Posts tonen met het label arbitrage. Alle posts tonen
Posts tonen met het label arbitrage. Alle posts tonen

vrijdag 2 februari 2018

Vordering tot vernietiging arbitraal vonnis inzake einde sponsorovereenkomst vanwege antisemitische spreekkoren tussen Feyenoord en sponsor slaagt niet






De feiten
  
Feyenoord exploiteert een voetbalclub. EZTD, een Israëlische onderneming, is in augustus 2014 op zoek gegaan naar mogelijkheden om reclame te maken op de Nederlandse sportmarkt en heeft zich via een tussenpersoon, Sportlive, gewend tot Feyenoord. Op 21 augustus 2014 is tussen EZTD en Feyenoord een sponsorcontract gesloten met de naam Strategic Partnership. De overeenkomst gold voor de periode 24 augustus 2014 tot en met 30 juni 2017. Feyenoord verplichtte zich voor EZTD reclame te maken. EZTD zou daartegenover € 1.025.000- betalen in drie jaarlijkse termijnen.
Op 21 september 2014 heeft [CEO EZTD] met zijn echtgenote en een aantal gasten de thuiswedstrijd van Feyenoord tegen Ajax Amsterdam bezocht. Voor, tijdens en na de wedstrijd hieven de supporters van Feyenoord spreekkoren aan. Zij riepen onder meer:
“Hamas, Hamas, Joden aan het gas”
“Wie niet springt die is een Jood”
“De Joden gaan eraan, olé, olé”.

Daarnaast maakten de supporters sisgeluiden (als verwijzing naar de gaskamers) en zwaaiden zij met Hamasvlaggen.
Op 28 september 2014 heeft [CEO EZTD] namens EZTD aan Feyenoord geschreven dat hij als zoon van een familie die de Holocaust heeft overleefd, als jood en als Israëlisch burger geen sponsor kan zijn van een team met zovele antisemitische fans. Daarom lijkt het hem het beste om de relatie op een eerzame wijze te beëindigen en het Strategic Partnership op te zeggen. Bij brief van 7 oktober 2014 heeft de raadsman van Feyenoord geantwoord dat Feyenoord van mening is dat EZTD de overeenkomst niet kan opzeggen op de in de brief genoemde gronden en dat Feyenoord ontkent dat zij tekortgeschoten is in haar verplichtingen uit de Partnership overeenkomst.
Op 7 november 2014 heeft EZTD aan Feyenoord geschreven dat zij zich niet langer als partner van Feyenoord zag. Artikel 5.3 van het sponsorcontract schrijft voor dat geschillen worden opgelost door arbiters in overeenstemming met de regels van het Netherlands Arbitration Institute (NAI). Feyenoord heeft op 12 januari 2015 een arbitrale procedure aanhangig gemaakt bij het NAI. Als arbiters zijn benoemd H.W. Kesler, F.W.H. van den Emster en M.A.R. Bernasconi. Zij hebben op 6 april 2016 hun arbitraal vonnis gewezen.


Het geschil
EZTD vordert vernietiging van het op 6 april 2016 tussen partijen gewezen arbitraal vonnis van het Nederlands Arbitrage Instituut (kenmerk:4327) en veroordeling van Feyenoord in de kosten van deze procedure.
EZTD legt aan haar vordering ten grondslag:
1.         dat het scheidsgerecht zich niet aan zijn opdracht heeft gehouden (art. 1065 lid 1, aanhef en onder c Rv),
2.         dat het vonnis niet met redenen is omkleed (art. 1065 lid 1, aanhef en onder d Rv) en
3.         dat het vonnis of de wijze waarop het is tot stand gekomen in strijd is met de openbare orde (art. 1065 lid 1, aanhef en onder e Rv). Zij voert daartoe aan dat het vonnis op onderdelen (steekhoudende) motivering mist en dat het onvoldoende invulling geeft aan fundamentele rechten van de mens.



De beoordeling
Toetsingskader
Vooropgesteld wordt dat de mogelijkheid van aantasting van arbitrale beslissingen beperkt is en dat de rechter daarbij terughoudendheid dient te betrachten, in het bijzonder wanneer het gaat om de vraag of het vonnis in strijd is met de openbare orde.

Art. 1065 lid 1 aanhef en onder c Rv: het scheidsgerecht heeft zich niet aan zijn opdracht gehouden
EZTD heeft als eerste grond voor vernietiging genoemd dat het scheidsgerecht zich niet aan zijn opdracht heeft gehouden. Zij licht dit aldus toe dat het scheidsgerecht niet, zoals hij diende te doen, recht gesproken heeft volgens de regelen des rechts, omdat hij het recht verkeerd uitlegt. Dat leidt ertoe, aldus EZTD, dat de motivering van het arbitraal vonnis niet steekhoudend is. Een scheidsgerecht kan buiten de opdracht treden doordat hij niet de juiste beslissingsmaatstaf aanlegt. Klaarblijkelijk doelt EZTD daarop, waar zij aanvoert dat de arbiters die moesten oordelen volgens de regels van het recht, dat recht onjuist hebben toegepast. De rechter is, voor zover het gaat om de beslissingsmaatstaf, echter alleen bevoegd te controleren of de arbiters de juiste maatstaf hebben aangelegd, dat wil zeggen, of zij hebben recht gesproken volgens de regels van het recht of bijv. naar billijkheid, al naar gelang hun opdracht luidt. Niet in geschil is dat het scheidsgerecht diende recht te spreken volgens de regelen des rechts en dat hij dat ook heeft gedaan. Hij heeft dan ook de juiste beslissingsmaatstaf aangelegd. Wat EZTD kennelijk wenst is dat wordt nagegaan of de arbiters de regels van het recht wel goed hebben uitgelegd. Het staat de burgerlijke rechter echter niet vrij om inhoudelijk te toetsen of de arbiters de aangelegde maatstaf, hier de regels van het recht, op de juiste wijze hebben toegepast. Dat zou neerkomen op een verkapt hoger beroep, waartoe de vernietigingsprocedure niet mag worden gebruikt.
Uit de toelichting op de hier aan de orde zijnde vernietigingsgrond kan worden afgeleid dat EZTD zich in wezen beroept op de vernietigingsgrond dat het vonnis niet met redenen is omkleed. De tegen het vonnis aangevoerde bezwaren zullen in dat, hierna te bespreken, kader worden beoordeeld.

Art. 1065 lid 1 aanhef en onder d Rv: de motivering ontbreekt 
Vernietiging op de grond dat het vonnis niet met redenen is omkleed kan alleen plaatsvinden indien de motivering ontbreekt, en dus niet in gevallen van een ondeugdelijke motivering, omdat de rechter niet bevoegd is om het arbitraal vonnis inhoudelijk te toetsen.
Met een ontbrekende motivering wordt het geval gelijkgesteld dat er wel een motivering is gegeven maar daarin geen steekhoudende verklaring voor de gegeven beslissing valt te onderkennen. EZTD voert aan dat het scheidsgerecht het beroep op dwaling onvolledig heeft getoetst doordat hij uitsluitend de feiten in de periode voorafgaand aan het tot stand komen van de overeenkomst in aanmerking neemt en de gebeurtenissen op 21 september 2014 buiten beschouwing laat (§ 44 van het arbitraal vonnis).
Het scheidsgerecht oordeelt dat de gebeurtenissen op 21 september 2014 buiten beschouwing blijven, omdat voor dit onderdeel, dat wil zeggen voor de dwaling, alleen de omstandigheden in aanmerking worden genomen die aanwezig waren in de periode vóór het sluiten van het Sponsorcontract op 21 augustus 2014. Daarmee is het vonnis voldoende gemotiveerd. Het is ook juist. Voor het antwoord op de vraag of er bij het sluiten van de overeenkomst sprake was van dwaling zijn alleen de bij het sluiten bestaande omstandigheden van belang. Latere omstandigheden kunnen immers geen dwaling bij het sluiten van de overeenkomst hebben veroorzaakt.
Daarnaast acht EZTD het vonnis niet gemotiveerd omdat de in § 45 opgesomde omstandigheden niet de conclusie kunnen dragen dat EZTD de overeenkomst niet onder invloed van dwaling is aangegaan.
Het scheidsgerecht doet de opsomming van een aantal omstandigheden in § 45 volgen door de conclusie dat geen sprake was van dwaling, in § 46 van het vonnis. Daarna volgt een aantal overwegingen waarmee het in § 46 gegeven oordeel, naast de in § 45 genoemde omstandigheden, wordt gemotiveerd. Daarin wordt overwogen dat EZTD, haar CEO, kennis droeg van het Nederlandse voetbal en van de onaangename kanten daarvan, en dat het onderwerp van racisme rondom de club aan de orde is gekomen, maar dat EZTD het Sponsorcontract is aangegaan zonder garanties op dit punt te verlangen of een recht om het contract op deze specifieke grond te beëindigen en dat EZTD op eenvoudige wijze te weten had kunnen komen dat er nog steeds incidenten met de supporters waren bij Feyenoord. Met dit geheel van overwegingen heeft het scheidsgerecht zijn oordeel dat EZTD niet dwaalde, voldoende gemotiveerd.
EZTD voert verder aan dat het scheidsgerecht niet duidelijk maakt of het de kennis van Sportfive toerekent aan EZTD, welke invloed de betrokkenheid van EZTD, dan wel haar CEO, [CEO EZTD] , bij voetbalactiviteiten heeft gehad, waarom het EZTD wordt aangerekend dat zij geen garantie bedong en welke invloed de korte periode waarin de onderhandelingen hebben plaatsgevonden heeft gehad.
De door EZTD genoemde feiten worden door het scheidsgerecht opgesomd als omstandigheden die van belang zijn bij de beoordeling van het beroep op dwaling. Het is niet noodzakelijk om de relevantie van de van belang geachte feiten te motiveren, noch om bij elke omstandigheid aan te geven hoe groot de invloed daarvan is op het oordeel. Bovendien is, zoals hiervoor is overwogen, in de op § 46 volgende paragrafen duidelijk gemaakt in welk opzicht de opgesomde omstandigheden hebben meegewogen bij het oordeel van het scheidsgerecht dat geen sprake is van dwaling.
EZTD acht ook het oordeel van het scheidsgerecht in § 50 van het vonnis dat EZTD niet als een onvoorzichtige partij kan worden aangemerkt. ongemotiveerd. In § 50 zet het scheidsgerecht uiteen dat in het algemeen in het kader van de dwaling een mededelingsplicht boven een onderzoeksplicht gaat, maar er geen verplichting tot mededeling bestaat voor de ene partij wanneer de andere partij de feiten kent of de eerste partij ervan mag uitgaan dat die ander de feiten kende. De eerste regel strekt ertoe, zo vervolgt het scheidsgerecht, om de onvoorzichtige partij te beschermen. Het scheidsgerecht oordeelt dat EZTD niet zo een partij is en komt op grond van de bijzondere omstandigheden van dit geval tot het oordeel dat art. 6:228 lid 1 BW niet van toepassing is (§ 51). Uit deze laatste paragraaf blijkt dat het scheidsgerecht de omstandigheden, die in § 46 zijn opgesomd en in de paragrafen 47 tot en met 49 zijn samengevat en die meebrengen dat EZTD deskundig was op voetbalgebied en op de hoogte van het Nederlandse voetbal (ook) ten grondslag legt aan zijn oordeel dat EZTD geen onvoorzichtige partij is. Daarmee is het oordeel afdoende gemotiveerd.
EZTD heeft ook bezwaren tegen § 52 van het arbitrale vonnis, omdat de overweging dat de gebeurtenissen op 21 september 2014 geen beroep op art. 6:228 lid 2 BW rechtvaardigen overbodig is, nu al is geconstateerd dat het beroep op dwaling niet opgaat. Zoals EZTD zelf al aangeeft, heeft zij geen belang bij vernietiging van het oordeel in § 52, omdat dat in haar voordeel is. Haar bezwaar tegen dit oordeel behoeft dan ook geen behandeling.
EZTD voert verder aan dat het scheidsgerecht zijn oordeel dat er geen rechtvaardiging is voor het ontbreken van een ingebrekestelling onvoldoende heeft gemotiveerd.
Het scheidsgerecht heeft in § 68, nadat hij tot de conclusie was gekomen dat sprake was van een tekortkoming door Feyenoord, vastgesteld dat EZTD niet heeft voldaan aan de in artikel van het sponsorcontract gestelde formele eisen, omdat zij geen aangetekende brief heeft gestuurd waarin werd aangegeven dat er een tekortkoming was een waarin een termijn voor nakoming werd gegeven. Het scheidsgerecht tekent verder aan dat EZTD haar nalatigheid eenvoudig kon herstellen, maar daar om haar moverende redenen niet voor heeft gekozen. Verder overweegt het scheidsgerecht, in § 69, dat een termijn voor nakoming in dit geval wellicht zinloos zou zijn geweest. Dat alles tezamen brengt hem tot de conclusie dat EZTD het contract heeft beëindigd zonder zich aan de formele vereisten te houden en met een beperkte rechtvaardiging voor het nalaten daarvan. Daarmee heeft het scheidsgerecht zijn oordeel dat er slechts een beperkte rechtvaardiging is voor het ontbreken van een ingebrekestelling voldoende gemotiveerd. Daarbij dient nog te worden opgemerkt dat het scheidsgerecht uiteindelijk tot de slotsom komt dat het sponsorcontract op grond van de redelijkheid en billijkheid op 27 januari 2015 geacht moet worden te zijn geëindigd (§ 81) en dat EZTD daarbij 50 % van de overeengekomen sponsorgelden verschuldigd is (§ 83).

Art. 1065 lid 1 aanhef en onder e Rv: het vonnis strijdt met de openbare orde 
EZTD voert aan dat het vonnis in strijd is met de openbare orde, omdat EZTD, haar vertegenwoordigers en haar gasten het slachtoffer zijn geworden van discriminatie, maar hen door het arbitrale vonnis effectieve rechtsbescherming wordt onthouden, doordat zij haar verplichtingen op grond van de overeenkomst voor 50% moet voldoen.
Het hof stelt voorop dat de teksten van de spreekkoren van fans van Feyenoord, zoals die op 21 september 2014 werden aangeheven, en hun sisgeluiden weerzinwekkend zijn en door hun antisemitische inhoud uiterst kwetsend voor de mensen van EZTD. De uitingen vallen naar hun aard onder de omschrijving van art. 137c WvSr, het zich in het openbaar opzettelijk beledigend uitlaten over een groep mensen wegens hun ras of godsdienst. Het gaat hier om een vorm van belediging, maar de belediging levert geen discriminatie op in de zin van art. 14 van het EVRM, aangezien niet kan worden gezegd dat de spreekkoren tot gevolg hebben dat het genot van de rechten en vrijheden die in het EVRM zijn vermeld, niet zijn verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals ras, taal en godsdienst. Strikt genomen kan EZTD dan ook geen aanspraak maken op een effectieve rechtsbescherming tegen discriminatie.
Van meer belang is echter dat de kwestie waarover de arbiters zich moesten buigen, niet was of de mensen van EZTD gediscrimineerd waren en welke effectieve rechtsbescherming daartegen kon worden geboden. Zij waren geroepen om te oordelen of het sponsorcontract kon worden beëindigd en onder welke voorwaarden. Zij hebben onomwonden uitgesproken dat de gezangen en gedragingen antisemitisch van aard zijn en kwetsend voor Joden. Vervolgens hebben zij geoordeeld dat Feyenoord aansprakelijk is voor het gedrag van haar supporters en dat dit gedrag een ‘material breach’ in de zin van artikel 3.3 van het sponsorcontract oplevert en reden vormt voor beëindiging van het contract, zij het pas per 27 januari 2015 en onder betaling van 50% van het sponsorgeld. Niet kan worden gezegd dat EZTD daarmee geen daadwerkelijk rechtsmiddel heeft gehad om de haar aangedane belediging te keren binnen de context van het sponsorcontract, mede gezien het feit dat ook werd meegewogen dat EZTD, die geacht werd kennis te hebben van het Nederlandse voetbal, zelf ook verantwoordelijkheid draagt dat zij het sponsorcontract aanging zonder garanties te vragen. Het vonnis levert dan ook geen strijd op met de openbare orde.

donderdag 1 februari 2018

Arbitrage cie KNVB: Telstar moet trainer Vonk transitievergoeding betalen



Standpunt van partijen
Onder overlegging van de tussen partijen vigerende arbeidsovereenkomst heeft Vonk gesteld dat hij aanspraak maakt op een transitievergoeding, nu de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden heeft geduurd en deze door de werkgever is opgezegd, althans niet op dezelfde condities als die laatstelijk golden is voortgezet. Hoewel partijen onderhandelingen hebben gevoerd omtrent een voortzetting van de arbeidsovereenkomst, is deze niet verlengd omdat Telstar geen gelijkwaardige arbeidsvoorwaarden bood. Vonk heeft te kennen gegeven niet op het laatstelijk door Telstar aangeboden contract in te gaan.
Ondanks verzoeken van Vonk weigert Telstar de transitievergoeding uit te betalen, reden waarom Vonk de arbitrageprocedure is gestart. Ter zitting heeft Vonk nader toegelicht dat zijn vordering is gebaseerd op artikel 7:673 BW waarin staat dat de werkgever een transitievergoeding is verschuldigd als de arbeidsovereenkomst 24 maanden heeft geduurd en de arbeidsovereenkomst door de werkgever is opgezegd of niet wordt verlengd op minimaal gelijkwaardige voorwaarden. Vonk geeft daarbij aan dat beide partijen de intentie hadden om de overeenkomst voort te zetten en dat hij met Telstar, voorafgaand aan de formele beëindiging van de arbeidsovereenkomst, onderhandeld heeft over de voortzetting daarvan. Vonk heeft tijdens die onderhandelingen kenbaar gemaakt dat hij graag bij Telstar wilde blijven werken, maar alleen onder gelijkluidende condities. Volgens Vonk waren de condities die aangeboden werden, minder dan hij mocht verwachten.
Vonk wijst er daarbij op dat bovendien het taken- en bevoegdhedenpakket onder het nieuwe contract zou worden ingeperkt. Zo werd hem de bevoegdheid ontnomen om zelfstandig beslissingen te nemen ten aanzien van zijn kerntaken.
Ook het salaris lag lager dan op basis van het vigerende contract gold. Telstar hield bij het aanbieden van het nieuwe contract geen rekening met een inmiddels plaatsgevonden hebbende salarisverhoging die hem op grond van artikel 4 van de arbeidsovereenkomst toekwam. Daarin was opgenomen dat ingaande seizoen 2016/2017 het salaris zou worden verhoogd wanneer Telstar in het seizoen 2015/2016 bij de eerste 8 of eerste 12 zou eindigen. De verhoging zou respectievelijk € 6.300,00, dan wel € 3.150,00 bedragen. Telstar is in het relevante seizoen op de 12e plaats geëindigd en er heeft dan ook een salarisverhoging plaatsgevonden in het seizoen 2016/2017 van € 3.150,00 bruto. Ook werd volgens Vonk de maandelijkse onkostenvergoeding van € 85,00 netto geschrapt. Daarnaast werd Vonk de mogelijkheid ontnomen om het salaris te laten stijgen, terwijl dit onder vorige contracten wel mogelijk was.
Telstar stelt daar, kort samengevat, tegenover dat het onjuist is dat Vonk een lager salaris zou zijn aangeboden. Volgens haar heeft zij hetzelfde bruto jaarsalaris geboden en is Vonk zelf uit de contractonderhandelingen met Telstar gestapt. Op initiatief van Vonk is dus het contract niet gecontinueerd en daarom is Telstar geen transitievergoeding verschuldigd.
Telstar wilde Vonk graag behouden voor de club en heeft op haar initiatief gesprekken aangeknoopt met Vonk om direct aansluitend een nieuw contract aan hem aan te bieden. Deze gesprekken hebben plaatsgevonden tussen de heer De Waard, directeur van Telstar, en de zaakwaarnemer van Vonk, de heer A. Oosterveer. Het jaarsalaris van Vonk was geen onderwerp van discussie. Telstar stelt een bruto jaarsalaris van € 60.715,68 te hebben aangeboden. Dat is hetzelfde bedrag als in het seizoen 2015-2016. Vonk heeft op 20 maart 2017 via zijn zaakwaarnemer laten weten niet bij te tekenen. Op initiatief van Vonk is er dus geen verlenging van de arbeidsovereenkomst tot stand gekomen en als logisch gevolg daarvan heeft Telstar vervolgens op 28 maart 2017 de brief gezonden, waarin bevestigd wordt dat de arbeidsovereenkomst per 30 juni 2017 eindigt. Immers, zo stelt Telstar, op basis van de cao moet zij die brief versturen om de arbeidsovereenkomst te laten eindigen en om te voorkomen dat de arbeidsovereenkomst automatisch doorloopt. Telstar wijs erop dat Vonk, nog voordat zijn contract bij Telstar afliep op 30 juni 2017, feitelijk al aan de slag is
gegaan bij Heerenveen. Medio juni 2017 is bekend geworden dat Vonk deel is gaan uitmaken van de technische staf van Heerenveen. Sinds zondag 25 juni 2017 is hij daadwerkelijk al aan de slag gegaan bij Heerenveen, dus voordat zijn contract bij Telstar was geëxpireerd.
Telstar stelt dat op basis van de wet te gelden heeft dat een transitievergoeding niet verschuldigd is als de arbeidsovereenkomst na einde van rechtswege op initiatief van de werknemer niet aansluitend wordt voortgezet. Dat is volgens Telstar hier het geval. De stelling van Vonk dat een lager salaris zou zijn aangeboden, is niet juist. Telstar heeft hetzelfde salaris aangeboden. Doordat Vonk al bij Heerenveen véér expiratie van de arbeidsovereenkomst met Telstar aan de slag is gegaan, is er bovendien geen enkele transitieperiode geweest.

Beoordeling van het geschil
De vraag ligt voor of Vonk recht heeft op een transitievergoeding en zo ja, hoe hoog die transitievergoeding dan in dit geval is.
Het wettelijk uitgangspunt is dat een werknemer recht heeft op een transitievergoeding als de arbeidsovereenkomst ten minste 24 maanden heeft geduurd en de arbeidsovereenkomst na een einde van rechtswege op initiatief van de werkgever niet aansluitend wordt voortgezet (artikel 7:673 BW).
In de Memorie van Toelichting bij de wet wordt daarover opgemerkt dat als een werkgever bij het eindigen van een contract voor bepaalde tijd de werknemer een gelijkwaardig of beter contract aanbiedt, maar de werknemer van dat aanbod geen gebruik maakt, er geen recht op een transitievergoeding bestaat. Met andere woorden, onderzocht zal moeten worden of Telstar aan Vonk een gelijkwaardig of beter nieuw contract heeft aangeboden voor het seizoen 2017/2018.
Telstar heeft in de eerste plaats hierbij opgemerkt dat Vonk in zijn verzoekschrift het recht op een transitievergoeding uitsluitend baseert op een lager salaris en niet op andere wijzigingen, die in de aangeboden concept arbeidsovereenkomst waren opgenomen, zoals een gewijzigde omschrijving van bevoegdheden en/of een tussentijdse beëindigingsmogelijkheid en evaluatiemomenten. Telstar meent dat dan ook alleen getoetst dient te worden of er sprake is van een lager salarisaanbod en dat de overige omstandigheden buiten beschouwing gelaten moeten worden.
De Arbitragecommissie verwerpt dit verweer omdat bij verzoekschrift en in ieder geval voor de mondelinge behandeling beide partijen diverse concepten van de aangeboden arbeidsovereenkomst in het geding hebben gebracht, en het voor partijen duidelijk was dat in die concept arbeidsovereenkomsten (in rood) meer wijzigingen waren aangebracht dan alleen een (al dan niet) lager salarisaanbod. Het moet Telstar op grond hiervan redelijkerwijs duidelijk zijn geweest dat bij de toetsing van de gelijkwaardigheid van het aanbod alle wijzigingen, zoals in de concept arbeidsovereenkomsten vastgelegd, in de beoordeling betrokken kunnen worden. Bij het verzoekschrift en de aanvullingen daarop zijn door Vonk ook geen wijzigingen uitgezonderd. Bij de beoordeling of sprake is van een gelijkwaardig aanbod houdt de Arbitragecommissie dan ook rekening met alle omstandigheden van het geval, zoals die aan haar zijn gepresenteerd, onder ander blijkende uit de diverse concepten van arbeidsovereenkomsten die zijn overgelegd.
De Arbitragecommissie vergelijkt in het bijzonder een tweetal punten uit de nieuw aangeboden arbeidsovereenkomst met de arbeidsovereenkomst zoals die tussen partijen van kracht was tot en met 30 juni 2017. Dat is in de eerste plaats de hoogte van het geboden salaris en in de tweede plaats de bevoegdheden van Vonk volgens het aangeboden contract voor het seizoen 2017/2018.
Blijkens de vigerende arbeidsovereenkomst, die liep tot en met 30 juni 2017, had Vonk ingaande seizoen 2016/2017 recht op een salarisverhoging indien Telstar in het seizoen 2015/2016 bij de eerste 8 of de eerste 12 eindigde. Onweersproken staat tussen partijen vast dat Telstar in het seizoen 2015/2016 op de 12e plaats is geëindigd en dat Vonk uit dien hoofde recht had op een salarisverhoging voor het seizoen 2016/2017 van € 3.150,00 bruto op jaarbasis. Deze verhoging is ook door Telstar betaald.
Telstar heeft betoogd dat deze salarisverhoging moet worden gezien als een eenmalige bonus. Telstar heeft in de onderhandelingen met de zaakwaarnemer van Vonk, de heer Oosterveer, en ter zitting benadrukt dat het slechts een eenmalige bonus betrof.
Het gaat dus om de vraag hoe artikel 4.1 van de arbeidsovereenkomst voor het seizoen 2016/2017 dient te worden uitgelegd. Geeft deze bepaling de werknemer alleen recht op een bonus voor het seizoen 2016/2017, of betekent het realiseren van de prestatie dat het verhoogde salaris bij eventuele voortzetting van de arbeidsovereenkomst uitgangspunt is.
Overeenkomsten als de onderhavige moeten worden uitgelegd aan de hand van de zgn. "Haviltex-norm". De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding tussen partijen is geregeld, kan niet alleen worden bepaald op grond van uitsluitend een zuiver taalkundige uitleg van de contractsbepalingen. Het komt aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van partijen kan worden verwacht.
Vonk heeft de bepaling in de arbeidsovereenkomst (art. 4.1) kennelijk zo opgevat dat, als hij in het seizoen 2015/2016 met Telstar bij de eerste 12 in de competitie zou eindigen, zijn salaris op jaarbasis structureel zou worden verhoogd met € 3.150,-. In artikel 4, eerste lid, van de arbeidsovereenkomst die tussen partijen tot en met 30 juni 2017 van kracht was, is deze verhoging vastgelegd. Deze bepaling ziet blijkens de aanhef op "Salaris en Arbeidsduu€'. Daarnaast staat in deze overeenkomst in artikel 5 in een "Premieregeling", die ziet op betalingen bij het behalen van een bepaald aantal punten, een periodetitel enz. Juist omdat de bepaling omtrent de verhoging van het salaris is ondergebracht in het artikel over salaris en niet in het artikel over bonussen of premieregelingen, mocht Vonk erop vertrouwen dat de verhoging tot zijn salaris is gaan behoren, derhalve uitgangspunt zou zijn bij voortzetting van de arbeidsovereenkomst.
Uit het gegeven dat Telstar in het voorstel voor het seizoen 2017/2018 de verhoging voor het eindigen bij de eerste 8 of de eerste 12 heeft ondergebracht bij de premieregeling en niet langer bij de salarisregeling leidt de Arbitragecommissie af dat Telstar inmiddels onderschrijft dat het de voorkeur heeft een incidentele verhoging van het salaris die afhankelijk is gesteld van bepaalde prestaties onder te brengen in de bepaling omtrent de premieregeling (omdat de premieregeling incidenteel van aard is). De conclusie is dan ook dat Vonk mocht verwachten dat het voor het seizoen 2017/2018 geboden salaris niet lager zou zijn dan het salaris in het seizoen 2016/2017. Het salaris bedroeg tot en met 30 juni 2017 € 5.322,00 bruto op maandbasis. Het geboden salaris voor het seizoen 2017/2018 bedroeg € 5.059,64 bruto per maand, zodat het aangeboden salaris niet minimaal gelijk laat staan hoger was.
Als erkend dan wel onvoldoende weersproken staat vast dat Telstar ook wijzigingen wilde aanbrengen met betrekking tot de verantwoordelijkheden van  Vonk. Zo zou Vonk niet meer zonder overleg met de algemeen directeur en/of zijn gedelegeerden eindverantwoordelijk zijn voor het trainen, coachen, bezetting bank, speelwijze en toegang tot de spelersomgeving, en evenmin niet meer zonder overleg met de algemeen directeur en/of zijn gedelegeerden eindverantwoordelijkheid dragen omtrent de samenstelling van de spelersgroep van de A-selectie.
Deze omstandigheden, bezien in onderlinge samenhang, leidt ertoe dat de Arbitragecommissie van oordeel is dat het aanbod van Telstar niet gelijkwaardig was aan de reeds tussen Telstar en Vonk in het seizoen 2016/2017 geldende arbeidsvoorwaarden. Naar het oordeel van de Arbitragecommissie heeft Vonk dan ook recht op de transitievergoeding omdat de arbeidsovereenkomst niet aansluitend is voortgezet op initiatief van de werkgever in de zin van artikel 7:673 BW.

Hoogte transitievergoeding
Voor wat betreft de hoogte van de transitievergoeding gaat de Arbitragecommissie ervan uit dat het laatstgenoten salaris bepalend is en de Arbitragecommissie houdt daarom geen rekening met de stelling van Telstar dat er sprake was van een bonus, althans van een incidentele verhoging van het salaris, voor het bereiken van de 12e plaats in de competitie 2015/2016.
Derhalve dient de vordering op de hierna te melden wijze te worden toegewezen en dient Telstar als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij te worden veroordeeld in de kosten van de arbitrageprocedure. Er is geen apart verweer gevoerd tegen de vordering tot betaling van de wettelijke rente. Die zal dus ook als na vermeld worden toegewezen.
De stelling van Telstar dat Vonk al voor het einde van de arbeidsovereenkomst bij een andere club in dienst is getreden, leidt niet tot een ander oordeel omdat op grond van artikel 7:673 BW beslissend is of de arbeidsovereenkomst al dan niet op initiatief van de werkgever niet aansluitend is voortgezet (Hof ’s-Hertogenbosch 27 oktober 2016, JAR 2016,284).

Rechtdoende als goede personen naar billijkheid
Veroordeelt Telstar tot betaling aan Vonk van een bedrag van € 5.322,00 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 1 juli 2017 tot het moment van volledige betaling, veroordeelt Telstar in de kosten van de arbitrageprocedure, begroot aan de zijde van de KNVB op € 475,00 en aan de zijde van Vonk  op € 325,00.
Wijst af het meer of anders gevorderde

Arbitrage cie KNVB: Ondanks exclusieve vertegenwoordigingsovereenkomst blijft speler bevoegd zelf contract te sluiten





Feiten en omstandigheden
a.         Op voorspraak van de heer Bonifacio heeft de heer Bryson/CSA met Tissoudali in 2014 kennis gemaakt. Destijds speelde Tissoudali nog bij de amateurs.
b.         Tussen CSA/Bryson enerzijds en Tissoudali anderzijds is op 19 juli 2014 een vertegenwoordigingsovereenkomst gesloten. In deze overeenkomst is onder meer bepaald:
'1.       Deze overeenkomst is aangegaan voor de duur van twee (2) jaar en gaat in op 19 juli 2014 en eindigt van rechtswege (zonder dat opzegging vereist is) op 18 juli 2016. De overeenkomst is niet tussentijds opzegbaar.
4. 1      Op deze overeenkomst is Nederlands recht van toepassing.
6.1       Partijen komen overeen dat de spelersmakelaar de speler wereldwijd exclusief zal vertegenwoordigen met betrekking tot zijn exploitatie als professioneel voetbalspeler. Onder deze exploitatie worden de volgende aangelegenheden verstaan: vertegenwoordiging van de speler tijdens de totstandkoming van:
-          een transfer van de ene voetbalclub naar een andere voetbalclub;
-          een arbeidsovereenkomst;
-          een overeenkomst met een mediaorganisatie;
-          een sponsorovereenkomst ("image-rechten", reclameovereenkomst, en/of enig ander product/dienst);
7.1       Voor de vertegenwoordigingsactiviteiten als bedoeld in artikel 6 is de spelersmakelaar gerechtigd om een commissie van de speler te ontvangen. Voor zover dit op grond van wettelijke en of FIFA bepalingen mogelijk is, wordt getracht deze commissie ten laste van de contractspartij (de club/de sponsor) te brengen. De hoogte van deze commissie zal voor elke vertegenwoordigingsactiviteit apart worden vastgesteld.
8.2.      De speler garandeert de spelersmakelaar dat hij:
(...)
c.         de spelersmakelaar zal inlichten van elke benadering of aanbieding door een andere FIFA-agent, club of persoon die direct of indirect handelt namens een club.
d.         Hij niet de diensten van een andere FIFA-agent of willekeurige derde zal gebruiken zonder de voorafgaande schriftelijke toestemming van de spelersmakelaar.
8.3.      Indien de speler de bepalingen hierboven onder 8.c en of d overtreedt, handelt hij onrechtmatig jegens de spelersmakelaar en is hij van rechtswege in verzuim zonder dat daarvoor een nadere ingebrekestelling vereist is. De speler is alsdan gehouden de schade die de spelersmakelaar dientengevolge lijdt, te vergoeden.”

c.         Onder begeleiding van Bryson/CSA heeft Tissoudali op 19 augustus 2014 een arbeidsovereenkomst voor de duur van tweeënhalf jaar gesloten met BVO Telstar. CSA heeft destijds geen vergoeding voor haar werkzaamheden ontvangen. Tissoudali en CSA hebben op 26 november 2014 wel een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin afspraken zijn gemaakt over een vergoeding voor CSA bij een tussentijdse transfer van Tissoudali van Telstar naar een andere BVO. Partijen hebben de Arbitragecommissie voorgehouden dat hun geschil over de uitleg en gevolgen van deze vaststellingsovereenkomst niet aan de Arbitragecommissie is voorgelegd. CSA is ter zake een procedure tegen Tissoudali gestart bij de Rechtbank te Amsterdam.
d.         In maart 2016 heeft Tissoudali aangegeven niet tevreden te zijn met CSA/Bryson en wijziging in de vertegenwoordigingsovereenkomst voorgesteld. Partijen hebben daarover destijds geen overeenstemming bereikt.
e.         Eind juni 2016 heeft Tissoudali aan Bryson/CSA laten weten dat hij een transfer wilde maken. Daarover hebben partijen in een korte periode de nodige contacten gehad; bij SC Heerenveen en Willem II was concrete belangstelling om te bezien of tot een arbeidsovereenkomst met Tissoudali kon worden gekomen.
f.         CSA/Bryson had op vrijdag 8 juli 2016 een afspraak met Willem II gepland, doch Tissoudali liet Bryson per sms een uur voor die afspraak weten dat die afspraak niet door kon gaan.
g.         Dezelfde dag, ongeveer een uur later, heeft Tissoudali per sms aan Bryson/CSA meegedeeld:
"Hee Richinel, ik heb net getekend in Frankrijk. Het is via de clubs onderling gegaan. lk kon er met niemand over spreken, en kon ook geen mensen bij betrekken. lk heb er uiteraard voor gezorgd dat hij gewoon mee eet via mij. lk bel jou wanneer ik in Nederland ben".
Daarop heeft de heer Bryson gereageerd:
"Pieter heeft smerig gespeeld Tarik. Het gaat om L'havre hoorde ik!
Tissoudali heeft vervolgens op 8 juli 2016 Bryson bericht:
"lk ben alleen met me vader gegaan, ik zorg voor jou, dat heb ik Telstar en de club gezegd, ik bel je als ik daar ben".
De heer Bryson heeft gereageerd:
"Dit is triest Tarik. Jij begrijpt toch ook dat dit niet de manier is hoe het behoort te gaan. Telstar laatje daar naar toe gaan zonder enige vorm van begeleiding wetende datje een zaakwaarnemer hebt.. .. Schandalig!"
h.         Tissoudali heeft bij Le Havre A.C. met ingang van het seizoen 2016/2017 een vierjarige arbeidsovereenkomst gesloten. Tissoudali heeft ter zitting verklaard een deel (10%) van de door Le Havre A.C aan Telstar betaalde afkoopsom te hebben ontvangen.
i.          Tissoudali heeft ondanks verzoeken van CSA de tekst van de arbeidsovereenkomst die hij met Le Havre A.C. heeft gesloten niet aan CSA/Bryson ter beschikking gesteld.

Beoordeling van het geschil

Vertegenwoordigingsovereenkomst geldig?
CSA heef de Arbitragecommissie verzocht voor recht te verklaren dat de uit de vertegenwoordigingsovereenkomst voortvloeiende verplichtingen geldig zijn en Tissoudali zich dus door CSA had moeten laten vertegenwoordigen tijdens het ondertekenen van zijn contract met Le Havre A.C.
De Arbitragecommissie stelt vast, terwijl dat ook niet door Tissoudali is betwist, dat de op 19 juli 2014 gesloten vertegenwoordigingsovereenkomst is aangegaan voor de bepaalde tijd van twee jaren en derhalve heeft voortgeduurd tot en met 18 juli 2016. Tissoudali heeft de overeenkomst niet tussentijds opgezegd of anderszins beëindigd. In de contractperiode waren partijen over en weer aan betreffende overeenkomst gebonden.
De Arbitragecommissie zal dan ook voor recht verklaren dat de uit de vertegenwoordigingsovereenkomst tussen Tissoudali en CSA voortvloeiende verplichtingen gedurende de contractperiode golden.
De door CSA verzochte verklaring voor recht dat Tissoudali zich "dus door CSA had moeten laten vertegenwoordigen tijdens het ondertekenen van zijn contract met Le Havre A.C." zal door de Arbitragecommissie niet worden verstrekt.
Daartoe overweegt de Arbitragecommissie allereerst dat CSA in casu niet heeft gesteld dat Tissoudali zich bij het sluiten van de arbeidsovereenkomst met Le Havre A.C. heeft laten bijstaan door een andere spelersmakelaar, andere intermediair of andere vertegenwoordiger. Hij heeft het contract met Le Havre A.C. zelf gesloten, hetgeen ook niet is betwist door CSA. Zoals door de Arbitragecommissie in het vonnis van 24 juli 2013 (El H&B Sportsmanagement B.V./Arica) in navolging van CAS-uitspraak van 5 december 2006 (CAS 2006/A/1019) al is bepaald, brengt een overeenkomst waarbij een spelersmakelaar/intermediair exclusief bevoegd is de speler bij te staan in de ontwikkeling van zijn professionele carrière en te vertegenwoordigen bij het benaderen van en onderhandelen met clubs en diens vertegenwoordigers in het licht van FIFA-reglementen niet met zich mee dat de speler niet zelf — zonder tussenkomst van een andere spelersmakelaar of derde — mag contracteren.
Het staat een speler vrij zonder de assistentie van een derde voor zichzelf te contracteren, ook als hij gebonden is aan een exclusieve vertegenwoordigingsovereenkomst.
In het huidig KNVB Reglement Intermediairs noch in enige UEFA- of FIFAregeling is bepaald dat een speler verplicht is bij de totstandkoming van een arbeidsovereenkomst met een BVO zich te laten vertegenwoordigen door een intermediair.
Met de vaststelling van het Reglement Intermediairs in de bondsvergadering van de KNVB van 1 december 2015 en het vervallen van het Reglement Spelersmakelaars is naar het oordeel geen situatie beoogd of gecreëerd waarbij spelers en/of BVO's zichzelf niet meer mogen vertegenwoordigen bij de totstandkoming van een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst betreffende de overgang van spelers. Voor genoemde datum gold dat spelers en clubs daartoe bevoegd waren; die situatie is niet veranderd.
Indien echter door een BVO of speler gebruik wordt gemaakt van een intermediair dienen de betreffende intermediair, speler en club zich aan de bepalingen van het Reglement Intermediairs te houden. Anders dan uit art. 1 lid 2 Reglement Spelersmakelaars volgde geldt onder het huidige Reglement Intermediairs dat alle personen die een speler (bij contractonderhandelingen e.d.) vertegenwoordigen als intermediair dienen te zijn geregistreerd. Alleen die intermediairs mogen — in de Nederlandse verhoudingen — spelers en club bij de totstandkoming van spelerscontracten en/of overeenkomsten betreffende de overschrijving van spelers vertegenwoordigen.
Hieruit volgt dat voor Tissoudali niet de verplichting had zich te laten vertegenwoordigen door CSA bij het ondertekenen van zijn contract; wel gold op grond van de tussen partijen gesloten vertegenwoordigingsovereenkomst dat het Tissoudali niet was toegestaan zich door een ander te laten vertegenwoordigen/bijstaan dan door CSA.

Is Tissoudali jegens CSA toerekenbaar tekortgeschoten?JA!
CSA heeft gesteld dat Tissoudali de verplichting welke volgt uit artikel 8.2 sub c van de vertegenwoordigingsovereenkomst (informatieplicht van Tissoudali) jegens CSA heeft geschonden door CSA niet — tijdig — op de hoogte te brengen van de besprekingen van Tissoudali bij en met Le Havre A.C..
Naar het oordeel van de Arbitragecommissie staat vast dat Tissoudali CSA niet voor de totstandkoming van de arbeidsovereenkomst ter zake heeft geïnformeerd. Zulks is naar het oordeel van de Arbitragecommissie als een toerekenbaar tekort schieten van Tissoudali te beschouwen. Dat Tissoudali geen contact met CSA heeft gezocht op verzoek van de betrokken BVO's — zoals hij heeft gesteld — maakt zulks niet anders.
De stelling van Tissoudali dat in de vertegenwoordigingsovereenkomst niet is bepaald dat Tissoudali gehouden was CSA onverwijld te informeren, wordt ook door de Arbitragecommissie gepasseerd. Gelet op de tekst van de overeenkomst en hetgeen partijen redelijkerwijs over en weer van elkaar mochten verwachten, was Tissoudali gehouden CSA met voortvarendheid van relevante ontwikkelingen rondom aanbiedingen van clubs te informeren en dat niet dat slechts achteraf te doen. Dat Tissoudali dat ook vond, blijkt naar het oordeel van de Arbitragecommissie ook uit de SMS-berichten die hij op 8 juli 2016 aan Bryson zond. De Arbitragecommissie zal ter zake de door CSA gevraagde verklaring voor recht dat Tissoudali toerekenbaar tekort is geschoten in zijn verplichtingen jegens CSA uit hoofde van de vertegenwoordigingsovereenkomst toewijzen.

Schade?NEE!
Nu Tissoudali jegens CSA toerekenbaar tekort is geschoten, dient te worden nagegaan of dat tekort schieten ook tot schade bij CSA heeft geleid.
Met betrekking tot het door Tissoudali betwiste causale verband tussen de door CSA gestelde schade en de gedragingen van Tissoudali stelt de arbitragecommissie allereerst vast dat vaststaat dat de vertegenwoordigingsovereenkomst op 18 juli 2016 zou eindigen en niet meer werd verlengd. Ook stelt de Arbitrage in dit kader vast dat er geen andere concrete aanbieding voor Tissoudali bij een andere BVO gereed lag, waarbij CSA een commissie zou verkrijgen.
Nu bovendien Tissoudali — onbetwist - heeft gesteld dat hij op grond van door hem met de clubs Telstar en Le Havre A.C. gemaakte afspraken geen gebruik wenste te maken van de diensten van CSA, maar voor zichzelf wilde en heeft gecontracteerd, ontbreekt in casu naar het oordeel van de arbitragecommissie het causale verband tussen het toerekenbaar te kort schieten van Tissoudali en de vermeende schade van CSA. Alsdan ligt immers niet in de lijn der verwachting dat indien Tissoudali CSA tijdig zou hebben geïnformeerd zulks er toe zou hebben geleid dat CSA als intermediair Tissoudali bij de overgang naar Le Havre A.C. zou hebben vertegenwoordigd.
Voorts is in de vertegenwoordigingsovereenkomst geen contractueel vastgelegde schadevergoeding opgenomen. De Arbitragecommissie zal, gelet op de in casu aan de orde zijnde omstandigheden, aan CSA geen schadevergoeding toewijzen.

donderdag 20 april 2017

Royement jeugdlid wegens misdragingen ouders houdt geen stand bij arbitragecommissie KNVB



Actuele uitspraak gezien dit bericht van vandaag: "Voetbalclub RBC stuurt Jayden (7) weg omgedrag ouders". Onderstaande uitspraak gaat over gedragingen van ouders die m.i. minder ernstig zijn en waarbij er in onderstaand geval toch vrij plotseling het lid werd geroyeerd. Bovendien is het sowieso de vraag of een (jeugd)lid geroyeerd kan worden voor gedragingen van anderen (de ouders). Dat hangt af van de formulering in de statuten. In veel statuten staat de volgende formulering: 
Ontzetting uit het lidmaatschap kan alleen door de algemene vergadering worden uitgesproken, indien een lid in ernstige mate in strijd met de statuten, reglementen of besluiten van organen van de vereniging handelt of de vereniging op onredelijke wijze benadeelt.

De voorzieningenrechter in DEZE zaak zei daarover: "De statuten voorzien uitsluitend in de mogelijkheid een lid uit het lidmaatschap te ontzetten op grond van handelen van het lid zelf. De statuten voorzien niet in de mogelijkheid van een dergelijke ontzetting op grond van handelen van derden. " r.o. 4.9 en 4.10

Opgemerkt moet worden dat opzegging en royement juridisch niet hetzelfde zijn. Een lid kan geroyeerd worden als straf. Royement heeft een onterend karakter. Het is een tuchtrechtelijke maatregel waarbij, anders dan bij opzegging, procesrechtelijke grondbeginselen zoals strengere motiveringseisen, toepassen van hoor en wederhoor, inzage in stukken in acht moeten worden genomen. De totstandkoming en inhoud van het besluit tot royement worden daarom door de rechter streng beoordeeld.
Opzegging heeft daarentegen geen onterend karakter. Het is een beleidsmaatregel (dan wel ordemaatregel) waartoe vaak wordt besloten om in de vereniging een ordelijk verloop te waarborgen. De rechter toetst het besluit tot opzegging inhoudelijk slechts marginaal door zich af te vragen of redelijk oordelende mensen – gegeven de feiten en omstandigheden van het geval – tot eenzelfde besluit zouden zijn gekomen.

Zie HIER voor een heldere uiteenzetting van het verschil.
....................
De feiten
Noa Kiziltas is enkele jaren lid bij KHC en speelt thans in J-0 15-1.Noa Kiziltas is 13 jaar. Rond dit elftal hebben zich in het seizoen 2016/2017 enkele incidenten voorgedaan. Zo is het team betrokken geraakt bij een vechtpartij bij Voetbalvereniging DSV '61 in oktober 2016. Naar aanleiding van bedoelde vechtpartij heeft KHC een viertal spelers voor één week geschorst en een schriftelijke waarschuwing gegeven. Noa Kiziltas is destijds voor haar aandeel in dat incident niet door KHC geschorst of anderszins bestraft.
Verder is tijdens de competitiewedstrijd KHC 1 - WHC 1 sprake geweest van wat KHC noemt "een spuugincident". Daarbij zou Noa Kiziltas betrokken zijn geweest. De voorzitter van KHC heeft toen bewerkstelligd dat Noa ter plekke haar excuses heeft aangeboden aan de voorzitter van WHC. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft KHC een verklaring overgelegd van de voorzitter van WHC heer R. During. In die verklaring wordt overigens niet gerept van enig spuugincident maar van verbaal wangedrag. De voorzitter van WHC bevestigt dat "het meisje" haar excuses heeft aangeboden. De Arbitragecommissie houdt het er voor dat de voorzitter van WHC met "het meisje" doelt op Noa Kiziltas.
Op zaterdag 18 februari 2017 heeft de trainer van KHC J-0 15-1 in de eerste helft de wedstrijd tegen Swift J-0 15-1 doen beëindigen (staken) door na een in zijn visie onjuiste beslissing van de scheidsrechter het team van KHC van het veld te halen. Naar aanleiding van dit incident heeft het bestuur van KHC na afloop van de training van KHC J-0 15-1 op 20 februari 2017 met de trainer en het gehele elftal gesproken, teneinde te voorkomen dat dergelijke incidenten opnieuw zouden voorkomen. In dat gesprek heeft het bestuur ook bijzondere aandacht gegeven aan de wijze waarop Noa Kiziltas en drie andere spelers van het elftal zich hadden opgesteld.
Ondanks het feit dat het in eerste instantie een moeizaam gesprek was, heeft het bestuur na afloop van dat gesprek geconstateerd dat bij alle betrokkenen de bereidheid bestond het gedrag te verbeteren, zodat het team en de spelers verder konden. Diezelfde avond heeft mevrouw Van Bruggen en/of de heer Pander de navolgende berichten in de whats-app-groep van de ouders en begeleiders van het team geplaatst. De (minderjarige) spelers van het elftal maken geen deel uit van de (besloten) whats-app-groep. om 21.06 uur:"Nou hebben de heertjes weer hun zegje gedaan tegen de kinderen, altijd maar KHC c1 overal de schuld van geven. Maak je maar eens druk over andere zaken". Om 21.34 uur: "Beste Menno, ik doe het even centraal in deze app. Wellicht is het in jouw wereld normaal om met drie volwassen mannen 13 en 14 jarige pubers zo intens gemeen te bejegenen. Chapaue voordat alvast. Ze komen in de veronderstelling om over zaterdag te praten, hoe laag is het dan om Jani, Dennis, Paulos en Noa aan te vallen op hun gedrag? Gedrag wat jij bepaalt en doorspeelt aan het bestuur. Dat moet je natuurlijk zelf weten, jij bent immers verantwoordelijk voor je eigen gedrag als volwassen man. Nu snap ik prima hoe het systeem binnen groeperingen werkt en ook jou rol daarin. Zal ik het eens hebben over jou gedrag als volwassen man? Hoe je KHC spelerfjes afvalt naar de tegenpartij toe? Hoe je altijd maar weer olie op het vuur moet gooien? Ook al is het vuur allang uit. Wat je van mij vind mag je ten aller tijden vinden, hou dat ook dat ook bij mij. Heb je een probleem met Noa kom je bij Randalf (al snap ik wel dat je die niet benaderd) of bij mij. Dit is dan ook echt de laatst keer geweest dat jullie als bestuur zo tegen mijn dochter praten. Randalf zal a.s. maandag dan ook rustig een gesprek voeren bij KHC. Dat Noa maar op moet donderen en dat zij de klap zelf heeft uitgelokt in Doornspijk zegt heel veel over hoe jullie omgaan met kinderen van 13. Het was volwassener geweest om dat te zeggen in bijzijn van ouders! Maar wellicht is dat te eenvoudig gedacht van mij. Ik hoop van ganser harte dat je C1 een keer wil zien zoals ze zijn, een leuke drukke ietwat puberale groep jongelui die er altijd zijn, hard trainen en lol hebben met elkaar, ook buiten het veld. Het zou ze goed doen! En last but not least, gedraag je als een leider,vlag eens een keer, wees eens lief voor ze, steun ze en breng ze naar een hoger plan ipv ze altijd maar neer te sabbelen. En ja dit bericht mag je ook naar het bestuur, de kantine medewerker, de grasmaaier etc. sturen!"
Bij brief d.d. 21 maart 2017 heeft KHC de ouders en verzorgers van Noa Kiziltas bericht als volgt:
" Betreft: royement lidmaatschap.
Aan ouders/verzorgers van Noa Kiziltas,
Naar aanleiding van het staken van de wedstrijd Swift 0 15 1 – KHC 0 15-1, en de ernstige gevolgen daarvan voor onze voetbalvereniging. Is er een gesprek geweest tussen 0 15 1 van KHC en het bestuur/trainer en begeleiding. Tijdens dit gesprek werd geprobeerd om de toedracht boven tafel te krijgen. Echter het gesprek werd ernstig verstoord door een 4 tal spelers die telkens maar probeerden hun gelijk te halen, en lieten merken de ernst van de situatie niet in te zien. Deze spelers zijn in het verleden diverse keren aangesproken op hun gedragingen.
Toch hadden wij als bestuur op het eind van het gesprek de indruk dat een ieder zich zou willen verbeteren en dat we verder konden. Echter wat er maandagavond later is gebeurt, dat jullie als ouders door middel van allerlei whatsapp berichten ons als bestuur en begeleiding gaan lopen beschuldigen en bedreigen, gaat alle perken te buiten. Jullie hebben de ernst niet willen inzien. Ons besluit is dan ook dat jullie conform onze statuten en huishoudelijk reglement verwijderd worden uit onze vereniging. Wij ontzeggen jullie bij deze de toegang tot ons sportpark De Venen. Noa kan haar spullen inleveren bij mevr B. Pietersma wonende Dr Kolfflaan 76.
Over deze beslissing wensen wij niet meer in discussie te gaan, en is onherroepelijk.
 Bestuur KHC"
Bij brief d.d. 1 maart 2017 heeft mevrouw M. van Bruggen bezwaar gemaakt tegen het royement van Noa Kiziltas. In de brief is onder meer het navolgende opgenomen:
" U wijst erop dat dit lid volgens de statuten is geroyeerd en u daarmee haar doet kunnen verwijderen van uw vereniging. Echter heeft u de statuten niet gehanteerd en op geheel eigen wijze deze keuze gemaakt. U heeft geen hoor en wederhoor toegepast, u heeft N. Kiziltas geroyeerd omdat u zegt dat wij als ouders u als bestuur bedreigen en beschuldigen, ook dit is geenszins waar. U heeft N. Kiziltas nog nooit beschuldigd van diefstal, fraude, vernielingen, geweld etc., al deze zaken zijn gerechtigd om een royement uit te spreken. Sterker nog N. Kiziltas heeft van uw vereniging in de jaren van haar lidmaatschap geen enkele waarschuwing ontvangen omtrent welk gedrag dan ook. Tot 20-2-2017 was er ook geen enkel teken van deze beslissing, u schrijft immers ook dat u de indruk had dat er verbetering zou plaatsvinden bij de door u aangesproken kinderen, waaronder N. Kiziltas. De niet aangetekende royement verklaring van 21-2-2017 kan dan ook niet gaan over uw lid N. Kiziltas, u heeft deze immers niet meer gezien dan wel gesproken. U heeft zich wellicht beledigt gevoeld door een open app van ons ouders, maar dit lijkt niet juiste reden voor het royeren van een lid.
(...)
Ervan uitgaande dat u uw eigen statuten en regelementen hanteert, zien wij dan ook van harte de uitnodiging tegemoet voor deze algemene ledenvergadering, om de door u genomen onterechte beslissing te herzien.
(...)
Vanzelfsprekend zal ik u de gelegenheid geven om dit in bestuurlijk overleg te realiseren, ik zie dan ook graag voor maandag 6 maart
2017 uw antwoord tegemoet (...)"

Het bestuur van KHC heeft aan mevrouw Van Bruggen geantwoord dat het geen aanleiding ziet om het standpunt te wijzigen danwel de gesprekken te heropenen. Een algemene ledenvergadering is niet bijeengeroepen.
In de statuten van KHC is in artikel 10 onder meer het navolgende opgenomen:

"1.       Het lidmaatschap eindigt:
a. door de dood van het lid;
b. door opzegging door het lid;
c. door opzegging namens de vereniging;
d. door royement, als bedoeld in artikel 6 lid 4.

2.         Opzegging namens de vereniging geschiedt door het bestuur.
Opzegging namens de vereniging kan geschieden wanneer een lid heeft opgehouden aan de in deze statuten vermelde vereisten voor het lidmaatschap te voldoen, of wanneer hij zijn verplichtingen jegens de vereniging niet nakomt of wanneer van de vereniging redelijkerwijs niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren."

In artikel 6 is bepaald:
"1.a. In het algemeen zal strafbaar zijn zodanig handelen of nalaten dat in strijd is met de statuten, reglementen en/of besluiten van organen van de vereniging, of waardoor de belangen van de vereniging worden geschaad.
b. Tevens zal strafbaar zijn zodanig handelen of nalaten dat in strijd is met de spelregels, alsmede met de statuten, reglementen enlof besluiten van organen van de KNVB of waardoor de belangen van de KNVB of van de voetbalsport in het algemeen worden geschaad.
2.         Het bestuur is bevoegd om, ingeval van overtredingen als bedoeld in het eerste lid, de volgende straffen op te leggen:
a. berisping;
b. schorsing;
c. royement.

3.                     Een schorsing kan ten hoogste voor de duur van twee maanden worden opgelegd. Gedurende de periode dat een lid geschorst is, kunnen de aan het lidmaatschap verbonden rechten worden ontzegd.
4.         Royement kan alleen worden uitgesproken wanneer een lid in ernstige mate in strijd met de statuten, reglementen en/of besluiten van organen van de vereniging handelt, of de vereniging op onredelijke wijze benadeelt, dan wel na sommatie nalatig blijft zijn contributie te voldoen. Nadat het bestuur tot royement heeft besloten, wordt het betrokken lid ten spoedigste door middel van een aangetekend schrijven van het besluit met opgave van de reden(en) in kennis gesteld. De betrokkene is bevoegd binnen een maand na ontvangst van deze kennisgeving in beroep te gaan bij de algemene vergadering. Gedurende de beroepstermijn en hangende het beroep is het lid geschorst. Het besluit van de algemene
 vergadering tot royement zal moeten worden genomen met tenminste twee/derde van het aantal uitgebrachte stemmen."


Op 24 augustus 2016 heeft KHC aan Noa Kiziltas een herinnering gestuurd naar aanleiding van niet betaalde contributie in de periode maart tot en met juli 2016 ad in totaal € 60,50.
Op 8 november 2016 heeft KHC Noa Kiziltas een (tweede) herinnering gestuurd ten aanzien van niet betaalde contributie over de periode maart 2016 tot en met juli 2016, alsmede augustus en oktober 2016 ad € 85,50.
Op 16 februari 2017 heeft KHC een nadere aanmaning gestuurd, betrekking hebbend op de niet betaalde contributie van maart tot en met augustus 2016, alsmede oktober en november 2016 ad in totaal € 98,50. Noa Kiziltas heeft enkele betalingen verricht.

Oordeel arbitragecommissie
De Arbitragecommissie stelt voorop dat uit de statuten van KHC volgt dat alleen tot royement kan worden overgegaan indien het lid in ernstige mate in strijd met de statuten, reglementen en/of besluiten heeft gehandeld, dan wel de vereniging op onredelijke wijze heeft benadeeld. Tevens kan tot royement worden besloten indien het betreffende lid nalatig blijft - na sommatie - de contributie te voldoen.
Uit het bepaalde in artikel 2:35 BW volgt dat ontzetting (royement) alleen kan worden uitgesproken wanneer het lid in strijd met de statuten, reglementen of besluiten der vereniging handelt of de vereniging op onredelijke wijze benadeelt. Voorts is in bedoelde wettelijke bepaling geregeld dat de ontzetting (het royement) door het bestuur geschiedt, tenzij de statuten dit aan een ander orgaan opdragen. Voorts is in de wet bepaald dat het lid een beroepsmogelijkheid bij de ledenvergadering heeft tenzij de statuten anders bepalen.
In de statuten van KHC is bepaald dat indien het lid tijdig bezwaar maakt tegen de beslissing van het bestuur tot royement/ontzetting beroep van het lid op de algemene ledenvergadering openstaat.
Namens Noa Kiziltas is bij brief d.d. 1 maart 2017- en derhalve tijdig - bezwaar gemaakt tegen de beslissing tot royement/ontzetting.
Op grond van de wet en de statuten was het bestuur gehouden om binnen een redelijke termijn een algemene ledenvergadering uit te schrijven waarin over het door het bestuur genomen besluit en het namens Noa Kiziltas ingediende bezwaar door het hoogste orgaan van KHZ, de ledenvergadering, zou kunnen worden beslist.
Ter zitting is gebleken dat het bestuur geen ledenvergadering heeft uitgeschreven en niet het voornemen heeft dat te doen, ook niet nadat de Arbitragecommissie het bestuur had gewezen op de statutaire en wettelijke voorschriften.
In artikel 2:14 BW is bepaald is dat een besluit van een orgaan van een rechtspersoon dat in strijd is met de wet of de statuten nietig is, tenzij uit de wet iets anders voortvloeit.
Nu het bestuur, dat als een orgaan van de vereniging KHC geldt, in strijd met de statuten (en de wet) tot royement (ontzetting) heeft besloten zonder dat aan de ledenvergadering voor te leggen nadat tijdig bezwaar was gemaakt, is dit royementsbesluit nietig.
In zekere zin ten overvloede voegt de Arbitragecommissie daaraan het navolgende toe.
De Arbitragecommissie heeft begrip voor de soms moeilijke situatie waarin bestuursleden en overige vrijwilligers hun werkzaamheden voor voetbalverenigingen verrichten. Temeer nu het vinden van vrijwilligers niet altijd makkelijk is, kan de belasting die negatief gedrag van ouders en/of (jeugd)leden veroorzaken, veel negatieve energie kosten. Juist omdat veelal een kleine groep ouders/leden verantwoordelijk is voor een relatief groot aandeel daarin kan dat tot frustraties leiden.
De Arbitragecommissie wil aannemen dat het gedrag van mevrouw Van Bruggen en de heer Pander richting KHC en haar bestuur/vrijwilligers als negatief is ervaren en dat Noa in haar communicatie en gedrag wellicht niet altijd de gemakkelijkste is geweest.


Natuurlijk moet dit aanleiding zijn voor een gesprek, waarbij van ouders mag worden verlangd dat deze inzien dat een vereniging alleen maar kan bestaan door de inzet van vrijwilligers en dat terughoudende en ondersteunende communicatie van ouders een goed klimaat binnen de vereniging bevordert. Zulks laat echter onverlet dat de Arbitragecommissie in casu van mening is dat hetgeen in de brief d.d. 21 februari 2017 aan het royement van Noa Kiziltas ten grondslag is gelegd, ook gevoegd bij de door het bestuur genoemde eerdere incidenten, onvoldoende ernstig is om in redelijkheid tot royement te kunnen komen.
Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat Noa Kiziltas niet eerder door KHC is geschorst noch is aan haar eerder een andere sanctie opgelegd. Voorts is door het bestuur- ook ter zitting - verklaard dat na afloop van het gesprek met het elftal naar aanleiding van het staken van de wedstrijd tegen Swift J0-15 geen sancties zijn opgelegd, nu het bestuur van mening was dat de bij dat gesprek aanwezige personen, waaronder Noa Kiziltas, verbetering hadden beloofd.
Dat het bestuur vervolgens toch tot oplegging van de zwaarst denkbare sanctie aan alleen Noa Kiziltas is overgegaan, is, zoals zijdens KHC ook ter zitting is bevestigd, het gevolg van de whats-app-berichten van de heer Pander en mevrouw Van der Bruggen van 21 februari 2017. Hoewel het bestuur van KHC kan worden toegegeven dat verzending van dergelijke berichten beter achterwege had kunnen blijven, is de aard van de berichten naar het oordeel van de Arbitragecommissie niet zodanig dat dit, gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden, een royement van Noa Kiziltas rechtvaardigt.
Naar het oordeel van de Arbitragecommissie zou eerder voor de hand hebben gelegen dat de ouders zouden zijn aangesproken en dat met de ouders/verzorgers nadere (communicatie)afspraken zouden zijn gemaakt, maar de berichten van de ouders/verzorgers, in een besloten whats-app­ groep van ouders/verzorgers en begeleiders van het team, behoren naar het oordeel van de Arbitragecommissie niet tot royement van Noa Kiziltas te leiden.
De Arbitragecommissie wijst er nog op dat zowel de heer Pander als mevrouw Van Bruggen ter zitting hebben toegezegd dat zij - ongeacht de beslissing van de Arbitragecommissie - het sportterrein van KHC niet meer zullen betreden en dat zij geen negatief bericht meer over KHC in de whats-app­ groep van ouders/verzorgers en begeleiders van het elftal waarvan Noa deel uitmaakt zullen versturen. De Arbitragecommissie gaat ervan uit dat deze toezeggingen zullen worden nageleefd, net als dat de Arbitragecommissie ervan uitgaat dat Noa Kiziltas met het doorhalen van het royement het seizoen met haar huidige team gewoon zal kunnen afmaken en dat (het bestuur van) KHC haar daartoe ruimhartig de gelegenheid zal geven.
Met betrekking tot het na 21 februari 2017 opgevoerde punt van de contributie geldt dat het niet betalen van contributie aanleiding kan zijn het lidmaatschap op te zeggen. Dat moet dan gebeuren overeenkomstig de daarvoor in de statuten geregelde procedure. Voor een royement geldt - anders dan voor opzegging -dat bij bezwaar een beslissing van de algemene ledenvergadering nodig is.
Op basis van de voorliggende stukken sluit de Arbitragecommissie overigens niet uit dat thans sprake is van contributie achterstand. Mevrouw van Bruggen heeft ter zitting toegezegd haar administratie nogmaals te zullen controleren en de achterstallige contributie, zo daarvan inderdaad sprake is, te zullen betalen. Bedoelde achterstand is echter blijkens de brief d.d. 21 februari 2017 niet aan het royement ten grondslag gelegd, doch ook indien dat wel het geval zou zijn geweest, geldt dat royement- na tijdig bezwaar- alleen mogelijk is indien de algemene ledenvergadering, door het bestuur bijeengeroepen op een redelijke termijn na het bezwaar, met 2/3 van de aanwezige stemgerechtigden tot royement besluit. 
KHC heeft geen verweer gevoerd tegen de door Van Bruggen verzochte rectificatie op de website van KHC, zodat de Arbitragecommissie KHC daartoe zal veroordelen.
Nu KHC in overwegende mate in het ongelijk is gesteld, zal zij voorts worden veroordeeld tot voldoening van de kosten van de arbitrage. Voor zover in het verzoekschrift andere verzoeken liggen besloten, worden deze door de Arbitragecommissie afgewezen.

RECHTDOENDE ALS GOEDE MENSEN NAAR BILLIJKHEID

verklaart het besluit van het bestuur van KHC van 21 februari 2017 tot royement van Noa Kiziltas nietig.

maandag 17 april 2017

Arbitragecie KNVB: Beding in arbeidsovereenkomst met ongelijke opzeggingsmogelijkheid en zonder opzegtermijn is in strijd met de wet


De feiten
Van de Haar en Spakenburg zijn op of omstreeks 14 januari 2016 een arbeidsovereenkomst aangegaan, waarbij Van de Haar per 1 juli 2016 voor bepaalde tijd in dienst is getreden bij Spakenburg in de functie van hoofdtrainer/coach van de A-selectie van Spakenburg, zulks voor een periode van twee jaar en eindigend op 30 juni 2018.
 Van de arbeidsovereenkomst maakt onderdeel uit de navolgende bepalingen:
Artikel1.1.2
Indien werkgever deze arbeidsovereenkomst tussentijds wenst te beëindigen voor 1 april 2018, dient werkgever aan werknemer een bruto vergoeding te betalen van 3 bruto maandsalarissen. Bij de hier bedoelde tussentijdse opzegging geldt geen opzegtermijn.

 Artikel1.1.3.
Indien de werknemer deze arbeidsovereenkomst tussentijds wenst te beëindigen in verband met de overgang naar een Betaald Voetbal Organisatie (BVOO in binnen·of
buitenland, is werkgever bereid mee te werken aan een beëindiging met wederzijds goedvinden ter compensatie door die BVO van een bedrag aan de Stichting Voetbal Organisatie Spakenburg van € 25.000,00.

Op of omstreeks 7 januari 2017 is aan Van de Haar meegedeeld dat Spakenburg niet langer met Van de Haar als coach van het eerste elftal verder wilde en dat de wegen van partijen moesten scheiden.

Standpunt Van de Haar
Van de Haar legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat hij aan het begin van het seizoen 2016/2017 door Spakenburg is benaderd met het verzoek om met ingang van dat seizoen de functie van trainer/coach van haar eerste elftalselectie te vervullen en dat Spakenburg hem bij aanvang van zijn werkzaamheden opdrachten heeft meegegeven waaronder een meer strikte aanpak van de selectie. Ook werd hem gevraagd een door hem veelvuldig gebruikt spelconcept toe te passen, waarbij voor de uitvoering daarvan volgens Van de Haar de spelers dienden te beschikken over de daartoe noodzakelijke voetbalspecifieke prestatiebepalende factoren.
Spakenburg wilde met deze keus voor Van de Haar als trainer/coach bereiken dat in de selectie meer eenheid, wilskracht, initiatief en doorzettingsvermogen zou ontstaan. Volgens Van de Haar was het bestuur van Spakenburg ermee bekend dat de gevolgen van die keuze niet door alle spelers in dank zou worden afgenomen. Van de Haar merkt op dat het kunnen realiseren van de door het bestuur beschreven situatie gevolgen had voor zowel de sportieve prestaties alsook voor de functionele verhouding van Van de Haar met enkele spelers. Zeker in de eerste helft van het seizoen gaf dat bij spelers aanleiding tot onbegrip en ontevredenheid. Van de Haar heeft ook tijdens de eerste helft van het seizoen geconstateerd dat bij enkele spelers de noodzakelijke progressie ontbrak. Dat leidde tot consequenties voor de desbetreffende spelers en bij enkelen daarvan ontstond daarover onvrede. Die onvrede werd vervolgens middels diverse kanalen op voor Van de Haar onaangename manier geuit. Van de Haar stelt dat hij Spakenburg verzocht heeft daartegen op te treden, maar dat dit niet gebeurd is. Deze kritiek ondermijnde zijn geloofwaardigheid en hoewel hij het bestuur bij herhaling heeft verzocht om in te grijpen en de desbetreffende spelers te schorsen en/of te verwijderen, heeft het bestuur daaraan geen gevolg gegeven, met als gevolg een toenemende spanning tussen spelers en Van de Haar. Van de Haar heeft Spakenburg daarom voorgesteld een keuze te maken tussen hem of de desbetreffende spelers en om dat tijdens een trainingskamp in Marbella met die spelers te bespreken. Volgens Van de Haar heeft dat gesprek nimmer plaatsgevonden en heeft het bestuur tijdens het trainingskamp op 3 januari 2017 uitgesproken dat het bestuur vertrouwen had in zijn aanpak. Tijdens dit trainingskamp heeft, zo geeft Van de Haar aan, er ook onder de spelers een stemming plaatsgevonden, waarbij de spelers zouden hebben aangegeven niet met Van de Haar verder te willen. Ook na deze voor Van de Haar negatieve uitslag zou het bestuur aan Van de Haar echter te kennen hebben gegeven vertrouwen in hem te houden. Na terugkomst in Nederland heeft Spakenburg Van de Haar op
7 januari 2017 echter meegedeeld dat de met hem gesloten arbeidsovereenkomst zou worden opgezegd, waarbij niets is gemeld over de dag of datum waartegen de opzegging of beeindiging zou geschieden.
Er is geen toelichting gegeven op het besluit maar Spakenburg zou, middels berichten via de advocaat van Spakenburg hebben gemeld dat Spakenburg Van de Haar in het kader van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst de overeengekomen vergoeding van drie bruto maandsalarissen zou betalen. Van de Haar wijst erop dat de opzeggingsbepalingen die in de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zijn opgenomen, in zijn opvatting nietig dan wel vernietigbaar zijn. De opzeggingsbepalingen zijn niet op gelijkwaardige wijze geformuleerd en bij opzegging door Spakenburg zou Spakenburg slechts € 9.000,00 hoeven te betalen en geen opzegtermijn in acht hoeven te nemen hetgeen volgens Van de Haar in strijd is met de wet.
Over een opzeggingsmogelijkheid door Van de Haar om andere reden dan een overgang naar een BVO tegen betaling aan Spakenburg van € 25.000,00 wordt in de arbeidsovereenkomst niet gerept. Daarom concludeert Van de Haar dat van een evenwichtige en voor beide partijen in gelijke mate geldende mogelijkheid van tussentijdse opzegging geen sprake is. Nu die evenwichtigheid ontbreekt, zijn de tussentijdse opzeggingsbepalingen nietig dan wel vernietigbaar zijn. Tenslotte wijst Van de Haar erop dat hij niet heeft ingestemd met de opzegging van de arbeidsovereenkomst, zodat de opzegging in strijd is met artikel 7:771 BW.
In dat kader maakt hij ook aanspraak op wedertewerkstelling. Subsidiair stelt Van de Haar dat als de Arbitragecommissie de opzegging in stand laat en de contractuele bepalingen omtrent tussentijdse opzegging nietig zijn c.q. worden vernietigd, de arbeidsovereenkomst eerder is opgezegd dan tussen partijen zou moeten gelden. Als gevolg daarvan is Spakenburg overeenkomstig lid 9 van artikel 7:672 BW een vergoeding verschuldigd die overeenkomt met het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou hebben geduurd.
Van de Haar combineert dit verzoek met een verzoek tot betaling van een billijke vergoeding. Dit omdat Spakenburg ondanks uitdrukkelijke berichten van Van de Haar heeft nagelaten op te treden in een situatie waarin ingrijpen noodzakelijk was. Spakenburg stelt hiertegenover dat zij geconfronteerd is met de uitkomst van een door de spelersgroep gehouden intern overleg, waaruit naar voren was gekomen dat deze groep nagenoeg volledig het vertrouwen in Van de Haar had verloren. Achttien van de tweeëntwintig selectiespelers zouden hebben aangegeven niet met Van de Haar verder te willen. Het bestuur van Spakenburg heeft dan ook op zaterdag 7 januari 2017 gebruik gemaakt van haar tussentijdse opzeggingsbevoegdheid, zoals opgenomen in artikel 1.1.2 van de arbeidsovereenkomst.

Standpunt Spakenburg
Spakenburg betwist dat Van de Haar speciale opdrachten zijn meegegeven toen hij werd gesteld als trainer/coach van het eerste selectie-elftal. Van de Haar had een grote vrijheid en was volledig vrij en autonoom bij de bepaling van de opstelling en tactiek van het eerste elftal. Ook was hij vrij om spelers zo nodig disciplinair te straffen en terug te zetten naar de B-selectie. Het bestuur van Spakenburg betwist dan ook uitdrukkelijk dat Van de Haar ooit heeft gevraagd of geëist dat het bestuur disciplinaire maatregelen tegen bepaalde spelers wilde nemen. Het is juist dat Spakenburg bij de indiensttreding van Van de Haar speerpunten heeft besproken zoals eenheid, wilskracht, initiatief en doorzettingsvermogen. De wijze waarop Van de Haar die speerpunten echter meende te kunnen realiseren riep bij vele spelers weerstand op. Als voorbeeld noemt Spakenburg:
0          het instellen van de "lul" van de week, de desbetreffende speler droeg dan die week het betreffende shirt;
0          trainingen laten doorlopen tot 22.15 uur, terwijl diverse spelers nog een behoorlijke reisafstand naar huis moesten overbruggen;
0          het publiekelijk afbranden van een talentvolle jeugdspeler;
0          spelers na een verloren uitwedstrijd bij thuiskomst nog een straftraining te geven.

Daardoor kwam er druk te staan op de relatie tussen Van de Haar en zijn spelersgroep. Na een halfjaar met Van de Haar te hebben gewerkt, heeft Spakenburg moeten concluderen dat het hem ontbreekt om draagvlak voor zijn wijze van trainen en coachen te creëren bij belangrijke groepen in en rond Spakenburg. Zijn verhouding met zowel de pers als met medewerkers van Spakenburg werd steeds krampachtiger. Van de Haar zocht steeds de confrontatie met ontevreden en gepasseerde spelers.
Op 3 januari 2017 tijdens het trainingskamp in Marbella heeft Spakenburg met Van de Haar over deze punten van kritiek gesproken. Naar de beleving van Spakenburg was dat een stevig onderhoud en heeft het bestuur tijdens dit gesprek aangegeven dat diverse punten zouden moeten worden verbeterd. Dat Van de Haar daaruit heeft afgeleid dat er onverminderd vertrouwen in hem bestond, komt voor zijn rekening. Spakenburg geeft aan dit gesprek anders beleefd te hebben.
Op 4 januari 2017 werd het bestuur op de hoogte gebracht dat tijdens een plenaire bijeenkomst 18 van de 22 spelers het vertrouwen in Van de Haar hadden opgezegd. Spakenburg heeft toen aan Van de Haar meegedeeld dat zij dit zou terugkoppelen naar de andere bestuursleden en de Raad van Advies en dat Van de Haar na terugkeer in Nederland over de uitkomst van dat overleg zou worden geïnformeerd. Na terugkeer in Nederland heeft bestuursoverleg plaatsgevonden en is de visie van de Raad van Advies meegewogen waarna het bestuur unaniem besloten heeft dat zij Van de Haar niet langer als trainer/coach van het eerste elftal kon handhaven, waarvan zij Van de Haar op de hoogte heeft gebracht. Spakenburg heeft vervolgens onder verwijzing naar artikel 1.1.2 van de arbeidsovereenkomst, de arbeidsovereenkomst met Van de Haar beëindigd.
Spakenburg stelt in dat kader dat Van de Haar de artikelen 1.1.2 en 1.1.3 van de arbeidsovereenkomst verkeerd uitlegt en dat partijen een tussentijdse opzeggingsbepaling in de arbeidsovereenkomst hebben opgenomen, zodanig dat door beide partijen de arbeidsovereenkomst tussentijds kon worden opgezegd/beëindigd. Als Spakenburg daartoe vóór 1 april 2018 zou overgaan, zou zij te allen tijde drie bruto maandsalarissen verschuldigd zijn, terwijl bij een tussentijdse opzegging/beëindiging door Van de Haar hij alleen dan
€ 25.000,00 aan Spakenburg verschuldigd zou zijn indien die opzegging verband zou houden met een overgang naar een BVO in binnen- of buitenland.           De instemming met de opzegging door Spakenburg is door Van de Haar op voorhand verleend, namelijk bij de totstandkoming van artikel 1.1.2 van de arbeidsovereenkomst, zodat Van de Haar geen beroep meer toekomt op het ontbreken daarvan.
Subsidiair echter, voor zover de Arbitragecommissie zou menen dat de schriftelijke instemming van Van de Haar niet op voorhand is verleend en dus ontbreekt, verzoekt Spakenburg de arbeidsovereenkomst te ontbinden op de g­ en of h-grond (7:669 lid 3 BW).
Naar de mening van Spakenburg is primair de arbeidsverhouding ernstig en duurzaam verstoord en is er sprake van een vertrouwensbreuk. Subsidiair meent Spakenburg een beroep te kunnen doen op de h-grond, omstandigheden die zodanig zijn dat van de werkgever niet in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De verhouding tussen nagenoeg de voltallige spelersgroep van Spakenburg en Van de Haar is gedurende de laatste weken van het dienstverband ernstig en duurzaam verstoord geraakt. In het kader van de h-grond verwijst Spakenburg naar de kamerstukken, waaruit zou blijken dat de regering onder deze grond tevens heeft gebracht de voetbaltrainer die niet goed presteert, maar wegens tegenvallende resultaten moet worden opgezegd en weigert in te stemmen met die opzegging.
Aangezien beide partijen vooraf met elkaar een vergoeding zijn overeengekomen van drie bruto maandsalarissen en aan de zijde van Spakenburg absoluut geen sprake is van een ernstig verwijtbaar handelen, is er geen ruimte voor de door Van de Haar verzochte aanvullende billijke vergoeding. Wel is Spakenburg bereid om de wettelijke opzegtermijn van één maand in acht te nemen, hoewel de arbeidsovereenkomst aangeeft dat er geen opzegtermijn in acht genomen behoeft te worden. Om die reden stelt Spakenburg bereid te zijn het salaris van Van de Haar door te betalen tot en met 28 februari 2017 onder betaling daarnaast van een vergoeding van drie bruto maandsalarissen. Omdat het verzoek tot ontbinding geen verband houdt met enig opzegverbod kan de Arbitragecommissie de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbinden.

Beoordeling van het geschil
De Arbitragecommissie beantwoordt de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen op of omstreeks 7 januari 2017 rechtsgeldig door Spakenburg is opgezegd ontkennend. Spakenburg heeft in dit kader gesteld dat zij op deze datum gebruik heeft gemaakt van de tussentijdse opzeggingsmogelijkheid zoals tussen partijen overeengekomen in de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, ingaande 1 juli 2016 en eindigende op 30 juni 2018.
Daarbij wijst Spakenburg op artikel1.1.2 van de arbeidsovereenkomst. Daarin staat dat indien de werkgever de arbeidsovereenkomst tussentijds wenst te beëindigen vóór 1 april 2018 de werkgever aan werknemer een bruto vergoeding moet betalen van drie bruto maandsalarissen, waarbij opgemerkt wordt dat bij de hier bedoelde tussentijdse opzegging geen opzegtermijn in acht te hoeven worden genomen.
Deze bepaling geeft alleen de werkgever een bevoegdheid de arbeidsovereenkomst tussentijds te beëindigen, weliswaar tegen betaling van drie maandsalarissen, maar zonder dat de werkgever een opzegtermijn in acht hoeft te nemen. Deze bepaling verdraagt zich niet met het bepaalde in de wet, meer in het bijzonder niet met het bepaalde in artikel 7:667 lid 3 BW. Een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd kan slechts tussentijds worden opgezegd indien voor ieder der partijen dat recht schriftelijk is overeengekomen. Dit uiteraard met inachtneming van een wettelijk toegestane opzegtermijn. Een opzegtermijn van nul (0) maanden zoals in artikel 1.1.2. van de arbeidsovereenkomst opgenomen is in strijd met de wet.
Weliswaar staat in de arbeidsovereenkomst in artikel1.1.3 te lezen dat indien de werknemer de arbeidsovereenkomst tussentijds wenst te beëindigen in verband met de overgang naar een betaald voetbalorganisatie in binnen- of buitenland, Spakenburg bereid is mee te werken aan zo een beëindiging maar alleen als ter compensatie een bedrag van € 25.000,00 aan Spakenburg wordt betaald. Deze geclausuleerde beëindigingsmogelijkheid is niet gelijk aan de beëindigingsmogelijkheid die Spakenburg voor haarzelf in artikel 1.1.2 van de arbeidsovereenkomst heeft bedongen. Dat deze bepaling aldus moet worden uitgelegd dat de werknemer altijd de arbeidsovereenkomst tussentijds kan beëindigen, maar alleen bij een overgang naar een betaald voetbalorganisatie € 25.000,00 verschuldigd is, is niet aannemelijk gemaakt. Het staat er niet en dat de werknemer deze bepaling zo heeft begrepen dat hij te allen tijde de arbeidsovereenkomst tussentijds kon beëindigen, is niet komen vast te staan. De tussentijdse opzeggingsbepalingen of beëindigingsbepalingen zoals door Spakenburg in de arbeidsovereenkomst opgenomen zijn dan ook vernietigbaar. Daarenboven ontbreekt de instemming van de werknemer met deze opzegging. Artikel 7:671 BW kent als uitgangspunt dat de werkgever de arbeidsovereenkomst alleen rechtsgeldig kan opzeggen met schriftelijke instemming van de werknemer. Dat één van de in dit artikel genoemde uitzonderingen van toepassing zijn, is gesteld noch gebleken. De stelling van Spakenburg dat de werknemer reeds bij het ondertekenen van deze arbeidsovereenkomst in januari 2016 op voorhand heeft ingestemd met een tussentijdse beëindiging met wederzijds goedvinden in januari 2017, verdraagt zich niet met de wettelijke regels omtrent opzegging van arbeidsovereenkomsten, meer in het bijzonder niet met artikel 7:671 BW. Deze instemming kan niet reeds op voorhand bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst worden gegeven. Terecht vordert Van de Haar dan ook vernietiging van de opzegging op 7 januari 2017. De Arbitragecommissie zal de opzegging vernietigen, wat met zich brengt dat de arbeidsovereenkomst nog steeds voortduurt en de werknemer recht heeft op doorbetaling van het salaris tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd.
De vraag of de vordering van de werknemer tot wedertewerkstelling moet worden toegewezen, beantwoordt de Arbitragecommissie bij de bespreking van de vordering in reconventie.
Nu de opzegging van de arbeidsovereenkomst door Spakenburg van de arbeidsovereenkomst met van de Haar op of omstreeks 7 januari zal worden vernietigd en de Arbitragecommissie ook de vordering van de Haar op dit punt zal toewijzen zal de Arbitragecommissie ingaan op het voorwaardelijk ingediende ontbindingsverzoek. Spakenburg heeft een voorwaardelijk ontbindingsverzoek ingediend, gestoeld op artikel 7:6691id 3 onder g (de verstoorde arbeidsverhouding) en/of h (andere omstandigheden zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren). Hoewel de door Spakenburg gevolgde gang van zaken niet de schoonheidsprijs verdient, stelt de Arbitragecommissie wel vast dat de verhoudingen tussen partijen duurzaam en ernstig verstoord zijn geraakt en dat het laten voortduren van de arbeidsovereenkomst geen redelijk doel meer dient. Spakenburg heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat het merendeel van de spelersselectie het vertrouwen in Van de Haar als coach heeft verloren. Van de Haar erkent dat ook met zoveel woorden maar geeft van het ontstaan van de spanningen tussen spelers en hem de schuld aan het bestuur dat niet zou hebben opgetreden tegen de spelers die voor onrust zorgden. Hoe dat komt en of Spakenburg hiervan een verwijt kan worden gemaakt omdat zij onvoldoende sturing heeft gegeven aan het proces, is in het kader van de beantwoording van de vraag of de arbeidsovereenkomst duurzaam en ernstig is verstoord, verder niet relevant. De Arbitragecommissie meent dan ook dat er redenen zijn om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden en spreekt haar voornemen uit om daartoe over te gaan met ingang van 1 april 2017, nu de Arbitragecommissie ervan uitgaat dat het een verzoek om ontbinding van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd betreft die niet tussentijds kon worden opgezegd. Ingevolge het negende lid van artikel 7:671b BW kan de Arbitragecommissie Van de Haar dan voorts een vergoeding toekennen tot ten hoogste het bedrag gelijk aan het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst geduurd zou hebben indien deze van rechtswege zou zijn geëindigd. De Arbitragecommissie stelt deze vergoeding ex aequo et bono op € 18.000,00 bruto, ervan uitgaande dat Spakenburg aan zijn financiële verplichtingen jegens Van de Haar uit hoofde van de arbeidsovereenkomst tot 1 april 2017 blijft voldoen.
Gelet op het voornemen de arbeidsovereenkomst per 1 april 2017 te ontbinden heeft Van de Haar onvoldoende belang bij zijn vordering tot weder te werkstelling terwijl bovendien de arbeidsverhoudingen zodanig verstoord lijken dat weder te werk stelling ook geen redelijk belang dient. Deze vordering wordt dan ook afgewezen.

Rechtdoende als goede personen naar billijkheid:
In conventie:
Vernietigt de opzegging van de arbeidsovereenkomst door Spakenburg gedaan op of omstreeks 7 januari 2017 en veroordeelt Spakenburg tot doorbetaling van het overeengekomen salaris vanaf deze datum tot de datum waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd.
In reconventie:
Spreekt de Arbitragecommissie het voornemen uit om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden met ingang van 1 april 2017 onder toekenning van een vergoeding aan Van de Haar, te betalen door Spakenburg, van € 18.000,00 bruto.