Posts tonen met het label Algemene voorwaarden. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Algemene voorwaarden. Alle posts tonen

woensdag 2 juli 2014

Standaardvoorwaarden KNVB bij kaartverkoop onder omstandigheden onredelijk bezwarend


Zie ook het bericht: "SVA mag gepast juichen, KNVB deelsteruggefloten" op Ajaxlife.nl


De feiten
SVA is de supportersvereniging van Ajax en heeft meer dan negentigduizend leden. En heeft tot doel:
"1. De SVA heeft ten doel:
-( ...);en het behartigen van de belangen van alle supporters van AFC Ajax en met name de leden van de SVA..
2. De SVA tracht dit doel onder meer te bereiken door:
- (...)
-het  bevorderen van de verkrijging van extrafaciliteiten ten behoeve van Ajax- supporters met name de leden van de SVA, bij en rond wedstrijden van AFC Ajax. "
De KNVB heeft standaardvoorwaarden (hierna: de Standaardvoorwaarden) voor de verkoop van tickets opgesteld. Deze houden onder  meer het volgende in:
"Titel I: Inleidende bepalingen
Inleiding
Deze Standaardvoorwaarden  zijn door de KNVB opgesteld teneinde een aantal doelen te verwezenlijken. Uitgangspunt is dat een ieder die betrokken is bij de voetbalsport in Nederland, en niet in de laatste plaats de toeschouwer, er belang bij heeft dat voetbalevenementen  op een ordelijke wijze verlopen. Gedragingen van personen (alleen of in groepen) die de openbare orde en/of de veiligheid bij voetbalevenementen verstoren, zijn schadelijk voor het aanzien en het belang van het Nederlandse voetbal en kunnen een gevaar opleveren voor personen. Teneinde een ordelijk verloop in de ruimste zin te bewerkstelligen en een dergelijke onordelijk en onveilig gedrag bij voetbalevenementen  te beteugelen heeft de KNVB de onderhavige regels opgesteld.
(...)
Artikel 2 Toepassingsgebied
De Standaardvoorwaarden  zijn verbindend voor een ieder die een Toegangsbewijs aankoopt en/ofverkrijgt, dan wel een (S)CC aankoopt en/ofverkrijgt, alsmede voor het Publiek.

Titel II: Rechten en plichten van het Publiek en Clubs
(...)
Artikel 4: Datum en tijdstip Voetbalwedstrijden
"4.1. Voetbalwedstrijden  worden zoveel mogelijk gespeeld op de op het Toegangsbewijs vermelde dag(en) en tijstip(pen). De organisatoren van Voetbalwedstrijden behouden zich echter te allen tijde het recht voor terzake wijzigingen aan te brengen, indien dit naar hun oordeel nodig is.
4.2. De afgelasting, het staken, het niet uitspelen of het op grond van een uitspraak van een tuchtrechtelijk orgaan, de KNVB of het openbaar gezag spelen zonder publiek van een Voetbalwedstrijd  geeft het Publiek geen recht op restitutie van (enig deel van) de prijs van een Toegangsbewijs  of andere compensatie. Dit geldt ook indien er sprake is van het verplaatsen van een Evenement in tijd of locatie of een beslissing van de scheidsrechter dat de wedstrijd (gedeeltelijk) geen doorgang kan vinden.
(...)
Titel IV: Slotbepalingen
Artikel 18: Wijziging van de Standaardvoorwaarden. De KNVB kan deze Standaardvoorwaarden te allen tijde wijzigen. De gewijzigde voorwaarden worden onmiddellijk na wijziging van kracht. (...)"

De KNVB verplicht iedere betaald voetbal  organisatie (bvo) in Nederland de Standaardvoorwaarden van toepassing te verklaren bij het verkopen van toegangsbewijzen voor wedstrijden of toernooien waarop  de reglementen van de KNVB van toepassing zijn.  Dit blijkt uit onder meer art 8 juncto  art 14 lid 2 van het door de KNVNB opgestelde Handboek  Veiligheid 2011/2012.
Op 21 december 2011 is de tussen Ajax-AZ in het kader van de jaarlijkse strijd om de
KNVB  beker gespeelde wedstrijd  gestaakt  omdat  een toeschouwer het speelveld  had betreden en vervolgens de keeper van AZ aanviel. De Wedstrijd is op 19 januari 2012 in zijn geheel overgespeeld, zonder publiek. Op verzoek van Ajax heeft de KNVB ermee ingestemd  kinderen  in de leeftijd tot 12 jaar en hun begeleiders (gratis) toegang  te verlenen tot het stadion.
De supporters van Ajax die op 19 december 2011 bij de wedstrijd aanwezig waren en niet aanwezig mochten  zijn bij de opnieuw  gespeelde wedstrijd op 19 januari  2012 hebben  de koopprijs van het toegangsbewijs ad € 15,-- niet terug gekregen.
Bij brief van 17 januari  2012  heeft de raadsman van SVA aan het bestuur van de KNVB meegedeeld dat SVA bezwaar  had tegen artikel  4.2 van de Standaardvoorwaarden (hierna:  het Beding)  en heeft zij de KNVB  een termijn van twee weken verleend om in onderling overleg de voorwaarden zodanig te wijzigen dat dit bezwaar wordt weggenomen. Voor  zover er overleg  is geweest heeft dit niet tot resultaat  geleid.

Standpunt SVA
SVA voert aan dat artikel 4.2. van de Standaardvoorwaarden  onredelijk bezwarend is aangezien het de koper ieder recht op restitutie van de koopprijs ontneemt bij afgelasting, staking en niet uitspelen van een wedstrijd, daar waar de koper de gerede verwachting heeft dat hij met het gekochte toegangsbewijs  een (hele) voetbalwedstrijd te zien zal krijgen.
Hierdoor is er volgens SVA sprake van:
a) strijd met dwingend recht omdat er sprake is van een consumentenkoop  (art 7:5 BW), die ook een overeenkomst  op afstand (art 7:46a BW) betreft. Bij consumentenkoop kan niet van de afdelingen 1-7 van titel 10 van boek 7 BW worden afgeweken. (zie artikel 7:6 lid 1 BW);
b) een zwart beding in de zin van artikel 6:236 sub a en b BW;
c) dan wel een grijs beding in de zin van artikel 6:237 sub b, c, den f BW;
d) althans  een beding dat ook overigens onredelijk bezwarend is in de zin van artikel 6:233 sub a BW.

SVA heeft voorts aangevoerd dat de concrete aanleiding voor de onderhavige procedure de wijze van afwikkeling van de gestaakte en vervolgens opnieuw gespeelde wedstrijd Ajax-AZ betreft. Ter zitting  is door SVA aangevuld dat deze gang van zaken wordt gevoeld  als een straf jegens alle supporters voor de handelwijze van een eenling  en dat dit niet als eerlijk  wordt ervaren.

Standpunt KNVB
In zijn arrest  van 9 augustus 2006,  05/501  ECLI:NL:GHSR:2006:AY6000 heeft het hof artikel 4.2. van de Standaardvoorwaarden getoetst. Het artikel had toen de volgende tekst:
'De afgelasting, het staken of het niet uit pelen van een Voetbalwedstrijd  geeft het Publiek geen recht op restitutie van (enig deel van) de toegangsprijs  of andere compensatie'  Dit artikel  is toen niet onredelijk bezwarend geacht. De tekst van artikel 4.2. zoals dit artikel  thans aan het hof voorligt  is de volgende (waarbij hetgeen  gewijzigd is ten aanzien  van de onder 3.9. bedoelde  versie is onderstreept):
4.2. De afgelasting, het staken, het niet uitspelen of het op grond van een uitspraak van
een tuchtrechtelijk orgaan. de KNVB of het openlaar gezag spelen zonder publiek van een Voetbalwedstrijd  geeft het Publiek geen recht op restitutie van (enig deel van) de prijs van een Toegangsbewijs of andere compensatie.  Dit geldt ook indien er sprake is van het verplaatsen  van een Evenement in tijd of locatie  of een beslissing van de scheidsrechter dat de wedstrijd (gedeeltelijk ) geen doorgang kan vinden.
  
Oordeel gerechtshof
Voor de vraag of artikel 4.2. van de Standaardvoorwaarden  onredelijk bezwarend is in de zin van artikel 6:240 BW, dient het hof dit beding abstract te toetsen en zich daarbij te richten op de overgrote meerderheid van de gevallen. Gelet op hetgeen daaromtrent door de Hoge Raad is overwogen in het arrest van 16 mei 1997, ECLI:NL:HR: 1997:ZC2372 (Consumentenbond/EnergieNed e.a.) wordt hieronder verstaan dat:
1) de uitkomst van zodanige toetsing moet afhangen van een beoordeling van de gevallen waarin het beding verandering brengt in de rechtstoestand die bij gebreke van het beding zou hebben bestaan, en
2) beslissend is of in die gevallen moet worden geoordeeld of het beding, rekening houdend met de in de wetsgeschiedenis  besproken gezichtspunten - zoals de specifieke aard en inhoud van de overeenkomsten waarvoor de algemene voorwaarden zijn bestemd, en de "typische" eigenschappen en belangen van de personen met wie deze overeenkomsten plegen te worden gesloten- doorgaans tot onredelijke resultaten zal leiden. 

Het hof begrijpt dat de bezwaren  van SVA met name betrekking hebben  op 'het op grond van een uitspraak van een tuchtrechtelijk  orgaan, de KNVB of het openbaar gezag spelen zonder publiek'  van een Voetbalwedstrijd, al dan niet na staken  van de wedstrijd. Ofschoon de bezwaren zijn toegespitst op één voorbeeld, kan er in dit kader slechts een abstracte toetsing plaatsvinden.
Bij de beoordeling van de bezwaren  van SVA  houdt het hof rekening met het feit dat de Standaardvoorwaarden van toepassing zijn op de toegangsbewijzen voor alle betaald voetbalwedstrijden in Nederland alsmede met het doel van de Standaardvoorwaarden zoals hiervoor  weergegeven.
Partijen discussiëren over het belang van de juridische status van een toegangsbewijs van een voetbalwedstrijd voor beoordeling van de vordering. Het hof zal echter dit punt bij zijn beoordeling in het midden laten, nu deze vraag gelet op het hiernavolgende geen beantwoording behoeft en overigens ook afhankelijk is van de wijze waarop en door wie het toegangsbewijs is verkocht.
Onjuist acht het hof de stelling  van SVA dat een toegangskaart voor een voetbalwedstrijd waarop de Standaardvoorwaarden van toepassing zijn altijd het recht geeft een gehele (waarmee gelet op de stellingen van SVA wordt bedoeld uitgespeelde) wedstrijd bij te wonen. Zoals het hof reeds heeft overwogen in voormeld arrest van 9 augustus 2006 heeft de gebruiker van de Standaardvoorwaarden  de overeengekomen  prestatie verricht wanneer hij toegang heeft verleend tot het stadion waarin een wedstrijd wordt gespeeld, ook als deze wordt gestaakt dan wel niet uitgespeeld.
Hierbij dient in aanmerking te worden genomen dat een voetbalwedstrijd uit de aard van de zaak een grillig verloop kan hebben. Gebeurtenissen tijdens de wedstrijd kunnen er toe leiden dat de wedstrijd anders verloopt dan verwacht, afhankelijk van de omstandigheden wordt stilgelegd dan wel gestaakt en soms op een ander moment wordt overgespeeld. Het feit dat de wedstrijd vervolgens wordt overgespeeld zonder publiek ter voorkoming van onregelmatigheden  en op grond van een beslissing die met inachtneming van het in de Inleiding van de Standaardvoorwaarden  genoemde en hiervoor weergegeven doel is genomen, levert dan ook op zich  in de hiervoor weergegeven omstandigheden geen tekortkoming van de gebruiker van de Standaardvoorwaarden  op, zodat artikel 4.2. Standaardvoorwaarden in dit opzicht niet onredelijk bezwarend is.
Voor zover voormelde zinsnede van artikel 4.2. Standaardvoorwaarden echter tevens ieder recht op restitutie van de prijs van een Toegangsbewijs uitsluit-ook als de wedstrijd op grond van een uitspraak op voorhand van een tuchtrechtelijk orgaan, de KNVB of het openbaar gezag niet dan wel geheel zonder publiek wordt gespeeld en het derhalve niet gaat om het overspelen van een reeds eerder gespeelde wedstrijd of de voortzetting van een gestaakte wedstrijd -en  daarmee gelet op de tekst van artikel 4.2. de bevoegdheid tot ontbinding volledig wordt uitgesloten dan wel beperkt is het hof van oordeel dat dit artikel in strijd is met de zwarte lijst zoals weergegeven  in artikel 6:236 b) en daarmee onredelijk bezwarend is in de zin van artikel 6:240 BW.
Ofschoon KNVB heeft aangevoerd dat een dergelijke situatie zich niet zal voordoen, aangezien in geval van het spelen van een wedstrijd zonder publiek- waarbij het niet gaat om het overspelen van een reeds eerder gespeelde wedstrijd of de voortzetting van een gestaakte wedstrijd- door de gebruiker van de Standaardvoorwaarden geen toegangskaarten  worden verkocht aan het publiek, volgt deze beperking niet uit de tekst van de Standaardvoorwaarden  en heeft KNVB op dit punt haar standpunt in het licht van bedoelde tekst naar het oordeel van het hof onvoldoende onderbouwd. Het feit dat een dergelijke situatie zeldzaam zou zijn doet aan het voorgaande niet af.
Gelet op het voorgaande zal het hof de gevorderde verklaring voor recht op hierna te melden wijze toewijzen. Naar het oordeel van het hof hebben partijen hiermee voldoende duidelijkheid op welke wijze artikel 4.2. van de Standaardvoorwaarden dient te worden aangepast. Het hof ziet dan ook geen aanleiding de vordering ex artikel 6:241 lid 4 BW toe te wijzen.


dinsdag 27 mei 2014

Ook in hoger beroep zijn parcoursbouwer en ponysportvereniging aansprakelijk voor schade door overlijden paard tijdens wedstrijd


Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 20-05-2014,ECLI:NL:GHSHE:2014:1426

Dit is een hoger beroep in DEZE zaak.
Zie ook het Blog van de advocate van de in het gelijk gestelde partij HIER 

De feiten
Een ruiter neemt, met zijn paard deel aan een crosscountry wedstrijd. Bij een cross country wedstrijd dienen door ruiter en paard volgens een vooraf bepaalde route verschillende soorten hindernissen te worden genomen zoals wallen, waterbak passages, greppels en constructies met boomstammen.
Bij de 21ste hindernis gaat het mis. Het paard zet niet goed af, waardoor het niet hoog genoeg van de grond komt en het in aanraking komt met de hindernis. Als gevolg hiervan zijn ruiter en paard ten val gekomen, waarbij het paard zo ernstig gewond is geraakt dat het ter plaatse door de dierenarts geeuthaniseerd.
De hindernis was niet goed opgebouwd. Bij de hindernis heeft het paard niet hoog genoeg gesprongen en is daardoor met de voorbenen tegen het dak van de boerderij-hindernisbaan gekomen. Omdat de boerderij niet verankerd was is de hindernis twee keer gekanteld waarbij de hindernis een veilige landing voor het paard belemmerde.
De rechtbank veroordeelt Princenhage (organisator van de wedstrijd) en de parcoursbouwer tot het betalen van schadevergoeding aan de ruiter. Tegen dit vonnise stellen de parcoursbouwer en de organisator hoger beroep in.

Oordeel gerechtshof
In hoger beroep bevestigt het gerechtshof het oordeel van de rechtbank.

Grief 1: Princenhage en parcoursbouwer(appelanten) maken bezwaar tegen de verwerping door de rechtbank van het beroep op exoneratie-clausule. Grief 2: Appelanten maken bezwaar tegen oordeel van de rechtbank dat de veiligheid van ruiter en paard het best gediend is met een constructie van een hindernis die vast zit, niet van zijn plaats komt en bij aanraking niet omver valt.

In de toelichting op de eerste grief stelt [Paarden- en Ponysportvereniging] dat zij er mee akkoord is dat de rechtbank haar relatie met de ruiter als contractueel heeft gekwalificeerd, en stelt de parcoursbouwer  dat zijn eventuele aansprakelijkheid moet worden beoordeeld binnen de sleutel van de onrechtmatige daad.
Princenhage en de parcoursbouwer  wijzen er op dat alle partijen bekend waren met de risico’s van cross country wedstrijden en dat de ruiter wist van de exoneratie-clausule. Volgens hen heeft de rechtbank ten onrechte aan het feit dat Princenhage en de parcoursbouwer verzekerd waren, de conclusie verbonden dat aan hen geen beroep op de exoneratie-clausule toe komt.

Het hof oordeelt als volgt.
Het antwoord op de vraag of redelijkheid en billijkheid aan een beroep op een contractueel beding in de weg staan, hangt af van alle relevante omstandigheden, zoals de aard en de verdere inhoud van de overeenkomst waarin het beding voorkomt, de maatschappelijke positie en onderlinge verhouding tussen partijen, de wijze waarop het beding tot stand is gekomen, de mate waarin de wederpartij zich de strekking van het beding bewust is geweest, en – bij exoneratiebedingen – de zwaarte van de schuld ter zake van het veroorzaken van de schade, mede in verband met de aard en de ernst van de bij enige gedraging betrokken belangen (standaardjurisprudentie sinds Hoge Raad 19 mei 1967, NJ 1967, 261 Saladin/HBU, Hoge Raad 20 februari 1976, NJ 1976, 486 Pseudo-vogelpest en Hoge Raad 25 april 1986, NJ 1986, 714 Smilde).
Een exoneratie-clausule dient in het algemeen buiten toepassing te blijven, indien de schade is veroorzaakt door opzet of bewuste roekeloosheid van de aansprakelijk gestelde partij (Hoge Raad 12 december 1997, NJ 1998, 208 Gemeente Stein/Driessen). Uit de omstandigheid dat geen sprake is van “grove schuld” kan, zonder verder onderzoek, niet worden afgeleid dat de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid zich niet doet gelden, omdat alle omstandigheden van het geval van belang zijn. Daaronder vallen bijvoorbeeld ook de gevolgen van het verzuim en in hoeverre de daardoor ontstane schade door verzekering is gedekt (Hoge Raad 18 juni 2004, NJ 2004, 585 Kuunders/Swinkels).
het oordeel van het hof valt aan Princenhage als organisator van de wedstrijd en eindverantwoordelijke voor de veiligheid, alsmede aan de parcoursbouwer  als bouwer van de hindernis, een ernstig verwijt te maken omtrent het niet vastzetten van de hindernis. Anders dan Princenhage en de parcoursbouwer  hebben betoogd, blijkt uit alle van toepassing zijnde reglementen, alsmede uit de instructies voor de hindernisbouwers, dat het in het geval van cross country wedstrijden voor de veiligheid van groot belang is dat de mobiele hindernis vast staat, in die zin dat de hindernis bij aanraking met ruiter en paard niet omvalt. Ook als uit die reglementen niet zonder meer zou kunnen worden afgeleid dat altijd een verankering in de grond nodig is, blijkt uit de aangehaalde regelgeving dat omverspringen van de hindernis moet worden voorkomen. Dat kan mogelijk ook door middel van een voldoende solide stut worden bereikt, maar daarvan was in dit geval evenmin sprake. Terecht heeft de rechtbank dan ook overwogen, dat de veiligheid van ruiter en paard het best gediend is met een constructie van een hindernis die vast zit, niet van zijn plaats komt en bij aanraking niet omver valt.
Dat de ruiter zich bewust was van de risico’s van een cross country wedstrijd en zich vrijwillig heeft blootgesteld aan het risico van een val van hem en/of zijn paard, bevrijdt Princenhage en de parcoursbouwer  niet van hun aansprakelijkheid ter zake van het niet treffen van de met het oog op dat risico geboden veiligheidsmaatregelen. Voorts valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien dat het enkele feit dat de parcoursbouwer als vrijwilliger is opgetreden, in de weg zou staan aan het concluderen tot aansprakelijkheid aan zijn zijde.
Daarnaast acht het hof van belang dat het voor de Paarden- en Ponysportvereniging en de parcoursbouwer  niet bezwaarlijk was om voorzorgsmaatregelen te treffen, zoals bijvoorbeeld het in de grond verankeren door middel van een L-ijzer of het stutten met zware balken. Princenhage en de parcoursbouwer hebben dit niet bestreden, maar aangevoerd dat dat niet nodig was. Zij miskennen hiermee echter dat het tegendeel is gebleken; de hindernis is immers bij botsing met het paard in de rijrichting (twee maal) gekanteld.
Gelet op het ernstige verwijt dat zowel aan Princenhage als aan de parcoursbouwer moet worden gemaakt , in samenhang met het feit dat Princenhage en de parcoursbouwer zijn verzekerd tegen aansprakelijkheid zoals in dit geval aan de orde is, acht het hof, evenals de rechtbank, het door Princenhage en de parcoursbouwer gedane beroep op de exoneratie-clausule naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.
Grief 3:Appelanten maken bezwaar tegen in tussenvonnis verstrekte bewijsopdracht
Princenhage en de parcoursbouwer hebben immers hun stelling dat de bewijsopdracht ten onrechte is gegeven, enkel onderbouwd met de aan hun tweede grief ten grondslag gelegde stelling dat de hindernis op zorgvuldige wijze is gebouwd en dat aan hen terzake geen verwijt kan worden gemaakt. Zoals hiervoor is overwogen, oordeelt het hof anders.

Grief 4; betreft de verwerping door de rechtbank van het beroep op eigen schuld
Paarden- en Ponysportvereniging] en de parcoursbouwer hebben aangevoerd, dat het impulsieve en onberekenbare gedrag van het paard moet worden toegerekend aan de ruiter en dat dit het door hen gedane beroep op eigen schuld rechtvaardigt. Volgens Princenhage en de parcoursbouwer moet “naar verkeersopvattingen deze schade met betrekking tot een dier voor eigen rekening van de eigenaar en gebruiker blijven”. Princenhage en de parcoursbouwer wijzen verder naar rechtsoverweging 3.12 van het tussenvonnis van 7 maart 2012, waarin de rechtbank overweegt dat Eventing een risicovolle sport is, waarbij geregeld ongelukken gebeuren, dat de ruiter niettemin aan de wedstrijd heeft deelgenomen en als geen ander de risico’s kende.
Het hof oordeelt als volgt. Indien zou moeten worden aangenomen dat de in dit geval geleden schade mede een gevolg is van de omstandigheid dat het paard de hindernis niet goed heeft genomen, welke omstandigheid aan de ruiter kan worden toegerekend, blijft de daarop in beginsel volgende verdeling van de vergoedingsplicht achterwege, indien de billijkheid dat wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist (artikel 6:101 lid 1 BW). De rechtbank heeft kennelijk aan dit laatste invulling gegeven, door te overwegen dat juist omdat bekend is dat een paard een hindernis soms niet goed neemt, het van belang is dat de regelgeving en aanwijzingen op veiligheidsgebied bij het bouwen van mobiele hindernissen, worden nageleefd. En voorts dat de ruiter, bij het aanvaarden van de hem bekende algemene risico’s verbonden aan eventingwedstrijden, er op mocht vertrouwen dat de hindernissen in overeenstemming met die regelgeving waren uitgevoerd. Het verweer van de ruiter heeft dezelfde strekking.
Princenhage en de parcoursbouwer hebben niet toegelicht waarom deze toepassing van de billijkheidscorrectie niet juist zou zijn. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat de vergoedingsplicht van Princenhage en de parcoursbouwer geheel in stand blijft, omdat de billijkheid dat eist, gelet op de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten (een paard dat een hindernis niet goed neemt versus een organisatie en parcoursbouwer die een hindernis niet goed hebben vastgezet) en de omstandigheid dat het niet goed nemen van een hindernis door een paard nu juist inherent is aan dit soort wedstrijden, hetgeen het belang bij het naleven van de in verband met de veiligheid aan hindernissen te stellen eisen extra zwaarwichtig maakt, van welke naleving de deelnemer aan de wedstrijd mag uitgaan.

Grief 5: is gericht tegen de bewijswaardering door de rechtbank
Princenhage en de parcoursbouwer hebben betoogd dat het paard geen roterende val heeft gemaakt, dat juist indien de hindernis vast zou hebben gestaan, het paard een roterende val zou hebben gemaakt en dat de schade dan ook zou zijn ontstaan of zelfs nog groter zou zijn geweest.
Het gerechtshof is van oordeel dat al met al het door Princenhage en de parcoursbouwer bijeengebrachte tegenbewijs onvoldoende om het voorshands aangenomen causale verband tussen de (aansprakelijkheid vestigende) gedraging van Princenhage en de parcoursbouwer (in dit geval bestaande uit het niet naleven van de besproken veiligheidsvoorschriften) en de aldus ontstane schade te ontzenuwen.

Grief 6: tegen de hoogte van het toegewezen schadebedrag

 De ruiter heeft de waardebepaling op basis van het bod van aspirant kopernader onderbouwd en voor wat betreft nut en noodzaak van een eventueel deskundigenbericht aangevoerd, wat thans ook in hoger beroep door hem is betoogd.
Bij deze stand van zaken valt niet in te zien waarom een op de voet van artikel 6:97 BW uit te voeren schadebegroting niet zou kunnen worden verricht door aansluiting te zoeken bij het door aspirant koper op het paard uitgebrachte bod. Onbestreden is dat aspirant koper een ervaren paardenhandelaar is. De conclusie is dan gerechtvaardigd dat aspirant kopereerder onder dan boven de waarde van het paard heeft geboden. In ieder geval hebben Princenhage en de parcoursbouwer niets aangevoerd, wat op het tegendeel zou wijzen.


zondag 19 mei 2013

Bezitter tokkelbaan risicoaansprakelijk voor schade klant ex. artikel 6:174 BW


tokkelen


Feiten
Eiser gaat tijdens zijn vakantie in de Ardennen tokkelen bij Outdoor Group aldaar. Hij gaat via de tokkelbaan, met een hoogteverschil van 20 meter, naar beneden en raakt bij de landing aan het einde van de tokkelbaan met zijn linkervoet de grond. Hij loopt daarbij letsel op aan zijn enkel. De eiser lijdt hierdoor schade en stelt Outdoor Group daarvoor aansprakelijk.
Oordeel rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat de tokkelbaan kan worden gekwalificeerd als een opstal in de zin van artikel 6:174 BW. Het bedrijfsmatig exploiteren van een tokkelbaan, waaraan men in beginsel ongeacht zijn conditie, leeftijd en mate van sportieve ervaring deel kan nemen, brengt volgens de rechtbank met zich mee dat de exploitant een bijzondere zorgvuldigheid moet betrachten om ongevallen zoveel mogelijk te voorkomen, dan wel de gevolgen daarvan zoveel mogelijk te beperken.
Naar het oordeel van de rechtbank dient een tokkelbaan zodanig te zijn ontworpen dat de tokkelende persoon niet, voordat hij volledig tot stilstand is gekomen, op enigerlei wijze met zijn voeten de grond kan raken en daardoor letsel kan oplopen. Dit geldt ook in dit geval waarbij de remming moeizamer ging dan normaal gesproken het geval is en de te remmen persoon (te) laat tot stilstand is gekomen. Deelnemers behoeven er niet bedacht op te zijn dat een tokkelbaan dusdanig is geconstrueerd dat hun benen of voeten (hard en ongecontroleerd) de grond kunnen raken alvorens zij volledig zijn afgeremd. Zij hoeven er evenmin op bedacht te zijn dat zij ter voorkoming van letsel aan het einde van een tokkelbaan hun benen moeten intrekken.
De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat de tokkelbaan in de zin van artikel 6:174 BW en veroordeelt Outdoor Group tot het betalen van de schadevergoeding. De stelling van Outdoor Group dat zij in verband met de aanleg van de tokkelbaan deskundig advies heeft ingewonnen en dat zich nimmer andere ongevallen met de tokkelbaan hebben voorgedaan, doet aan het voorgaande niet af. Ook het verweer dat de baan is goedgekeurd door gecertificeerde instanties, leidt volgens de rechtbank niet tot een ander oordeel.
Het verweer van Outdoor Group dat de eiser erop is gewezen dat hij bij de landing zijn benen diende in te trekken, kan Outdoor Group niet baten. Een dergelijke instructie c.q. waarschuwing vormde een onvoldoende adequate maatregel om letsel te voorkomen, zoals in dit geval blijkt. Outdoor Group mocht er - zelfs wanneer er vanuit wordt gegaan dat de instructies zijn gegeven op de wijze zoals door Outdoor Group c.s. gesteld - niet op vertrouwen dat deelnemers aan de tokkelbaan steeds in staat zijn om dergelijke instructies adequaat uit te voeren. Daarbij is van belang dat het nemen van een tokkelbaan voor veel mensen een spannende onderneming is, die veel prikkels genereert, waardoor zij minder goed in staat zijn om instructies als het op het juiste moment intrekken van de benen correct uit te voeren. Outdoor Group had hier bij het ontwerp van de tokkelbaan rekening mee moeten houden en er voor moeten zorgen dat zelfs wanneer deelnemers hun benen niet (tijdig) intrekken, zij voordat zij volledig zijn afgeremd niet de grond kunnen raken.

De uitspraak staat  HIER

zaterdag 30 maart 2013

Incident Ajax-AZ: moeder raakt seizoenskaart kwijt, moeder is boos…. op Ajax

LJN: BZ5797, Rechtbank Amsterdam, Datum uitspraak: 13-02-2013


Op 21 december 2011 vindt in de Amsterdam Arena de KNVB-bekerwedstrijd tussen Ajax en AZ plaats. Tijdens die wedstrijd wordt de doelman van AZ aangevallen door B., een zoon van A, nadat hij vanaf de tribune via het invalidendek het veld was opgerend. Berichtgeving over de aanval op de aanval op de keeper Esteban o.a. hier.
De zoon had een stadionverbod maar had met behulp van de Seizoen Club Card (SCC) van zijn moeder toch kaarten kunnen kopen voor de wedstrijd.  De moeder op grond van de seizoenskaart het recht om toegangskaarten te kopen voor stoelnummer 232, rij 13, vak 428. Ajax trekt als gevolg van het incident de seizoenskaart van moeder in, verwijzend naar de algemene voorwaarden waarin onder ander is bepaald:
"Artikel 14 Beëindiging geldigheid (S)CC
14.1 De Club is bevoegd de geldigheid van de (S)CC al dan niet tijdelijk (geheel of gedeeltelijk) te beëindigen indien:
a. de (S)CC-houder, of iemand die via de (S)CC-houder of met gebruikmaking van de (S)CC toegang heeft verkregen tot een Evenement of Stadion, zich tijdens dat Evenement of in dat Stadion naar de mening van de Club schuldig heeft gemaakt aan wangedrag;
b. de (S)CC-houder niet de verplichtingen naleeft, zoals vastgelegd in deze voorwaarden;
c. de (S)CC-houder, of iemand die via de (S)CC-houder of met gebruikmaking van de (S)CC toegang heeft verkregen tot een Evenement of Stadion, enige maatregel is opgelegd naar aanleiding van wangedrag bij enig Evenement of in enig Stadion;
(…)"
De moeder is het daar niet mee eens en spant een kort geding aan tegen Ajax. De moeder is van mening dat het beding onredelijk bezwarend is. Zij wist niet dat haar zoon met haar gegevens een toegangsbewijs voor de wedstrijd Ajax-AZ had gekocht. Voor de wedstrijd Ajax-AZ is de zoon niet gecontroleerd zodat hij het stadion gewoon kon betreden. De kaarten voor die wedstrijd waren ook beschikbaar in de vrije verkoop, zodat haar zoon ook op een andere manier dan via haar internetaccount aan een toegangsbewijs had kunnen komen. De kaarten voor de thuiswedstrijden zijn ook in de vrije verkoop verkrijgbaar, maar die kaarten zijn dan  € 10,-- tot € 20,-- duurder en bovendien zit de moeder dan op een andere plaats in het stadion. Op een andere plek is de beleving toch anders.
De rechtbank is van mening dat het niet onredelijk is  om SCC-houders, juist omdat zij als deel van het publiek ook belang hebben bij een goede sfeer en het achterwege blijven van incidenten in het stadion, enigermate medeverantwoordelijk te houden voor het gedrag van anderen die met hun hulp het stadion zijn ingekomen. De moeder heeft onvoldoende controle uitgeoefend op haar internetaccount. Ook is het niet mogelijk iedereen te controleren bij binnenkomst in het stadion omdat dan de wachttijden te lang worden. Bovendien heeft Ajax ernstig nadeel ondervonden van de actie van de zoon. De KNVB heeft Ajax een boete opgelegd van € 10.000,-- , Ajax heeft negatieve publiciteit gekregen en Ajax heeft sportief nadeel ondervonden omdat ze met 1-0 voor stonden toen de wedstrijd moest worden gestaakt. De rechtbank is van mening dat het beroep van Ajax op de algemene voorwaarden niet onredelijk is en stelt de moeder in het ongelijk. De reactie van Ajax op het incident is redelijk geweest gezien het verwijt dat de moeder gemaakt kan worden, de gevolgen voor Ajax en het feit dat het enige door de moeder gevoelde gevolg is dat ze de wedstrijden niet op haar 'eigen' stoel kan zien.
 De uitspraak staat HIER


donderdag 5 juli 2012

Deelname "trackday" is behendigheidsrit, en in polis uitgesloten



X is eigenaar van een BMW Hartge Z3 coupé. Voor deze auto heeft X bij Noordhollandsche een ‘all risk’ verzekering afgesloten. Op 15 juni 2011 is X met de auto naar het motor- en autosportcircuit Zolder te Heusden-Zolder (België) gegaan om daar te gaan rijden in het kader van een zogeheten ‘trackday’ (ook genoemd ‘open circuitdag’ en ‘vrij rijden’). Kort na aankomst overkwam X met zijn auto een eenzijdig ongeval. De auto raakte bij het uitkomen van de ‘Terlamenbocht’ in een spin en botste eerst met de neus en daarna met een zijkant tegen een stapel banden aan het eind van de binnenkant van deze bocht. Hierdoor raakte de auto zwaar beschadigd.
X vordert in dit geding een voorschot op de verzekeringsuitkering ten bedrage van € 24.500,-, te vermeerderen met wettelijke rente en een vergoeding wegens buitengerechtelijke kosten.
Noordhollandsche heeft zich ter afwering van de vordering onder meer beroepen op de uitsluitingsclausule in artikel 3 aanhef en onder i van de algemene voorwaarden behorende bij de verzekeringsovereenkomst. Daarin is bepaald dat van de verzekering is uitgesloten:
 “schade, veroorzaakt tijdens of voortvloeiende uit het deelnemen aan snelheids-, regelmatigheids- of behendigheidsritten, -wedstrijden of –proeven met uitzondering van zogenaamde oriëntatie- en puzzelritten welke geheel binnen Nederland worden gehouden”.

Oordeel kantonrechter
De kantonrechter heeft de vordering van X afgewezen. De deelname aan een ‘trackday’ moet volgens de kantonrechter worden gekwalificeerd als het deelnemen aan een behendigheidsrit zodat het beroep van Noordhollandsche op de uitsluitingsclausule gegrond is.

Hoger beroep
X gaat in hoger beroep en keert zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat de deelname aan de ‘trackday’ moet worden aangemerkt als het deelnemen aan een behendigheidsrit. Volgens hem wordt met deelname aan een behendigheidsrit in het normale spraakgebruik bedoeld het volgen van slipcursussen, slalomoefeningen en dergelijke. X brengt ook nog onder de aandacht dat er verzekeraars zijn die het rijden op een circuit expliciet opnemen in de uitsluitingsgronden en dat Noordhollandsche dat niet heeft gedaan.

Oordeel gerechtshof
Het gerechtshof bekrachtigt het oordeel van de kantonrechter. Ook het gerechtshof is van oordeel dat de deelname aan de ‘trackday’ op 15 juni 2011 moet worden aangemerkt als het deelnemen aan een snelheids- of behendigheidsrit. Het hof houdt in de eerste plaats rekening met de mogelijkheid dat reeds de deelname aan de ‘trackday’ door andere deelnemers en de wijze waarop tijdens deze dag door die andere deelnemers gebruik wordt gemaakt van het circuit meebrengen dat gesproken moet worden van het deelnemen door X aan een snelheids- of behendigheidsrit in de zin van de eerder geciteerde polisbepaling. Het is immers aannemelijk dat minst genomen een belangrijk deel van de deelnemers aan de ‘trackday’ naar het circuit is gekomen om daar in georganiseerd verband hard te rijden teneinde prestaties van de deelnemers of van de voertuigen te vergelijken. Op het circuit geldt geen snelheidslimiet en het is toegestaan links en rechts in te halen. Dat de aanwezigheid van een rescueteam en een circuitarts niets met de ‘trackday’ te maken heeft, zoals X betoogt – deze veiligheidsmaatregelen hebben er volgens hem mee te maken dat op het circuit ook officiële wedstrijden worden gehouden -, komt weinig aannemelijk voor. Ook indien zou worden aangenomen dat het rijgedrag van X op zichzelf beschouwd “individueel en rustig” zou zijn geweest, geldt voorshands dat X door zijn deelname aan de ‘trackday’ zich bewust in een situatie heeft begeven waarvan aannemelijk is dat deze reeds door de aanwezigheid en het verkeersgedrag van andere deelnemers moet worden aangemerkt als een snelheids- of behendigheidsrit.

dinsdag 3 juli 2012

Algemene voorwaarden sportschool/fitnessclub onredelijk bezwarend (en eiser weet dat)




Een klant heeft een tweejarig abonnement bij een sportschool. Na een aantal maanden loopt de klant een betalingsachterstand op. De sportschoolhouder vordert op grond van de algemene voorwaarden niet alleen de reeds vervallen termijnen, maar ook alle nog te vervallen termijnen.
Volgens de algemene voorwaarden zijn bij een betalingsachterstand ook de nog resterende termijnen ineens opeisbaar, waarbij de sportschool ook nog het recht heeft om de klant de toegang tot de faciliteiten te ontzeggen tot het moment dat de klant geheel aan die betalingsverplichting heeft voldaan.
De klant voert geen verweer, maar wordt in dit geval geholpen door de kantonrechter die uit zichzelf, ook wel ambtshalve genoemd, gaat toetsen of de voorwaarde niet onredelijk bezwarend is. De kantonrechter is van mening dat de wanverhouding tussen de tekortkoming van de schuldenaar (dat wil zeggen: het niet betalen van één of meerdere maandtermijnen) en de consequenties die voormelde bepaling aan die tekortkoming verbindt. De consequenties zijn de directe opeisbaarheid van alle (resterende) maandtermijnen bij een overeenkomst met een duur van twee jaar en het recht van de sportschool de klant niet toe te laten zolang niet het gehele abonnement van twee jaar betaald is.
De kantonrechter oordeelt dat het beding onredelijk bezwarend is (artikel 6:233 onder a BW).
De kantonrechter wijst de vordering daarom maar gedeeltelijk toe. De kantonrechter veroordeelt de klant tot het betalen van de opeisbare termijnen en geeft de klant het recht weer gebruik te maken van de faciliteiten als hij weer "bij " is met betalen.

Tot slot:
De namens de eiser, Health City?, optredende deurwaarder Sneijders vliegt m.i. hier uit de bocht. Vorig jaar had die deurwaarder in een zelfde zaak, hetzelfde oordeel ook al eens van de rechter in Den Bosch te horen gekregen. Uitspraak HIER