakelijkheid van karter Y moet worden beoordeeld aan de hand van de maatstaf die geldt in sport- en spelsituaties. Die maatstaf kan variëren naargelang de specifieke omstandigheden van het geval. De aard en intensiteit van de activiteit speelt daarbij een belangrijke rol want (om bij gemotoriseerde activiteiten te blijven) in bijvoorbeeld deelname aan een motorcrosswedstrijd liggen nu eenmaal andere gevaren besloten dan in deelname aan een wat rustiger activiteit zoals een recreatieve snorfietstoertocht. Karter Y heeft over de toedracht van het ongeval en de omstandigheden die middag het volgende verklaard. karter Y had een paar keer eerder gekart maar reed die middag voor het eerst ‘semiprofessioneel’ op het outdoor circuit in Eindhoven, op uitnodiging van een schoolvriend. Hij reed in een kart van zijn vriend en droeg zijn eigen helm en crossbril. Bij aankomst op het circuit heeft karter Y voor het gebruik van de baan betaald en werd een label aan zijn kart bevestigd. Hem is niet gevraagd naar zijn kartervaring en aan hem zijn door het personeel van de kartbaan geen instructies gegeven. De instructies die op een bord bij de ingang hingen heeft hij niet gezien. Hij keek hoe anderen reden. Na enkele ronden te hebben gereden is karter Y met zijn kart gaan spinnen en raakte hij van de baan af. Dit gebeurde in de ‘chicane’ (S-bocht) van het circuit, waar een bocht van 90 graden naar links direct wordt gevolgd door een zelfde bocht naar rechts. Hij kwam in het gras rechts van de baan terecht en zijn kart kwam schuin/dwars in de bocht te staan, een positie van waaruit hij direct terug de baan op kon rijden. karter Y wilde zo snel mogelijk weer de baan oprijden. Voor hij dat deed keek hij naar links. Door de helm en de bril die hij droeg, en de kuipstoel waarin hij zat en waarin hij zich niet kon draaien, kon hij niet zo gemakkelijk naar achteren kijken als hij dat zonder helm en bril in bijvoorbeeld de auto zou kunnen, maar de baan was overzichtelijk en van links zag hij geen karts op korte afstand naderen. Verderop zag hij twee karts naderen, maar zijn inschatting was dat hij daar gemakkelijk voorlangs kon. Hij reed de baan op en werd direct van links aangereden door Slachtoffer X . Zij reed met hoge snelheid tegen zijn linker voorwiel. Karter Y stelt dat hij Slachtoffer X niet heeft gezien, mogelijk omdat zij buiten zijn blikveld, in zijn dode hoek heeft gereden. de ouders van Slachtoffer X (en Kombikart) hebben deze verklaringen van karter Y niet betwist. De ouders van Slachtoffer X verwijten karter Y onder meer dat hij in een onwennige kart reed waarin hij moeilijk kon bewegen en dat hij een helm droeg in combinatie met een crossbril, waardoor hij een kleinere kijkhoek had.
De rechtbank is van oordeel dat karter Y in deze geen verwijt treft. Karter Y reed voor het eerst in de kart, die daarom onwennig voor hem zal zijn geweest, maar de kart voldeed aan alle daaraan te stellen eisen. Zoals ook van de zijde van Kombikart is toegelicht is het uit een oogpunt van veiligheid van belang dat een karter goed vastzit in de kuipstoel van de kart. Het dragen van een helm is om voor de hand liggende redenen verplicht bij het karten, al maakt dit het naar opzij en met name het naar achteren kijken niet makkelijker. Karter Y heeft zijn helm gedragen in combinatie met een crossbril. Het staat niet vast dat hij hierdoor een beperkter zicht had dan wanneer hij een helm met vizier had gedragen. Voor zover zijn crossbril het zicht naar achteren enigszins heeft beperkt, dan betekent dit naar het oordeel van de rechtbank nog niet dat dit karter Y ervan had moeten weerhouden met die bril op te gaan rijden. Bij het binnengaan van de kartbaan is hij door het personeel ook niet gewezen op mogelijke ongeschiktheid van zijn helm met crossbril.
De ouders van Slachtoffer X verwijten karter Y ook dat hij meerdere baanregels heeft overtreden door zich buiten de baan te begeven, zijn hand niet op te steken en geheel onverwachts en zonder goed uit te kijken de baan weer op te rijden, daarbij niet aangevend wat hij van plan was en geen voorrang verlenend aan snellere rijders, waardoor hij anderen heeft gehinderd en afgesneden.
De rechtbank overweegt dat uit de verklaringen van zowel Kombikart als Slachtoffer X volgt dat het regelmatig voorkomt dat een karter buiten de baan raakt. Het van de baan af raken moet worden gezien als (het gevolg van) een tot op zekere hoogte gevaarlijke, slecht gecoördineerde, verkeerd getimede of onvoldoende doordachte handelingen of gedragingen waartoe het karten uitlokt, of die daarin besloten liggen, die karters onderling van elkaar, en zeker van minder ervaren mede-karters, moeten verwachten. De rechtbank overweegt dat er bij Kombikart geen baanregel is die voorschrijft dat een rijder die van de baan is geraakt zijn hand op moet steken bij het weer oprijden van de baan. De baanregels - die karter Y overigens niet had gelezen en waarover hij ook geen instructie had gehad - schrijven voor dat rijders hun beide handen op het stuur moeten houden en dat rijders duidelijk hun hand op moeten steken bij gevaar of bij het verlaten van de baan. Het was wellicht aan te raden geweest wanneer karter Y zijn hand had opgestoken voordat hij (met beide handen aan het stuur) de baan weer op reed, om daarmee andere rijders te waarschuwen. Dat hij dit niet heeft gedaan valt naar het oordeel van de rechtbank hooguit aan te merken als onvoldoende doordacht handelen waarmee andere gebruikers van de kartbaan rekening moeten houden dat dit kan gebeuren, zeker als zij weten dat er ook onervaren karters op de baan rijden. Overigens is het zeer de vraag of met het opsteken van de hand het ongeval zou zijn voorkomen. Op de zitting heeft Slachtoffer X uitgelegd dat het opsteken van de hand bedoeld is om te waarschuwen dat er iets aan de hand is, waarna er gevlagd kan worden en iedereen rustiger gaat rijden. Vast staat echter dat er op de middag van 8 mei 2015 geen vlaggers op het circuit aanwezig waren. Het opsteken van de hand door karter Y had er dus niet toe geleid dat er zou zijn gevlagd en het is niet zeker of Slachtoffer X de opgestoken hand van karter Y zou hebben gezien want zij heeft verklaard dat zij karter Y in zijn kart helemaal niet heeft zien staan naast de baan. Het is bovendien maar zeer de vraag of Slachtoffer X , als zij de opgestoken hand van karter Y wel had gezien, haar handelen daarop zou hebben aangepast. Op de zitting heeft Slachtoffer X immers verklaard dat als er een kart naast de baan staat het niet aan haar is om vaart te minderen, maar dat degene die de baan weer op wil goed moet uitkijken. Het belangrijkste verwijt aan het adres van karter Y is dat hij niet, of althans niet goed heeft uitgekeken voordat hij de baan is opgereden. De rechtbank is met de ouders van Slachtoffer X van oordeel dat het aan karter Y was om goed uit te kijken en te wachten totdat hij zonder anderen te hinderen de baan kon oprijden. Dit is door karter Y ook niet betwist. De ouders van Slachtoffer X stellen dat karter Y zonder te kijken de baan weer is opgereden. De vader van Slachtoffer X , heeft dit zo verklaard. Hij was die middag op het circuit aanwezig en heeft het ongeval naar eigen zeggen zien gebeuren. De rechtbank overweegt dat het voor de heer de ouders van Slachtoffer X heel moeilijk, zo niet onmogelijk moet zijn geweest om vanaf de zijkant van het circuit met zekerheid vast te stellen dat karter Y niet naar links heeft gekeken. De rechtbank ziet in de verklaring van de heer de ouders van Slachtoffer X dan ook onvoldoende grond om aan te nemen dat karter Y , anders dan hij zelf heeft verklaard, helemaal niet naar links heeft gekeken voordat hij de baan weer op reed. De rechtbank gaat er vanuit dat karter Y naar links heeft gekeken en vindt daarvoor een aanknopingspunt in de verklaring van karter Y dat hij twee karts heeft zien naderen waar hij naar zijn inschatting nog voorlangs kon. De heer [naam] , de vriend waarmee karter Y aan het karten was, heeft verklaard dat karter Y twee andere karts voor heeft laten gaan voordat hij de baan weer opging (productie 1 bij de conclusie van antwoord van karter Y ). Ook dit wijst er op dat karter Y niet direct en zonder eerst te kijken de baan weer is opgereden. Hoewel karter Y naar links heeft gekeken heeft toch een ongeval plaatsgevonden. Wat er precies de oorzaak van is geweest dat karter Y , hoewel hij naar links heeft gekeken, niet heeft gezien dat Slachtoffer X hem met hoge snelheid van dichtbij naderde (de aanrijding vond immers plaats direct bij het oprijden van de baan), is onduidelijk. Mogelijk heeft zij op het moment dat karter Y naar links keek juist in zijn dode hoek gereden. Rekening houdend met het feit dat het handelen van karter Y heeft plaatsgevonden binnen een sport- en spelsituatie als bedoeld in de eerder aangehaalde jurisprudentie, en rekening houdend met het feit dat karter Y , zoals zijn raadsman het verwoordt, in het vuur van het spel druk voelde om zo snel mogelijk weer de baan op te rijden, acht de rechtbank de handelwijze van karter Y niet onrechtmatig. De rechtbank ziet onvoldoende grond om te oordelen dat de handelwijze van karter Y zo abnormaal gevaarlijk was dat de andere karters, waaronder Slachtoffer X , hiermee in redelijkheid geen rekening hoefden te houden. Bij vrij karten op de manier waarop dat hier op het circuit van Kombikart gebeurde, kunnen de deelnemers verwachten dat andere (minder ervaren) deelnemers onbedoeld voor gevaarlijke situaties kunnen zorgen. karter Y heeft dan ook niet onrechtmatig gehandeld en is daarom niet aansprakelijk voor de schade die Slachtoffer X als gevolg van het ongeval lijdt. De vorderingen van de ouders van Slachtoffer X voor zover deze zien op karter Y zullen daarom worden afgewezen.

Aansprakelijkheid Kombikart
De vorderingen van de ouders van Slachtoffer X jegens Kombikart zijn er op gegrond dat Kombikart als exploitant van het kartcircuit is tekortgeschoten in de verplichting die zij heeft om te zorgen voor de veiligheid van gebruikers van het circuit. Zij verwijten Kombikart dat zij onvoldoende veiligheidsmaatregelen heeft getroffen. Kombikart voert gemotiveerd verweer.
De ouders van Slachtoffer X stellen dat Kombikart onrechtmatig, want gevaarzettend, jegens Slachtoffer X heeft gehandeld. Zij doen uitdrukkelijk een beroep op artikel 6:162 BW en - wederom - op het eerdergenoemde Kelderluik-arrest van de Hoge Raad uit 1965. Uit dit arrest volgt dat het antwoord op de vraag of het in het leven roepen of in stand laten van een gevaarlijke situatie onrechtmatig is, met name afhangt van (a) hoe waarschijnlijk het is dat anderen niet voldoende oplettend en voorzichtig zijn, (b) hoe groot de kans is dat dit tot ongevallen leidt, (c) de ernst van de gevolgen die een ongeval kan hebben, en (d) hoe bezwaarlijk het is om veiligheidsmaatregelen te nemen. de ouders van Slachtoffer X stellen dat gelet op deze criteria Kombikart onrechtmatig heeft gehandeld. Tegelijk met hun beroep op onrechtmatigheid doen de ouders van Slachtoffer X in verband met de door Kombikart gehanteerde exoneratie een beroep op artikel 6:233 sub a juncto 6:237 aanhef en onder f BW (algemene voorwaarden) en artikel 6:248 lid 2 BW (beperkende werking van redelijkheid en billijkheid), wat duidelijk maakt dat het geschil zich tevens afspeelt tegen de achtergrond van de contractuele relatie met Kombikart. Slachtoffer X is immers een overeenkomst aangegaan met Kombikart op grond waarvan zij tegen betaling gebruik mocht maken van het kartcircuit van Kombikart. De rechtbank zal daarom de stellingen van partijen die zien op de beweerdelijk geschonden zorgplicht van Kombikart tegenover Slachtoffer X als gebruiker van het kartcircuit (mede) beoordelen binnen dit contractuele kader. Partijen zijn het er niet over eens hoever de plicht gaat die Kombikart heeft om te zorgen voor de veiligheid van de gebruikers van het kartcircuit. Zij verschillen van mening over de vraag welke veiligheidsmaatregelen in redelijkheid van Kombikart kunnen worden gevergd. De ouders van Slachtoffer X verwijten Kombikart dat karter Y is toegelaten op het circuit terwijl hij een helm droeg met losse crossbril die niet geschikt was om te karten. Ook verwijten zij Kombikart dat karter Y niet vooraf is geïnstrueerd over de geldende regels en met name niet over wat te doen als je van de baan afraakt. Volgens hen is het gebruikelijk dat gebruikers van een kartbaan vooraf een briefing over de veiligheidsregels krijgen. Tot slot verwijten zij Kombikart dat tijdens het vrij rijden geen toezicht werd gehouden op de baan. Er waren geen vlaggers die de rijders konden attenderen op gevaarlijke situaties, aldus de ouders van Slachtoffer X .
Kombikart voert ter verweer het volgende aan. Het materiaal van karter Y is gecontroleerd en geschikt bevonden. Een helm met losse crossbril biedt misschien iets minder goed zicht dan een helm met vizier, maar is daarmee nog niet ongeschikt of gevaarlijk. Op de informatieborden die duidelijk zichtbaar zijn aangebracht bij de ingang van het circuit heeft karter Y kunnen lezen wat de regels zijn die gelden op de baan. Een briefing is niet gebruikelijk bij het vrij rijden. De aanwezigheid van vlaggers is bij het vrij rijden niet verplicht voorgeschreven en ook niet gebruikelijk. Het inhuren van vlaggers zou de toch al hoge prijs van het vrij rijden zo opstuwen dat dit het einde van het kartcircuit zou betekenen. Deelnemers aan het vrij rijden weten dat er geen vlaggers staan en moeten hier rekening mee houden door wat voorzichtiger te rijden dan tijdens wedstrijden. Op het circuit is wel altijd minimaal één baanbeheerder aanwezig die de materiaalcontrole doet en er op toeziet dat iedereen zich aan de regels houdt. Daarmee is er voldoende toezicht.
De rechtbank overweegt als volgt. Karten is een gevaarlijke sport met een aanmerkelijke kans op ongevallen met (ernstig) lichamelijk letsel. Kombikart exploiteert een kartcircuit en kan niet altijd voorkomen dat ongevallen plaatsvinden, maar door het treffen van bijzondere maatregelen kan Kombikart de kans op (ernstige) ongevallen op haar circuit wel verminderen en van Kombikart als bedrijfsmatig verhuurder van de baan kan ook worden gevergd dat zij uit oogpunt van veiligheid de nodige maatregelen treft. Met name ook bij het vrij rijden. Iedereen die dat wil kan dan tegen betaling met een eigen kart of een gehuurde kart op het circuit rijden, ongeacht leeftijd of rijvaardigheid. Ervaren en onervaren deelnemers rijden dan dus gezamenlijk op het circuit met snelheden die onderling nogal kunnen verschillen, in karts van verschillend gewicht en vermogen. Dit kan leiden tot gevaarlijke situaties. Daar komt bij dat met name de recreatieve deelnemers vaak onverzekerd zullen rijden. Een ongevallenverzekering zullen zij in veel gevallen niet hebben afgesloten en deze biedt bovendien niet altijd dekking bij een gevaarlijke sport als karten. En ook de aansprakelijkheidsverzekering van de deelnemers zal soms, zoals ook in het geval van karter Y , geen dekking bieden. Van Kombikart als bedrijfsmatig exploitant mag daarom vanuit het oogpunt van maatschappelijke zorgvuldigheid worden verwacht dat zij de nodige maatregelen neemt om het ontstaan van gevaarlijke situaties waarbij (letsel)schade kan optreden zoveel als redelijkerwijs mogelijk te voorkomen.
De rechtbank is van oordeel dat van Kombikart onder meer mag worden verwacht dat zij controleert of degenen die de baan op willen gaan beschikken over veilig materiaal. Namens Kombikart is op de zitting verklaard dat de baanbeheerder ‘in één oogopslag’ ziet of alles in orde is van degenen die de baan opgaan. De rechtbank is er niet van overtuigd dat op die manier sprake is van een deugdelijke controle van kart en andere materialen, maar acht dit voor de beoordeling van deze zaak verder niet van belang omdat naar haar oordeel niet vaststaat dat Kombikart karter Y met onveilig materiaal de baan op heeft laten gaan. de ouders van Slachtoffer X stellen dat het gebruik van een helm met losse crossbril wel geschikt is voor motorcross maar niet voor karten, vanwege de beperkte kijkhoek. Zonder toelichting of onderbouwing, die de ouders van Slachtoffer X niet heeft gegeven, valt naar het oordeel van de rechtbank niet in te zien dat tussen beide sporten een relevant verschil bestaat in de mogelijkheid die deelnemers moeten hebben om naast en achter zich te kijken. De rechtbank ziet dan ook geen grond om aan te nemen dat het onveilig is een helm met losse crossbril te dragen bij het karten. Dat de kijkhoek van een helm met losse crossbril mogelijk iets beperkter is dan van een helm met vizier, maakt naar het oordeel van de rechtbank nog niet dat Kombikart het gebruik ervan op haar circuit niet zou mogen toestaan vanwege de onveiligheid daarvan. Van schending door Kombikart van haar verplichting om te zorgen voor veiligheid op het circuit is in die zin dan ook geen sprake. De rechtbank is van oordeel dat van Kombikart ook mag worden verwacht dat zij er voor zorgt dat alle deelnemers aan het vrij rijden, met name ook de beginners of weinig ervaren karters, zich bewust zijn van de gevaren van het karten en weten aan welke veiligheidsregels zij zich moeten houden. Kombikart heeft hierbij niet kunnen volstaan met het ophangen van een informatiebord waarop de baanregels staan vermeld. Veel deelnemers zullen dit bord niet (volledig) lezen, mede gelet op de hoogte waarop het bord hangt en de hoeveelheid informatie die erop vermeld staat. Bovendien staat op het bord niet duidelijk te lezen wat je moet doen als je van de baan raakt, terwijl dit naar de rechtbank heeft begrepen veelvuldig voorkomt en tot gevaarlijke situaties kan leiden. Kombikart dient er voor te zorgen dat alle deelnemers weten hoe zij zich op de baan moeten gedragen. Zij kan dit doen door aan alle deelnemers, of in elk geval aan iedereen die het circuit voor het eerst bezoekt, uitleg te geven over de veiligheidsregels en daarbij die regels op schrift uit te reiken (en eventueel voor kennisgeving of akkoord te laten ondertekenen). Een dergelijke handelwijze, waarbij Kombikart het belang van veiligheid actief onder de aandacht van de deelnemers brengt, zal deze deelnemers ook scherpen in het bewustzijn dat karten gevaarlijk is en dat ze zich aan de regels moeten houden, voor hun eigen veiligheid en die van de andere deelnemers. Naar het oordeel van de rechtbank is dit een handelwijze die redelijkerwijs van Kombikart mag worden gevergd. Door karter Y niet te vragen naar zijn kartervaring en hem zonder enige vorm van instructie toe te laten op het circuit, heeft Kombikart dan ook naar het oordeel van de rechtbank onzorgvuldig gehandeld.
Van Kombikart mag tot slot worden verwacht dat zij zorgt voor adequaat toezicht op en naast de baan. Op 8 mei 2015 was tijdens het vrij rijden slechts één baanbeheerder aanwezig. Kombikart heeft uitgelegd dat een baanbeheerder de materiaalcontrole doet en er op toeziet dat iedereen zich aan de regels houdt. Deze baanbeheerder bevindt zich voornamelijk in de buurt van het clubgebouw en het is niet zijn functie om de rijders door het opsteken van een vlag of op een andere manier te attenderen op gevaarlijke situaties op het circuit. De rechtbank is van oordeel dat Kombikart tijdens het vrij rijden niet kan volstaan met de aanwezigheid van slechts één baanbeheerder. De wijze waarop Kombikart het vrij rijden laat plaatsvinden, waarbij zij beginners en (ver)gevorderden vanaf 14 jaar door elkaar laat rijden in karts met een verschillend vermogen, zonder hen vooraf veiligheidsinstructies te geven, brengt mee dat gevaarlijke situaties te verwachten zijn en dat dus enig toezicht op de baan nodig is. Gegeven die situatie mag van Kombikart worden verwacht dat zij er voor zorgt dat tijdens het vrij rijden de deelnemers worden gewaarschuwd als er gevaar dreigt, bijvoorbeeld door vlaggers of waarschuwingslichten op het circuit te plaatsen. Dat het gebruik van vlaggers buiten wedstrijden om niet verplicht is voorgeschreven en ook niet gebruikelijk is bij outdoor circuits, zoals Kombikart stelt maar niet nader onderbouwt, betekent nog niet dat vlaggers nooit nodig zijn. Het gebruik van vlaggers tijdens het vrij rijden, of het gebruiken van een ander signaleringssysteem, kan uit oogpunt van veiligheid nodig zijn als de omstandigheden op de baan daartoe nopen. Kombikart stelt dat het gebruik van vlaggers financieel onhaalbaar is en ter onderbouwing heeft zij globaal voorgerekend dat het tijdens alle openingsuren inhuren van tien vlaggers tegen een vergoeding van € 20,- per uur de entreeprijs zou doen stijgen van € 40,- naar € 275,- per dag. Kombikart heeft op dit punt bewijs aangeboden. De rechtbank ziet geen aanleiding voor bewijslevering. Zoals door de ouders van Slachtoffer X is aangevoerd hoeven er tijdens het vrij rijden door Kombikart geen tien vlaggers te worden geplaatst, en ook geen negen, zoals bij wedstrijden, maar zou kunnen worden volstaan met bijvoorbeeld twee of drie vlaggers op strategische plekken op het circuit. Deze vlaggers zouden een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan de veiligheid op het circuit, nu van de deelnemers aan het vrij rijden op hun beurt mag worden verwacht dat zij minder risico’s nemen dan bij wedstrijden en oog houden voor wat er om hen heen gebeurt en dus ook voor vlaggen die de lucht in gaan. De vlaggers hoeven bovendien geen betaalde krachten te zijn. Kombikart zou ook gebruik kunnen maken van vrijwilligers die in ruil voor hun diensten bijvoorbeeld gratis gebruik mogen maken van de kartbaan. En als Kombikart geen vlaggers kan of wil plaatsen, zou zij bijvoorbeeld ook kunnen kiezen voor het plaatsen van waarschuwingslichten. Een toezichthouder die overzicht kan houden over het hele circuit kan dan deze lichten in werking stellen als zich een gevaarlijke situatie voordoet. Het plaatsen van vlaggers of het hanteren van een ander signaleringssysteem leidt ontegenzeggelijk tot extra kosten voor Kombikart, en noodzaakt mogelijk tot een verhoging van de reeds aanzienlijke entreeprijs van € 40,- per dag, maar dit nadeel weegt naar het oordeel van de rechtbank niet op tegen het veiligheidsbelang van de deelnemers dat ermee is gediend dat er voldoende toezicht op de baan aanwezig is en dat zij worden gewaarschuwd bij gevaar. De rechtbank concludeert op basis van het voorgaande dat Kombikart tekort is geschoten in haar verplichtingen ten aanzien van de gebruikers van het kartcircuit. Door tijdens het vrij rijden iedereen op het circuit toe te laten zonder hen te vragen of zij ervaring hebben met karten en zonder hen uitleg te geven over de regels die gelden bij het karten, en door alle deelnemers vervolgens gelijktijdig te laten rijden zonder daarbij toezicht te houden, waardoor de rijders niet worden gewaarschuwd als zich een gevaarlijke situatie voordoet, biedt Kombikart haar klanten onvoldoende veiligheid. Van Kombikart, die het kartcircuit bedrijfsmatig exploiteert, mag redelijkerwijs worden gevergd dat zij maatregelen treft om de gevaren die inherent zijn aan het karten te verminderen, waaronder het deugdelijk instrueren van de deelnemers en het houden van voldoende toezicht. Vanuit maatschappelijk oogpunt kan zij de verantwoordelijkheid voor de veiligheid op de door haar bedrijfsmatig geëxploiteerde kartbaan niet uitsluitend en volledig neerleggen bij de individuele rijders.

Causaal verband 
Slachtoffer X stelt dat als karter Y vooraf veiligheidsinstructies had ontvangen, waarbij hem zou zijn uitgelegd wat hij moest doen als hij buiten de baan zou raken, dat karter Y dan niet zomaar de baan weer was opgereden. Als er vlaggers op de baan hadden gestaan hadden zij karter Y instructies kunnen geven en de overige deelnemers, waaronder Slachtoffer X , met hun vlag kunnen waarschuwen. Slachtoffer X had dan vaart geminderd. de ouders van Slachtoffer X is op deze grond van mening dat Kombikart het ongeval had kunnen voorkomen als zij haar verplichtingen was nagekomen.
Kombikart betwist dat een instructie vooraf of het plaatsen van vlaggers het ongeval had kunnen voorkomen. karter Y wist dat hij de andere karts voor moest laten gaan maar heeft eenvoudigweg niet goed uitgekeken. Een instructie vooraf zou hieraan niets hebben veranderd, aldus Kombikart. Voor Slachtoffer X moet karter Y ook zichtbaar zijn geweest, maar toch heeft zij hem niet gezien. Het is daarom niet aan te nemen dat zij een signalerende vlagger wel had gezien, zo stelt Kombikart.  De rechtbank overweegt dat nooit met zekerheid zal kunnen worden vastgesteld wat er was gebeurd als karter Y vooraf instructies had ontvangen en als er vlaggers op de baan hadden gestaan. Aannemelijk is echter wel dat karter Y , en ook Slachtoffer X , anders zou(den) hebben gehandeld. karter Y heeft immers verklaard dat hij in het vuur van het spel zo snel mogelijk de baan weer op wilde. De rechtbank acht daarom voldoende aannemelijk dat Kombikart met goede instructies en goed toezicht het ongeval zoals dat zich hier heeft voorgedaan had kunnen voorkomen. Voor zover het causaal verband niettemin nog onzeker is, dient dit naar het oordeel van de rechtbank voor risico van Kombikart te komen. De rechtbank verwijst in dit verband naar de zogenaamde omkeringsregel die inhoudt dat als er sprake is van schending van een norm die strekt ter bescherming tegen een specifiek gevaar, en dat specifieke gevaar zich verwezenlijkt, de rechtbank het condicio sine qua non-verband tussen die normschending en de verwezenlijking van het gevaar als vaststaand moet aannemen, behoudens door de normschender te leveren tegenbewijs (zie o.a. Hoge Raad 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7345 ‘lekkende tankcontainer’). Naar het oordeel van de rechtbank heeft Kombikart onvoldoende gemotiveerd gesteld dat het ongeval ook zou zijn gebeurd als de vereiste veiligheidsmaatregelen waren getroffen en zal zij Kombikart daarom niet toelaten tot tegenbewijs.

Exoneratie
Het staat vast dat Kombikart op het circuit borden heeft opgehangen met daarop de waarschuwing dat het gebruik van het circuit gebeurt op eigen risico. Kombikart doet een beroep op deze uitsluiting van aansprakelijkheid. De ouders van Slachtoffer X betwisten niet dat deze waarschuwing is gegeven en deel uitmaakt van de overeenkomst met Kombikart over het gebruik van het circuit. de ouders van Slachtoffer X beroepen zich er op dat dit een beding is dat ingevolge de wet vermoed wordt onredelijk bezwarend te zijn en dat Kombikart geen feiten en omstandigheden stelt waaruit het tegendeel kan blijken. Zij menen daarom dat de exoneratie vernietigbaar is.
De rechtbank is van oordeel dat de exoneratie waarop Kombikart zich beroept moet worden aangemerkt als een beding in algemene voorwaarden waarvan in artikel 6:237 aanhef en onder f BW is bepaald dat het vermoed wordt onredelijk bezwarend te zijn, omdat de exoneratie tot doel heeft Kombikart tegenover haar klanten (consumenten) geheel te bevrijden van elke wettelijke verplichting tot schadevergoeding. Deze exoneratie is daarom op grond van artikel 6:233 BW aanhef en onder a BW vernietigbaar, tenzij Kombikart dit vermoeden - dat het beding onredelijk bezwarend is - kan weerleggen.
Of de exoneratie onredelijk bezwarend is hangt af van de aard en overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de exoneratie tot stand is gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval. Kombikart voert ter ondersteuning van haar stelling dat de exoneratie niet onredelijk bezwarend is de volgende argumenten aan:
a) Kombikart heeft het niet in haar macht om ongevallen door fouten of onvoorzichtigheid van de deelnemers te voorkomen;
b) Kombikart hoeft bij het vrij rijden niet hetzelfde niveau van veiligheid te bieden als bij wedstrijden;
c) Slachtoffer X heeft de risico’s van het karten aanvaard en heeft nooit bezwaar gemaakt tegen de voorwaarde dat het karten gebeurde op eigen risico;
d) Slachtoffer X had door voorzichtig te zijn het ongeval kunnen voorkomen;
e) Slachtoffer X had een ongevallenverzekering kunnen afsluiten.

De rechtbank overweegt dat de argumenten onder (a), (b) en (d) spelen een rol bij de vraag naar (de omvang van) de aansprakelijkheid van Kombikart maar zijn geen argumenten die in geval van aansprakelijkheid een exoneratie rechtvaardigen. De overeenkomst tussen Slachtoffer X en Kombikart hield in dat Slachtoffer X tegen betaling gebruik mocht maken van het circuit van Kombikart om te kunnen karten. Zij reed op het circuit met eigen materiaal en heeft daarmee naar het oordeel van de rechtbank het risico aanvaard dat haar kart beschadigd zou kunnen raken. Uit de waarschuwing van Kombikart dat het karten op eigen risico plaatsvindt heeft zij moeten begrijpen dat Kombikart eventuele schade aan haar kartmateriaal niet zou vergoeden. Zij had een schadeverzekering voor haar kartmateriaal kunnen afsluiten. De rechtbank is daarom van oordeel dat van de exoneratie niet kan worden gezegd dat deze onredelijk bezwarend is voor zover deze ziet op de materiaalschade die de ouders van Slachtoffer X van Kombikart vorderen.
Voor zover de exoneratie echter tot doel en tot gevolg heeft aansprakelijkheid van Kombikart ook uit te sluiten bij lichamelijk letsel van haar klanten, moeten aan de weerlegging van het vermoeden dat de exoneratie onredelijk bezwarend is, hoge eisen worden gesteld. In de indicatieve bijlage bij artikel 3 lid 3 van Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten is een dergelijk beding ook omschreven als een beding dat als oneerlijk kan worden aangemerkt. De rechtbank is van oordeel dat Kombikart met de door haar aangevoerde argumenten er niet in is geslaagd het vermoeden, dat het beding onredelijk bezwarend is, te weerleggen. De overeenkomst met Slachtoffer X is naar de rechtbank begrijpt mondeling tot stand gekomen. Dat Slachtoffer X (of haar ouders) enig schriftelijk stuk van Kombikart heeft (hebben) ondertekend, is niet gesteld of gebleken. Hoewel karten een gevaarlijke sport is, heeft Kombikart bij het sluiten van de overeenkomst geen bijzondere aandacht besteed aan de vraag naar aansprakelijkheid bij (letsel)schade. Zij heeft Slachtoffer X (of haar ouders) er ook niet op gewezen dat het haar eigen verantwoordelijkheid is om een ongevallenverzekering af te sluiten. Kombikart heeft slechts borden opgehangen met de waarschuwing dat het rijden op de kartbaan en het verblijf op het terrein voor eigen risico is. Dat Kombikart daarmee iedere aansprakelijkheid uitsluit, ook voor letselschade die (mede) het gevolg is van onrechtmatig handelen of nalaten van Kombikart zelf, is hen niet uitdrukkelijk voorgehouden. Kombikart zou een te respecteren belang kunnen hebben bij beperking van haar aansprakelijkheid voor zover deze redelijkerwijs niet door een verzekering kan worden gedekt, maar over eventuele onverzekerbaarheid is door Kombikart niets gesteld of onderbouwd. Uit de betrokkenheid van Achmea bij deze procedure begrijpt de rechtbank daarentegen dat de aansprakelijkheid van Kombikart door verzekering is gedekt.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat Kombikart er niet in is geslaagd het vermoeden te weerleggen dat de exoneratie onredelijk bezwarend is voor zover deze exoneratie ziet op de letselschade die de ouders van Slachtoffer X vorderen. De exoneratie is in zoverre vernietigbaar op grond van artikel 6:233, aanhef en onder a BW en Kombikart kan daarop geen geslaagd beroep doen. Voor wat betreft de materiaalschade die de ouders van Slachtoffer X vorderen kan Kombikart wel een geslaagd beroep doen op de exoneratie.

Eigen schuld
Door Kombikart is een beroep gedaan op eigen schuld aan de kant van de ouders van Slachtoffer X als bedoeld in artikel 6:101 BW.


De rechtbank is van oordeel dat dit beroep op eigen schuld slaagt op de daartoe door Kombikart aangevoerde gronden. Slachtoffer X is met haar snelle kart gaan vrij rijden op een circuit waar op dat moment ook onervaren karters reden en geen vlaggers aanwezig waren. Zij heeft zich hierdoor willens en wetens blootgesteld aan de risico’s die in het algemeen zijn verbonden aan het karten en meer in het bijzonder aan het risico van een ongeval door een fout van een minder ervaren karter. Slachtoffer X is bovendien onvoldoende oplettend geweest. Zij heeft karter Y niet naast de baan zien staan terwijl hij voor haar wel zichtbaar moet zijn geweest. Het circuit kon immers goed worden overzien en de stelling van de ouders van Slachtoffer X dat karter Y vanuit zijn positie Slachtoffer X in haar kart kon zien aankomen impliceert dat Slachtoffer X vanuit haart kart karter Y ook kon zien staan. Slachtoffer X heeft ook een risico genomen door met onverminderd hoge snelheid door de chicane en vlak langs karter Y te rijden. Hoewel Slachtoffer X een gevaarlijke sport beoefent is gesteld noch gebleken dat de ouders van Slachtoffer X in verband daarmee een ongevallenverzekering voor haar hebben afgesloten. De schade die Slachtoffer X lijdt door het ongeval is mede een gevolg van al deze omstandigheden die aan de ouders van Slachtoffer X kunnen worden toegerekend, wat de vergoedingsplicht van Kombikart doet verminderen.

In de omstandigheden van het geval ziet de rechtbank geen grond om te oordelen dat de aan Kombikart toe te rekenen omstandigheden meer hebben bijgedragen aan de schade dan de omstandigheden die aan Slachtoffer X (en dus aan de ouders van Slachtoffer X ) zijn toe te rekenen. De rechtbank zal daarom bepalen dat Kombikart 50% van de letselschade zal dienen te vergoeden en dat de overige 50% van de letselschade voor eigen rekening van de ouders van Slachtoffer X zal blijven

donderdag 23 maart 2017

Duw na afloop van ijsvoetbal, sport en spel situatie?



De feiten
Het voetbalteam waarvan zowel X als Y deel uitmaken, heeft een meerdaags uitstapje naar Düsseldorf georganiseerd dat is geëindigd met een wedstrijd ijsvoetbal op 5 september 2015 in het ijsstadion. X , onder meer eigenaar van een evenementenbureau, heeft het uitstapje mede georganiseerd. Bij het ijsvoetbalspel trekken de deelnemers grote plastic ballen (over het hoofd) aan. De plastic ballen creëren een beschermingsconstructie die ervoor zorgt dat spelers tegen elkaar aan kunnen duwen en stoten tijdens het spel. De plastic ballen bieden tevens valbescherming. Het doel van het spel is om de voetbal in het doel van de tegenstander te krijgen.
Nadat het ijsvoetbalspel op 5 september 2015 was geëindigd en het fluitsignaal van de scheidsrechter had geklonken, heeft X de plastic bal uitgetrokken om de ijsbaan via de ijshockeyspelersklapdeur te kunnen verlaten. Y , die de plastic bal op dat moment nog droeg, heeft X op dat moment bij wijze van grap in de rug geduwd als gevolg waarvan X ten val is gekomen en met zijn hoofd tegen de rand/boarding van de ijsbaan is gegleden. X is daarbij buiten westen geraakt. X heeft Y aansprakelijk gesteld voor de schade als gevolg van het ongeval.

Standpunt X
Uit de getuigenverklaringen blijkt dat Y bewust roekeloos heeft gehandeld na een spelsituatie. Het spel was afgelopen na een duidelijk fluitsignaal van de scheidsrechter en verscheidene personen hadden de plastic bal al uitgetrokken. Y heeft toen besloten, ook al was de uiteindelijke schade niet het beoogde gevolg, om X een forse duw te geven. Daarmee aanvaardde Y het aanmerkelijke risico dat het zou aflopen zoals prompt het geval werd: een zware hersenschudding met restgevolgen bij X . Uit de verschillende verklaringen over de toedracht van het ongeval blijkt dat er geen sprake was van een speels duwtje. Ook echter indien door Y geduwd zou zijn zonder dat hij daarbij een aanloop nam, is er sprake van aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad (6:162 BW). Het vermaak tijdens het ijsvoetbalspel had niets van doen met het gewraakte incident. Het effect van de duw was groot. Door de energie van het botsen met een opgeblazen bal stuiterde X weg. Hij werd gelanceerd door een verende bal die veel energie toevoegde. X is voorover gevallen en over het ijs met zijn hoofd tegen de onderrand van de boarding terecht gekomen.

Standpunt Y
IJsvoetbal is een spel met een wedstrijdelement. De gedraging van Y vond daarom plaats in een sport- en spelsituatie. Het beëindigen van de wedstrijd door de scheidsrechter betekent nog niet dat de sport- en spelsituatie is geëindigd. De enkele omstandigheid dat X – in tegenstelling tot Y , die nog aan het doorspelen was – zijn plastic bal had uitgetrokken om vervolgens naar de boarding te lopen, maakt nog niet dat hij zijn hoedanigheid van deelnemer aan het spel had verloren. Nu nog sprake was van een sport- en spelsituatie geldt bij de beoordeling van de aansprakelijkheid een verhoogde aansprakelijkheidsdrempel. Die drempel wordt volgens Y niet gehaald. De mate van waarschijnlijkheid dat X letsel zou oplopen als gevolg van de duw was niet zo groot, dat Y zich daarvan naar maatstaven van zorgvuldigheid had dienen te onthouden. Y beoogde niet X te laten vallen of hem letsel toe te brengen. Y ontkent dat sprake is geweest van een forse duw of het lanceren van X . Het betrof een speelse duw. Omdat er geen spelregels waren, kan hij de regels van het spel niet hebben overtreden.

Oordeel rechtbank
Aan de orde is de vraag of Y aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval van X op 5 september 2015. Uitgangspunt daarbij is dat niet reeds de enkele mogelijkheid van een ongeval, als verwezenlijking van aan een bepaald gedrag inherent gevaar, dat gedrag onrechtmatig doet zijn, maar dat zodanig gevaar scheppend gedrag slechts onrechtmatig is indien de mate van waarschijnlijkheid van een ongeval (het oplopen van letsel door een ander) als gevolg van dat gedrag zo groot is dat de dader zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat gedrag had moeten onthouden (vgl. o.m. Hoge Raad 9 december 1994, NJ 1996, 403 en Hoge Raad 28 maart 2003, NJ 2003, 718).
De vraag of aan dit criterium wordt voldaan, dient te worden beantwoord op grond van de specifieke omstandigheden van het geval. Bij de toetsing aan de hiervoor genoemde maatstaf dient betrokken te worden het gevaar dat partijen gezien de specifieke situatie over en weer redelijkerwijze van elkaar kunnen en moeten verwachten. Deze nuancering komt in de rechtspraak onder meer tot uiting in gevallen waarin de schadeveroorzakende gebeurtenis plaatsvindt binnen een sport- en/of spelsituatie. De vraag of een deelnemer aan een sport of spel onrechtmatig heeft gehandeld door een gedraging als gevolg waarvan een andere deelnemer letsel is toegebracht, wordt minder spoedig bevestigend beantwoord dan in het geval dat diezelfde gedraging buiten een sport- of spelsituatie heeft plaats gevonden. De reden daarvan is dat deelnemers aan een sport of spel in redelijkheid tot op zekere hoogte gevaarlijke, slecht gecoördineerde, verkeerde getimede of onvoldoende doordachte handelingen of gedragingen waartoe de activiteit uitlokt of die daarin besloten liggen, van elkaar moeten verwachten (vgl. o.m. Hoge Raad 28 juni 1991, NJ 1992, 622 en, nogmaals, Hoge Raad 28 maart 2003 NJ 2003, 718).
De rechtbank is met Y van oordeel dat de in voornoemde jurisprudentie benoemde verhoogde aansprakelijkheidsdrempel in dit geval van toepassing is. Deze verhoogde drempel om aansprakelijkheid te kunnen aannemen, houdt naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet op te gelden doordat het fluitsignaal van de scheidsrechter had geklonken en enkele deelnemers bezig waren het veld te verlaten om een volgende groep spelers de mogelijkheid te bieden het ijsvoetbalspel te spelen. Zowel X als Y bevonden zich ten tijde van het ongeval nog op het ijs.
In dit licht dient vervolgens met betrekking tot de aansprakelijkheid de vraag te worden beantwoord of de gedraging van Y op 5 september 2015 valt binnen een normale uitoefening van het ijsvoetbalspel. Dat is naar het oordeel van de rechtbank niet het geval. Het handelen van Y jegens X op 5 september 2015 was zodanig gevaarlijk en onzorgvuldig dat dit handelen als onrechtmatig moet worden aangemerkt (artikel 6:162 BW). Daarbij oordeelt de rechtbank met name de volgende vaststaande feiten en omstandigheden doorslaggevend:
- het fluitsignaal voor het einde van de wedstrijd had reeds geklonken en verschillende deelnemers waren bezig de ijsbaan te verlaten of hadden de ijsbaan reeds verlaten;
- X was bezig de ijsbaan te verlaten en nam geen deel meer aan het spel;
- X had de plastic bal reeds uitgetrokken en droeg geen bescherming meer, hetgeen voor Y kenbaar was;
- Y heeft X opzettelijk in de rug geduwd, hetgeen X niet aan heeft zien (kunnen) komen;
- Y droeg ten tijde van de duw wel nog de plastic bal, waarvan het extra verende effect op X Y gelet het eerder gespeelde spel bekend was.
Op grond van deze vaststaande feiten en omstandigheden was de mate van waarschijnlijkheid van een ongeval en het oplopen van letsel door X als gevolg van de duw naar het oordeel van de rechtbank zo groot dat Y zich daarvan naar maatstaven van zorgvuldigheid had moeten onthouden. De stelling van Y dat hij niet had hoeven verwachten dat X zou vallen, laat staan letsel oplopen, wordt door de rechtbank verworpen. In dat verband merkt de rechtbank op dat voldoende vast staat dat geen sprake is geweest van een speels duwtje. De verschillende getuigenverklaringen (productie 1 verzoekschrift) waarin onder meer wordt gesproken over: ‘met behoorlijke snelheid op X inbeukte’, ‘vol in zijn rug gelopen werd’ en ‘vol in zijn rug werd geraakt’ zijn naar het oordeel van de rechtbank onverenigbaar met deze door Y gebruikte kwalificatie. Dat de exacte snelheid van de duw niet vaststaat, zoals Y bij monde van zijn advocaat ter comparitie nog heeft opgemerkt, oordeelt de rechtbank mede gelet op het hiervoor genoemde criterium voor de aansprakelijkheidsvraag niet van belang. De rechtbank oordeelt evenmin van belang de stelling van Y dat er door het verhuurbedrijf van de ballen, [naam verhuurder] , of door anderen nauwelijks instructies waren gegeven of spelregels uiteen waren gezet. Nog daargelaten dat X deze stelling heeft betwist, heeft Y niet aangegeven welke specifieke instructies volgens hem hadden moeten worden gegeven en waarom het ongeval, als gevolg van een bewuste gedraging van Y , daardoor had kunnen worden voorkomen. Aan deze stelling gaat de rechtbank daarom voorbij. De rechtbank merkt tot slot nog op dat het oordeel omtrent de aansprakelijkheid wellicht anders had kunnen zijn geweest indien Y per ongeluk tegen X was aangebotst of indien Y niet had gezien dat X geen bescherming meer droeg, maar daarvan is in dit geval geen sprake geweest.
De conclusie van het voorgaande is dat Y aansprakelijk is voor de door X ten gevolge van het ongeval op 5 september 2015 te Düsseldorf geleden schade.

Geen eigen schuld slachtoffer
Bij de vraag of de volledige schade van X dient te worden vergoed, is van belang het beroep van Y op eigen schuld bij X (artikel 6:101 BW).
In dit verband heeft Y in de eerste plaats aangevoerd dat X de luchtbal al had uitgetrokken toen hij zich nog op het speelveld bevond terwijl er nog enkele deelnemers aan het doorspelen waren. X had, als organisator van het spel, een andere uitgang kunnen kiezen waar hij wel met de bal doorheen had gekund. X zou zich, door de bal op de ijsbaan uit te trekken, hebben blootgesteld aan risico’s waarmee hij bekend was omdat hij vaker ijsvoetbal had gespeeld.
In de tweede plaats heeft Y aangevoerd dat X als organisator zelf een spel heeft uitgezocht dat gericht is op baldadig gedrag. X heeft daarmee zelf de omstandigheden in het leven geroepen waaronder het ongeval kon gebeuren, door de setting en de sfeer te creëren. Vervolgens heeft hij op een onzorgvuldige manier de ijsbaan verlaten. Dat mag hem volgens Y op grond van artikel 6:101 BW aangerekend worden. Y meent dat door de toepassing van voornoemd wetsartikel de schade voor rekening van X dient te blijven.

De rechtbank verwerpt dit beroep op eigen schuld aan de zijde van X . Naar het oordeel van de rechtbank had X er redelijkerwijs geen rekening mee hoeven te houden dat hij, nadat het voor het einde van de wedstrijd was gefloten, hij zijn bal had uitgetrokken en zich richting de uitgang van de ijsbaan begaf, opzettelijk in de rug zou worden gelopen door een teamgenoot. Ondanks de door Y gestelde baldadige/jolige sfeer tijdens het uitstapje, kan van X als initiatiefnemer van het spel redelijkerwijs niet worden gevergd dat hij zodanige maatregelen treft dat de kans op baldadig gedrag volledig wordt uitgesloten. De stelling van X dat onder meer voor het ijsvoetbalspel is gekozen omdat de kans op ongelukken gelet op de beschermingsconstructie van de plastic bal daarbij klein was, oordeelt de rechtbank niet onbegrijpelijk. X heeft verder onweersproken gesteld dat het niet mogelijk was de ijsbaan door de spelersuitgang te verlaten met de bal om het lichaam. Door Y zijn verder onvoldoende feiten omtrent de situatie ter plaatse gesteld waaruit kan worden afgeleid dat X bij het verlaten van de ijsbaan zodanig afwijkende of weinig voor de hand liggende keuzes heeft gemaakt, dat zijn gedrag als onzorgvuldig moet worden aangemerkt. Evenmin is gesteld of gebleken dat X bij het verlaten van de ijsbaan zich anders heeft gedragen dan zijn teamgenoten. Naar het oordeel van de rechtbank kan Y bovendien ter afwering van een schadevergoedingsplicht voor een eigen opzettelijke gedraging die heeft geleid tot een ongeval, niet stellen dat het slachtoffer van die gedraging maar maatregelen had moeten te treffen om het ongeval te voorkomen.

donderdag 1 september 2016

Levert het geven van een “boks” in plaats van een "high five" na een gewonnen tafeltenniswedstrijd een onrechtmatige daad op


  














De feiten
Slachtoffer X is van beroep tandarts. Slachtoffer X en dader Y zijn lid van een tafeltennisvereniging. Zij namen als teamgenoten deel aan competitiewedstrijden.
Op vrijdagavond 27 februari 2015 vond er een competitiewedstrijd plaats waaraan onder andere slachtoffer X en dader Y als teamgenoten deelnamen. Dader Y speelde die avond zijn tweede wedstrijd tegen de heer Z. Slachtoffer X trad daarbij op als scheidsrechter/teller.
Nadat dader Y de wedstrijd tegen Z had gewonnen en Z een hand had gegeven, liep hij naar de stoel waarop slachtoffer X zat. Slachtoffer X stak vanuit zittende positie haar geopende rechterhand op omdat zij verwachte dat dader Y haar om de overwinning te vieren een high five zou geven. Dader Y gaf echter, vanaf een hogere, staande positie, een slag met zijn vuist naar beneden in (de onderste helft van) de palm van de hand van slachtoffer X . Hierna voelde slachtoffer X pijn. Daarvan heeft ze direct uiting gegeven aan dader Y. Slachtoffer X heeft hierna nog 2 wedstrijden gespeeld.
De slag met de vuist (verder: de boks) is, naast door slachtoffer X en dader Y zelf, waargenomen door Q en Z . Van deze getuigen en de partijen zijn schriftelijke verklaringen opgenomen.
In de verklaring van dader Y staat over de boks:
Mevrouw slachtoffer X stak haar hand omhoog en ik gaf haar met mijn vuist een “box”. U vraagt mij of ik mijn arm daartoe eerst naar achteren haalde om vervolgens een stotende beweging te maken. Nee volgens mij niet, ik denk daar niet bij na. Mevrouw slachtoffer X stak haar rechterhand omhoog en ik stootte er met mijn vuist tegen.

In de verklaring van slachtoffer X staat over de boks:
Ik had de wedstrijd tussen Z en P geteld. Na afloop van een wedstrijd geef je eerst de tegenstander een hand en normaal gesproken geef je dan vervolgens je teamgenoot een “handje klap”. P gaf nu eerst de heer Z een hand om daarna naar mij te lopen waarbij hij niet met zijn hand maar met zijn vuist tegen mijn hand sloeg. […] Ik zat naast de tafel. P kwam naar mij toe lopen en ik stak mijn hand omhoog om een “high five” te geven. Ik meen dat P met een geopende hand kwam aanlopen. Vervolgens stootte hij met zijn vuist tegen mijn vlakke handpalm. Ik weet nog dat ik riep: “Au ben je wel helemaal goed bij je hoofd”.

In de verklaring van en toeschouwer staat over de boks:
Ik was toeschouwer van de vijfde wedstrijd. Mevrouw slachtoffer X zat achter het scorebord en had de wedstrijd geleid. Na afloop van de wedstrijd stak ze haar hand omhoog. De heer dader Y liep naar haar toe en gaf haar met zijn vuist een “high five” terug. De vuist was absoluut als een high five bedoeld en niet om mevrouw slachtoffer X bewust te verwonden. Misschien omdat ze wat lager zat heeft de vuist haar hand ongelukkig geraakt. Mevrouw slachtoffer X had direct na de klap met de vuist pijn aan haar hand.

In de verklaring van Z staat over de boks:
Dader Y had tegen mij gespeeld en gewonnen. Hij was enthousiast. Mevrouw slachtoffer X had onze wedstrijd geteld en zat achter het scorebord. Zij stak haar hand omhoog om een “high five” te geven. dader Y gaf een “box” tegen haar hand, een vuist. Ik weet niet of de beweging hard of zacht was, dat kan ik niet beoordelen. Z zei na de wedstrijd dat ze pijn had aan haar hand.

Op maandag 2 maart 2015 heeft slachtoffer X de EHBO bezocht alwaar haar hand in het gips is gezet. Nadat na anderhalve week het gips is verwijderd zijn röntgenfoto’s gemaakt waaruit bleek dat geen sprake was van een fractuur. Vanwege verschijnselen als zwelling, immobiliteit, tintelingen en pijn werd slachtoffer X naar een ergotherapeut verwezen.
Op 20 maart 2015 heeft slachtoffer X een handchirurg bezocht.

In een brief van gedateerd 8 september 2015 schrijft de chirurg over het onderzoek, de behandeling en het verloop van de klachten van slachtoffer X :
[…] Bij lichamelijk onderzoek was er sprake van tintelingen in de wijs-, middel- en ringvinger van de rechter hand en was de handfunctie sterk beperkt door pijnklachten. De klachten pasten bij een acute kneuzing en/of beklemming van de middenhandszenuw (nervus medianus), welke is opgetreden ten gevolge van de klap. Deze oorzaak van kneuzing/ beklemming is ongewoon en past bij een fors trauma.
Na operatieve decompressie van de zenuw op 03-04-2015 zijn de klachten verdwenen. Bij het laatste polikliniek bezoek was de revalidatie succesvol afgesloten en had patiënte haar werkzaamheden weer kunnen hervatten. Er was sprake van geringe restklachten, waarvan verwacht wordt dat deze in de tijd in ernst zullen afnemen.

Het geschil
Slachtoffer X vordert veroordeling van dader Y tot betaling van de door haar geleden schade a raison van  € 52.516,40.
Slachtoffer X voert aan dat de door dader Y gegeven boks onrechtmatig is nu slachtoffer X daar niet op bedacht hoefde te zijn aangezien het geven na afloop van een wedstrijd van een high five wel, maar van een boks niet gebruikelijk is in de tafeltenniswereld. Dader Y had zich van deze gedraging dienen te onthouden omdat het, aldus slachtoffer X zeer waarschijnlijk is dat er letsel ontstaat als iemand een harde, naar beneden gerichte stoot geeft. De gedraging is, zo stelt slachtoffer X , in strijd met wat volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, althans een inbreuk op een recht, te weten het recht op onaantastbaarheid van het lichaam (artikel 11 van de Grondwet). Zij stelt dat dit temeer het geval is nu dader Y op de hoogte was van het beroep tandarts van slachtoffer X en dat zij haar beroep niet kan uitoefenen zonder adequaat gebruik van haar handen en nu een alternatief, het geven van een high five, voorhanden was. De onrechtmatige gedraging is, aldus slachtoffer X, aan dader Y toe te rekenen, aangezien iedere aanleiding of noodzaak tot het geven van de boks ontbrak. Slachtoffer X heeft als rechtstreeks gevolg daarvan schade geleden.

Dader Y voert verweer. Hij voert aan dat geen sprake is van een onrechtmatige gedraging. De boks vond plaatst in een sport- en spelsituatie waarin een verhoogde drempel voor aansprakelijkheid geldt. De door dader Y gegeven boks is, aldus dader Y, geen ongebruikelijk, uitzonderlijke, laat staan abnormale en gevaarlijke gedraging die buiten het risico van sport of spel valt en in de gegeven omstandigheden niet onrechtmatig. Ook indien niet aangenomen zou worden dat sprake is van een sport- of spel situatie was het geven van de boks niet onrechtmatig nu het geen gedraging is waarvan de mate van waarschijnlijkheid van het veroorzaken van letsel zo groot is dat dader Y zich daarvan had dienen te onthouden. dader Y betwist voorts de hoogte van de gevorderde schade.

De beoordeling
Slachtoffer X baseert haar vordering op de stelling dat dader Y op 27 februari 2015 onrechtmatig heeft gehandeld toen hij haar de boks gaf waardoor zij letsel heeft opgelopen. Zij stelt primair dat hij daarmee heeft gehandeld in strijd met wat volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt.
De rechtbank stelt voorop dat conform vaste jurisprudentie van de Hoge Raad de vraag of een deelnemer aan een sport of spel onrechtmatig heeft gehandeld door een gedraging als gevolg waarvan aan een andere deelnemer letsel is toegebracht, minder spoedig bevestigend moet worden beantwoord dan wanneer die gedraging niet in een sport- of spelsituatie had plaatsgevonden. De reden daarvan is dat de deelnemers aan die sport of dat spel in redelijkheid tot op zekere hoogte gevaarlijke, slecht gecoördineerde, verkeerd getimede of onvoldoende doordachte handelingen of gedragingen waartoe de activiteit uitlokt of die daarin besloten liggen, van elkaar moeten verwachten. Aangezien de door die sport of dat spel bepaalde verhouding tussen de deelnemers daaraan niet direct en geheel hoeft te veranderen doordat en op het moment waarop aan die sport of dat spel volgens de daarvoor geldende regels, een einde komt, houdt ook de verhoogde drempel om aansprakelijkheid te kunnen aannemen, dan niet steeds direct en geheel op te gelden. Een (korte) tijd daarna kan het feit dat partijen zo-even nog met elkaar hebben gewedijverd of in een spelsituatie waren verwikkeld, de verwachtingen die zij van elkaar mogen of moeten hebben, blijven beïnvloeden, afhankelijk van de aard van die activiteit en de verdere omstandigheden van het geval (HR 28 maart 2003ECLI:NL:HR:AF2679, NJ 2003, 718, vgl. HR 28 juni 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0300, NJ 1992, 622). Voorts heeft te gelden dat voor een bevestigende beantwoording van de vraag of sprake is van een sport- en spelsituatie waarin een verhoogde drempel voor aansprakelijkheid geldt, niet is vereist dat de bij een ongeval betrokkenen rechtstreeks met elkaar aan het wedijveren zijn, noch ook dat het slachtoffer van het ongeval, wil hij als deelnemer aan het spel kunnen worden beschouwd, ten tijde van het ongeval ook zelf handelingen verrichtte die karakteristiek zijn voor de beoefening van die sport of dat spel (HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO1239, NJ 2004, 238).
Vast staat dat dader Y direct na het winnen van zijn tafeltennispartij en na het geven van een hand aan zijn tegenstander naar zijn, bij die wedstrijd als teller/scheidsrechter aanwezige, teamgenoot slachtoffer X is gelopen om de winst van de partij ‘te vieren’, dat slachtoffer X vanuit zittende positie haar rechterhand met dat doel omhoog heeft gehouden teneinde een ‘high five’ te geven en dat dader Y toen met enige kracht een stomp in de hand van slachtoffer X heeft gegeven, tegen de onderkant van haar handpalm.
Gesteld noch gebleken is dat bij dader Y opzet bestond om slachtoffer X te bezeren.
Dader Y betwist voorts dat hij de boks met een dusdanige kracht heeft gegeven dat de kans op letsel aanmerkelijk was, althans zo groot dat dat hem daarvan had moeten weerhouden.
Dat de boks met zo’n kracht was gegeven dat wel een dergelijke kans op letsel aanwezig was, kan niet enkel uit de pijn en het letsel (acute kneuzing en/of beklemming van de middenhandszenuw, nervus medianus) dat slachtoffer X daarvan heeft ondervonden worden afgeleid. Er kan immers zonder nadere motivering, die niet is gegeven, redelijkerwijs niet worden uitgesloten dat ook een klap met een kracht die doorgaans geen pijn of letsel veroorzaakt dit in dit geval door een ongelukkige samenloop van omstandigheden wél heeft gedaan. Ook in de in de hiervoor weergegeven schriftelijke verklaringen, waaronder de verklaring van slachtoffer X zelf, kan daarvoor geen steun worden gevonden. Voor zover slachtoffer X stelt dat iedere met enige kracht gegeven naar beneden gerichte stomp tegen een handpalm een aanmerkelijke kans op letsel geeft, kan dat niet in zijn algemeenheid als feit worden aangenomen. Dat een handpalm een bijzonder kwetsbaar lichaamsdeel is, is niet onderbouwd, terwijl ook dit niet als feit van algemene bekendheid kan worden aangenomen.
Nader bewijs van omstandigheden waaruit kan blijken dat dader Y een dusdanig harde stomp gaf dat deze een aanmerkelijke kans op letsel met zich bracht, is niet gegeven of aangeboden, zodat de rechtbank bij de beoordeling daarvan niet uit gaat.
In de in hiervoor genoemde omstandigheden levert de gedraging van dader Y geen strijd op met wat volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, noch een daarop gebaseerde onrechtmatige daad. De rechtbank betrekt daarbij dat de boks direct aansluitend aan de competitiewedstrijd is gegeven om het winnen van de partij te vieren en daarmee, gelet op het kader, in een sport- en spel situatie, waarbij een verhoogde drempel voor aansprakelijkheid geldt.
De rechtbank acht in dat verband van belang dat:
- slachtoffer X en dader Y die avond teamgenoten in een tafeltenniscompetitie waren,
- slachtoffer X bij de door dader Y gewonnen wedstrijd niet alleen als teamgenote maar ook als teller/scheidsrechter direct betrokken was,
- slachtoffer X zelf ook een handeling verrichtte, te weten het omhoogsteken van haar hand om een high five te geven, om het winnen van de wedstrijd te vieren, en dat slachtoffer X in die omstandigheden, hoewel zij op dat moment niet als speelster deelnam aan de wedstrijd, daarbij wel dusdanig betrokken was dat zij voor de toepassing van het sport en spel kader als deelneemster moet worden gezien
Mede gelet op voornoemde verhoogde drempel doet de (door slachtoffer X gestelde en door dader Y gemotiveerd betwiste) omstandigheid, dat het geven van een “boks” in plaats van een “high five” ongebruikelijk zou zijn, daar niet aan af en de omstandigheid dat ( dader Y wist dat) slachtoffer X tandarts was evenmin.
Subsidiair heeft slachtoffer X nog aangevoerd dat de boks onrechtmatig was omdat deze een inbreuk op een recht, namelijk het recht op onaantastbaarheid van het lichaam opleverde. Deze stelling wordt niet gevolgd. Uit de parlementaire geschiedenis van artikel 6:162 volgt dat niet iedere gedraging die als voorzienbaar gevolg letsel of zaakbeschadiging heeft om die reden reeds onrechtmatig is als zijnde een inbreuk op een recht; zodanige gedraging is in het algemeen alleen onrechtmatig als zij in strijd is met een van de vele normen van geschreven of ongeschreven recht, strekkende om letsel of zaaksbeschadiging te voorkomen (Toelichting Meijers, parlementaire geschiedenis 6, p. 614). Uit hetgeen is overwogen volgt dat van een normschending niet is gebleken, terwijl niet is onderbouwd waarom desalniettemin sprake is van onrechtmatig handelen wegens inbreuk op een recht.

Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat geen sprake is van onrechtmatig handelen door dader Y en dat de vordering van slachtoffer X dient te worden afgewezen.

maandag 7 juli 2014

Sport en spel? Tijdens spelen van tikkertje gooit kind met stok, dat andere kind in het oog raakt


Op 22 april 2013 waren het minderjarige slachtoffer, en de minderjarige dader samen met diverse andere kinderen op een speelveld tikkertje aan het spelen. Tijdens dit spel is op enig moment door de dader met een stok gegooid. Deze stok is in het linkeroog van slachtoffer terecht gekomen. slachtoffer heeft hierdoor ernstig oogletsel opgelopen; tijdens een controle op 16 juli 2013 was de visus met het linkeroog 0,3. Op 24 juli 2013 heeft de dader, in aanwezigheid van zijn vader en een verzekeringsexpert die was ingeschakeld door de verzekeringsmaatschappij van de gedaagden gezamenlijk, voor zover hier van belang, de volgende verklaring afgelegd:
“Ik kan omtrent het voorval dat plaatsvond d.d. 22-04-2013 te Amsterdam het volgende verklaren:
(…) Op 22 april 2013 was ik met een paar kinderen tikkertje aan het doen op het speelveldje vlak in de buurt. Bij die kinderen was ook slachtoffer. Op een gegeven moment werd slachtoffer achterna gezeten door de tikker. Ik zag een stokje liggen en gooide dat in de lucht. Ik gooide het stokje niet in de richting van slachtoffer maar juist een stuk van hem vandaan. Ik gooide het stokje rechtuit en slachtoffer stond opzij van mij. Hij stond ongeveer 7 of 8 meter van mij vandaan. Terwijl ik dat stokje gooide rende slachtoffer weg voor de tikker. Hierbij liep hij in de richting van de plek waar ik de stok heen gooide. Ik kon er niets meer aan veranderen want ik had het stokje al gegooid. slachtoffer kwam in de baan van de terugvallende stok en die kwam tegen een van zijn ogen. (…) Het stokje was ongeveer 30 cm lang en ongeveer een halve centimeter dik (…)”.
Bij brief van 16 mei 2013 heeft de advocaat van eisers de gedaagden aansprakelijk gesteld voor alle schade die slachtoffer lijdt en nog zal lijden als gevolg van het ongeval.

Het geschil
eisers vorderen bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis te bepalen dat gedaagde aansprakelijk is voor de door slachtoffer geleden en te lijden materiële en immateriële schade ten gevolge van het hiervoor omschreven ongeval op 22 april 2013,en  gedaagden te veroordelen tot vergoeding van de materiële en immateriële schade, welke slachtoffer heeft geleden en nog zal lijden. Eiser stelt hiertoe – kort gezegd – dat door de dader in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid en dus onrechtmatig is gehandeld.

De beoordeling
Onrechtmatige daad
 [eisers gezamenlijk] heeft aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd dat de dader door het gooien van de stok in strijd met de maatschappelijke zorgvuldigheid – en dus onrechtmatig – heeft gehandeld.
Voor de beoordeling is van belang wat de omstandigheden zijn geweest waaronder de stok is gegooid.
 [gedaagden gezamenlijk] heeft in dat verband verwezen naar de verklaring van de dader. Door de dader is – zakelijk weergegeven – verklaard dat hij de stok (van 30 centimeter lang en 0,5 centimeter breed) niet in de richting van slachtoffer heeft gegooid, maar dat slachtoffer terwijl hij achterna werd gezeten door de tikker in de baan van de stok is gerend .
Op grond van de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is het aan [eisers gezamenlijk] om te stellen, en zo nodig te bewijzen, dat en waarom de gedragingen van de dader maatschappelijk onzorgvuldig waren. Op hem rust in beginsel eveneens de stelplicht en bewijslast omtrent de feitelijke toedracht van het ongeval. Door [eisers gezamenlijk] is in feite enkel gesteld dat de dader met een stok heeft gegooid en is slechts in algemene zin de verklaring van de dader betwist. Concrete feiten en omstandigheden zijn door [eisers gezamenlijk] op dit punt niet gesteld. Evenmin is gesteld dat er volgens slachtoffer iets anders zou zijn gebeurd dan uit de verklaring van de dader blijkt. Daarmee heeft [eisers gezamenlijk] niet aan zijn stelplicht voldaan en is de door [gedaagden gezamenlijk] gestelde toedracht van het ongeval onvoldoende betwist.
Het voorgaande betekent dat in rechte, overeenkomstig de verklaring van de dader, als vaststaand dient te worden aangenomen dat de dader tijdens het spelen van tikkertje de stok recht voor zich uit heeft gegooid, waarbij slachtoffer vervolgens in de baan van de stok is gerend terwijl hij achterna werd gezeten door de tikker. Daaruit vloeit voort dat eveneens als vaststaand dient te worden aangenomen dat de dader de stok niet opzettelijk in de richting van slachtoffer heeft gegooid.
Ter beoordeling ligt vervolgens de vraag voor of het handelen van de dader als maatschappelijk onzorgvuldig moet worden aangemerkt.
Daarbij heeft als maatstaf te gelden dat de enkele mogelijkheid van een ongeval, als verwezenlijking van aan een bepaald gedrag inherent gevaar, dit gedrag niet reeds onrechtmatig maakt. Dergelijk gevaarscheppend gedrag is slechts onrechtmatig indien de mate van waarschijnlijkheid van een ongeval (het oplopen van letsel door een ander) als gevolg van dat gedrag zo groot is, dat de dader zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat gedrag had moeten onthouden (vergelijk Hoge Raad 9 december 1994, NJ 1996, 403).
Van belang in dat verband is verder dat beide partijen hebben gesteld dat ten tijde van het gooien van de stok sprake was van een sport- en spelsituatie. In een sport- en spelsituatie worden voor het aannemen van onrechtmatigheid zwaardere eisen gesteld dan wanneer die gedraging niet in het kader van die sport- en spelsituatie zou hebben plaatsgevonden (vergelijk Hoge Raad 19 oktober 1990, NJ 1992, 621). Door [eisers gezamenlijk] is echter ook gesteld dat de dader met het gooien van de stok een nieuw – voor de andere deelnemers niet te verwachten – element in het spel heeft gebracht. De rechtbank begrijpt deze stelling aldus dat [eisers gezamenlijk], in lijn met de door hem genoemde uitspraak van de Rechtbank Leeuwarden van 31 mei 2006(ECLI:NL:RBLEE:2006:AZ0314), heeft bedoeld te stellen dat de zwaardere eisen die in een sport- en spelsituatie gelden voor het aannemen van onrechtmatigheid – vanwege dit nieuwe element – niet van toepassing zijn op het onderhavige geval.
De rechtbank is van oordeel dat in het midden kan worden gelaten of in het onderhavige geval de normen zoals die gelden in een sport- en spelsituatie van toepassing zijn, respectievelijk of de gedraging buiten de normaal aanvaardbare risico’s van het spel valt, zoals [eisers gezamenlijk] kennelijk daarnaast met zijn beroep op de uitspraak van deze rechtbank van 24oktober 2013 (ECL:NL:RBAMS:2013:7079) heeft bedoeld te stellen. Ook indien slechts de algemene maatstaf wordt toegepast, is naar het oordeel van de rechtbank namelijk geen sprake van maatschappelijk onzorgvuldig handelen. Dat wordt als volgt toegelicht.
Door [eisers gezamenlijk] zijn geen feiten en omstandigheden gesteld die maken dat in het onderhavige geval sprake is van een dusdanig gevaarzettend handelen dat de dader zich daarvan had moeten onthouden. Herhaald zij dat door [eisers gezamenlijk] niets is gesteld over de manier waarop de stok door de dader is gegooid, waaronder de snelheid waarmee de stok is gegooid en de positie van de aanwezige personen op het moment dat de stok werd gegooid. Dit had wel op de weg van [eisers gezamenlijk] gelegen. In algemene zin kan niet worden geoordeeld dat bij het gooien van een stok – van 30 centimeter lang en een halve centimeter breed – op een speelterrein de mate van waarschijnlijkheid van een ongeval (het oplopen van letsel door een ander) als gevolg van dat gedrag zo groot is, dat de dader zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat gedrag had moeten onthouden. Dat geldt des te meer nu vaststaat dat de dader de stok recht voor zich uit heeft gegooid, in de richting van een plek waar – naar de rechtbank als vaststaand moet aannemen – op dat moment niemand stond.

De dader heeft derhalve niet in strijd gehandeld met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Daarmee is de grondslag aan de vorderingen van [eisers gezamenlijk] komen te ontvallen, zodat de vorderingen van [eisers gezamenlijk] zullen worden afgewezen.
[eisers gezamenlijk] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.


woensdag 23 april 2014

Botsing op glijbaan waterpark, wel sport- en spelsituatie maar ook onrechtmatig handelen






De feiten
“De dader” en het slachtoffer , hun vriendinnen en nog drie andere Nederlandse stellen hebben in juli 2012 samen vakantie gevierd in Marmaris, Turkije. Op dat moment waren zij allen 18 tot 22 jaar oud. Op 22 juli 2012 heeft deze vriendengroep in Marmaris het “Aqua Dream Waterpark” bezocht; een outdoor waterpark met meerdere zwembaden, bars, ligweiden en glijbanen. Kort na binnenkomst in het Aqua Dream Waterpark rond de openingstijd van 10.00 uur, besluiten de vijf mannelijke leden van de vriendengroep rond 10.30 uur om van één van de glijbanen te gaan. Zij zijn daartoe via een trap naar een plateau geklommen, vanwaar meerdere glijbanen naar de lager gelegen zwembaden leiden. Ze hebben daar gekozen voor de zogenoemde “Multi Slide”; een rechte, niet-overdekte waterglijbaan van 30 meter lengte met vier banen, die door verhogingen van elkaar gescheiden zijn. De vier banen van de Multi Slide komen uit in een waterbassin (de “splashdown area”).
Vier van de vijf vrienden nemen plaats in de vier banen van de Multi Slide en laten zich naar beneden glijden. “de dader” is de vijfde persoon, voor wie geen lege baan beschikbaar is. “de dader” kiest dezelfde baan als het slachtoffer. “de dader” laat zich in die baan naar beneden glijden op een moment dat het slachtoffer zich nog glijdend in diezelfde baan van de Multi Slide bevindt.
In het waterbassin onderaan de Multi Slide botst “de dader” met zijn stuitje tegen het hoofd van het slachtoffer, die het waterbassin nog niet heeft verlaten. het slachtoffer  loopt door deze botsing een hoge complete cervicale dwarslaesie op en is thans vanaf zijn nek blijvend (grotendeels) verlamd.

Het geschil en de stellingen van partijen
Vordering verzekeraar “dader”
ASR c.s. (de verzekeraar van de “dader”) verzoekt de rechtbank te verklaren voor recht dat ASR c.s. niet aansprakelijk is voor de schade door het ongeval van het slachtoffer .
Volgens ASR c.s. heeft het ongeval plaatsgevonden in een sport- en spelcontext als in de rechtspraak benoemd. Een glijbanenpark als het Aqua Dream Waterpark draagt immers onmiskenbaar een speels/sportief karakter met zich. Bezoekers van zo’n park dienen zich ervan bewust te zijn dat dit spel gevaar kan meebrengen. Niet elk gedrag is gereglementeerd en als het wel is gereglementeerd, wordt het niet altijd door iedereen opgevolgd, met name niet door jongeren. Het lijdt volgens ASR c.s. geen twijfel dat wie in het hoogseizoen een glijbanenpark bezoekt en daarbij afglijdt van spectaculaire glijbanen, van - wellicht in uitgelaten/jolige stemming verkerende - medebezoekers van het park gevaarlijker gedragingen heeft te verwachten dan een toevallige passant op straat.
Uit de jurisprudentie met betrekking tot sport- en spelsituaties volgt dat tussen de deelnemers onderling zwaardere eisen gelden voor het aannemen van aansprakelijkheid.
Er dient sprake te zijn van een grove onzorgvuldigheid die valt buiten de normale beoefening van het spel. Deze hogere aansprakelijkheidsdrempel heeft “de dader” in casu niet gepasseerd. Daarbij heeft ASR c.s. gewezen op de volgende feiten en omstandigheden:
-geen van de vijf mannen heeft een bord met instructies gezien;
- op de wel aanwezige borden ontbreekt het pictogram om afstand te houden; er was geen veiligheidssysteem zoals een stoplicht bovenaan de glijbaan aanwezig;
- de bij de glijbaan aanwezige badmeesters hebben geen glij-instructies gegeven terwijl zij dat zonder bovenvermeld pictogram of stoplicht volgens de toepasselijke EN1069-norm wel dienden te doen;
- de vijf mannen gingen voor het eerst de Multi Slide-glijbaan af;
- de mannen hebben geen onderlinge afspraak gemaakt over hoe en wanneer te glijden;
- de mannen zijn allemaal op dezelfde manier, liggend op de rug, naar beneden gegleden;
- “de dader” is pas achter het slachtoffer  aan gegleden toen het slachtoffer  al halverwege de glijbaan was, dus “de dader” heeft getracht voldoende afstand te houden;
- de botsing tussen “de dader” en het slachtoffer  vond pas plaats in het waterbassin aan het eind van de Multi Slide;
- toen “de dader” het slachtoffer  raakte, stonden de andere drie mannen al in de waterbak om het waterbassin te verlaten;
- de vijf mannen hebben geen alcohol gedronken voorafgaand aan het ongeval.
Het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, leidt volgens ASR c.s. tot de conclusie dat de gedragingen van “de dader” niet buiten de normale beoefening van het spel vallen en dus niet zijn te beschouwen als een grove onzorgvuldigheid.
ASR c.s. acht zich daarom niet gehouden om de aansprakelijkheid in dezen te erkennen.

Verweer en vordering slachtoffer
Het slachtoffer  voert tegen het verzoek van ASR c.s. - samengevat - het volgende verweer.
“De dader” heeft onrechtmatig gevaarzettend jegens het slachtoffer  gehandeld door niet de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid in acht te nemen ter voorkoming van het ongeval. De Multi Slide is een hoge, steile glijbaan en het is voor iedereen duidelijk dat je daar met een hoge snelheid van afdaalt zonder dat je de mogelijkheid hebt om tijdens de afdaling te remmen. Het risico van een botsing onderaan de glijbaan is voor iedereen te voorzien. Het is daarom evident dat je pas van een dergelijke glijbaan afgaat, nadat je je ervan hebt verzekerd dat je voorganger veilig het waterbassin kan verlaten. “de dader” heeft dit nagelaten, hij is binnen één à twee seconden na het slachtoffer van de glijbaan af gegleden. Hiermee heeft “de dader” een gevaarlijke situatie in het leven geroepen, waarvan voorzienbaar is dat die tot ernstig letsel kan leiden. Het slachtoffer  kan aangaande het ongeval niets worden verweten; hij heeft op geen enkele wijze invloed uitgeoefend op de verwezenlijking van het gevaar.
Van een sport- en spelsituatie is hier - anders dan ASR c.s. heeft betoogd - volgens het slachtoffer  geen sprake. Er is geen speelveld, er zijn geen regels en er is geen speelstructuur. Tijdens een bezoek aan een waterpark hebben de bezoekers geen gevaarlijke gedragingen van elkaar te verwachten; je aanvaardt in ieder geval niet het risico dat een andere bezoeker met hoge snelheid op je botst.
Echter, ook als wordt aangenomen dat sprake is van een sport- en spelsituatie, is “de dader” aansprakelijk voor de gevolgen van het ongeval. Het ongeval is veroorzaakt door een bewuste gedraging van “de dader” . Zonder enig bezwaar had hij kunnen wachten met glijden totdat het slachtoffer  een veilig heenkomen had gevonden.

Overwegingen rechtbank
Als uitgangspunt geldt daarbij dat niet reeds de enkele mogelijkheid van een ongeval, als verwezenlijking van aan een bepaald gedrag inherent gevaar, dat gedrag onrechtmatig doet zijn, maar dat zodanig gevaarscheppend gedrag slechts onrechtmatig is indien de mate van waarschijnlijkheid van een ongeval (het oplopen van letsel door een ander) als gevolg van dat gedrag zo groot is, dat de dader zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat gedrag had moeten onthouden (vgl. onder meer HR 9december 1994, NJ 1996, 403 (Zwiepende tak arrest red.) en HR 28 maart 2003, NJ 2003, 718).
De vraag of in een concreet geval aan dit criterium is voldaan, dient te worden beantwoord aan de hand van de specifieke situatie waarin partijen zich hebben begeven. Bij toetsing aan de hiervoor vermelde maatstaf dient betrokken te worden het gevaar dat partijen gezien die specifieke situatie over en weer van elkaar redelijkerwijze kunnen en moeten verwachten. Deze nuancering komt in de rechtspraak onder meer tot uiting in gevallen waarin de schadeveroorzakende gebeurtenis plaatsvindt binnen een sport- en/of spelsituatie. De vraag of een deelnemer aan een sport of spel onrechtmatig heeft gehandeld door een gedraging als gevolg waarvan aan een andere deelnemer letsel is toegebracht, wordt minder spoedig bevestigend beantwoord dan in het geval dat diezelfde gedraging buiten een sport- of spelsituatie heeft plaatsgevonden. De reden daarvan is dat deelnemers aan een sport of spel in redelijkheid tot op zekere hoogte gevaarlijke, slecht gecoördineerde, verkeerd getimede of onvoldoende doordachte handelingen of gedragingen waartoe de activiteit uitlokt of die daarin besloten liggen, van elkaar moeten verwachten (zie hierbij onder meer HR 28 juni 1991, NJ 1992, 622 en, nogmaals, HR 28 maart 2003, NJ 2003, 718).

Wel sport en spel situatie
Partijen twisten over de vraag of de in voormelde jurisprudentie benoemde verhoogde aansprakelijkheidsdrempel in het voorliggende geval van toepassing is.
De rechtbank stelt bij de beantwoording van die vraag voorop dat “de dader” en het slachtoffer  hebben deelgenomen aan een recreatieve en - in zekere zin - actieve/sportieve activiteit, namelijk het afdalen van een rechte, hoge en steile waterglijbaan. Zij stonden daarmee tot elkaar in een andere verhouding dan willekeurige voorbijgangers. Deze omstandigheid is relevant voor het vaststellen van de mate van zorgvuldigheid die in de concrete situatie van “de dader” (en van het slachtoffer  zelf) mocht worden verlangd. Als deelnemers aan deze activiteit moesten “de dader” en het slachtoffer  immers in redelijkheid tot op zekere hoogte gevaarlijke, slecht gecoördineerde, verkeerd getimede of onvoldoende doordachte handelingen of gedragingen waartoe deze activiteit uitlokt of die daarin besloten liggen, van elkaar verwachten. De afwezigheid van een speelveld, vastliggende spelregels en een spelstructuur waarbij je kunt winnen en verliezen, op grond waarvan het slachtoffer  betwist dat sprake is van een sport- en spelsituatie, maken dat niet anders.
Binnen een sport- en spelsituatie kan de hoogte van de aansprakelijkheidsdrempel echter variëren, afhankelijk van de specifieke omstandigheden van het geval. De rechtbank acht daarbij met name van belang de aard en intensiteit van de sport- of spelactiviteit waaraan wordt deelgenomen; in een competitieve rugbywedstrijd liggen immers andere gevaarlijke, slecht gecoördineerde, verkeerd getimede of onvoldoende doordachte handelingen besloten dan in deelname aan - bijvoorbeeld - een toerfietstocht. In zoverre is de sport- en speljurisprudentie op de voorliggende casus van toepassing en geldt een met deze specifieke situatie samenhangende verhoogde aansprakelijkheidsdrempel.

Wel onrechtmatig handelen “dader”
Uitgaande van deze kaders en met inachtneming van de hier van toepassing zijnde verhoogde aansprakelijkheidsdrempel, is de rechtbank van oordeel dat het handelen van “de dader” op de Multi Slide als onnodig gevaarlijk, onzorgvuldig en daarmee onrechtmatig jegens het slachtoffer  moet worden aangemerkt. Tot dit oordeel komt de rechtbank op grond van de navolgende feiten en omstandigheden.
Er is weliswaar discussie tussen partijen over de vraag na hoeveel tijd “de dader” precies achter het slachtoffer  aan is gegleden, maar tussen partijen is niet in geschil dat het slachtoffer zich nog glijdend in de glijbaan bevond toen “de dader” in dezelfde baan aan zijn afdaling van de glijbaan begon. De rechtbank zal voor de verdere beoordeling uitgaan van het door ASR c.s. gestelde, te weten dat “de dader” zich al halverwege de glijbaan bevond (en niet direct achter het slachtoffer  is gaan glijden, zoals het slachtoffer heeft gesteld). Uit het overgelegde foto- en filmmateriaal maakt de rechtbank op dat de glijbaan 7 tot 10 meter hoog is. De beide door partijen ingeschakelde experts zijn het erover eens dat de glijtijd van gebruikers over de 30 meter lange Multi-Slide tussen de 3 en 5 seconden bedraagt, hetgeen correspondeert met een gemiddelde snelheid tussen de 10 en 6 m/s (tussen de 36 en 22 km/h). De maximale snelheid bij het verlaten van de glijbaan kan volgens de experts nog hoger liggen, tot ongeveer 14 m/s (of 50 km/h). Dat leidt ertoe dat “de dader”  uitgaande van de stelling van ASR c.s. dat hij is gaan glijden toen het slachtoffer  halverwege de glijbaan was, niet meer dan 1,5 tot 2,5 seconde(n) gewacht heeft nadat het slachtoffer  en de andere mannen waren vertrokken.
Toen de vijf mannen naar de Multi Slide toe liepen, hadden zij goed zicht op deze glijbaan en de aanzienlijke hoogte daarvan. Verder valt op dat de glijbaan niet eindigt in, maar ongeveer een halve meter boven het wateroppervlak van het waterbassin, zodat iemand die van de glijbaan afglijdt na het verlaten van de glijbaan eerst een moment door de lucht vliegt alvorens in het waterbassin te landen.
Vervolgens moesten de mannen via een trap vanaf het niveau van de onderkant van de glijbaan naar het niveau van het beginpunt van de glijbaan - 7 tot 10 meter hoger - klimmen. Ook vanaf de bovenkant van de Multi Slide zijn de gehele glijbaan en het waterbassin waarin die uitkomt goed te overzien. Met name de forse hoogte van de glijbaan en het glijpad recht naar beneden, zonder bochten die kunnen afremmen, zijn dan voor iedere gebruiker van de Multi Slide evident. “de dader” heeft derhalve al vóór het glijden een inschatting kunnen maken van de eigenschappen van de Multi Slide en de daarmee samenhangende gevaren.
Dit geldt temeer, nu “de dader” blijkens zijn verklaring in het voorlopig getuigenverhoor, vóór het ongeval al eerder van een soortgelijke waterglijbaan was gegleden. Hij moet daarom bekend worden geacht met de snelheid waarmee je van een dergelijke waterglijbaan naar beneden gaat en met het feit dat het welhaast onmogelijk is om jezelf tijdens een afdaling van een glijbaan als de Multi Slide af te remmen. Ook moet “de dader” dan bekend worden geacht met het feit dat je een grote vertraging ondervindt wanneer je in het waterbassin onderaan de glijbaan terecht komt en dat het (daardoor) enige moeite en tijd kost om in dat waterbassin op de been te komen en het bassin te verlaten. Bovendien was “de dader” ten tijde van het ongeval een volwassen man, van wie verwacht mag worden dat hij - zeker gezien zijn eerdere ervaring met waterglijbanen - de (mogelijke) gevolgen van zijn handelen op de glijbaan kan overzien en zijn gedrag daarop aanpast.
Op grond van deze omstandigheden had “de dader” naar het oordeel van de rechtbank moeten kunnen inschatten dat wanneer hij te snel achter het slachtoffer  aan zou glijden, hij in het waterbassin hard met het slachtoffer  in botsing zou kunnen komen en dat zo’n botsing ernstig letsel aan het slachtoffer  zou kunnen toebrengen. Desondanks is “de dader” van de glijbaan gaan glijden op een moment dat het slachtoffer  zich nog glijdend in dezelfde glijbaan van de Multi Slide bevond. “de dader” heeft het slachtoffer  daarmee niet voldoende gelegenheid gegeven om het uitglijpad te verlaten. het slachtoffer  heeft ter zitting onbetwist gesteld dat hij, komende van de glijbaan, nog horizontaal ruggelings aan het uitglijden was in het water op het moment van de botsing en dat zijn gezicht zich op dat moment nog onder water bevond.
“de dader” heeft hiermee weliswaar niet opzettelijk gevaarzettend, maar wel - in het vuur van de recreatieve “strijd” - te onbesuisd en daarmee onzorgvuldig gehandeld. Het slachtoffer  hoefde er onder voormelde omstandigheden geen rekening mee te houden dat “de dader” hem al zou gaan volgen op een moment dat hij zich nog glijdend in de glijbaan bevond. Terecht merkt het slachtoffer op dat “de dader” zonder enig bezwaar nog even had kunnen wachten met glijden. Ook binnen de onderhavige sport- en spelcontext, had “de dader” zich dus naar maatstaven van zorgvuldigheid van dit gedrag moeten onthouden. Weliswaar kan de door “de dader” en het slachtoffer  ondernomen activiteit tot op zekere hoogte - kort gezegd - gevaarlijke handelingen of gedragingen uitlokken of in zich bergen die zij als deelnemers aan die activiteit op de koop toe moeten nemen, maar daaronder valt naar het oordeel van de rechtbank niet het gevaar dat “de dader” met zijn glij-actie op de Multi Slide in het leven heeft geroepen.
De omstandigheden dat de mannen geen waarschuwingsborden hebben gezien en dat zij geen glij-instructies hebben gekregen van de aanwezige badmeesters, maken het voorgaande naar het oordeel van de rechtbank niet anders. “de dader” had ook zonder dergelijke borden en/of instructies de risico’s van zijn glij-actie moeten kunnen inschatten. Hetzelfde geldt voor de door ASR c.s. aangevoerde omstandigheid dat de mannen voor het eerst de Multi Slide-glijbaan afgingen. Dat had “de dader” in deze situatie juist tot extra voorzichtigheid moeten bewegen. Ook het feit dat de mannen geen onderlinge afspraak hebben gemaakt over hoe en wanneer te glijden, doet er niet aan af dat op “de dader” een eigen verantwoordelijkheid rust om de risico’s van het op een dergelijke glijbaan te snel achter een ander aan glijden in te schatten en zijn gedrag daarop aan te passen in die zin, dat hij wacht met glijden tot duidelijk is dat zijn voorganger tijdig het uitglijpad van de glijbaan kan verlaten.
Verder kunnen de door ASR c.s. ter zitting getoonde filmbeelden haar standpunt niet onderbouwen. Integendeel, op de filmbeelden is juist te zien dat de gebruikers van de Multi Slide wachten met glijden tot de voorganger in dezelfde glijbaan zich op z’n minst in het waterbassin bevindt. Uitdrukkelijke instructies op dat punt worden op de filmpjes door personeel van het waterpark niet, althans niet hoorbaar, aan de zwembadgasten gegeven.
ASR c.s. heeft nog betwist dat het ongeval uitsluitend is veroorzaakt door “de dader”. Daarbij heeft ASR c.s. gewezen op de mogelijkheid dat het slachtoffer - om wat voor reden dan ook - niet meteen het waterbassin verliet na het glijden. De rechtbank gaat aan dit standpunt voorbij, nu - zoals hiervoor reeds vermeld - het slachtoffer  ter zitting onbetwist heeft gesteld dat hij nog aan het uitglijden was in het water op het moment van de botsing. Deze verklaring past ook bij het onbetwiste feit dat “de dader” met zijn stuitje op het boven/achterhoofd van het slachtoffer is gebotst. Bovendien volgt, anders dan ASR c.s. stelt, uit de (voorlopig) getuigenverklaringen van de bij het ongeval betrokken mannen, dat het ongeval tussen “de dader” en het slachtoffer al had plaatsgevonden voordat de anderen in het waterbassin waren opgestaan, althans voordat zij dat waterbassin hadden kunnen verlaten.
Tegen deze achtergrond valt zonder een nadere toelichting, die ASR c.s. niet heeft gegeven, niet in te zien dat het slachtoffer  enig verwijt kan worden gemaakt ten aanzien van de snelheid waarmee of de wijze waarop hij het uitglijpad van de glijbaan heeft verlaten.

Oordeel rechtbank
Uit het voorgaande volgt dat ASR c.s. aansprakelijk is voor de schade die het slachtoffer door het ongeval heeft opgelopen. Het verzoek van ASR c.s. moet daarom worden afgewezen en de door het slachtoffer in zijn tegenverzoek (een verklaring voor recht dat “de dader” jegens het slachtoffer  aansprakelijk is voor de schade die het slachtoffer  lijdt) verzochte verklaring voor recht zal worden toegewezen.

Het slachtoffer heeft voorts verzocht ASR te veroordelen om de door hem geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat, aan hem te vergoeden. Dit verzoek moet worden afgewezen. Het slachtoffer heeft hierbij immers geen belang. Voor zover partijen in het vervolg van het buitengerechtelijk traject, waarvan deze deelgeschilprocedure deel uitmaakt, niet tot overeenstemming kunnen komen, staat het het slachtoffer  immers vrij om zijn vordering alsdan in een bodemprocedure aanhangig te maken. Voormelde veroordeling heeft het slachtoffer daarvoor niet nodig. De rechtbank wijst wel het verzoek tot betaling van een voorschot van € 100.000,- toe.