Posts tonen met het label Onrechtmatige hinder. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Onrechtmatige hinder. Alle posts tonen

dinsdag 8 juli 2014

Onrechtmatige hinder door voetbalkooi naast woningen


De feiten
Eisers wonen allen aan, of in de omgeving van de straat [adres] in [woonplaats].
De Gemeente is eigenaar van een perceel grond aan het [adres] in [woonplaats]. Op dit perceel grond is een zogenoemde voetbalkooi gelegen. Deze kooi heeft een ondergrond van geluiddempend kunstgras. In de kooi zijn twee doelen geplaatst. Naast de voetbalkooi is een aantal speeltoestellen voor jonge kinderen geplaatst. Voor de voetbalkooi geldt een toegangsverbod tussen 22.00 en 6.00 uur.
De voetbalkooi bevindt zich met de lange zijde, die 19,5 meter lang is, op een afstand van ongeveer vier meter, parallel aan de lange zijde van de woning van [eiser sub 1].
Tussen eisers sub 1, sub 2 en sub 3 als eisers enerzijds en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veenendaal als verweerder anderzijds, hebben procedures (met zaaknummers UTR 12/2875, UTR 12/3161 en UTR 12/3182) plaatsgevonden bij de bestuursrechter van deze rechtbank. Deze procedures resulteerden gezamenlijk in een uitspraak van dezerechtbank van 2 mei 2013 (ECLI:NL:RBMNE:2013:BZ9538). De gang van zaken voorafgaand aan deze procedure wordt hierna beschreven.
Bij besluit van 7 juli 2011 (door de bestuursrechter van deze rechtbank aangeduid als het primaire besluit; waarover later meer) heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veenendaal het verzoek van [eiser sub 1] om handhavend op te treden tegen – kort gezegd – geluidsoverlast veroorzaakt door het gebruik van de voetbalkooi, afgewezen. Tegen dit besluit heeft [eiser sub 1] bezwaar gemaakt.
Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veenendaal heeft het bezwaar van [eiser sub 1] (door de bestuursrechter van deze rechtbank aangeduid als het bestreden besluit 1) tegen de weigering van het college om handhavend op te treden tegen – kort gezegd – geluidsoverlast veroorzaakt door het gebruik van de voetbalkooi, gegrond verklaard bij besluit van 14 augustus 2012. In dit besluit is tevens opgenomen het voornemen van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veenendaal om handhavend op te treden.
Eveneens op 14 augustus 2012 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veenendaal ontheffing verleend aan de Gemeente van het verbod tot het veroorzaken van geluidhinder als bedoeld in artikel 4:6 lid 3 van de Algemene Plaatselijke Verordening (door de bestuursrechter van deze rechtbank aangeduid als het bestreden besluit 2). Hierdoor behoefde de Gemeente, als bestuursorgaan, niet langer handhavend op te treden tegen geluidsoverlast. Deze wijze van opereren is door de bestuursrechter van deze rechtbank niet goed bevonden. Hij heeft zowel besluit 1 als besluit 2 vernietigd.
2.8.
De inhoud van de uitspraak van de bestuursrechter van 2 mei 2013 luidt – voor zover relevant – als volgt:
“(…)
Procesverloop
Bij besluit van 7 juli 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder het verzoek van eiser 1. ([eiser sub 1], eiser sub 1 in dit kort geding; voorzieningenrechter) om handhavend op te treden tegen (voortdurende) geluidsoverlast veroorzaakt door het gebruik van de voetbalkooi aan het [adres] te [woonplaats] afgewezen.
Bij besluit van 14 augustus 2012 (het bestreden besluit 1) heeft verweerder het bezwaar van eiser 1 gegrond verklaard. Verder is besloten alsnog over te gaan tot handhavend optreden tegen de door de voetbalkooi veroorzaakte geluidsoverlast.
Bij besluit van eveneens 14 augustus 2012 (het bestreden besluit 2) heeft verweerder aan de gemeente Veenendaal ontheffing verleend van het verbod tot het veroorzaken van geluidhinder als bedoeld in artikel 4:6, derde lid, van de Algemene Plaatselijke Verordening (APV).
Eiser 1 heeft tegen beide besluiten van 14 augustus 2012 beroep ingesteld. Dit beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder nummer UTR 12/2875.
Eisers 2 en 3 hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit 2. Deze beroepen zijn geregistreerd onder nummers UTR 12/3161 ([eiser sub 2]) en UTR 12/3182 ([eiser sub 3]).
(…)
De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.
13. Na de uitspraak van de voorzieningenrechter van 15 december 2011 in zaak SBR 11/2552, heeft verweerder onderzoek laten verrichten naar de vraag in hoeverre het gebruik van de voetbalkooi aan het [adres] leidt tot geluidhinder in de zin van de APV. De resultaten uit dit onderzoek hebben er toe geleid dat tussen partijen niet meer in geschil is, en ook voor de rechtbank vaststaat, dat er inderdaad sprake is van geluidhinder als gevolg van het gebruik van bedoelde voetbalkooi.
(…)
Conclusie
21. Het beroep van eiser 1 tegen zowel het bestreden besluit 1 als het bestreden besluit 2 is gegrond.
(…)
22. Het beroep van eisers 2 en 3 tegen het bestreden besluit 2 is eveneens gegrond.
(…)
23. Hoe nu verder? Verweerder zal nieuwe besluiten dienen te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Verweerder zal alle denkbare opties de revue moeten laten passeren om te komen tot een redelijker oplossing. Daaronder valt ook de mogelijkheid van verplaatsing van de voetbalkooi. Indien dit na een gedegen onderzoek geen reële oplossing zal blijken te zijn, bijvoorbeeld vanwege een gebrek aan geschikte locaties of de met verplaatsing gemoeide kosten, dan zal verweerder moeten beoordelen op welke wijze de overlast van de voetbalkooi aan het [adres] verder kan worden ingeperkt. Dit kan een combinatie van maatregelen zijn. Te denken valt aan het eiser 1 geboden pakket aan voorzieningen, in samenhang met een ontheffing onder voorschriften, en een (verdere) inperking van de openingstijden, zoals ook ter zitting van de rechtbank met partijen is besproken. Eiser 1 zal zich daarbij moeten realiseren dat hij enige overlast zal moeten dulden.
(…)”

Bij besluit van 11 juni 2013 heeft het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veenendaal een hernieuwd verzoek van [eiser sub 1] om handhavend op te treden, afgewezen.
Zowel [eiser sub 1] als het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veenendaal is in hoger beroep gekomen van de uitspraak van de rechtbank bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. In die procedure zijn tevens eiser sub 2 en sub 3 als partijen betrokken geweest. Op grond van artikel 6:24 in samenhang met artikel 6:19 lid 1 AWB maakte het door [eiser sub 1] tegen het besluit van 11 juni 2013 gemaakte bezwaar van rechtswege deel uit van de procedure bij de Afdeling. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 5 maart 2014 (ECLI:NL:RvS:2014:731JB 2014, 81) de uitspraak van de rechtbank van 2 mei 2013 bevestigd, maar heeft daarbij tevens het beroep van [eiser sub 1] – en kennelijk uitgaande van een beroep van [eiser sub 2] en [eiser sub 3]– en [eiser sub 2] en [eiser sub 3] tegen het besluit van 11 juni 2013 met daarin de weigering tot handhaving over te gaan, ongegrond verklaard.

Het geschil
 [eisers c.s.] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, en met veroordeling van de Gemeente in de proceskosten de Gemeente te bevelen om de voetbalkooi geheel af te (doen) sluiten totdat met eisers overeenstemming is bereikt over de voorwaarden waaronder de voetbalkooi gebruikt mag worden.

De beoordeling
De voorzieningenrechter stelt voorop dat de Gemeente in dit kort geding optreedt in hoedanigheid van privaatrechtelijke eigenaar van het perceel grond dat naast de percelen van [eisers c.s.] is gelegen en waarop de voetbalkooi is gelegen.
De Gemeente betoogt, onder verwijzing naar het Gorsselse Bomen-arrest (HR 28 april 1961, NJ 1961, 433), dat de door [eisers c.s.] ingeroepen bepalingen van burenrecht niet onverkort geldt voor erven met een publieke bestemming. Dit beroep van de Gemeente faalt. De bepalingen betreffende de rechten en verplichtingen van de eigenaren van naburige erven, kort gezegd bepalingen van burenrecht, vinden alleen dan geen toepassing als de toepassing van deze bepalingen onverenigbaar is met de bestemming van onroerende zaken ten openbare nutte of met de voorzieningen welke met het oog op de verwezenlijking van de ten openbare nutte gegeven bestemming zijn vereist. In dit geval is er geen sprake van de verwezenlijking van de ten openbare nutte gegeven bestemming die alleen gediend kan worden door inbreuk te maken op de belangen van [eisers c.s.] In het bestek van dit kort geding heeft de Gemeente niet gesteld dat zwaarwegende maatschappelijke belangen meebrengen dat [eisers c.s.] (met name) in de avonduren en op zondag onrechtmatige hinder heeft te dulden. Dat dit niet is gesteld klemt omdat er binnen de gemeente Veenendaal meerdere voetbalkooien zijn ingericht, waarvan twee kooien zich binnen een straal van 750 meter van de voetbalkooi aan het [adres] bevinden. Zo onderkent ook de Gemeente. De twee andere voetbalkooien zijn, zo is ter terechtzitting aan de orde gekomen, op enige afstand van bebouwing gelegen en brengen daardoor geen hinder teweeg voor omwonenden. Bovendien bevinden deze andere voetbalkooien zich op een afstand die eenvoudig overbrugbaar is voor jongeren die, gelet op hun leeftijd, in de avonduren en op zondagen gebruik willen (en van hun ouders mogen) maken van deze andere voetbalkooien.
Bezien in het licht van het voorgaande valt zonder nadere toelichting, die niet door de Gemeente is gegeven, niet in te zien dat openstelling van de voetbalkooi aan het [adres] in de avonduren en op zondag vereist is voor de verwezenlijking van de daaraan door de Gemeente ten openbare nutte gegeven bestemming, met name die in het kader van haar Speelruimteplan 2008-2012. De voorzieningenrechter is op grond van het voorgaande van oordeel dat de bepalingen van burenrecht onverkort opgeld doen. Daarom dient onderhavig geschil beoordeeld te worden aan de hand van het burenrecht zoals dit is geregeld in – met name – boek 5 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en artikel 6:162 BW. Van belang hierbij is dat alleen [eiser sub 1] zich kan beroepen op artikel 5:37 BW omdat hij eigenaar is van het naast het perceel van de Gemeente gelegen erf. Toepassing van artikel 5:37 BW brengt mee dat de Gemeente, als eigenaar van het perceel met daarop de voetbalkooi, aan [eiser sub 1] geen hinder mag toebrengen in een mate of op een wijze die onrechtmatig is in de zin van artikel 6:162 BW. De vorderingen van eisers sub 2 tot en met 7 zullen, omdat zij geen eigenaren zijn van aangrenzende erven, worden beoordeeld aan de hand van artikel 6:162 BW.
Partijen zijn het erover eens dat [eisers c.s.] hinder ondervindt van jongeren die in en rond de voetbalkooi spelen, dan wel zich in de omgeving van die kooi ophouden. Zij verschillen echter van mening over het antwoord op de vraag of deze hinder onrechtmatig is jegens [eisers c.s.] De beantwoording van de vraag of het toebrengen van hinder onrechtmatig is, hangt af van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor toegebrachte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waaronder ook de plaatselijke omstandigheden (vgl. Hoge Raad 3 mei 1991, NJ 1991, 476).
Eisers sub 1,2 en 3 hebben vanaf 2011 in diverse bestuursrechtelijke procedures getracht het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veenendaal aan te sporen tot handhavend optreden om de door hen ervaren overlast te beperken of weg te nemen. Deze pogingen duren reeds enkele jaren, maar zijn onsuccesvol gebleken (mede) als gevolg van het feit dat het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veenendaal ontheffing heeft verleend aan de Gemeente van het verbod tot het veroorzaken van geluidhinder als bedoeld in artikel 4:6 lid 3 van de Algemene Plaatselijke Verordening. Dat aan de Gemeente de genoemde ontheffing is verleend door openbare sport- en speelvoorzieningen en terreinen uit te zonderen van het verbod op – kort gezegd – het veroorzaken van geluidsoverlast, brengt niet zonder meer mee dat de veroorzaakte hinder niet onrechtmatig is of kan zijn jegens – in dit geval - [eisers c.s.]
Ter onderbouwing van zijn stelling dat de door hem ondervonden hinder onrechtmatig is in de zin van de artikelen 5:37 en 6:162 BW, heeft [eisers c.s.] onder meer een drietal rapportages overgelegd met daarin de resultaten van akoestische onderzoeken. Het eerste onderzoek is in opdracht van [eiser sub 1] verricht door onderzoeksbureau LBP Sight. De overige twee onderzoeken zijn in opdracht van de Gemeente verricht door onderzoeksbureau Peutz. Voorts heeft de echtgenote van [eiser sub 1] ter terechtzitting een toelichting gegeven en een tweetal filmpjes getoond van jongeren die in en rond de voetbalkooi spelen.
Onderzoeksbureau LBP Sight komt in haar onderzoeksrapport tot de conclusie dat de locatie van de voetbalkooi onverenigbaar is met de nabijgelegen woningen. Verder is volgens [eisers c.s.] van belang dat de geluidwaarden die LBP Sight heeft gemeten, lager liggen dan de waarden die Peutz heeft gemeten in opdracht van de Gemeente. Uit de resultaten van deze onderzoeksrapporten blijkt volgens [eisers c.s.] dat er sprake is van een sterke overschrijding van waarden die in de milieuwetgeving als maximaal toelaatbaar worden beschouwd.
 [eisers c.s.] heeft in het bestek van dit kort geding voldoende aannemelijk gemaakt dat hij vrijwel dagelijks geluidhinder ondervindt van jongeren die op luidruchtige wijze voetbal spelen in de voetbalkooi en van oudere jongeren die met scooters, brommers en auto’s naar de voetbalkooi komen en zich daar ophouden. Dit wordt door de Gemeente grotendeels onderkend. Verder heeft de Gemeente niet weersproken dat [eiser sub 1] trillinghinder ondervindt van ballen die stuiteren op de grond en dat er sprake is van geluidhinder door het geluid van ballen die tegen het gaas van de kooi komen of die een paal of doel raken. Dit voorgaande blijkt ook uit de ter terechtzitting getoonde filmpjes. Daarop is te zien en te horen dat jongeren die voetbal spelen veel en hard schreeuwen en joelen en dat ballen tegen het gaas van de kooi komen en de regelmatig de doelen in de voetbalkooi raken. Bij het voorgaande komt dat de Gemeente niet weerspreekt dat [eisers c.s.] zich geïntimideerd voelt door de jongeren die om 22.00 uur het speelterrein niet willen verlaten op het moment dat [eisers c.s.] dit verzoekt. In de week voorafgaand aan de terechtzitting is, zoals [eiser sub 1] onweersproken heeft aangevoerd, door jongeren een fles tegen de gevel van zijn huis gegooid nadat [eiser sub 1] hen had verzocht de voetbalkooi te verlaten. Deze daad van de jongeren is op [eiser sub 1] en zijn echtgenote naar eigen zeggen intimiderend overgekomen.
Verder blijkt uit de overgelegde onderzoeksrapporten van LBP Sight en Peutz dat sprake is van overschrijding van geluidsnormen zoals deze gangbaar zijn in milieuwetgeving. De vraag of hoe groot deze overschrijding voor ieder van eisers is en of de door [eisers c.s.] genoemde wettelijke bepalingen (analoge) toepassing vinden, behoeft geen beantwoording.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat [eisers c.s.] dagelijks hinder ondervindt van het rumoer dat wordt veroorzaakt door het geschreeuw en gejoel van jongeren die zich in en nabij de voetbalkooi ophouden en als gevolg van trillingen die worden veroorzaakt door ballen die het gaas van de kooi en de doelen raken. Voorts is duidelijk dat de kinderen van [eiser sub 1] slecht slapen door deze hinder en daardoor slaperig op school verschijnen en dat [eisers c.s.] wordt geïntimideerd door jongeren die zich na de – thans geldende – sluitingstijd van 22.00 uur in en rond de voetbalkooi ophouden. Deze hinder als gevolg van rumoer en trillingen heeft, zo is door hem voldoende onderbouwd gesteld, invloed op het functioneren van hem en zijn gezinsleden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is deze hinder onrechtmatig jegens [eisers c.s.] en dient deze hinder te worden beëindigd.
Gelet op de hiervoor aannemelijk geoordeelde dagelijkse hinder en de invloed daarvan op het (gezins)leven van [eisers c.s.] en gelet op het feit dat de Gemeente weigert vrijwillig de hinder bij de bron aan te pakken door de openingstijden te beperken, heeft [eisers c.s.] een voldoende spoedeisend belang bij de gevorderde voorzieningen. Onder de hiervoor genoemde omstandigheden kan niet van [eisers c.s.] worden verlangd dat hij een bodemprocedure aanhangig maakt om te (laten) bepalen welke maatregelen er genomen moeten worden om de hinder te verminderen of te beëindigen. Dat [eisers c.s.] reeds geruime tijd in de omgeving van de voetbalkooi woont en de Gemeente in 2012 heeft aangeboden geluidwerende voorzieningen aan de woning van [eiser sub 1] aan te brengen, ontneemt niet het spoedeisend belang van [eisers c.s.] bij zijn vorderingen, zoals de Gemeente betoogt. Haar verweren falen en worden daarom verworpen.
Hetgeen de Gemeente heeft aangevoerd over het aanbrengen van geluidwerende voorzieningen in en aan de woning van [eiser sub 1] en de invloed daarvan op de geluidshinder zoals [eiser sub 1] thans ervaart, behoeft geen bespreking. [eiser sub 1] en de Gemeente zijn het immers niet eens over de (rand)voorwaarden waaronder overeenstemming zou kunnen worden bereikt over het aanbrengen van genoemde voorzieningen. Daarbij komt dat het aanbrengen van geluidwerende voorzieningen aan de woning van [eiser sub 1] onverlet laat dat andere omwonenden, onder wie eisers 2 tot en met 7, hinder (kunnen) blijven ondervinden.
Wel wordt nog het volgende overwogen. Waar de Gemeente ter terechtzitting te kennen heeft gegeven dat zij haar aanbod tot het aanbrengen van geluidwerende voorzieningen in en aan de woning van [eiser sub 1] en het plaatsen van een geluidwerend scherm tussen de woning van [eiser sub 1] en de voetbalkooi gestand doet, mag van de Gemeente worden verwacht dat zij de onderhandelingen over het aanbrengen en aanleggen van deze voorzieningen uitermate voortvarend ter hand neemt. Dit met name om ook de hinder die [eisers c.s.] (mogelijk) overdag ondervindt, zo spoedig mogelijk te beëindigen. Bij de te voeren onderhandelingen kan de Gemeente in redelijkheid niet van [eiser sub 1] verwachten dat hij jegens de Gemeente afstand doet van het hem toekomende (proces)recht om op te komen voor zijn belangen waar het overlast van de voetbalkooi betreft.
De overige door de Gemeente gevoerde verweren omtrent bestuursrechtelijke handhaving en de door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veenendaal aangeboden geluidwerende maatregelen, behoeven geen bespreking omdat zij, zoals hiervoor is overwogen, in hoedanigheid van privaatrechtelijke eigenaar van de percelen optreedt.
4.14.
Gelet op het belang van de Gemeente bij de uitvoering van haar Speelruimteplan 2008-2012 en van de gebruikers van de voetbalkooi en speelplaats bij de mogelijkheid om van de faciliteiten gebruik te maken, acht de voorzieningenrechter algehele sluiting van de voetbalkooi niet geraden. Uit de stellingen van [eisers c.s.] en de toelichting daarop ter terechtzitting maakt de voorzieningenrechter op dat de ondervonden hinder zich met name concentreert op de uren na 19.00 ’s avonds en op de gehele zondag en niet op hinder van spelende kinderen in de uren na schooltijd. Als het mindere van het primair gevorderde zal daarom, rekening houdend met de belangen van de Gemeente enerzijds en de belangen van [eisers c.s.] bij ongestoord woongenot en gebruik van zijn tuin anderzijds, de sluiting van de voetbalkooi worden bevolen vanaf 19.00 uur tot 6.00 uur in de morgen op de dagen van maandag tot en met zaterdag en op de gehele zondag.
De Gemeente zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eisers c.s.] worden begroot op:
- dagvaarding € 93,79
- griffierecht 282,00
- salaris advocaat 816,00
Totaal € 1.191,79

De beslissing
De voorzieningenrechter
- beveelt de Gemeente om binnen vierentwintig uren na betekening van dit vonnis de voetbalkooi aan het [adres] te [woonplaats] af te (doen) sluiten vanaf 19.00 uur tot 6.00 uur van maandag tot en met zaterdag en op de gehele zondag, totdat partijen overeenstemming hebben bereikt over de voorwaarden waaronder de voetbalkooi mag gebruikt mag worden,
- veroordeelt de Gemeente in de proceskosten, aan de zijde van [eisers c.s.] tot op heden begroot op € 1.191,79,
- verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

- wijst het meer of anders gevorderde af.

vrijdag 4 april 2014

Kunstgrasveld zorgt (nog steeds) voor onrechtmatige hinder


Feiten
De eigenaar van een woning grenzende aan het sportcomplex heft ernstige last van geluidsoverlast van de voetbalvereniging OMC. OMC huurt het complex van de gemeente Dordrecht. De eigenaar van de woning spreekt de gemeente aan op grond van een onrechtmatige daad en vordert verwijdering van het veld.
In deze zaak zijn al eerder rechterlijke uitspraken gedaan.
Bij vonnis van 29 december 2011 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht op vordering van een van de buren van de eigenaar van de woning , OMC geboden om tot 1 januari 2013 het gebruik van het kunstgrasveld te beperken en wel zodanig dat het veld voor trainingen uitsluitend nog wordt gebruikt op doordeweekse dagen tot maximaal 20.30 uur (op straffe van een dwangsom) en erop toe te zien dat het gebruik van het veld gedurende het weekeinde wordt beperkt tot het spelen van wedstrijden, inspeeltijd voor de wedstrijdspelers van maximaal 30 minuten daaronder begrepen.
Van dit vonnis heeft OMC hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 26 juni 2013 heeft het hof het vonnis bekrachtigd .
Op 21 december 2012 is door Burgemeester & Wethouders van de Gemeente het besluit genomen om een maatwerkvoorschrift te stellen aan het aspect geluid (productie 1 bij antwoord). De voorschriften luiden:

1.1     Het gebruik van het kunstgrasveld welke is gelegen naast de woningen aan de [straatnaam], is niet toegestaan tussen 20.40 uur en 07.00 uur.
1.2       Sportvereniging OMC dient er op toe te zien dat er gedurende het in voorschrift 1.1 opgenomen tijdsblok geen lawaaimakende verenigingsactiviteiten meer plaatsvinden op het huidige kunstgrasveld naast de woningen aan de [straatnaam].

Blijkbaar was dit onvoldoende voor de eigenaar van deze woning die om deze reden een procedure tegen de gemeente aanspande.

Oordeel rechtbank
De stelling dat de Gemeente onrechtmatig heeft gehandeld, zal in dit civiele geding worden beoordeeld. Het gaat daarbij immers om handelen en/of nalaten van de Gemeente als eigenaar/verhuurder van het sportcomplex. Daarbij is in geschil of de Gemeente uit hoofde van onrechtmatige daad jegens de eigenaar van de woning  aansprakelijk is voor de schadelijke gevolgen van het geluid dat haar huurder OMC veroorzaakt bij het voetballen op het kunstgrasveld.
Onrechtmatig handelen OMC?
Op grond van het in zoverre onbestreden rapport van de Omgevingsdienst staat vast dat als gevolg van het balcontact op het veld de in tabel 2.17a van artikel 2.17 van het Activiteitenbesluit milieubeheer (ook wel Besluit Algemene Regels voor Inrichting Milieubeheer, afgekort “Barim”) toetswaarde van 45 dB(A) in de avondperiode met 3 dB(A) wordt overschreden. Hierdoor handelt OMC in strijd met een wettelijk voorschrift en maakt zij inbreuk op het eigendomsrecht van de eigenaar van de woning  van zijn woning en handelt zij onrechtmatig jegens de eigenaar van de woning  als degene te wiens bescherming genoemde geluidsnormen strekken.
Verder is het de vraag of sprake is van (onrechtmatige) hinder. Bij de beoordeling van die vraag wordt het volgende vooropgesteld.
Het antwoord op de vraag of het toebrengen van hinder onrechtmatig is, is afhankelijk van de aard, de ernst en de duur van de hinder en de daardoor veroorzaakte schade in verband met de verdere omstandigheden van het geval, waaronder de plaatselijke omstandigheden (Hoge Raad 3 mei 1991, NJ 1991, 476). Daarbij is mede van belang of degeen die zich beklaagt over hinder, zich ter plaatse heeft gevestigd vóór dan wel ná het tijdstip waarop de hinder veroorzakende activiteiten een aanvang hebben genomen. In het laatste geval zal hij een zekere mate van hinder eerder hebben te dulden (Hoge Raad 19 september 1998, NJ 1999, 69).
Het staat vast dat het sportcomplex er al was toen de woning is gebouwd en dat het veld waarover het hier gaat toen een zandtrainingsveld was. de eigenaar van de woning  stelt dat het toenmalige zandtrainingsveld niet werd gebruikt voor wedstrijden, maar alleen werd gebruikt voor trainingen, zijnde een enkele training op een avond gedurende het voetbalseizoen (september t/m mei), terwijl het veld in het weekeinde en gedurende de maanden juni, juli en augustus niet werd gebruikt.
Het ligt voor de hand dat dit intensievere gebruik van het veld heeft geleid – en leidt – tot meer geluidsoverlast voor de eigenaar van de woning . Hoewel hij er niet vanuit mocht gaan dat de toenmalige situatie van/op het (zandtrainings-)veld zo zou blijven toen hij de woning in 2004 betrok en hij rekening had moeten houden met enige toename van het gebruik van het veld en van de daarmee gepaard gaande geluidsoverlast (bijvoorbeeld als gevolg van uitbreiding van het aantal en/of de duur van trainingen door bestaande of nieuwe teams), had de eigenaar van de woning geen rekening behoeven te houden met het afwerken van méér trainingen en het houden van wedstrijden op het kunstgrasveld in de mate als zich thans voordoet.
Geoordeeld wordt dat OMC door het geschetste intensievere gebruik van het veld aan de eigenaar van de woning hinder toebrengt en onrechtmatig jegens hem handelt.

Onrechtmatige daad Gemeente?
De vraag is nu of de Gemeente jegens de eigenaar van de woning  aansprakelijk is voor het vastgestelde onrechtmatige handelen van OMC. Geoordeeld wordt dat de Gemeente jegens de eigenaar van de woning heeft gehandeld in strijd met hetgeen in het maatschappelijk verkeer betaamt door het veld van zandtrainingsveld te laten ombouwen naar een kunstgrasveld en toe te laten dat OMC dit veld intensiever is gaan gebruiken met de vastgestelde overschrijding van de geluidsnormen en de vastgestelde hinder tot gevolg, terwijl dat voorzienbaar was. Dit onrechtmatig handelen valt de Gemeente toe te rekenen.
Kennelijk ter bestrijding van de gestelde onrechtmatigheid en/of toerekenbaarheid betwist de Gemeente dat zij niet had kunnen voorzien dat de gevolgen van de omzetting overlast met zich zou brengen. De Gemeente voert in dat verband aan dat zij er vanuit ging dat er niet méér geluidsoverlast zou komen ondanks dat er ook wedstrijden op het kunstgrasveld zouden worden gespeeld omdat zij niet wist hoeveel wedstrijden er op het veld zouden worden gespeeld. In het licht van de verklaring van de eigenaar van de woning ter zitting dat het kunstgrasveld nu juist is bedoeld voor wedstrijden en trainingen, ook van de jeugd, en in het licht van de eigen verklaring van de Gemeente ter zitting dat kunstgrasvelden zijn bedoeld voor intensief gebruik, wordt het er voor gehouden dat de Gemeente met het intensievere gebruik van het kunstgrasveld bekend was, althans in ieder geval daarmee bekend had moeten zijn. In die zin was het intensievere gebruik voor de Gemeente voorzienbaar.
De Gemeente voert nog aan dat de keuze om het zandtrainingsveld om te zetten naar een kunstgrasveld een logische was omdat het streven is om op den duur alle zandtrainingsvelden te vervangen door kunstgras, omdat dit het enige veld met verlichting was zodat het veld in de winterperiode kan worden gebruikt voor trainingen en omdat het de wens van OMC was om het hoofdveld als grasveld te behouden. Gezien het voorzienbare intensievere gebruik van het kunstgrasveld was dit niet zonder meer een voor de hand liggende keuze, nog afgezien van het feit dat – zoals de eigenaar van de woning onder verwijzing naar de brief van de Gemeente van 24 februari 2009 terecht aanvoert – niet de gehele veldverlichting is gehandhaafd, maar alleen de masten zijn hergebruikt.
De door de Gemeente (in overleg met OMC) getroffen maatregelen ter beteugeling van de geluidsoverlast ontnemen aan het handelen en nalaten van de Gemeente niet het onrechtmatige karakter. De geluidsoverlast zal daardoor wel zijn verminderd, echter vaststaat dat de overlast nog steeds bestaat in een door de eigenaar van de woning  niet te dulden mate.

Oordeel rechtbank
De ontstane situatie vraagt om een oplossing op maat. De gevorderde verwijdering of verplaatsing van het veld komt als te ingrijpend voor.

De rechtbank zal daarom een descente en aansluitend een comparitie ter plaatse gelasten om de situatie ter plaatse op te nemen en vervolgens met partijen (en deskundigen) de wijze te onderzoeken waarop tot een oplossing kan worden gekomen, zodanig dat zal worden voldaan aan de wettelijke voorschriften.

donderdag 20 december 2012

Onrechtmatige hinder kunstgrasveld naastgelegen voetbalclub

Deze uitpraak is een vervolg op de eerdere uitspraak: kunstgrasveld zorgt voor onrechtmatige hinder
De feiten
[Eisers] te Dordrecht. De percelen van [Eisers] grenzen direct aan het veldsportcomplex “De Corridor” te Dordrecht. Dit complex is eigendom van de gemeente Dordrecht die het complex verhuurt aan s.c. OMC. In het najaar van 2009 is op het direct aan de woningen van [Eisers] grenzende deel van de aan s.c. OMC verhuurde voetbalvelden een kunstgrasveld aangelegd. Voorheen bevond zich op deze plek een (zand)trainingsveld. Na de aanleg van het kunstgrasveld wordt van het betreffende gedeelte van het complex intensiever gebruik gemaakt dan voorheen.
De omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid (hierna: omgevingsdienst) heeft in 2011 geluidsmetingen verricht direct naast de gevel van de woning van Naethuys. In het naar aanleiding hiervan opgesteld rapport heeft de omgevingsdienst geconcludeerd dat sprake is van een relatief hoge geluidsbelasting op de gevel als gevolg van een reguliere voetbaltraining van s.c. OMC. Deze geluidsbelasting kan als hinderlijk worden ervaren en het wooncomfort aantasten, aldus de omgevingsdienst. Tevens is in het rapport opgenomen dat als gevolg van balcontact de reguliere grenswaarde van 45dB(A) in de avondperiode wordt overschreden met 3 dB(A). Hierbij is wel opgemerkt dat de toegepaste filtermethode voor discussie vatbaar is. De omgevingsdienst heeft aanbevolen door middel van maatwerkvoorschriften de mate van overlast te beperken.
Na een tussenvonnis van 18 augustus 2011 is bij vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter te Dordrecht van 29 december 2011 s.c. OMC geboden tot 1 januari 2013 het gebruik van het kunstgrasveld te beperken, zodanig dat dit veld voor trainingen uitsluitend doordeweeks wordt gebruikt tot 20.30 uur. Tevens is s.c. OMC geboden erop toe te zien dat het gebruik van het kunstgrasveld gedurende het weekeinde wordt beperkt tot het spelen van wedstrijden. S.c. OMC is van het kort gedingvonnis in hoger beroep gegaan bij het Gerechtshof in Den Haag. Deze zaak staat op 16 april 2013 voor arrest.
In de loop van 2011 heeft de omgevingsdienst een begin gemaakt met de procedure om maatwerkvoorschriften aan s.c. OMC op te leggen. Op 25 juli 2012 is de ontwerp-beschikking door het College van B&W aan de belanghebbenden toegezonden. Tot op heden is nog geen beschikking gegeven.
De vordering
 [Eisers] vordert samengevat:
I. s.c. OMC te gebieden slechts gebruik te maken van het kunstgrasveld in de periode september tot en met mei, voor trainingen van 18.00 uur tot maximaal 20.30 uur en voor wedstrijden op zaterdagen van 9.00 uur tot 14.00 uur;
II. s.c. OMC te verbieden buiten de onder I genoemde maanden, dagen en tijden van het kunstgrasveld gebruik te (laten) maken;
III s.c. OMC te gebieden adequate maatregelen te nemen om het betreden c.q. gebruik maken van het kunstgrasveld tegen te gaan buiten de onder I genoemde maanden, dagen en tijden;
IV betaling van een dwangsom van € 2.500,- per eiser per keer dat s.c. OMC het onder I, II en III niet nakomt/overtreedt;
Oordeel voorzieningenrechter
In het tussenvonnis van de voorzieningenrechter van 18 augustus 2011 is overwogen dat aannemelijk is dat de grens van hetgeen [Eisers] als buren van s.c. OMC hebben te dulden aan rumoer vanaf de voetbalvelden, wordt overschreden door onbeperkt gebruik van het kunstgrasveld. Tot op heden zijn nog geen structurele maatregelen genomen die de overlast voor [Eisers] door het gebruik van het kunstgrasveld tot een aanvaardbaar niveau terugbrengen. Partijen zijn nog met elkaar, althans met de gemeente Dordrecht, in gesprek om tot een definitieve oplossing te komen. Nu hier thans nog geen sprake van is, aannemelijk is dat de door [Eisers] ondervonden overlast onverminderd voortduurt en de geldingsduur van de in het vonnis van 29 december 2011 aan s.c. OMC opgelegde beperkingen per 1 januari 2013 afloopt, wordt aanleiding gezien voor het opnieuw treffen van voorlopige maatregelen. Die maatregelen zullen van kracht zijn tot het moment de onder 2.5 bedoelde beschikking onherroepelijk is.
Wat betreft de trainingen op doordeweekse avonden heeft s.c. OMC zich bereid verklaard ook na 1 januari 2013 niet later dan tot 20.30 uur te trainen. [Eisers] hebben tevens gevorderd dat de trainingen niet eerder mogen beginnen dan om 18.00 uur. S.c. OMC heeft hiertegen aangevoerd dat de trainingen om 17.30 uur beginnen. Gelet op dit relatief kleine tijdsverschil en gelet op het belang van s.c. OMC om de trainingen te kunnen laten plaatsvinden, zal s.c. OMC worden geboden op doordeweekse avonden de trainingen aldus te beperken dat deze slechts plaatsvinden tussen 17.30 uur en 20.30 uur.
 S.c. OMC heeft onweersproken gesteld dat de wedstrijden op zaterdagen plaatsvinden tussen 9.00 uur en 16.00 uur en op zondagen tussen 10.00 uur en 13.00 uur. S.c. OMC heeft voorts voldoende aannemelijk gemaakt dat zij gelet op het aantal teams naast de grasvelden ook het kunstgrasveld nodig heeft voor het spelen van de wedstrijden in het weekeinde. Om de overlast voor [Eisers] zoveel mogelijk te beperken en s.c. OMC toch in de gelegenheid te stellen alle wedstrijden te kunnen laten spelen, zal s.c. OMC worden geboden op zaterdagen slechts tussen 9.00 uur en 16.00 uur gebruik te maken van het kunstgrasveld en op zondagen slechts tussen 10.00 uur en 13.00 uur.
[Eisers] hebben tevens gevorderd het gebruik van het kunstgrasveld in de periode juni, juli en augustus geheel te verbieden, aangezien het voetbalseizoen dan is afgelopen. S.c. OMC heeft echter onweersproken gesteld dat ook in deze zomermaanden trainingen plaatsvinden, terwijl de grasvelden in deze periode opnieuw worden ingezaaid. Voor een algeheel verbod gedurende deze maanden is dan ook geen grond. Wel wordt aanleiding gezien gedurende deze periode het gebruik van het kunstgrasveld voor wedstrijden te verbieden voor wat betreft de zondagen in juni, juli en augustus tot de 15e van die maand, zodat [Eisers] in ieder geval in de zomermaanden op zondag geen geluidsoverlast zullen ondervinden.
Om ervoor te zorgen dat [Eisers] buiten de toegestane trainingen en wedstrijden zo min mogelijk geluidsoverlast ondervinden, zal s.c. OMC adequate maatregelen dienen te nemen om het betreden van het kunstgrasveld door haar leden, bezoekers of derden buiten de toegestane tijdstippen zoveel mogelijk tegen te gaan. S.c. OMC zal dit onder meer dienen te bewerkstelligen door het inklappen en met kettingen vastmaken aan het hekwerk van de kleine doelen. Van s.c. OMC kan niet worden verlangd dat zij de netten uit de grote doelen buiten de trainingen en wedstrijden verwijdert. Immers, enerzijds heeft s.c. OMC onweersproken aangevoerd dat het verwijderen en opnieuw ophangen van deze netten een onevenredig grote tijdsbelasting voor haar vrijwilligers zal betekenen, terwijl anderzijds niet aannemelijk is dat door de verwijdering van deze netten de geluidsoverlast voor [Eisers] zal worden beperkt.
Wat wel van s.c. OMC uit hoofde van goed nabuurschap mag worden verwacht, is dat zij op een goede manier invulling zal geven aan haar verplichting om buiten de toegestane tijdstippen geen overlast aan [Eisers] te (laten) veroorzaken. Dit betekent dat s.c. OMC in de eerste plaats tijdens haar aanwezigheid op het sportcomplex intensief toezicht dient te houden op het niet betreden van het kunstgrasveld buiten de toegestane trainingen en wedstrijden door haar leden, bezoekers en derden. Voorts dient s.c. OMC op duidelijke wijze, bijvoorbeeld door het doen van een mededeling in haar nieuwsbrief, bij herhaling aan haar leden kenbaar te maken dat buiten de hiervoor genoemde tijdstippen het kunstgrasveld niet mag worden betreden. Vooralsnog wordt geen aanleiding gezien aan de naleving van deze verplichtingen een dwangsom te verbinden. Niet uitgesloten wordt echter dat, indien de overlast buiten de toegestane tijdstippen blijft voortduren, alsnog een dwangsom zal worden opgelegd en dat het in dat geval aan s.c. OMC is om aan te tonen dat zij adequate maatregelen heeft getroffen.
 De gevorderde dwangsom ten aanzien van de trainingen en wedstrijden zal worden gematigd en aan een maximum worden gebonden als na te melden.
De beslissing
De voorzieningenrechter:
- gebiedt s.c. OMC tot het moment de onder 2.5 bedoelde beschikking onherroepelijk is geworden om het gebruik van het kunstgrasveld dat direct grenst aan de percelen van [Eisers], voor voetbal- of andere (sport)activiteiten te beperken en wel zodanig dat dit kunstgrasveld uitsluitend nog gebruikt wordt:
- voor trainingen: op doordeweekse avonden van 17.30 uur tot maximaal 20.30 uur;
- voor het spelen
van wedstrijden in de maanden september tot en met mei: op zaterdagen van 9.00 uur tot 16.00 uur en op zondagen van 10.00 uur tot 13.00 uur;
- voor het spelen van wedstrijden in de maanden juni, juli en augustus tot de 15e van die maand op zaterdagen van 9.00 uur tot 16.00 uur;

- verstaat dat s.c. OMC adequate maatregelen zal nemen c.q. voorzieningen zal treffen om het betreden c.q. gebruik maken van dit kunstgrasveld door haar leden (behoudens hetgeen onder 5.1 is bepaald), door bezoekers van het complex of door derden tegen te gaan, o.m. door het inklappen en met kettingen vastmaken aan het hekwerk van de kleine doelen;
verstaat voorts dat s.c. OMC haar leden regelmatig dient te attenderen op het verbod van het gebruik van het kunstgrasveld buiten de onder 5.1 bedoelde tijdstippen;
-bepaalt dat s.c. OMC na betekening van dit vonnis een dwangsom zal verbeuren aan ieder van eisers van € 250,- voor iedere overtreding van het onder 5.1 vermelde gebod, zulks tot een maximum van € 10.000


De uitspraak staat HIER

donderdag 19 april 2012

Kunstgrasveld zorgt voor onrechtmatige hinder



De feiten
De eiser is bewoner van een woning grenzend aan een sportcomplex. Er is direct aan de woning van de eiser op de, door S.C. OMC gehuurde voetbalvelden een kunstgrasveld aangelegd. Eiser stelt geluidsoverlast te hebben. Door de omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid zijn in de tuin, direct naast de gevel van de woning van de eiser metingen verricht. Het daarover uitgebrachte rapport bevat de volgende conclusies en aanbevelingen:
Uit dit onderzoek blijkt dat sprake is van een relatief hoge geluidsbelasting op de gevel van de woning als gevolg van een reguliere voetbaltraining op het kunstgrasveld van. Het geluidsniveau kan als hinderlijk worden ervaren en zal daarmee het wooncomfort aantasten.
Als advies wordt er gegeven: voorschriften waarin de gebruiksduur van het kunstgrasveld zal worden beperkt, het plaatsen van geluidsschermen of een combinatie van beperkingen.

Het geschil
In een eerder tussenvonnis over deze zaak had de rechter geoordeeld dat de grenzen van hetgeen eiser heeft te dulden bereikt kan zijn en is de zaak in afwachting van het effect van een aantal maatregelen die deels kort daarvoor waren genomen en deels nog diende uitgevoerd aangehouden.
De rechtbank is van mening dat overschrijding van vigerende geluidsnormen is in beginsel onrechtmatig jegens degenen te wier bescherming die geluidsnormen zijn gegeven, zoals in dit geval omwonenden. Anders dan s.c. OMC meent kunnen in het geval dat die normen niet worden overschreden de omstandigheden van het geval meebrengen dat toch sprake is van onduldbare en dus onrechtmatige hinder. Zoals in het tussenvonnis van 18 augustus 2011 is overwogen (r.o. 4.2) hangt de vraag of hinder onrechtmatig is immers af van de omstandigheden van het geval en zijn relevante factoren daarbij de aard van de hinder, de ernst van de hinder, de duur van de hinder, de toegebrachte schade en de omstandigheden waaronder de hinder plaatsvindt. Laatstgenoemde omstandigheden kunnen onderverdeeld worden in factoren als het gewicht van de belangen die met de door de hinder toegebrachte activiteit worden gediend, de mogelijkheid – mede gelet op de daaraan verbonden kosten – en de bereidheid maatregelen ter voorkoming van schade te nemen, de gevoeligheid voor hinderlijke activiteiten, de plaatselijke omstandigheden, anterieur hinderlijk gebruik en het tijdstip van de hinder.
In het algemeen is een bewoner in de avonden vaak thuis en op het genot van zijn woning aangewezen. Volgens de niet door [eiser] bestreden opgave van s.c. OMC wordt het kunstgrasveld op doordeweekse dagen in de avonduren tot 21:00 à 21:30 uur gebruikt voor trainingen. Dat dit gebruik en daarmee de geluidsbelasting in de avonduren gelijk is aan het gebruik van het betreffende veld vóór de aanleg van het kunstgrasveld is door s.c. OMC tegenover de gemotiveerde en met verklaringen van twee buren onderbouwde betwisting van [eiser] niet onderbouwd en derhalve niet aannemelijk.
Op grond van het vorenstaande is aannemelijk dat de verstoring van het leef- en woongenot dat [eiser] op doordeweekse avonden door de geluidsoverlast vanaf het kunstgrasveld ondervindt de grenzen van het toelaatbare overschrijdt. Daarbij wordt mede in aanmerking genomen dat de geluidbelasting door stemgeluid van voetballers en trainers op grond van artikel 2.18 Barim bij voormelde metingen buiten beschouwing is gelaten, maar dat niet ter discussie staat dat die stemgeluiden eveneens als hinderlijk kunnen worden ervaren en het woongenot kunnen verstoren.

De beslissing
De onrechtmatige hinder die eiser van het gebruik van het kunstgrasveld door s.c. OMC ondervindt, rechtvaardigt het treffen van ordemaatregelen in afwachting van de door de Omgevingsdienst Zuid-Holland Zuid aangekondigde maatwerkvoorschriftenDe voorzieningenrechter gebiedt s.c. OMC:
a. het gebruik van het kunstgrasveld te beperken en wel zodanig dat het kunstgrasveld voor trainingen uitsluitend nog wordt gebruikt op doordeweekse dagen tot maximaal 20.30 uur
b. er op toe te zien dat het gebruik van het kunstgrasveld gedurende het weekeinde wordt beperkt tot het spelen van wedstrijden, inspeeltijd voor de wedstrijdspelers van maximaal 30 minuten daaronder begrepen.

De uitspraak staat HIER

maandag 26 maart 2012

Geen onrechtmatige hinder door baanverlichting tenniscomplex



De feiten
De eisers wonen naast tenniscomplex van Tenniscentrum Oldenzaal. De eisers ondervinden hinder van de baanverlichting van het tenniscomplex.

Het geschil
De vraag in dit geschil is of eisers als directe buren van het tenniscomplex hinder van de baanverlichting ondervinden, en is deze hinder als onrechtmatig aan te merken? Ter beoordeling van deze vraag heeft de voorzieningenrechter zich op 16 november tussen 20.00 en 21.00 uur persoonlijk van de situatie ter plaatse op de hoogte gesteld. De waargenomen omstandigheden kunnen kort en zakelijk worden beschreven als volgt. De bomen tussen het tenniscomplex en de woning van de eisers waren gedeeltelijk, maar nog niet volledig vrij van gebladerte. Alle buitenverlichting van het tenniscomplex was ontstoken.
De woning van de eisers staat schuin tegenover het tenniscomplex aan de overkant van de straat. Hun onderlinge afstand bedraagt, ruw geschat, ongeveer 100 meter.
De voorzieningenrechter heeft de lichtinstraling in de woonruimte van de eisers vanaf het tenniscomplex bekeken vanuit verschillende kamers. Vanuit de kamers was het licht van het tenniscomplex door de bomen duidelijk zichtbaar. De intensiteit van het licht was echter niet groot, en duidelijk minder fel dan het licht van de openbare straatverlichting ter plaatse. Ook in de tuin achter de woningen kon weliswaar licht van het complex worden waargenomen, maar minder fel dan aan de straatkant van de woningen.
De voorzieningenrechter kan zich wel voorstellen dat de eisers het licht van het complex niet fraai vinden, en het daarom hinderlijk vinden. De door de intensiteit van het licht van het complex ondervonden hinder acht de voorzieningenrechter niet erg groot. Het licht lijkt ook niet zo sterk dat het niet adequaat kan worden tegengehouden door normale gordijnen. In de tuin zou dit licht ook makkelijk worden tegengegaan door bijvoorbeeld beplanting

Beslissing
Er is dus geen sprake van ernstige hinder of overlast als gevolg van de gestelde lichtinstraling, dat de tennisvereniging en de gemeente onrechtmatig jegens de eisers handelen. Daaruit volgt dat de vordering niet kan worden toegewezen. Volledigheidshalve en voor alle duidelijkheid overweegt de voorzieningenrechter nog dat dit vonnis niets afdoet aan de verplichting van de tennisvereniging om zich te houden aan de tijden, gedurende welke het licht aan mag staan. Van de gemeente zou nog kunnen worden gevraagd om ervoor te zorgen dat de groenstrook met bomen tussen het tenniscomplex en de straat aan de zijde van de woningen van de eisers dicht met bomen beplant blijft.

De uitspraak staat HIER