De feiten
Belanghebbende is
een amateurvoetbalvereniging te Y. In 2002 is "Stichting A" (hierna
de Stichting) opgericht. De Stichting heeft ten doel het bevorderen van de
sportbeoefening bij belanghebbende. Tussen belanghebbende en de Stichting is
hierover een overeenkomst gesloten. Een speler die bij belanghebbende in de
A-selectie komt spelen, sluit een overeenkomst met belanghebbende en een
overeenkomst met de Stichting.
De belastingdienst is van
mening dat er loonbelasting moet worden ingehouden, daar is het belanghebbende
niet mee eens. De rechtbank stelt de belastingdienst in het gelijk. Tegen die
uitspraak stelt de vereniging beroep in.
Het geschil
Het geschil betreft het
antwoord op de volgende vraag:
Is de naheffingsaanslag terecht opgelegd?
Stellingen en oordeel gerechtshof
Belanghebbende stelt dat tussen belanghebbende en
de spelers geen dienstbetrekking bestaat.
Belanghebbende (de
voetbalvereniging) is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden
beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.
Belanghebbende stelt primair, dat de naheffingsaanslag ten onrechte is
opgelegd, omdat tussen belanghebbende en de spelers geen dienstbetrekking
bestaat. Subsidiair stelt belanghebbende dat indien wel uitgegaan dient te
worden van de aanwezigheid van een dienstbetrekking tussen de spelers en
belanghebbende, de naheffingsaanslag niet had mogen worden opgelegd, omdat de
spelers reeds aangifte hebben gedaan in de inkomstenbelasting. Op grond van
artikel 7:610, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek wordt onder een
arbeidsovereenkomst verstaan de overeenkomst, waarbij de ene partij, de
werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen
loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. Er zijn drievoorwaarden
waaraan moet zijn voldaan wil sprake zijn van een dergelijke
arbeidsovereenkomst (vgl. HR 25 maart 2011, nr. 10/02146, LJN: BP3887, r.o.
3.3.3):
-er moet sprake zijn van een gezagsverhouding tussen werkgever en werknemer;
-de werknemer is verplicht tot het persoonlijk verrichten van arbeid gedurende
een zekere tijd, en
-de werkgever heeft een verplichting tot het betalen van loon.
De rechtbank stelt voorop dat het op de weg van de inspecteur ligt om de feiten
en omstandigheden te stellen - en bij betwisting aannemelijk te maken - die het
oordeel rechtvaardigen dat sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen
belanghebbende en de selectiespelers. Niet in geschil is dataan de hiervoor genoemde
twee eerste voorwaarden is voldaan. Het geschil spitst zich toe op de derde
voorwaarde.
Met betrekking tot de voorwaarde van verplichting tot het betalen van loon
overweegt de rechtbank het volgende.
4.4.1. De spelers ontvangen van de Stichting een vergoeding die betrekking
heeft op hun functioneren als voetbalspeler bij belanghebbende.
Er is sprake van vergaande verwevenheid tussen belanghebbende en de Stichting.
Dat blijkt onder andere uit het volgende:
-de in 2.2vermelde doelstelling van de Stichting; deze is bepaald in een
overeenkomst tussen belanghebbende en de Stichting;
-de Stichting kent ten minste drie bestuursleden, waarvan twee worden benoemd
op bindende voordracht van belanghebbende;
-de voorzitter van de Stichting is de vader (Hof: bedoeld wordt: de zoon) van
de voorzitter van belanghebbende;
-de penningmeester bij belanghebbende en de Stichting is dezelfde persoon; hij
ondertekent de contracten met de spelers namens de stichting en namens de
vereniging;
-het adres van de Stichting is het adres van de penningmeester;
-voor een statutenwijziging van de Stichting is vooraf schriftelijk toestemming
nodig van belanghebbende;
-er is sprake van een fiscale eenheid voor de omzetbelasting tussen
belanghebbende en de Stichting;
-de spelersbijdrage aan speler(s) wordt slechts uitbetaald na ontvangst van een
declaratie betreffende die speler(s) die geaccordeerd is door/namens
belanghebbende.
Uit de stukken en hetgeen
ter zitting is opgemerkt leidt de rechtbank de volgende gang van zaken af. De
technische commissie van belanghebbende is verantwoordelijk voor de
samenstelling van de selectie en bepaalt of met een bepaalde (nieuwe) speler
onderhandeld gaat worden. De onderhandelingen met een speler vinden plaats door
een of meerdere werknemers van belanghebbende, vaak in het bijzijn van een
bestuurslid. Tijdens deze onderhandelingen worden door de speler mondelinge
afspraken met belanghebbende gemaakt. De rechtbank acht aannemelijk dat die
afspraken ook betrekking hebben op de vergoeding voor de speler, in aanmerking
genomen dat het - zo valt uit belanghebbendes verklaringen af te leiden -
gebruikelijk is dat spelers van de A-selectie van een vereniging als
belanghebbende worden betaald. Vervolgens wordt aan die afspraken uitvoering
gegeven door het tegelijkertijd afsluiten van twee verschillende schriftelijke
overeenkomsten,één met belanghebbende en één met de Stichting, die nauw met
belanghebbende is verweven (zie 4.4.1).
4.4.4. Gelet ophetgeen onder 4.4.1. tot en met 4.4.3. is overwogen, in
onderling verband bezien, acht de
rechtbank aannemelijk dat steeds sprake is van (mondelinge) overeenkomsten
tussen belanghebbende en de spelers die ook betrekking hebben op de door de
Stichting uit te betalen spelersvergoeding, dat feitelijk op belanghebbende de
verplichting rust tot het (doen) betalen van het loon (de spelersbijdrage) en
dat belanghebbende daaraan ook door de spelers kan worden gehouden indien de
Stichting in gebreke blijft. Derhalve is sprake van loon van belanghebbende.
Het bestaan van de overeenkomst tussen de speler en de Stichting noch het
gegeven dat de Stichting (en niet belanghebbende) uiteindelijk de
spelersbijdrage betaalt, doen daaraan af. De overeenkomst tussen de speler en
de Stichting is in wezen een overeenkomst die strekt tot uitvoering van de
voornoemde mondelinge overeenkomst tussen belanghebbende en de speler.
4.4.5. Belanghebbende heeft nog aangevoerd dat de spelers en belanghebbende
niet de bedoeling hebben gehad om een dienstbetrekking te laten ontstaan. Zo
dit al het geval is leidt dat evenwel niet tot een andere conclusie. Immers,
bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst moet
worden getoetst of de inhoud van de rechtsverhouding voldoet aan de criteria
die gelden voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst (vgl. HR 25 maart 2011,
nr. 10/02146, LJN: BP3887, r.o. 3.3.2). Hetgeen partijen bij het sluiten van de
overeenkomst voor ogen stond, is dan ook niet doorslaggevend.
4.4.6. Conclusie is dat tussen de spelers en belanghebbende sprake is van een
dienstbetrekking en dat al hetgeen aan de spelers is betaald, inclusief de
spelersbijdrage, behoort tot het uit die dienstbetrekking genoten loon.
4.2. Het Hof onderschrijft de overwegingen van de Rechtbank en maakt deze tot
de zijne. Het Hof voegt daaraan het volgende toe.
Belanghebbende stelt dat er duidelijk sprake is
van twee verschillende rechtpersonen
In hoger beroep klaagt
belanghebbende er over dat de Rechtbank er ten onrechte van uit is gegaan, dat
er feitelijk min of meer sprake is van een vereenzelviging van de Stichting en
belanghebbende. Belanghebbende stelt dat zij en de Stichting duidelijk twee
gescheiden rechtspersonen zijn met ieder een eigen doelstelling, ieder eigen
besturen en ieder eigen financiële middelen. De Stichting vaart onafhankelijk
van belanghebbende een eigen koers, waarbij de continuïteit van beleid en
professionaliteit een andere dimensie hebben. Ter zitting van het Hof heeft
belanghebbende nog gesteld dat de Stichting met de financiële middelen mag doen
"wat zij wil".
4.4. Het Hof kan belanghebbende in die stellingen niet volgen. De Rechtbank
heeft tot uitdrukking gebracht dat - gelijk de Inspecteur ook stelt - de
Stichting de vergoedingen aan de spelers betaalt vanwege het feit dat de
spelers hun prestaties leveren aan belanghebbende en belanghebbende verschaft
de Stichting hiervoor de financiële middelen. De Stichting heeft tot doel het
bevorderen van de sportbeoefening bij belanghebbende, zij dient "al
hetgeen bevorderlijk kan zijn tot het bereiken van vorenomschreven doel"
te doen (vgl. 2.6 hiervoor). Twee van de leden van het bestuur van de Stichting
worden bindend voorgedragen door belanghebbende, voor de statutenwijziging van
de Stichting is een schriftelijke goedkeuring van belanghebbende vereist.
De spelers wonen de trainingen van belanghebbende bij, maken deel uit van de
selectie van belanghebbende bij wedstrijden en behalen resultaten bij deze
wedstrijden. Voor deze prestaties worden zij betaald door de Stichting met
medeweten van belanghebbende (vgl. deovereenkomsten gesloten tussen de spelers
en belanghebbende respectievelijk de Stichting, geciteerd in 2.2 van de
uitspraak van de Rechtbank). Niet gebleken is dat de Stichting eigen financiële
middelen heeft anders dan de door belanghebbende aan de Stichting contractueel
overgedragen sponsorgelden. De Stichting dient jaarlijks deze sponsorgelden af
te rekenen met belanghebbende (vgl. 2.10). Uit deze sponsorgelden worden de
betalingen aan de spelers gedaan.
Al deze feiten en omstandigheden, in onderlingverband beschouwd, brengen het
Hof tot de conclusie, dat feitelijk sprake is van een dienstbetrekking tussen
belanghebbende en de spelers; het loon ter zake van deze dienstbetrekking wordt
- namens belanghebbende althans met haar medeweten - door de Stichting aan de
spelers uitbetaald. Dat de Stichting een aparte rechtspersoon is met eigen
rechten en plichten doet aan het vorenoverwogene niet af.
Al hetgeen belanghebbende in hoger beroep overigens ter zake heeft gesteld,
maken het oordeel van het Hof nietanders.
Het hoger beroep is in zo verre ongegrond.
Belanghebbende beroept zich op gelijkheidsbeginsel
Naar het oordeel van de
rechtbank is het opleggen van de naheffingsaanslag ook niet in strijd met enig
beginsel van behoorlijk bestuur. Belanghebbende is reeds in 2006 gewezen op de
inhoudingsplicht en het door de briefwisseling met de belastingdienst in 2003
gewekte vertrouwen is daardoor voor de toekomst ongedaan gemaakt. Ook
belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt. Belanghebbende heeft
naar het oordeel van de rechtbank tegenover de ontkenning van de inspecteur
geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt waarop gebaseerd kan worden
dat sprake is van (een vermoeden van) een van de juiste wetstoepassing afwijkend
beleid of van onjuiste wetstoepassing bij andere verenigingen met het oogmerk
tot begunstiging. Evenmin is gesteld of gebleken dat sprake is van het
achterwege blijven van een juiste wetstoepassing in de meerderheid van de met
belanghebbende vergelijkbare gevallen (meerderheidsregel).
4.6. Het Hof onderschrijft de overwegingen van de Rechtbank en maakt deze tot
de zijne. Voor zover belanghebbende, ook in hoger beroep, beroep bedoelde te
doen op het gelijkheidsbeginsel verwijzende naar de situatie bij andere clubs,
faalt dit beroep reeds omdat belanghebbende ter zitting van het Hof heeft
gesteld, dat de situatie bij andere clubs niet dezelfde is als bij
belanghebbende. Voorts heeft de Inspecteur onweersproken gesteld dat andere
clubs door de Belastingdienst actief worden benaderd, en dat deze clubs, voor
zover zij ook met stichtingen werken, de vergoedingen ter zake van prestaties
van spelers hoe dan ook met inhouding van de loonheffing uitbetalen, hetzij
zelf, hetzij via die stichtingen. Reeds daarom is er geen sprake van
vergelijkbare gevallen.
Belanghebbende stelt dat belastingdienst geen
belang heeft
4.7. Voor zover belanghebbende stelt dat de Inspecteur de naheffingsaanslag ten
onrechte heeft opgelegd bij gebrek aan belang, nu de spelers hun vergoedingen
in de inkomstenbelasting aangeven, kan die stelling niet worden gevolgd. De
Inspecteur heeft ter zitting van het Hof aangegeven, dat het belang van de
heffing in de loonbelastingsfeer mede schuilt in de heffing van de premies voor
de sociale verzekeringen.
Belanghebbende stelt dat de discussie te lang
geduurd heeft
4.8. Ten slotte overweegt het Hof dat voor zover belanghebbende stelt, dat de
discussie met de Inspecteur voor en na het opleggen van de naheffingsaanslag te
lang heeft geduurd, het Hof die stelling verwerpt. De naheffingsaanslag is
opgelegd nog geen vier maanden na het einde van het tijdvak en de bezwaarfase
heeft minder dan een jaar geduurd, hetgeen naar het oordeel van het Hof niet
buitensporig lang is gelet op de discussie, die tussen belanghebbende en de
Inspecteur is ontstaan omtrent de duiding van de rechtsverhouding tussen de spelers en belanghebbende.
Uitspraak
verklaart het
hoger beroep ongegrond;
- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank