Posts tonen met het label KNVB. Alle posts tonen
Posts tonen met het label KNVB. Alle posts tonen

donderdag 1 februari 2018

Arbitrage cie KNVB: Telstar moet trainer Vonk transitievergoeding betalen



Standpunt van partijen
Onder overlegging van de tussen partijen vigerende arbeidsovereenkomst heeft Vonk gesteld dat hij aanspraak maakt op een transitievergoeding, nu de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden heeft geduurd en deze door de werkgever is opgezegd, althans niet op dezelfde condities als die laatstelijk golden is voortgezet. Hoewel partijen onderhandelingen hebben gevoerd omtrent een voortzetting van de arbeidsovereenkomst, is deze niet verlengd omdat Telstar geen gelijkwaardige arbeidsvoorwaarden bood. Vonk heeft te kennen gegeven niet op het laatstelijk door Telstar aangeboden contract in te gaan.
Ondanks verzoeken van Vonk weigert Telstar de transitievergoeding uit te betalen, reden waarom Vonk de arbitrageprocedure is gestart. Ter zitting heeft Vonk nader toegelicht dat zijn vordering is gebaseerd op artikel 7:673 BW waarin staat dat de werkgever een transitievergoeding is verschuldigd als de arbeidsovereenkomst 24 maanden heeft geduurd en de arbeidsovereenkomst door de werkgever is opgezegd of niet wordt verlengd op minimaal gelijkwaardige voorwaarden. Vonk geeft daarbij aan dat beide partijen de intentie hadden om de overeenkomst voort te zetten en dat hij met Telstar, voorafgaand aan de formele beëindiging van de arbeidsovereenkomst, onderhandeld heeft over de voortzetting daarvan. Vonk heeft tijdens die onderhandelingen kenbaar gemaakt dat hij graag bij Telstar wilde blijven werken, maar alleen onder gelijkluidende condities. Volgens Vonk waren de condities die aangeboden werden, minder dan hij mocht verwachten.
Vonk wijst er daarbij op dat bovendien het taken- en bevoegdhedenpakket onder het nieuwe contract zou worden ingeperkt. Zo werd hem de bevoegdheid ontnomen om zelfstandig beslissingen te nemen ten aanzien van zijn kerntaken.
Ook het salaris lag lager dan op basis van het vigerende contract gold. Telstar hield bij het aanbieden van het nieuwe contract geen rekening met een inmiddels plaatsgevonden hebbende salarisverhoging die hem op grond van artikel 4 van de arbeidsovereenkomst toekwam. Daarin was opgenomen dat ingaande seizoen 2016/2017 het salaris zou worden verhoogd wanneer Telstar in het seizoen 2015/2016 bij de eerste 8 of eerste 12 zou eindigen. De verhoging zou respectievelijk € 6.300,00, dan wel € 3.150,00 bedragen. Telstar is in het relevante seizoen op de 12e plaats geëindigd en er heeft dan ook een salarisverhoging plaatsgevonden in het seizoen 2016/2017 van € 3.150,00 bruto. Ook werd volgens Vonk de maandelijkse onkostenvergoeding van € 85,00 netto geschrapt. Daarnaast werd Vonk de mogelijkheid ontnomen om het salaris te laten stijgen, terwijl dit onder vorige contracten wel mogelijk was.
Telstar stelt daar, kort samengevat, tegenover dat het onjuist is dat Vonk een lager salaris zou zijn aangeboden. Volgens haar heeft zij hetzelfde bruto jaarsalaris geboden en is Vonk zelf uit de contractonderhandelingen met Telstar gestapt. Op initiatief van Vonk is dus het contract niet gecontinueerd en daarom is Telstar geen transitievergoeding verschuldigd.
Telstar wilde Vonk graag behouden voor de club en heeft op haar initiatief gesprekken aangeknoopt met Vonk om direct aansluitend een nieuw contract aan hem aan te bieden. Deze gesprekken hebben plaatsgevonden tussen de heer De Waard, directeur van Telstar, en de zaakwaarnemer van Vonk, de heer A. Oosterveer. Het jaarsalaris van Vonk was geen onderwerp van discussie. Telstar stelt een bruto jaarsalaris van € 60.715,68 te hebben aangeboden. Dat is hetzelfde bedrag als in het seizoen 2015-2016. Vonk heeft op 20 maart 2017 via zijn zaakwaarnemer laten weten niet bij te tekenen. Op initiatief van Vonk is er dus geen verlenging van de arbeidsovereenkomst tot stand gekomen en als logisch gevolg daarvan heeft Telstar vervolgens op 28 maart 2017 de brief gezonden, waarin bevestigd wordt dat de arbeidsovereenkomst per 30 juni 2017 eindigt. Immers, zo stelt Telstar, op basis van de cao moet zij die brief versturen om de arbeidsovereenkomst te laten eindigen en om te voorkomen dat de arbeidsovereenkomst automatisch doorloopt. Telstar wijs erop dat Vonk, nog voordat zijn contract bij Telstar afliep op 30 juni 2017, feitelijk al aan de slag is
gegaan bij Heerenveen. Medio juni 2017 is bekend geworden dat Vonk deel is gaan uitmaken van de technische staf van Heerenveen. Sinds zondag 25 juni 2017 is hij daadwerkelijk al aan de slag gegaan bij Heerenveen, dus voordat zijn contract bij Telstar was geëxpireerd.
Telstar stelt dat op basis van de wet te gelden heeft dat een transitievergoeding niet verschuldigd is als de arbeidsovereenkomst na einde van rechtswege op initiatief van de werknemer niet aansluitend wordt voortgezet. Dat is volgens Telstar hier het geval. De stelling van Vonk dat een lager salaris zou zijn aangeboden, is niet juist. Telstar heeft hetzelfde salaris aangeboden. Doordat Vonk al bij Heerenveen véér expiratie van de arbeidsovereenkomst met Telstar aan de slag is gegaan, is er bovendien geen enkele transitieperiode geweest.

Beoordeling van het geschil
De vraag ligt voor of Vonk recht heeft op een transitievergoeding en zo ja, hoe hoog die transitievergoeding dan in dit geval is.
Het wettelijk uitgangspunt is dat een werknemer recht heeft op een transitievergoeding als de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden heeft geduurd en de arbeidsovereenkomst na een einde van rechtswege op initiatief van de werkgever niet aansluitend wordt voortgezet (artikel 7:673 BW).
In de Memorie van Toelichting bij de wet wordt daarover opgemerkt dat als een werkgever bij het eindigen van een contract voor bepaalde tijd de werknemer een gelijkwaardig of beter contract aanbiedt, maar de werknemer van dat aanbod geen gebruik maakt, er geen recht op een transitievergoeding bestaat. Met andere woorden, onderzocht zal moeten worden of Telstar aan Vonk een gelijkwaardig of beter nieuw contract heeft aangeboden voor het seizoen 2017/2018.
Telstar heeft in de eerste plaats hierbij opgemerkt dat Vonk in zijn verzoekschrift het recht op een transitievergoeding uitsluitend baseert op een lager salaris en niet op andere wijzigingen, die in de aangeboden concept arbeidsovereenkomst waren opgenomen, zoals een gewijzigde omschrijving van bevoegdheden en/of een tussentijdse beëindigingsmogelijkheid en evaluatiemomenten. Telstar meent dat dan ook alleen getoetst dient te worden of er sprake is van een lager salarisaanbod en dat de overige omstandigheden buiten beschouwing gelaten moeten worden.
De Arbitragecommissie verwerpt dit verweer omdat bij verzoekschrift en in ieder geval voor de mondelinge behandeling beide partijen diverse concepten van de aangeboden arbeidsovereenkomst in het geding hebben gebracht, en het voor partijen duidelijk was dat in die concept arbeidsovereenkomsten (in rood) meer wijzigingen waren aangebracht dan alleen een (al dan niet) lager salarisaanbod. Het moet Telstar op grond hiervan redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat bij de toetsing van de gelijkwaardigheid van het aanbod alle wijzigingen, zoals in de concept arbeidsovereenkomsten vastgelegd, in de beoordeling betrokken kunnen worden. Bij het verzoekschrift en de aanvullingen daarop zijn door Vonk ook geen wijzigingen uitgezonderd. Bij de beoordeling of sprake is van een gelijkwaardig aanbod houdt de Arbitragecommissie dan ook rekening met alle omstandigheden van het geval, zoals die aan haar zijn gepresenteerd, onder ander blijkende uit de diverse concepten van arbeidsovereenkomsten die zijn overgelegd.
De Arbitragecommissie vergelijkt in het bijzonder een tweetal punten uit de nieuw aangeboden arbeidsovereenkomst met de arbeidsovereenkomst zoals die tussen partijen van kracht was tot en met 30 juni 2017. Dat is in de eerste plaats de hoogte van het geboden salaris en in de tweede plaats de bevoegdheden van Vonk volgens het aangeboden contract voor het seizoen 2017/2018.
Blijkens de vigerende arbeidsovereenkomst, die liep tot en met 30 juni 2017, had Vonk ingaande seizoen 2016/2017 recht op een salarisverhoging indien Telstar in het seizoen 2015/2016 bij de eerste 8 of de eerste 12 eindigde. Onweersproken staat tussen partijen vast dat Telstar in het seizoen 2015/2016 op de 12e plaats is geëindigd en dat Vonk uit dien hoofde recht had op een salarisverhoging voor het seizoen 2016/2017 van € 3.150,00 bruto op jaarbasis. Deze verhoging is ook door Telstar betaald.
Telstar heeft betoogd dat deze salarisverhoging moet worden gezien als een eenmalige bonus. Telstar heeft in de onderhandelingen met de zaakwaarnemer van Vonk, de heer Oosterveer, en ter zitting benadrukt dat het slechts een eenmalige bonus betrof.
Het gaat dus om de vraag hoe artikel 4.1 van de arbeidsovereenkomst voor het seizoen 2016/2017 dient te worden uitgelegd. Geeft deze bepaling de werknemer alleen recht op een bonus voor het seizoen 2016/2017, of betekent het realiseren van de prestatie dat het verhoogde salaris bij eventuele voortzetting van de arbeidsovereenkomst uitgangspunt is.
Overeenkomsten als de onderhavige moeten worden uitgelegd aan de hand van de zgn. "Haviltex-norm". De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding tussen partijen is geregeld, kan niet alleen worden bepaald op grond van uitsluitend een zuiver taalkundige uitleg van de contractsbepalingen. Het komt aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van partijen kan worden verwacht.
Vonk heeft de bepaling in de arbeidsovereenkomst (art. 4.1) kennelijk zo opgevat dat, als hij in het seizoen 2015/2016 met Telstar bij de eerste 12 in de competitie zou eindigen, zijn salaris op jaarbasis structureel zou worden verhoogd met € 3.150,-. In artikel 4, eerste lid, van de arbeidsovereenkomst die tussen partijen tot en met 30 juni 2017 van kracht was, is deze verhoging vastgelegd. Deze bepaling ziet blijkens de aanhef op "Salaris en Arbeidsduu€'. Daarnaast staat in deze overeenkomst in artikel 5 in een "Premieregeling", die ziet op betalingen bij het behalen van een bepaald aantal punten, een periodetitel enz. Juist omdat de bepaling omtrent de verhoging van het salaris is ondergebracht in het artikel over salaris en niet in het artikel over bonussen of premieregelingen, mocht Vonk erop vertrouwen dat de verhoging tot zijn salaris is gaan behoren, derhalve uitgangspunt zou zijn bij voortzetting van de arbeidsovereenkomst.
Uit het gegeven dat Telstar in het voorstel voor het seizoen 2017/2018 de verhoging voor het eindigen bij de eerste 8 of de eerste 12 heeft ondergebracht bij de premieregeling en niet langer bij de salarisregeling leidt de Arbitragecommissie af dat Telstar inmiddels onderschrijft dat het de voorkeur heeft een incidentele verhoging van het salaris die afhankelijk is gesteld van bepaalde prestaties onder te brengen in de bepaling omtrent de premieregeling (omdat de premieregeling incidenteel van aard is). De conclusie is dan ook dat Vonk mocht verwachten dat het voor het seizoen 2017/2018 geboden salaris niet lager zou zijn dan het salaris in het seizoen 2016/2017. Het salaris bedroeg tot en met 30 juni 2017 € 5.322,00 bruto op maandbasis. Het geboden salaris voor het seizoen 2017/2018 bedroeg € 5.059,64 bruto per maand, zodat het aangeboden salaris niet minimaal gelijk laat staan hoger was.
Als erkend dan wel onvoldoende weersproken staat vast dat Telstar ook wijzigingen wilde aanbrengen met betrekking tot de verantwoordelijkheden van  Vonk. Zo zou Vonk niet meer zonder overleg met de algemeen directeur en/of zijn gedelegeerden eindverantwoordelijk zijn voor het trainen, coachen, bezetting bank, speelwijze en toegang tot de spelersomgeving, en evenmin niet meer zonder overleg met de algemeen directeur en/of zijn gedelegeerden eindverantwoordelijkheid dragen omtrent de samenstelling van de spelersgroep van de A-selectie.
Deze omstandigheden, bezien in onderlinge samenhang, leidt ertoe dat de Arbitragecommissie van oordeel is dat het aanbod van Telstar niet gelijkwaardig was aan de reeds tussen Telstar en Vonk in het seizoen 2016/2017 geldende arbeidsvoorwaarden. Naar het oordeel van de Arbitragecommissie heeft Vonk dan ook recht op de transitievergoeding omdat de arbeidsovereenkomst niet aansluitend is voortgezet op initiatief van de werkgever in de zin van artikel 7:673 BW.

Hoogte transitievergoeding
Voor wat betreft de hoogte van de transitievergoeding gaat de Arbitragecommissie ervan uit dat het laatstgenoten salaris bepalend is en de Arbitragecommissie houdt daarom geen rekening met de stelling van Telstar dat er sprake was van een bonus, althans van een incidentele verhoging van het salaris, voor het bereiken van de 12e plaats in de competitie 2015/2016.
Derhalve dient de vordering op de hierna te melden wijze te worden toegewezen en dient Telstar als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de kosten van de arbitrageprocedure. Er is geen apart verweer gevoerd tegen de vordering tot betaling van de wettelijke rente. Die zal dus ook als na vermeld worden toegewezen.
De stelling van Telstar dat Vonk al voor het einde van de arbeidsovereenkomst bij een andere club in dienst is getreden, leidt niet tot een ander oordeel omdat op grond van artikel 7:673 BW beslissend is of de arbeidsovereenkomst al dan niet op initiatief van de werkgever niet aansluitend is voortgezet (Hof ’s-Hertogenbosch 27 oktober 2016, JAR 2016,284).

Rechtdoende als goede personen naar billijkheid
Veroordeelt Telstar tot betaling aan Vonk van een bedrag van € 5.322,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 1 juli 2017 tot het moment van volledige betaling, veroordeelt Telstar in de kosten van de arbitrageprocedure, begroot aan de zijde van de KNVB op € 475,00 en aan de zijde van Vonk  op € 325,00.
Wijst af het meer of anders gevorderde

Arbitrage cie KNVB: Ondanks exclusieve vertegenwoordigingsovereenkomst blijft speler bevoegd zelf contract te sluiten





Feiten en omstandigheden
a.         Op voorspraak van de heer Bonifacio heeft de heer Bryson/CSA met Tissoudali in 2014 kennis gemaakt. Destijds speelde Tissoudali nog bij de amateurs.
b.         Tussen CSA/Bryson enerzijds en Tissoudali anderzijds is op 19 juli 2014 een vertegenwoordigingsovereenkomst gesloten. In deze overeenkomst is onder meer bepaald:
'1.       Deze overeenkomst is aangegaan voor de duur van twee (2) jaar en gaat in op 19 juli 2014 en eindigt van rechtswege (zonder dat opzegging vereist is) op 18 juli 2016. De overeenkomst is niet tussentijds opzegbaar.
4. 1      Op deze overeenkomst is Nederlands recht van toepassing.
6.1       Partijen komen overeen dat de spelersmakelaar de speler wereldwijd exclusief zal vertegenwoordigen met betrekking tot zijn exploitatie als professioneel voetbalspeler. Onder deze exploitatie worden de volgende aangelegenheden verstaan: vertegenwoordiging van de speler tijdens de totstandkoming van:
-          een transfer van de ene voetbalclub naar een andere voetbalclub;
-          een arbeidsovereenkomst;
-          een overeenkomst met een mediaorganisatie;
-          een sponsorovereenkomst ("image-rechten", reclameovereenkomst, en/of enig ander product/dienst);
7.1       Voor de vertegenwoordigingsactiviteiten als bedoeld in artikel 6 is de spelersmakelaar gerechtigd om een commissie van de speler te ontvangen. Voor zover dit op grond van wettelijke en of FIFA bepalingen mogelijk is, wordt getracht deze commissie ten laste van de contractspartij (de club/de sponsor) te brengen. De hoogte van deze commissie zal voor elke vertegenwoordigingsactiviteit apart worden vastgesteld.
8.2.      De speler garandeert de spelersmakelaar dat hij:
(...)
c.         de spelersmakelaar zal inlichten van elke benadering of aanbieding door een andere FIFA-agent, club of persoon die direct of indirect handelt namens een club.
d.         Hij niet de diensten van een andere FIFA-agent of willekeurige derde zal gebruiken zonder de voorafgaande schriftelijke toestemming van de spelersmakelaar.
8.3.      Indien de speler de bepalingen hierboven onder 8.c en of d overtreedt, handelt hij onrechtmatig jegens de spelersmakelaar en is hij van rechtswege in verzuim zonder dat daarvoor een nadere ingebrekestelling vereist is. De speler is alsdan gehouden de schade die de spelersmakelaar dientengevolge lijdt, te vergoeden.”

c.         Onder begeleiding van Bryson/CSA heeft Tissoudali op 19 augustus 2014 een arbeidsovereenkomst voor de duur van tweeënhalf jaar gesloten met BVO Telstar. CSA heeft destijds geen vergoeding voor haar werkzaamheden ontvangen. Tissoudali en CSA hebben op 26 november 2014 wel een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin afspraken zijn gemaakt over een vergoeding voor CSA bij een tussentijdse transfer van Tissoudali van Telstar naar een andere BVO. Partijen hebben de Arbitragecommissie voorgehouden dat hun geschil over de uitleg en gevolgen van deze vaststellingsovereenkomst niet aan de Arbitragecommissie is voorgelegd. CSA is ter zake een procedure tegen Tissoudali gestart bij de Rechtbank te Amsterdam.
d.         In maart 2016 heeft Tissoudali aangegeven niet tevreden te zijn met CSA/Bryson en wijziging in de vertegenwoordigingsovereenkomst voorgesteld. Partijen hebben daarover destijds geen overeenstemming bereikt.
e.         Eind juni 2016 heeft Tissoudali aan Bryson/CSA laten weten dat hij een transfer wilde maken. Daarover hebben partijen in een korte periode de nodige contacten gehad; bij SC Heerenveen en Willem II was concrete belangstelling om te bezien of tot een arbeidsovereenkomst met Tissoudali kon worden gekomen.
f.         CSA/Bryson had op vrijdag 8 juli 2016 een afspraak met Willem II gepland, doch Tissoudali liet Bryson per sms een uur voor die afspraak weten dat die afspraak niet door kon gaan.
g.         Dezelfde dag, ongeveer een uur later, heeft Tissoudali per sms aan Bryson/CSA meegedeeld:
"Hee Richinel, ik heb net getekend in Frankrijk. Het is via de clubs onderling gegaan. lk kon er met niemand over spreken, en kon ook geen mensen bij betrekken. lk heb er uiteraard voor gezorgd dat hij gewoon mee eet via mij. lk bel jou wanneer ik in Nederland ben".
Daarop heeft de heer Bryson gereageerd:
"Pieter heeft smerig gespeeld Tarik. Het gaat om L'havre hoorde ik!
Tissoudali heeft vervolgens op 8 juli 2016 Bryson bericht:
"lk ben alleen met me vader gegaan, ik zorg voor jou, dat heb ik Telstar en de club gezegd, ik bel je als ik daar ben".
De heer Bryson heeft gereageerd:
"Dit is triest Tarik. Jij begrijpt toch ook dat dit niet de manier is hoe het behoort te gaan. Telstar laatje daar naar toe gaan zonder enige vorm van begeleiding wetende datje een zaakwaarnemer hebt.. .. Schandalig!"
h.         Tissoudali heeft bij Le Havre A.C. met ingang van het seizoen 2016/2017 een vierjarige arbeidsovereenkomst gesloten. Tissoudali heeft ter zitting verklaard een deel (10%) van de door Le Havre A.C aan Telstar betaalde afkoopsom te hebben ontvangen.
i.          Tissoudali heeft ondanks verzoeken van CSA de tekst van de arbeidsovereenkomst die hij met Le Havre A.C. heeft gesloten niet aan CSA/Bryson ter beschikking gesteld.

Beoordeling van het geschil

Vertegenwoordigingsovereenkomst geldig?
CSA heef de Arbitragecommissie verzocht voor recht te verklaren dat de uit de vertegenwoordigingsovereenkomst voortvloeiende verplichtingen geldig zijn en Tissoudali zich dus door CSA had moeten laten vertegenwoordigen tijdens het ondertekenen van zijn contract met Le Havre A.C.
De Arbitragecommissie stelt vast, terwijl dat ook niet door Tissoudali is betwist, dat de op 19 juli 2014 gesloten vertegenwoordigingsovereenkomst is aangegaan voor de bepaalde tijd van twee jaren en derhalve heeft voortgeduurd tot en met 18 juli 2016. Tissoudali heeft de overeenkomst niet tussentijds opgezegd of anderszins beëindigd. In de contractperiode waren partijen over en weer aan betreffende overeenkomst gebonden.
De Arbitragecommissie zal dan ook voor recht verklaren dat de uit de vertegenwoordigingsovereenkomst tussen Tissoudali en CSA voortvloeiende verplichtingen gedurende de contractperiode golden.
De door CSA verzochte verklaring voor recht dat Tissoudali zich "dus door CSA had moeten laten vertegenwoordigen tijdens het ondertekenen van zijn contract met Le Havre A.C." zal door de Arbitragecommissie niet worden verstrekt.
Daartoe overweegt de Arbitragecommissie allereerst dat CSA in casu niet heeft gesteld dat Tissoudali zich bij het sluiten van de arbeidsovereenkomst met Le Havre A.C. heeft laten bijstaan door een andere spelersmakelaar, andere intermediair of andere vertegenwoordiger. Hij heeft het contract met Le Havre A.C. zelf gesloten, hetgeen ook niet is betwist door CSA. Zoals door de Arbitragecommissie in het vonnis van 24 juli 2013 (El H&B Sportsmanagement B.V./Arica) in navolging van CAS-uitspraak van 5 december 2006 (CAS 2006/A/1019) al is bepaald, brengt een overeenkomst waarbij een spelersmakelaar/intermediair exclusief bevoegd is de speler bij te staan in de ontwikkeling van zijn professionele carrière en te vertegenwoordigen bij het benaderen van en onderhandelen met clubs en diens vertegenwoordigers in het licht van FIFA-reglementen niet met zich mee dat de speler niet zelf — zonder tussenkomst van een andere spelersmakelaar of derde — mag contracteren.
Het staat een speler vrij zonder de assistentie van een derde voor zichzelf te contracteren, ook als hij gebonden is aan een exclusieve vertegenwoordigingsovereenkomst.
In het huidig KNVB Reglement Intermediairs noch in enige UEFA- of FIFAregeling is bepaald dat een speler verplicht is bij de totstandkoming van een arbeidsovereenkomst met een BVO zich te laten vertegenwoordigen door een intermediair.
Met de vaststelling van het Reglement Intermediairs in de bondsvergadering van de KNVB van 1 december 2015 en het vervallen van het Reglement Spelersmakelaars is naar het oordeel geen situatie beoogd of gecreëerd waarbij spelers en/of BVO's zichzelf niet meer mogen vertegenwoordigen bij de totstandkoming van een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst betreffende de overgang van spelers. Voor genoemde datum gold dat spelers en clubs daartoe bevoegd waren; die situatie is niet veranderd.
Indien echter door een BVO of speler gebruik wordt gemaakt van een intermediair dienen de betreffende intermediair, speler en club zich aan de bepalingen van het Reglement Intermediairs te houden. Anders dan uit art. 1 lid 2 Reglement Spelersmakelaars volgde geldt onder het huidige Reglement Intermediairs dat alle personen die een speler (bij contractonderhandelingen e.d.) vertegenwoordigen als intermediair dienen te zijn geregistreerd. Alleen die intermediairs mogen — in de Nederlandse verhoudingen — spelers en club bij de totstandkoming van spelerscontracten en/of overeenkomsten betreffende de overschrijving van spelers vertegenwoordigen.
Hieruit volgt dat voor Tissoudali niet de verplichting had zich te laten vertegenwoordigen door CSA bij het ondertekenen van zijn contract; wel gold op grond van de tussen partijen gesloten vertegenwoordigingsovereenkomst dat het Tissoudali niet was toegestaan zich door een ander te laten vertegenwoordigen/bijstaan dan door CSA.

Is Tissoudali jegens CSA toerekenbaar tekortgeschoten?JA!
CSA heeft gesteld dat Tissoudali de verplichting welke volgt uit artikel 8.2 sub c van de vertegenwoordigingsovereenkomst (informatieplicht van Tissoudali) jegens CSA heeft geschonden door CSA niet — tijdig — op de hoogte te brengen van de besprekingen van Tissoudali bij en met Le Havre A.C..
Naar het oordeel van de Arbitragecommissie staat vast dat Tissoudali CSA niet voor de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst ter zake heeft geïnformeerd. Zulks is naar het oordeel van de Arbitragecommissie als een toerekenbaar tekort schieten van Tissoudali te beschouwen. Dat Tissoudali geen contact met CSA heeft gezocht op verzoek van de betrokken BVO's — zoals hij heeft gesteld — maakt zulks niet anders.
De stelling van Tissoudali dat in de vertegenwoordigingsovereenkomst niet is bepaald dat Tissoudali gehouden was CSA onverwijld te informeren, wordt ook door de Arbitragecommissie gepasseerd. Gelet op de tekst van de overeenkomst en hetgeen partijen redelijkerwijs over en weer van elkaar mochten verwachten, was Tissoudali gehouden CSA met voortvarendheid van relevante ontwikkelingen rondom aanbiedingen van clubs te informeren en dat niet dat slechts achteraf te doen. Dat Tissoudali dat ook vond, blijkt naar het oordeel van de Arbitragecommissie ook uit de SMS-berichten die hij op 8 juli 2016 aan Bryson zond. De Arbitragecommissie zal ter zake de door CSA gevraagde verklaring voor recht dat Tissoudali toerekenbaar tekort is geschoten in zijn verplichtingen jegens CSA uit hoofde van de vertegenwoordigingsovereenkomst toewijzen.

Schade?NEE!
Nu Tissoudali jegens CSA toerekenbaar tekort is geschoten, dient te worden nagegaan of dat tekort schieten ook tot schade bij CSA heeft geleid.
Met betrekking tot het door Tissoudali betwiste causale verband tussen de door CSA gestelde schade en de gedragingen van Tissoudali stelt de arbitragecommissie allereerst vast dat vaststaat dat de vertegenwoordigingsovereenkomst op 18 juli 2016 zou eindigen en niet meer werd verlengd. Ook stelt de Arbitrage in dit kader vast dat er geen andere concrete aanbieding voor Tissoudali bij een andere BVO gereed lag, waarbij CSA een commissie zou verkrijgen.
Nu bovendien Tissoudali — onbetwist - heeft gesteld dat hij op grond van door hem met de clubs Telstar en Le Havre A.C. gemaakte afspraken geen gebruik wenste te maken van de diensten van CSA, maar voor zichzelf wilde en heeft gecontracteerd, ontbreekt in casu naar het oordeel van de arbitragecommissie het causale verband tussen het toerekenbaar te kort schieten van Tissoudali en de vermeende schade van CSA. Alsdan ligt immers niet in de lijn der verwachting dat indien Tissoudali CSA tijdig zou hebben geïnformeerd zulks er toe zou hebben geleid dat CSA als intermediair Tissoudali bij de overgang naar Le Havre A.C. zou hebben vertegenwoordigd.
Voorts is in de vertegenwoordigingsovereenkomst geen contractueel vastgelegde schadevergoeding opgenomen. De Arbitragecommissie zal, gelet op de in casu aan de orde zijnde omstandigheden, aan CSA geen schadevergoeding toewijzen.

zaterdag 27 augustus 2016

Arbitragecommissie KNVB: opzegtermijn niet-contractspeler één maand; gefixeerde schadevergoeding niet uitgesloten




De feiten
De Arbitragecommissie gaat bij haar overwegingen uit van de navolgende feiten en omstandigheden, welke naar het oordeel van de Arbitragecommissie voldoende zijn komen vast te staan.

a.  Mossaoui voetbalt sinds de winterstop van het seizoen 2012/2013 bij STR en heeft vanaf dat moment een (oplopende) maandelijkse betaling verkregen. Door SRT zijn ten behoeve van bedoelde maandelijkse betalingen steeds loonstroken aan Mossaoui ter beschikking gesteld.

b. Bij app-bericht d.d. 19 februari 2016 heeft Mossaoui aan voorzitter Van Gogh bericht "Goedemorgen René, mijn tegenvoorstel is € 800,00 per maand, had het ook met Max erover en hij zegt dan denk ik dat het beter is dat je dat bedrag voor twee jaar afspreekt."

c. Bij e-mail d.d. 19 februari 2016 heeft Van Gogh aan Mossaoui onder meer het volgende geschreven: "Jouw voorstel is € 800,00 per maand, aanvullend met "Alleen jij Bepaalt" en eventueel de training in het kader Challenge 010. Deze afspraken zouden dan gelden voor een overeenkomst voor twee seizoen. Het bestuur heeft hier vanmorgen overleg over gehad, en ik kan je meedelen dat wij gaan akkoord met jouw voorstel(..... ). Het is mijn bedoeling om onze overeenkomst in de week van 29 maart wereldkundig te maken. Wij zullen het dan gaan plaatsen op de website en onze social mediakanalen (twitter, Facebook, lnstagram). Vind jij dit ook goed?"

d. Bij app-bericht van 11 maart 2016 heeft Van Gogh Mossaoui bericht als volgt: "Volgende week wil ik het op de website zetten dat je blijft bij TPP, ben je het daarmee eens?.
Op 12 maart 2016 heeft Mossaou Van Gogh bericht: " OK is goed".

e. Op 16 maart 2016 heeft TPP Rotterdam via social mediakanalen gemeld dat Mossaoui voor twee seizoenen bij bedoelde vereniging zou (blijven) voetballen.

f. Eind april, begin mei 2016 heeft Zaalvoetbalvereniging Hovocubo via social mediakanalen gemeld dat Mossaoui het seizoen 2016/2017 aldaar zou spelen.

g. Op 1 mei 2016 heeft de heer Van Gogh Mossaoui middels app bericht met betreffend bericht geconfronteerd.

Standpunt van partijen
STR heeft zakelijk weergegeven gesteld dat tussen STR en Mossaoui een mondelinge arbeidsovereenkomst is gesloten voor de seizoenen 2016/2017 en 2017/2018, waarna is gebleken dat Mossaoui de overeenkomst niet  wenste na te komen en bij een andere zaalvoetbalvereniging gaat spelen. STR stelt aanspraak te kunnen maken op een vergoeding door Mossaoui aan STR te voldoen van € 28.804,56, zijnde het salaris dat Mossaoui in de contractperiode zou gaan verdienen, vermeerderd met de werkgeverslasten.
Mossaoui stelt dat voor zover tussen partijen sprake is van een arbeidsovereenkomst hij voor onbepaalde tijd in dienst is. Voorts heeft hij gesteld dat de situatie bij de club na het bereiken van mondelinge overeenstemming wijzigde en van belang zijnde sterkhouders van het team alsmede de coach - in tegenstelling tot hetgeen de club hem had voorgehouden - bij de club gingen vertrekken. Verder stelt Mossaoui dat hij zich bij zijn huidige werkgever sportief en financieel verbetert.

Beoordeling van het geschil
Met STR meent de Arbitragecommissie dat voor zover tussen STR en Mossaoui een overeenkomst voor de seizoenen 2016/2017 en 2017/2018 tot stand is gekomen, deze overeenkomst (ook) is aan te merken als een arbeidsovereenkomst. STR zou loon zijn verschuldigd terwijl Mossaoui persoonlijk de arbeid diende te verrichten onder werkgeversgezag van STR. STR is in de achterliggende jaren in de verhouding tot Mossaoui ook steeds van uitgegaan van een arbeidsovereenkomst tussen partijen en heeft Mossaoui ook maandelijkse loonstroken ter beschikking gesteld.
Uit het e-mailverkeer tussen Mossaoui en Van Gogh is naar het oordeel van de Arbitragecommissie afdoende komen vast te staan dat partijen op 19 februari 2016 overeenstemming hebben bereikt over de verlenging van de arbeidsovereenkomst gedurende twee seizoenen onder verbetering van de arbeidsvoorwaarden van Mossaoui.
Gelet op het thans vigerende wettelijk kader wordt de verlengde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd geacht van rechtswege voor onbepaalde tijd te gelden indien tussen partijen meer dan drie arbeidsovereenkomsten zijn gesloten (tenzij die elkaar hebben opgevolgd met een tussenpoos van meer van 6 maanden) en/of in het geval de verlengde arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd een periode van 24 maanden hebben overschreden.
Partijen hebben ter zitting verklaard dat Mossaoui sinds de winterstop 2012/2013 voor STR speelt en loon ontvangt. Het bestuur van TPP is in 2014 afgetreden. Voor het seizoen 2014/2015 heeft het nieuwe bestuur met Mossaoui nieuwe arbeidsvoorwaardelijke afspraken gemaakt.
Hoe ook bezien, maakt zulks dat bij het maken van de afspraak op 19 februari 2016 rechtens tussen partijen reeds een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd van kracht is geworden. Zulks is ook zijdens STR uitdrukkelijk ter zitting erkend.
De Arbitragecommissie realiseert zich dat het van rechtswege ontstaan van arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zich niet verhoudt met de in de voetbalwereld gevoelde werkelijkheid van het gedurende één of meerdere seizoenen contracteren, maar moet vaststellen dat behoudens de gevallen waarvoor de regeling van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 24 juni 2015 (2015-00001598667) geldt, ook voor werknemers in de sportsector het reguliere arbeidsrechtelijke kader van kracht is.
Bedoelde ministeriële regeling bepaalt dat voetbalspelers die als contractspeler geregistreerd staan bij Sectie Betaald Voetbal van de Koninklijke Nederlandse Voetbal Bond voor deelname aan de herencompetities van de Sectie Betaald Voetbal van het onder punt 10 bedoelde arbeidsrechtelijke kader zijn uitgezonderd. Tussen partijen is niet in geschil dat Mossaoui niet als contractspeler geregistreerd staat bij de Sectie Betaald Voetbal van de Koninklijke Nederlandse Voetbal Bond, zodat bedoelde uitzondering hier niet van toepassing is.
Voorts geldt dat niet is gesteld of gebleken dat op de arbeidsverhouding tussen STR en Mossaoui een CAO van toepassing is. In een CAO kan op bedoeld wettelijk kader een zekere uitzondering worden gemaakt.
Uitgaande dat tussen partijen de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd geldt, geeft dat Mossaoui de mogelijkheid steeds de arbeidsovereenkomst met inachtneming van een opzegtermijn van een maand te beëindigen, tenzij een langere opzegtermijn schriftelijk is bedongen. In casu is geen langere opzegtermijn schriftelijk vastgelegd.
Gelet op hetgeen ter zitting is gewisseld, houdt de Arbitragecommissie het erop dat in mei 2016 STR heeft begrepen - ook van Mossaoui- dat hij per 1 juli 2016 zijn werkzaamheden niet zou voortzetten.
Nu in de tussenliggende periode naar het oordeel van de Arbitragecommissie de opzegtermijn is versteken, heeft Mossaoui de arbeidsovereenkomst niet onregelmatig opgezegd en is hij, anders dan STR kennelijk stelt, niet de gefixeerde schadeloosstelling zoals bedoeld in artikel 7:672 lid 10 BW aan STR verschuldigd. Hoewel de Arbitragecommissie begrip heeft voor het standpunt van STR dat in de voetbalwereld per seizoen wordt gecontracteerd, ziet de Arbitragecommissie derhalve vanuit het arbeidsrecht in het onderhavige geval geen aanknopingspunt aan STR de gefixeerde schadeloosstelling toe te kennen.
De Arbitragecommissie acht het echter niet uitgesloten dat - onder omstandigheden -een voetbalclub aanspraak zou kunnen maken op een schadevergoeding ingeval sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd met een speler of trainer (betreffende speler of trainer dus arbeidsrechtelijk de mogelijkheid heeft om met inachtneming van een verhoudingsgewijs korte opzegtermijn de arbeidsovereenkomst te beëindigen) en betreffende speler/trainer de door hem gedane uitdrukkelijke toezegging zich één of meer seizoenen aan de voetbalclub te verbinden, niet nakomt.
Naar het oordeel van de Arbitragecommissie zal alleen in bijzondere (uitzonderings)gevallen aan een schadevergoeding kunnen worden toegekomen.
In casu heeft STR onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij concrete schade heeft geleden als gevolg van het vroegtijdige vertrek van Mossaoui. STR heeft volstaan met de verwijzing naar het toekomstige loon van Mossaoui, doch zulks is naar het oordeel van de Arbitragecommissie niet als een schadepost te beschouwen. STR heeft haar schade niet verder toegelicht of onderbouwd.
Een en ander maakt dat de vordering van STR zal worden afgewezen, onder veroordeling van STR in de kosten van de KNVB.

Rechtdoende als goede mannen naar billijkheid
Wijst af de vordering van verzoekster en veroordeelt verzoekster in de kosten aan de zijde van de KNVB begroot op € 450,00 en aan de zijde van Mossaoui op nihil.

vrijdag 26 juni 2015

Arbitragecie KNVB: er is een arbeidsovereenkomst als er "arbeidsovereenkomst" op overeenkomst staat


De feiten
Bij brief d.d. 14 april 2015 heeft VV Nunspeet een verzoek tot arbitrage ingediend. Bij verzoekschrift d.d. 15 april 2015 heeft Akar eveneens een verzoekschrift tot arbitrage ingediend. Gelet op de samenhang tussen beide verzoeken, heeft de arbitragecommissie bepaald de verzoeken (alsmede het verzoek in reconventie (of tegenverzoek)) gevoegd te behandelen. Partijen hebben ieder schriftelijk verweer gevoerd tegen de ingediende verzoeken, waarbij Akar bij zijn verweerschrift tevens een verzoek in reconventie heeft ingediend.
Akar was in de periode 1 juli 2013 tot en met 30 juni 2014 op basis van een arbeidsovereenkomst de trainer van de tweede elftalselectie van VV Nunspeet.
In december 2013 heeft VV Nunspeet Akar aangeboden in het seizoen 2014/2015 assistent trainer van het eerste elftalselectie te worden, naast de heer J. van den Berg die voor dat seizoen als hoofdtrainer werd aangesteld. Tussen partijen is een schriftelijke overeenkomst gesloten. VV Nunspeet is in dat contract als werkgever en Akar als werknemer aangeduid. Voorts is in de overeenkomst onder meer het volgende bepaald:
Aanhef:
"Arbeidsovereenkomst voor trainer/coach werkzaam in het amateurvoetbal"
" Salaris (n.v.t.)
Artikel5
Werknemer ontvangt een salaris van € 0 bruto per maand (12 x p/jr) uit te betalen over de periode 1 juli 2014 tot en met 30 juni 2015.

Kostenvergoeding
Artikel 6
Behoudens het hiervoor genoemde bruto salaris ontvangt werknemer indien werknemer voorts de navolgende onkostenvergoeding:
€ 105,00
€   20,=
€ 0,00
 per maand als reiskosten woon-werk. per maand als telefoonvergoeding. per maand als daggeldvergoeding.

De vereniging betaalt de kosten van (maximaal EUR 13000) voor deelname aan TC 1/ (UEFA A). Aangezien de betaling wordt/is gedaan door de werknemer zal de vereniging deze in 12 maandelijkse termijnen voldoen. Werknemer hoeft het cursusgeld aan het einde van het seizoen niet terug te betalen.
Verder kan de werknemer tot een maximum van EUR 1.330 aan overige studiekosten declareren bij de werkgever."

In december 2014 zijn partijen mondeling overeengekomen dat Akar met ingang van het seizoen 2015/2016 - en derhalve per 1 juli 2015- als hoofdtrainer van VV Nunspeet zou gaan werken. Akar zou voor die werkzaamheden een salaris verkrijgen van € 10.200,- netto, te betalen in 12 maandelijkse termijnen; in dat salaris is een reiskostencomponent begrepen van ongeveer € 135,-- netto per maand. Partijen hebben de arbeidsovereenkomst niet schriftelijk vastgelegd. Over vorenstaande inhoud bestaat evenwel geen verschil van mening tussen partijen, gelet op hetgeen tijdens de mondelinge behandeling clan de orde is geweest.

Eind januari 2015 is Akar door VV Nunspeet benaderd met het verzoek of hij met ingang van 10 februari 2015 al de functie van hoofdtrainer van VV Nunspeet wilde vervullen, zulks in verband met het (onverwachte) tussentijdse vertrek van de heer Van den Berg.
Akar heeft, na daartoe genoeg bedenktijd te hebben gekregen, VV Nunspeet bericht dat hij de aan deze functie verbonden werkzaamheden op dat moment niet kon combineren met zijn privésituatie (gezin, lopende werkzaamheden voor VV Nunspeet, TC 1 opleiding en werk).
Op 5 februari 2015 heeft de heer Vis, voorzitter technische commissie VV Nunspeet, (opnieuw) met Akar telefonisch contact gezocht en er bij hem op aangedrongen het hoofdtrainerschap voor de selectie toch al op zich nemen. Daarbij heeft de heer Vis Akar aangeboden dat Akar voor het resterende deel van het seizoen een extra salaris zou ontvangen van € 500,-- netto per maand.
 Op enig moment op 5 februari 2015 heeft Akar een financieel tegenvoorstel aan VV Nunspeet gedaan. Dit voorstel is door VV Nunspeet niet aanvaard en overigens (vrijwel) direct nadat het was gedaan door Akar weer ingetrokken, waarbij Akar VV Nunspeet heeft voorgehouden dat hij dit tegenvoorstel niet had moeten doen in verband met de onmogelijkheid de betreffende taken op zich te nemen. Akar heeft geen nieuw voorstel gedaan maar is VV Nunspeet blijven voorhouden dat hij de hoofdtrainertaak niet eerder kon gaan verrichten dan met ingang van 1 juli 2015, zoals eerder- mondeling- met VV Nunspeet overeengekomen.
VV Nunspeet heeft Akar in de gelegenheid gesteld op dit standpunt terug te komen maar toen bleek dat Akar daartoe niet bereid was, heeft VV Nunspeet Akar eerst op
10 februari 2015 voorgesteld dat deze de lopende overeengekomen werkzaamheden in het seizoen 2014/2015 kon blijven verrichten, maar dan zou dienen af te zien van de mondeling gesloten arbeidsovereenkomst voor het seizoen 2015/2016. Daarop heeft Akar negatief gereageerd, waarna VV Nunspeet Akar op 17 februari 2015 heeft bericht dat de lopende overeenkomst met onmiddellijke ingang werd opgezegd en geen uitvoering zou worden gegeven aan de overeenkomst voor het seizoen
2015/2016.
VV Nunspeet heeft voor de resterende duur van het seizoen 2014/2015 een andere hoofdtrainer aangetrokken.
Tussen partijen is niet in geschil dat indien de overeenkomst 2014/2015 als een arbeidsovereenkomst dient te worden aangemerkt, VV Nunspeet alsdan aan Akar nog een loonbetaling verschuldigd is ter hoogte van € 1.967,72 bruto.

Kern van het geschil
Partijen twisten over de vraag of (I) de tussen hen gesloten overeenkomst voor het seizoen 2014/2015 heeft te gelden als een stage- of een arbeidsovereenkomst, (II) de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst voor het seizoen 2015/2016 al dan niet dient te worden ontbonden, en (III) of bij ontbinding aan Akar al dan niet een vergoeding dient toe te komen.

Oordeel Arbitragecommissie
Ter zitting heeft de heer Vis namens VV Nunspeet de arbitragecommissie voorgehouden dat indien de heer Van den Berg niet vroegtijdig zijn hoofdtrainerschap zou hebben neergelegd, tussen partijen geen problemen zouden zijn ontstaan en Akar in het seizoen 2015/2016 de hoofdtrainer van VV Nunspeet zou zijn geweest.
Voorts heeft VV Nunspeet desgevraagd verklaard dat de weigering van Akar het verzoek van VV Nunspeet om eerder het hoofdtrainerschap op te pakken, dé oorzaak is van het verlies aan vertrouwen en draagvlak voor het functioneren van Akar bij VV Nunspeet. Dat Akar op enig moment een financieel tegenvoorstel heeft gedaan, speelt daarin wel een rol maar ook indien dat tegenvoorstel niet zou zijn gedaan en Akar steeds en uitsluitend VV Nunspeet zou hebben voorgehouden de extra werkzaamheden niet te kunnen verrichten, acht VV Nunspeet - zo werd de arbitragecommissie desgevraagd ter zitting medegedeeld - het onaanvaardbaar dat Akar niet op het verzoek van de vereniging is ingegaan. Door dat niet te doen en daarmee de vereniging niet te helpen terwijl Akar het daaropvolgende seizoen toch hoofdtrainer zou worden, is in de visie van VV Nunspeet een onherstelbare breuk ontstaan.
De arbitragecommissie meent echter dat, hoewel zij de teleurstelling van VV Nunspeet begrijpt, in zijn algemeenheid niet kan worden aanvaard dat een assistent trainer (steeds) gehouden is een vroegtijdig vertrokken hoofdtrainer op te volgen. Het risico dat een hoofdtrainer tussentijds (al dan niet vrijwillig) vertrekt, dient feitelijk niet op de assistent trainer te drukken.
Van een assistent trainer mag in zijn algemeenheid wellicht onder omstandigheden worden verlangd dat deze niet ongemotiveerd een dergelijk verzoek van de vereniging naast zich neerlegt, maar het enkele feit dat VV Nunspeet in casu met Akar was overeengekomen dat deze in het seizoen 2015/2016 hoofdtrainer zou worden, schiep voor Akar niet zonder meer de verplichting om dat hoofdtrainerschap ook al (veel) eerder op zich te nemen.
Daarbij heeft Akar in de visie van de arbitragecommissie voldoende duidelijk gemaakt dat van hem in redelijkheid niet kon worden gevergd het verzoek van VV Nunspeet te honoreren. Voor die (persoonlijke) omstandigheden heeft VV Nunspeet naar het oordeel van de arbitragecommissie onvoldoende oog gehad.
Nu ter zitting door VV Nunspeet uitdrukkelijk is gesteld dat van Akar niets minder mocht worden verwacht dan dat hij op het verzoek van VV Nunspeet positief zou dienen te reageren en de tussen partijen in de visie van VV Nunspeet verstoord geraakte relatie ook zou zijn verstoord indien Akar niet op enig moment een tegenvoorstel had gedaan, acht de arbitragecommissie het feit dat Akar- al dan niet onder de door hem gevoelde druk van VV Nunspeet -een dergelijk voorstel heeft gedaan in de te maken afwegingen van ondergeschikt belang.
Naar het oordeel van de arbitragecommissie had VV Nunspeet na de herhaalde en toegelichte weigering van Akar, conform de suggesties van Akar en langs de lijn zoals VV Nunspeet dat uiteindelijk ook heeft geregeld, een andere interim hoofdtrainer dienen aan te stellen. Dat VV Nunspeet dat eerst heeft gedaan nadat zij de banden met Akar heeft getracht te verbreken, dient voor haar rekening en risico te blijven.
Dat, naar het oordeel van de arbitragecommissie en in lijn met hetgeen VV Nunspeet heeft gesteld en Akar heeft erkend, tussen partijen inmiddels een zodanig verstoorde arbeidsverhouding is ontstaan dat de arbeidsovereenkomst billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen, is dan ook het resultaat van de opstelling van VV Nunspeet.
Gelet daarop is de arbitragecommissie voornemens de arbeidsovereenkomst 2015/2016 te ontbinden onder toekenning van een beëindigingvergoeding vergelijkbaar met het salaris dat Akar zou hebben verkregen indien de arbeidsovereenkomst zou zijn uitgediend, waarbij de arbitragecommissie wel rekening houdt met de in het salaris verdisconteerde reiskosten en de omstandigheid dat Akar thans ineens de beëindigingvergoeding ontvangt, waar anders bij voortduren van de overeenkomst maandelijkse loonbetaling zou plaatsvinden. De arbitragecommissie is dan ook voornemens de arbeidsovereenkomst te ontbinden per
1 juli 2015 onder toekenning aan Akar van een bedrag van € 8.000,-- netto.
Nu VV Nunspeet een dergelijke vergoeding niet heeft aangeboden, zal zij in de gelegenheid worden gesteld het verzoekschrift in te trekken. Indien en voor zover VV Nunspeet van dat verzoek gebruik maakt, zal zij het salaris aan Akar dienen te voldoen totdat aan de arbeidsovereenkomst op een andere wijze rechtsgeldig een einde komt.
Ten aanzien van de vraag of de overeenkomst 2014/2015 als een stage- of een arbeidsovereenkomst heeft te gelden, oordeelt de arbitragecommissie dat nu in de overeenkomst zelve expliciet is vermeld dat het gaat om een arbeidsovereenkomst, dat partijen in het jaar daarvoor ook een arbeidsovereenkomst hebben gesloten en ook niet in het geschil is dat dat met betrekking tot het seizoen 2015/2016 het geval was, in de betreffende overeenkomst aan VV Nunspeet als werkgever wordt gerefereerd en aan Akar als werknemer, partijen kennelijk de bedoeling hadden een arbeidsovereenkomst te sluiten. Het enkele feit dat Akar in een e-mail aan VV Nunspeet heeft gerefereerd aan "de stage-overeenkomst" maakt zulks niet anders. Indien en voor zover VV Nunspeet geen arbeidsovereenkomst zou hebben gewenst, zou het op haar weg hebben gelegen zulks in de overeenkomst expliciet tot uitdrukking te brengen.
Aan Akar is voorts loon betaald (te weten: de vergoeding voor de TC 1 cursus), terwijl uit de tussen partijen gesloten overeenkomst voortvloeit dat Akar nauwgezet een aantal taken diende uit te voeren, waarbij hij, naar het oordeel van de arbitragecommissie gelet op deze taken, onder werkgeversgezag stond.
Dat de overeenkomst zich primair richtte op het vergroten van kennis en het opdoen van werkervaring, zoals VV Nunspeet stelt, volgt bovendien naar het oordeel van de arbitragecommissie in het geheel niet uit de overeenkomst en ook niet uit de wijze waarop partijen aan de overeenkomst invulling hebben gegeven, nog daargelaten dat bij het sluiten van de overeenkomst niet was overeengekomen dat Akar werd opgeleid voor het hoofdtrainerschap het seizoen daarop (dat is pas halverwege het seizoen 2014/2015 besproken en overeengekomen), en voorts niet is gebleken dat de feitelijke werkzaamheden die Akar uitvoerde, het karakter van een stage hadden. Akar verrichtte immers de overeengekomen werkzaamheden die bij een assistent trainer horen en daarbovenop met het verloop van het seizoen nog wat extra werkzaamheden (zoals de training op dinsdagen). Dat hij in het kader van zijn opleiding, náást de werkzaamheden als assistent trainer, mogelijk óók nog stageverplichtingen had, maakt het voorgaande niet anders. Hieruit volgt dat Akar zich terecht op de vernietiging van de opzegging heeft beroepen en VV Nunspeet het resterende salaris aan Akar verschuldigd is.
De door Akar gevorderde plaatsing van een rectificatie op de website van VV Nunspeet en in het dagblad De Stentor wordt door de arbitragecommissie afgewezen. De gevraagde rectificatie is in strijd met het standpunt van VV Nunspeet en ontbeert voor het overige feitelijk grondslag.
Akar heeft nog gesteld immateriële schade te hebben geleden, maar bedoelde schade is niet nader onderbouwd, zodat deze vordering door de arbitragecommissie reeds om deze reden zal worden afgewezen.
Nu VV Nunspeet in overwegende mate in het ongelijk is gesteld, zal zij worden veroordeeld in de kosten van de procedure, waaronder die van de gemachtigde van Akar.

De beslissing
De arbitragecommissie veroordeelt VV Nunspeet tot betaling ad € 1.967,72 bruto conform de daarvoor geldende maandelijkse termijnen uit hoofde van de arbeidsovereenkomst tussen partijen gesloten over het seizoen 2014/2015.

zaterdag 14 februari 2015

Geen arbeidsovereenkomst maar overeenkomst van opdracht met trainer, redelijk vergoeding voor beëindigen overeenkomst van opdracht = zes maanden salaris


De feiten
Van 't Westeinde is per 1 juli 2012 werkzaam bij Veensche Boys als trainer-coach van de selectie voor het eerste elftal. Zulks - in eerste instantie - op basis van een  arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Op uitdrukkelijk verzoek van Van 't Westeinde is per 1 juli 2013 tussen partijen afgesproken dat Van 't Westeinde de werkzaamheden via zijn vennootschap, Sportbytes B.V., zou gaan verrichten en die vennootschap daarvoor facturen aan Veensche Boys zou gaan verzenden. Voor het seizoen 2014/2015 is vervolgens overeengekomen dat 10 termijnen van € 1.300,-­ exclusief BTW  aan Veensche Boys zouden worden gefactureerd; bedoelde vennootschap in het seizoen 2014/2015 voorts tweemaal een evenement ten behoeve van Veensche Boys zou organiseren, waarvoor een factuur van totaal
€ 4.500,-- exclusief BTW zou worden ingediend en Van 't Westeinde een vrijwilligersvergoeding zou ontvangen van € 1.500,--. Voornoemde vennootschap heeft in het seizoen 2013/2014 ten titel van managementfee conform afspraak declaraties aan Veensche Boys verzonden welke allen zijn voldaan. De overeenkomst zou voortduren tot het einde van het seizoen 2014/2015.
In het najaar van 2013 heeft de heer Bouw, lid van de selectie van het eerste elftal van Veensche Boys en voorzitter van de technische commissie Veensche Boys, een affectieve relatie ontwikkeld met de echtgenote van de heer lesberts, de assistent­ trainer van het eerste elftal. Die relatie heeft binnen de vereniging voor de nodige commotie en in de verhouding tussen de heer lesberts en de heer Bouw voor de nodige spanning gezorgd. De heer Bouw heeft zich op enig moment  als speler teruggetrokken, maar opengelaten of hij op een later moment weer zou terugkeren.
Gelet op de bijzondere positie van de heer Bouw binnen de vereniging, heeft het bestuur van Veensche Boys Van 't Westeinde voor de zomerstop  in 2014 medegedeeld dat de mogelijkheid bestond dat de heer Bouw zich op enig moment weer bij de selectie zou aansluiten, zonder dat daarvoor  op dat moment enige concrete aanwijzing  was.
Op 15 juli 2014- na de start van de voorbereiding voor het nieuwe seizoen en na een half jaar niet spelenttrainen - heeft de heer Bouw  aan Van 't Westeinde aangegeven dat hij zich inderdaad wilde gaan aansluiten bij de selectie. Bekend was dat de heer lesberts daarmee zeer grote moeite had.
Van 't Westeinde heeft het bestuur van Veensche  Boys, gelet op de ontstane spanningen, om interventie gevraagd  en een bijdrage aan de oplossing  van de te moeizame - persoonlijke - verhoudingen.
Na de nodige ontwikkelingen heeft de heer Schouten, als voorzitter van Veensche Boys, Van 't Westeinde op 7 augustus 2014 gevraagd te overleggen. Bij die bespreking was ook de heer Bouw aanwezig. In die bespreking heeft de heer Bouw uiteindelijk  medegedeeld dat hij geen vertrouwen in Van 't Westeinde meer had en hij alle werkzaamheden, inclusief die van de technische  commissie  binnen Veensche Boys zou neerleggen. Daarop heeft hij de bespreking verlaten.
Op 8 augustus  2014 heeft de heer Schouten aan Van 't Westeinde-na bestuursoverleg - medegedeeld dat Van 't Westeinde geen trainer meer zou zijn van Veensche  Boys en binnen het bestuur was gekozen  ten faveure van de heer Bouw.
Bij brief d.d. 19 augustus  2014 heeft Veensche Boys Van 't Westeinde  bericht:

"Beste Wim,

Bij deze delen wij je mede dat per 15 augustus  2014 wij de samenwerking met jou als trainer-coach voor het 1e elftal bij de s.v. Veensche Boys beëindigen.
Uiteraard kan je tot 15 augustus 2014 de door jou gewerkte uren voor de vereniging declareren.
Reden van beëindiging: de grote verschillen van inzicht betreffende verantwoordelijkheden en bevoegdheden van vereniging en de trainer waardoor er een onwerkbare situatie is ontstaan.
Als er vragen zijn van jouw kant zijn m.b.t. de financiële afhandeling zijn wij bereid om op korte termijn een afspraak met jou te organiseren.
Wij danken je voor je inzet voor de vereniging en wensen je veel succes bij je verdere trainersloopbaan"

Bij brief d.d. 24 augustus 2014 heeft Van 't Westeinde geprotesteerd tegen de beëindiging van de samenwerking. In de periode daaraan voorafgaand (tussen 8 en 19 augustus 2014) heeft de heer Bouw Van 't Westeinde telefonisch gemeld dat hij bereid was als speler terug te treden als het bestuur van Veensche Boys het besluit om Van 't Westeinde te ontslaan zou hernemen.
Op 14 augustus 2014 heeft voorts de heer lesberts medegedeeld dat hij de heer Bouw (toch) in het eerste elftal zou kunnen gedogen. Zulks heeft er niet toe geleid dat het bestuur van Veensche Boys op haar oorspronkelijke beslissing d.d.
8 augustus 2014 is teruggekomen; zij heeft dat besluit geformaliseerd bij voormelde brief van 19 augustus 2014.

Kern van het geschil
Partijen verschillen van mening over de vraag of tussen hen een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht geldt en wat de gevolgen zijn van de opzegging van hun samenwerking door Veensche Boys per 15 augustus 2014.

Oordeel arbitragecommissie

Arbeidsovereenkomst of overeenkomst van opdracht?
Allereerst heeft de arbitragecommissie te oordelen over de vraag of tussen partijen is gecontracteerd op basis van een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht. In dat kader overweegt de arbitragecommissie dat Van 't Westeinde desgevraagd ter zitting heeft medegedeeld dat zijn hoofdinkomen wordt verkregen door als zelfstandig adviseur binnen opdrachtgever/opdrachtnemer-relaties in de sportwereld vanuit zijn vennootschap Sportbytes B.V. actief te zijn. Langs die lijn adviseert en ondersteunt Van 't Westeinde onder meer gemeenten en sportbonden.
Het verzoek van Van 't Westeinde in 2013 om de verhouding met Veensche Boys langs dezelfde lijn in te richten, is naar het oordeel van de arbitragecommissie dan ook een expliciete en bewuste keuze van Van 't Westeinde (en Veensche  Boys) geweest. Partijen hebben sedertdien de bedoeling gehad op basis van een opdrachtnemer/opdrachtgever­ relatie de werkzaamheden te doen verrichten. Partijen hebben nadien hun arbeidsverhouding ook niet op een zodanige wijze feitelijk ingevuld, dat zulks tot een ander oordeel dient te leiden (vgl. HR 14november  1997, NJ 1998, 149; Groen/Schoevers).
Hierop stuiten de primaire en subsidiaire vordering  van Van 't Westeinde af.

Recht op naar redelijkheid vast te stellen deel loon?
Op voet van het bepaalde  in artikel 7:408 BW kan de opdrachtgever te allen tijde de overeenkomst opzeggen,  maar geldt op voet van het bepaalde  in artikel 7:411 BW dat indien de overeenkomst eindigt voordat de opdracht is volbracht of de tijd waarvoor  zij is verleend, is verstreken en de verschuldigdheid van het loon afhankelijk is van de volbrenging of van het verstrijken van die tijd, de opdrachtnemer recht heeft op een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon. De opdrachtnemer heeft, gelet op het bepaalde in het 2e lid van voornoemd artikel, slechts recht op het volle loon indien het einde van de overeenkomst aan de opdrachtgever is toe te rekenen en de betaling van het volle loon, gelet op alle omstandigheden van het geval, redelijk is.
Vaststaat  dat de opdracht tot 15 augustus 2014 heeft voortgeduurd en zijdens Van 't Westeinde/Sportbytes B.V. over de periode vanaf 1 juli 2014 nog geen facturen zijn verzonden. De arbitragecommissie verstaat, ook gelet op de opmerking daarover van de heer Van Leeuwen ter zitting, dat indien een correcte factuur over de periode tot 15 augustus 2014 wordt verzonden, Veensche Boys voor correcte betaling zal zorg dragen.
Derhalve dient de arbitragecommissie te beoordelen of het redelijk is dat aan Van 't Westeinde,  althans Sportbytes B.V., over de periode van 15 augustus 2014 tot 1 juli 2015 nog een vergoeding  toekomt. Bij de bepaling van de omvang van de vergoeding dient op grond van de wet onder meer rekening te worden gehouden met de besparingen die voor de opdrachtnemer uit de voortijdige  beëindiging voortvloeien  (in casu onder meer reiskosten)  en de vraag of de beëindiging aan Veensche Boys kan worden toegerekend. Daartoe overweegt  de arbitragecommissie als volgt.
Van 't Westeinde zag zich in de hiervoor geschetste omstandigheden geconfronteerd met aan de ene kant de gerechtvaardigde belangen en emoties van zijn assistent-trainer en aan de andere kant de belangen van de voor Veensche Boys belangrijke heer Bouw. Dat Van 't Westeinde het bestuur heeft verzocht ter zake actief te werken aan een oplossing, acht de arbitragecommissie in de aan de orde zijnde omstandigheden geraden.
Naar het oordeel van de arbitragecommissie heeft het bestuur, hoewel de arbitragecommissie begrip heeft voor de moeilijke situatie waarin zich ook het bestuur van Veensche Boys bevond, onvoldoende actief opgetreden en daarmee feitelijk de trainer verantwoordelijk gemaakt voor niet-voetbaltechnische aangelegenheden.
Dat het bestuur uiteindelijk- alles afwegende- heeft gekozen voor de heer Bouw, is in de gegeven omstandigheden wellicht niet onbegrijpelijk, maar een andere keuze zou evenzeer te rechtvaardigen zijn geweest. Door de consequenties van die keuze van Veensche Boys uitsluitend af te wentelen op Van 't Westeinde, met wie een overeenkomst was gesloten tot het einde van het seizoen 2014/2015, acht de arbitragecommissie- alle omstandigheden wegend - niet billijk. Van 't Westeinde heeft dan ook recht op een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon.
Het volle loon acht de arbitragecommissie echter niet billijk. De arbitragecommissie acht het redelijk dat, rekening houdend met nog het door Veensche Boys te betalen bedrag over de periode tot 15 augustus 2014 en alle omstandigheden van het geval, nog zes reguliere termijnen en derhalve een bedrag van € 7.800,-- (exclusief de eventueel verschuldigde omzetbelasting) door Sportbytes B.V. aan Veensche Boys kan worden gefactureerd. De arbitragecommissie acht billijk dat daarvoor de reguliere betalingstermijnen worden gehanteerd.

maandag 26 januari 2015

Arbitragecommissie KNVB: Transferbedragen afgesproken tussen AZ en Sparta voor overgang Falkenburg en Viergever zijn bindend


De feiten
Sparta vordert € 50.000,00 van AZ. Sparta legt aan haar vordering ten grondslag dat zij op 5 mei 2010 overeenstemming heeft bereikt met AZ met betrekking tot de overgang van de spelers Falkenburg en Viergever.
Voor beide spelers is een aparte transferovereenkomst opgesteld, overeengekomen  en door partijen Sparta en AZ ondertekend. Voor speler Falkenburg is een afkoopsom overeengekomen  van € 750.000,00,. In artikel 3.1 van deze overeenkomst staat:

"Indien de Speler gedurende de looptijd van het dienstverband  tussen AZ en de Speler wordt overschreven naar een andere binnenlandse of buitenlandse betaald voetbal organisatie en terzake deze overschrijving  een (transfer)vergoeding wordt betaald aan AZ, heeft Sparta bovenop de (transfer)vergoeding als genoemd in artikel 2. 1 van deze overeenkomst  recht op een additionele vergoeding ter hoogte van 10% (zegge: tien procent) van de door AZ in dit kader gemaakte Netto Winst, zijnde de door AZ en de nieuwe club van de Speler
overeengekomen  initiële (transfer)vergoeding;
minus
de alsdan van toepassing zijnde solidariteitsbijdrage als bedoeld in de regelgeving van de KNVB en FIFA; en
de door AZ aan Sparta voor de Speler betaalde (transfer)vergoeding van
€ 750.000,00."

Voor de overgang van speler Viergever van Sparta naar AZ is tussen deze partijen een afkoopsom overeengekomen  van € 1.250.000,00. Artikel 3.1 van de overeenkomst tussen AZ en Sparta inzake Viergever is gelijkluidend aan die in de overeenkomst met betrekking tot Falkenburg.  Viergever is inmiddels overgegaan van AZ naar AFC Ajax. AZ en Ajax hebben met betrekking tot deze overgang overeenstemming bereikt over een afkoopwaarde van Viergever. Sparta heeft AZ op basis van de afspraken omtrent doorverkoop zoals vastgelegd in de transferovereenkomst van speler Viergever tussen AZ en Sparta een factuur gezonden.
AZ heeft voldaan aan de betalingsverplichtingen. Sparta geeft aan dat zij echter recht meent te hebben op betaling van een aanvullend bedrag van € 50.000,00. Sparta baseert haar vordering op het eerder tussen Sparta en Falkenburg gewezen vonnis van de arbitragecommissie van de KNVB en stelt dat de reele transfersom (afkoopwaarde van Viergever naar AZ) een bedrag moet zijn van € 750.000,00 nu de arbitragecommissie van de KNVB in de procedure tussen Sparta en Falkenburg een afkoopwaarde van Falkenburg heeft bepaald op € 1.250.000,00. Die uitspraak staat HIER. Als de transfersom van Viergever naar beneden gaat van € 1.250.000,00 naar € 750.000,00 dan wordt de winst die AZ gemaakt heeft met de transfer van Viergever groter. De winst die AZ gemaakt heeft is dan immers niet het bedrag dat Ajax betaald heeft minus € 1.250.000,00 maar minus € 750.000,00. Sparta meent recht te hebben op 10 % van die hogere winst.

Sparta wijst op een verklaring van de heer Brands, toenmalig technisch directeur van AZ, die heeft verklaard dat AZ op 15 april 2010 een all-in vergoeding heeft aangeboden voor de beide spelers van in totaal € 2.000.000,00. De heer Brands geeft ook aan dat Sparta dit bedrag naar alle redelijkheid kon verdelen over de beide spelers in verband met het aan de speler uit te betalen aandeel. Sparta heeft destijds gekozen bij het opmaken van de transferovereenkomsten voor een verdeling van € 750.000,00 voor Falkenburg en € 1.250.000,00 voor Viergever. Daarmee is AZ akkoord gegaan. AZ voert als verweer aan dat partijen op 14 juni 2010 een transferovereenkomst  hebben ondertekend ten aanzien van de transfer van Viergever van Sparta naar AZ. AZ wijst op artikel 3.1, de doorverkoopclausule tussen partijen. In deze overeenkomst wordt uitgegaan van een transfervergoeding van € 1.250.000,00  voor speler Viergever. AZ stelt dat zij in relatie tot Viergever aan al haar contractuele verplichtingen jegens Sparta voldaan heeft en niets meer aan Sparta verschuldigd is. Artikel 3.1 van de tussen Sparta en AZ afgesloten transferovereenkomst is naar het oordeel van AZ helder daar waar het gaat om de berekening van de hoogte van de vergoeding waarop Sparta recht heeft bij doorverkoop van Viergever. Nu de tekst van artikel 3.1 duidelijk is, kan AZ het verzoekschrift niet anders lezen dan dat Sparta de Arbitragecommissie verzoekt om de contractuele afspraak tussen Sparta en AZ terzijde te schuiven en daarmee in te grijpen in de rechtsverhouding tussen beide clubs. Daarvoor ziet AZ geen enkele juridische basis. Het betoog van Sparta dat de contractuele afspraak tussen Sparta en AZ terzijde kan worden gesteld door het genoemde arbitraal vonnis tussen Sparta en Falkenburg, wordt door AZ verworpen omdat er geen enkele band is tussen het arbitraal vonnis en de contractuele afspraken tussen AZ en Sparta met betrekking tot Viergever. Bovendien is het arbitraal vonnis slechts bindend voor de partijen bij die procedure. Nu AZ geen partij was in de procedure tussen Falkenburg en Sparta, is AZ op geen enkele wijze gebonden aan de inhoud van het vonnis. Daarbij merkt AZ nog op dat de Arbitragecommissie in het vonnis tussen Falkenburg en Sparta zich beperkt door op te merken dat niet valt uit te sluiten dat als uiteindelijke reële afkoopwaarde voor Viergever moet worden uitgegaan van een bedrag van € 750.000,00 zonder dat deze stelling ook maar op enige wijze nader wordt onderbouwd. Voor de berekening van het bedrag waarop Sparta recht heeft, is dit naar het oordeel van AZ irrelevant. AZ stelt tenslotte dat Sparta zelf een transferwaarde aan Viergever heeft toegekend die zij goed dunkte.

Oordeel arbitragecommissie
Sparta heeft gecontracteerd met AZ zoals zij wenste te contracteren en heeft met AZ afgesproken dat zijzelf, Sparta dus, in de relatie tussen AZ en Sparta een verdeling van de afkoopwaarde van beide spelers mocht vaststellen. Dat heeft Sparta gedaan en Sparta zelf heeft voor Falkenburg een afkoopwaarde van € 750.000,00 vastgesteld en voor Viergever van € 1.250.000,00. Er zijn bovendien twee afzonderlijke overeenkomsten opgesteld. Een voor de overgang van Falkenburg en een voor de overgang van Viergever van Sparta naar AZ. In de relatie tussen AZ en Sparta zijn deze bedragen dan ook bindend.
Sparta heeft subsidiair aangevoerd dat de eisen van de redelijk en billijkheid met zich mee zouden brengen dat ook in de relatie tussen Sparta en AZ de bedragen gelden die de arbitragecommissie in de procedure tussen Falkenburg en Sparta heeft vastgesteld.
De arbitragecommissie kan Sparta in dit betoog niet volgen. In wezen beroept Sparta zich op de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid. De overwegingen die de arbitragecommissie in die procedure heeft gewijd aan de afkoopsom van Falkenburg hebben niet het doel een (andere) afkoopsom vast te stellen, maar tot doel een redelijke vergoeding vast te stellen, die Falkenburg bij overeenkomst met Sparta had bedongen bij overgang naar een andere Betaald Voetbal Organisatie. Die overwegingen doen niet af aan de vergoedingen die Sparta in relatie met AZ bij de overeenkomsten met Falkenburg en Viergever heeft bepaald. Dit temeer nu Sparta zelf de vrijheid had bedongen om de totale afkoop waardes te verdelen over de beide spelers. De meer subsidiaire grondslag, de ongerechtvaardigde verrijking is niet, althans onvoldoende door Sparta onderbouwd. Waarmee AZ is verrijkt en waardoor Sparta is verarmd heeft  Sparta niet inzichtelijk of aannemelijk gemaakt.
Dit leidt ertoe dat de vordering van Sparta dient te worden afgewezen en dat Sparta wordt veroordeeld in de kosten van de arbitrageprocedure, begroot aan de zijde van AZ op
nihil. De kosten van de KNVB worden begroot op € 950,00 en worden ten laste van Sparta

Redactie:
Een ietwat verbazingwekkende procedure die m.i. van te voren kansloos was voor Sparta. Er is hier sprake van een op het moment van het sluiten van de transferovereenkomst tussen AZ en Sparta een voor beide partijen onvoorzienbare toekomstige omstandigheid nl. dat Viergever voor veel geld naar Ajax zou gaan.

Als AZ akkoord was gegaan met een transfersom van € 500.000,-- voor Falkenberg en € 1.500.000,-- voor Viergever dan was de “winst” voor AZ en daarmee de 10% die afgedragen moest worden aan AZ nog kleiner geweest. De arbitragecommissie zegt terecht: als je andere afspraken had willen hebben had je die toen moeten maken. Nu heeft Sparta “pech”. Als niet Viergever, maar Falkenburg die transfer gemaakt zou hebben, dan had Sparta “geluk”gehad.

woensdag 10 september 2014

Als stroman gebruikte NEC trainer Massop heeft geen recht op ontslagvergoeding


De feiten
NEC vordert ontbinding van de arbeidsovereenkomst met trainer Massop in verband met het weigeren van werk, het niet willen komen tot een oplossing en het aangaan van een arbeidsovereenkomst met voetbalvereniging ESA te Arnhem. Massop heeft een verweerschrift ingediend en tevens een tegenvordering ingesteld. In conventie concludeert Massop primair tot afwijzing van het verzoek tot ontbinding en subsidiair, bij toewijzing van het verzoek, om toekenning van een vergoeding van € 7.817,44 bruto, met veroordeling van NEC in de kosten van de procedure. In reconventie vordert Massop veroordeling van NEC tot betaling van het salaris over de maanden mei, juni en juli 2014, alsmede tot tijdige betaling van het salaris over de toekomstige maanden tot de dag waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd, te vermeerderen met wettelijke rente, wettelijke verhoging en buitengerechtelijke kosten, door hem begroot op € 1.500,-- exclusief BTW, en met veroordeling van NEC in de kosten van de arbitrageprocedure.

De vordering en het verweer
Stellingen NEC
In conventie legt NEC aan haar verzoek ten grondslag dat Massop op 1 oktober 2013 bij haar in dienst is getreden als hoofdtrainer en dat de tussen partijen gemaakte afspraken op 17 november 2013 zijn geformaliseerd middels het ondertekenen van de door NEC overgelegde arbeidsovereenkomst.
Kort hierna- in december 2013- en na het arbeidsongeschikt raken van een andere trainer bij NEC (de heer Krebbers) zijn er problemen ontstaan met betrekking tot de beschikbaarheid van Massop, met name op de trainingsavonden. Die problemen hebben uiteindelijk geleid tot een ontslag op staande voet van Massop.
Na het ontslag op staande voet hebben partijen gepoogd de zaak in der minne te regelen, waarbij NEC opmerkt dat het haar voorkeur had dat Massop zijn contract zou uitdienen, mede omdat NEC in financieel zwaar weer verkeerde. NEC heeft na overleg met Massop het ontslag op staande voet ingetrokken.
Ook nadien bleven- naar NEC stelt- de problemen met Massop over diens aanwezigheid op trainingen echter bestaan. Massop heeft bovendien zonder overleg met, laat staan toestemming van, NEC een arbeidsovereenkomst getekend bij een andere vereniging (ESA) voor het seizoen 2014-2015. Ook daaruit leidt NEC af dat Massop helemaal niet terug wenste te keren bij NEC. NEC stelt dat Massop door het tekenen van een verbintenis bij een andere sportvereniging handelt in strijd met artikel 6 van de arbeidsovereenkomst. Naar het oordeel van NEC heeft zij er alles aan gedaan om tot een oplossing te komen, maar ligt het aan Massop dat het nog niet tot een regeling is gekomen. NEC heeft het idee dat Massop misbruik maakt van de situatie.

Stellingen Massop
Massop geeft, zakelijk weergegeven, aan dat NEC zich ten onrechte op het standpunt stelt dat Massop zich schuldig maakt aan werkweigering. Massop wijst in dit kader naar het gebruik door NEC van een zogenaamde  "stromanconstructie" , waarbij alleen het trainersdiploma TCI van Massop zou worden gebruikt, terwijl een ander, de heer Krebbers, feitelijk als hoofdtrainer bij NEC zou fungeren. Massop stelt dat hij voorafgaande aan de ondertekening van de arbeidsovereenkomst op 17 november 2013 aan NEC kenbaar heeft gemaakt dat hij ook andere werkzaamheden verrichtte, onder andere voor de KNVB. Om die reden wilde hij flexibel zijn voor wat betreft zijn beschikbaarheid, met name op de trainingsavonden. Daarover zou Massop afspraken gemaakt hebben met de heren Krebbers, Kersten en Aal van NEC. Onder de voorwaarde dat sprake zou zijn van een flexibele invulling van de werkuren, waarbij hij niet altijd op de trainingsavenden hoefde te komen als hij maar op de wedstrijddagen aanwezig zou zijn, heeft Massop de arbeidsovereenkomst ondertekend.
NEC stelt zich volgens Massop ten onrechte op het standpunt dat hij zich niet aan de afspraken houdt. Eind maart 2014 heeft de raadsman van Massop, NEC moeten sommeren het salaris over de maand maart 2014 te betalen. Uiteindelijk is het salaris over maart 2014 wel betaald, maar te laat en na sommatie en aankondiging van juridische stappen. Op 21 april 2014 heeft de heer Langedijk namens NEC een voorstel tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst gedaan. De arbeidsovereenkomst zou dan eindigen per 1 juni 2014, in welk geval de laatste loonbetaling zou plaatsvinden in mei 2014. Ten onrechte stelt NEC zich op het standpunt dat Massop niet heeft willen meewerken aan een oplossing van de ontstane geschillen. Massop heeft diverse malen aangegeven dat hij openstond voor overleg. De stelling van NEC dat Massop, in strijd met de afspraken, bij een andere voetbalvereniging in dienst is getreden zonder overleg of toestemming van NEC, snijdt geen hout, omdat hij NEC tijdens diverse gesprekken geïnformeerd heeft over de belangstelling van voetbalvereniging ESA.  Bovendien speelt ESA op zaterdag, waardoor zijn werkzaamheden  voor ESA goed te combineren zouden zijn met zijn werkzaamheden voor NEC. Massop concludeert dan ook dat er geen grond is die kan leiden tot beëindiging van de arbeidsovereenkomst, maar mocht de arbitragecommissie die grond wel aanwezig achten, dan is dat volledig toe te rekenen aan NEC en verlangt hij een vergoeding.
In reconventie stelt Massop dat NEC al diverse malen op de beëindiging van de arbeidsovereenkomst vooruit is gelopen door het salaris niet, althans niet tijdig, te betalen. Daarom was Massop al eerder genoodzaakt om een verzoekschrift in te dienen bij de KNVB tot doorbetaling van salaris. Ook thans is NEC weer gestopt met het betalen van het salaris. Over de maanden mei, juni en juli 2014 heeft hij nog steeds geen salaris ontvangen.
Massop maakt daarom aanspraak op doorbetaling van salaris, vermeerderd met de wettelijke rente en de wettelijke verhoging totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd.

Het geschil
In conventie draait het geschil om de vraag of de verhoudingen tussen partijen zodanig zijn verstoord, dat de arbeidsovereenkomst dadelijk of op korte termijn behoort te worden ontbonden en zo ja, of het dan billijk is om aan Massop een vergoeding toe te kennen.
In reconventie spitst de zaak zich toe op doorbetaling van loon vanaf mei 2014 cum annexis tot aan het moment waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd.

Beoordeling van het geschil
Voor zover het verzoek in conventie betreft, is het  de arbitragecommissie genoegzaam gebleken, mede op grond van hetgeen ter zitting door partijen daarover is aangevoerd, dat de verhoudingen tussen partijen duurzaam verstoord zijn geraakt en dat daarom de arbeidsovereenkomst ontbonden dient te worden. Bovendien heeft Massop ter zitting opgemerkt dat hij niet meer volledig invulling kan geven aan de arbeidsovereenkomst met NEC, omdat hij inmiddels met zijn nieuwe vereniging ESA ook traint op de dinsdag- en de donderdagavonden. De arbitragecommissie zal dan ook overgaan tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 september 2014.
De vraag die dan nog voorligt, is of aan Massop een vergoeding dient te worden toegekend.
In dit kader neemt de arbitragecommissie in overweging dat met betrekking tot het ontstaan van de verstoorde arbeidsverhouding  aan ieder der partijen een verwijt kan worden gemaakt.
Massop heeft in dit kader gesteld dat sprake was van een zogenaamde "stromanconstructie", waarbij hij samen met de niet bevoegde heer Krabbers de leiding zou krijgen over het eerste elftal, maar waarbij afgesproken was dat hij voornamelijk aanwezig diende te zijn bij de wedstrijden en niet zozeer ook de trainingen hoefde te geven. Partijen hebben ter zitting niet de schijn kunnen wegnemen dat Massop inderdaad alleen, althans voornamelijk, is gecontracteerd omdat hij, in tegenstelling tot de heer Krebbers, over de vereiste papieren beschikte en dat er in zoverre dus sprake was van een schijnconstructie waarbij alleen gebruik gemaakt werd van het diploma van Massop en hij alleen werd verplicht om op zondag op de bank te zitten voor het geval de KNVB zou komen controleren. Voor dit oordeel is temeer reden nu in de arbeidsovereenkomst  is vastgelegd dat Massop op acht uren per week werkzaam zal zijn, terwijl de ervaring leert dat een adequate uitvoering van de taak van trainer/coach van een elftal dat in de hoogste klasse van het amateurvoetbal op zondag uitkomt, een groter tijdsbeslag vergt. Deze constructie is in strijd met de ter zake geldende KNVB regelgeving, waaraan zo spoedig mogelijk een einde dient te komen. Deze niet toegestane constructie rechtvaardigt niet dat bij het beëindigen hiervan nog een vergoeding aan een der partijen wordt toegekend.
Gelet op de uitkomst van de procedure in conventie, zullen de kosten van de arbitrage in conventie worden gecompenseerd, met uitzondering van de kosten van de KNVB. Die komen voor rekening van NEC. Nu bij de ontbinding van de arbeidsovereenkomst met ingang van 1 september 2014 geen vergoeding wordt toegekend aan een der partijen,  kan aanstonds een eindbeslissing worden gegeven.

Vordering tot betaling salaris
Tegen de vordering in reconventie tot betaling van het volledige salaris tot einde arbeidsovereenkomst, heeft NEC geen, althans onvoldoende, verweer gevoerd. Ter zitting heeft NEC weliswaar gesteld dat het salaris tot en met mei 2014 is betaald, maar nadat Massop hierop heeft gereageerd met de stelling dat het salaris slechts tot en met april 2014 is betaald, is NEC hierop niet meer teruggekomen. Zij heeft geen bewijs aangeboden van haar stelling dat het salaris tot het einde van het seizoen is betaald. NEC heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat in de zomermaanden geen salaris hoeft te worden doorbetaald omdat het jaarsalaris in 10 termijnen zou moeten worden betaald. De arbeidsovereenkomst biedt ook geen steun voor deze stelling. De salarisvordering ligt voor toewijzing gereed. Partijen hebben ter zitting opgemerkt dat zij van een maandsalaris uitgaan van € 917,37 bruto, zodat ook de arbitragecommissie daarvan uit zal gaan. De wettelijke verhoging wordt beperkt tot 10 % over het toe te wijzen bedrag van 4 maandsalarissen. Massop heeft niet gesteld vanaf welke datum de wettelijke rente is gaan lopen, dus deze zal worden toegekend vanaf de eerste dag van de maand volgend op die waarop het salaris betaald had moeten zijn. Evenmin heeft Massop aannemelijk gemaakt dat hij, anders dan ter instructie van deze zaak, buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt, zodat de vordering buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen. In reconventie zal NEC als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld worden in de kosten van de procedure.

Eindoordeel arbitragecommissie
In conventie
- Ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 september 2014.
- Compenseert de kosten tussen partijen in conventie, met uitzondering van de kosten van de
KNVB, welke worden begroot op € 450,00 en veroordeelt NEC tot betaling van deze kosten.

In reconventie
- Veroordeelt NEC tot betaling aan Massop van € 3.669,48 bruto aan loon, alsmede € 366,95 bruto aan wettelijke verhoging.
- Veroordeelt NEC tot het betalen aan Massop van de wettelijke rente over voornoemde bedragen vanaf 1 juni 2014 over € 917,37; vanaf 1 juli 2014 over € 1.834,74; vanaf
1 augustus 2014 over € 2.752,11 en vanaf 1 september 2014 over € 4.036,43 tot de dag van voldoening.
- Veroordeelt NEC in reconventie tot betaling van de kosten, begroot op € 450,00 aan de zijde van de KNVB en op  € 375,00 aan de zijde van Massop.