Posts tonen met het label Uitleg overeenkomst. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Uitleg overeenkomst. Alle posts tonen

maandag 1 februari 2016

Mag een minderjarige zonder toestemming van ouders abonnement sportschool afsluiten?


 
Feiten
Een minderjarige jongen heeft op 2 februari 2013 een inschrijfformulier van Fit For Free ingevuld en ondertekend. Hierbij heeft de minderjarige jongen als gewenst jaarabonnement aangekruist "Onbeperkt fitness (€ 15,95 per maand)” en gekozen voor betaling per maand. De minderjarige jongen partij was op dat moment  16 jaar.
Binnen een week na inschrijving heeft gedaagde partij mondeling aan eisende partij kenbaar gemaakt af te zien van de inschrijving.
Bij brief van 27 februari 2013 is de minderjarige jongen aangemaand tot betaling van de contributie.
Bij brief van 3 maart 2013, door Fit For Free op 5 maart 2013 ontvangen, heeft de vader van de jongen te kennen gegeven zijn minderjarige zoon geen toestemming te hebben gegeven tot het sluiten van een overeenkomst met Fit For Free.
De minderjarige jongen heeft nimmer gebruik gemaakt van het abonnement en heeft nimmer een Fit For Free Ledenpas ontvangen.

Het geschil
Fit For Free vordert  veroordeling van gedaagde partij tot betaling van € 283,48, vermeerderd met rente en kosten.

De beoordeling
De kantonrechter overweegt als volgt.
In artikel 1:234 BW zijn de gevolgen van het minderjarig zijn neergelegd (Wet van 6 april 1995, Stb. 1995, 240, in werking getreden op 2 november 1995). Tot 2 november 1995 werd een minderjarige handelingsonbekwaam geacht. De hoofdregel is thans dat een minderjarige bekwaam is rechtshandelingen te verrichten, mits hij handelt met toestemming van zijn wettelijke vertegenwoordiger. Deze toestemming kan slechts worden verleend voor een bepaalde rechtshandeling of een bepaald doel.
Deze toestemming hoeft vervolgens niet expliciet te zijn gegeven en wordt volgens artikel 1:234 lid 3 BW verondersteld te zijn verleend als het om een rechtshandeling gaat ten aanzien waarvan het in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk is dat minderjarigen van een bepaalde leeftijd deze zelfstandig verrichten. Artikel 1:234 lid 3 BW biedt echter geen vrijbrief voor derden om de opvatting van de wettelijke vertegenwoordiger in concrete gevallen te negeren. Dit artikellid bewerkstelligt enkel dat derden niet hoeven te verifiëren of de gezaghebbende instemt met het aangaan van een rechtshandeling. Eisende partij mocht er in het onderhavige geval niet van uitgaan dat de toestemming van de wettelijke vertegenwoordiger aan de minderjarig mag worden verondersteld te zijn verleend, nu gebleken was van bezwaar van de wettelijk vertegenwoordiger. De door gedaagde partij verrichte rechtshandeling was derhalve vernietigbaar en uit de brief van de vader van gedaagde d.d. 3 maart 2013 had eisende partij dan ook dienen af te leiden dat de vader van gedaagde partij vernietigbaarheid van de door zijn zoon, gedaagde partij, verrichte rechtshandeling inriep. Eisende partij had vervolgens de overeenkomst dienen te vernietigen.
Gelet op het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat tussen partij geen overeenkomst tot stand is gekomen. De grondslag voor de door eisende partij ingestelde vordering komt daarmee te vervallen. De vordering dient te worden afgewezen.

woensdag 23 september 2015

Misleidende reclame sportschool "Train More" door essentiële informatie niet te vermelden


 Feiten
Train More heeft via de website van Social Deal.nl een voucher voor drie of zes maanden onbeperkt sporten aangeboden, voor het bedrag van € 49,00 respectievelijk € 89,00. Onder “voorwaarden” staat vermeld:
- 7 dagen per week geldig
- de voucher is geldig in Diemen (…)
- maximaal 1 voucher per persoon, alleen voor mensen die afgelopen 6 maanden geen gebruik hebben gemaakt van een gelijksoortige actie
- niet i.c.m. overige acties en geen restitutie op contanten.

X heeft de aangeboden voucher uitgeprint en bij Train More Diemen ingeleverd.
Door middel van het inschrijfformulier van Train More, waarbij het hokje “Social Deal” is aangekruist, heeft X zich op 3 september 2013 ingeschreven. Op het inschrijfformulier staat vermeld:
Ik maak gebruik van de actie t.w.v. € 89,-
Hiervoor mag ik 6 maanden gebruikmaken van alle sport- en sauna faciliteiten. Ook kan ik onbeperkt gebruikmaken van de zonnebank en onbeperkt Healthdrinks upgraden.
Na 6 maanden wordt mijn abonnement omgezet in een TrainMore Basic lidmaatschap van € 9,95 per week tenzij ik een maand voor einddatum grouponactie opzeg.

X zegt de overeenkomst niet op en Train More vordert X te veroordelen tot betaling van € 86,24 aan onbetaald gelaten termijnen.

Oordeel rechtbank
Train More heeft op de website van Socialdeal.nl onder meer een kortingsvoucher aangeboden voor de prijs van € 89,00, op basis waarvan de betrokkene voor zes maanden onbeperkt gebruik kon maken van alle sportfaciliteiten, sauna, fitness, groepslessen en, zonnebank, inclusief inschrijfkosten en administratiekosten.
X heeft van dit aanbod gebruikt gemaakt. X is een consument. Op de door Train More aangeboden voucher staan de hierboven genoemde voorwaarden vermeld die op het aanbod van toepassing zijn. Dit betekent dat X als consument op grond van de daarop vermelde voorwaarden gebruik kon maken van de aanbieding om, zoals X wenste, zes maanden onbeperkt te sporten. Pas bij inschrijving op de sportschool blijkt dat aan dit onbeperkt sporten voor de duur van zes maanden ook een doorlopend Train More basic fit lidmaatschap is gekoppeld.
Artikel 6:193b BW bepaalt dat een handelaar onrechtmatig jegens een consument handelt indien hij een handelspraktijk verricht die oneerlijk is.
Door in haar aanbod tot onbeperkt sporten voor een periode van zes maanden tegen een vaste prijs niet te vermelden dat dit na ommekomst van deze periode wordt omgezet in een basis fit lidmaatschap, heeft Train More de consument op dat moment essentiële informatie onthouden en zo het vermogen van de gemiddelde consument om een geïnformeerd besluit te nemen merkbaar beperkt. Bovendien heeft Train More de consument de mogelijkheid onthouden om bij inwisseling van de voucher direct op te zeggen op dezelfde wijze als de overeenkomst is aangegaan.

Deze handelswijze van Train More is op grond van artikel 6:193b BW en rechtspraak van het Europese Hof van Justitie (o.a.16 april 2015 C-388/13 Hatóság/UPC) onrechtmatig.

maandag 17 augustus 2015

Enie.nl in kort geding veroordeeld tot betaling van sponsorbijdrage van € 175.000,-- aan Team Corendon



De feiten
Pro Skating exploiteert een professionele schaatsploeg, onder de naam Team Corendon. Team Corendon bestaat uit een aantal (schaats)trainers en schaatsers (mannen en vrouwen). De schaatsers nemen, indien daarvoor gekwalificeerd, deel aan nationale schaatswedstrijden, zoals Nederlandse kampioenschappen (NK), en aan internationale schaatswedstrijden, zoals Wereldkampioenschappen (WK), wedstrijden in het kader van de World Cup (WC) en, in een Olympisch jaar, de Olympische Spelen (OS). Hoofdsponsor van Team Corendon is luchtvaartmaatschappij Corendon (hierna verder te noemen: Corendon).
Enie.nl is een onderneming die zich toelegt op de verkoop en installatie van zonnepanelen.
Op 28 oktober 2014 hebben Pro Skating en Enie.nl voor het schaatsseizoen 2014/2015 (1 oktober 2014 tot en met 30 april 2015) een co-sponsorovereenkomst gesloten.
Enie.nl tracht door middel van deze sponsorovereenkomst een orderportefeuille van ongeveer € 250.000,00 binnen te halen. Voor partijen is het duidelijk dat Team Corendon nimmer zonnepanelen (voor/namens) enie.nl zal verkopen. Team Corendon levert enkel leads aan en enie.nl dient vervolgens zelf te trachten hun zonnepanelen te verkopen.
Op 2 februari 2015 heeft Team Corendon de overeengekomen sponsorbijdrage van € 220.000,00 en de hierover verschuldigde omzetbelasting van € 46.200,00, in totaal dus een bedrag van € 266.200,00, gefactureerd aan Enie.nl. Team Corendon heeft Enie.nl verzocht de factuur uiterlijk 24 februari 2015 te voldoen, door overmaking van het factuurbedrag op het rekeningnummer van Pro Skating.
Op 21 april 2015 heeft Enie.nl een bedrag van € 75.000,00 voldaan aan Pro Skating. Op 23 april 2015 heeft Enie.nl de over dit bedrag verschuldigde omzetbelasting, een bedrag van € 15.750,00, voldaan aan Pro Skating. Het restant van de factuur, een bedrag van € 175.450 (inclusief omzetbelasting), heeft Enie.nl onbetaald gelaten.

De vordering
Pro Skating vordert dat Enie.nl wordt veroordeeld tot betaling van € 175.450,00.

Oordeel voorzieningenrechter
De voorzieningenrechter stelt bij de beoordeling voorop dat met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in een veroordeling tot betaling van een geldsom, terughoudendheid op zijn plaats is en dienaangaande naar behoren feiten en omstandigheden moeten worden aangewezen die meebrengen dat een zodanige voorziening uit hoofde van onverwijlde spoed is geboden. Daarbij zal de rechter niet alleen moeten onderzoeken of de vordering van de eisende partij voldoende aannemelijk is, maar ook - kort gezegd - of een spoedeisend belang bestaat, terwijl hij bij de afweging van de belangen van de partijen mede (als één van de voor toewijsbaarheid in aanmerking te nemen factoren) het restitutierisico zal hebben te betrekken. Indien de gedaagde partij zich ter afwering van de vordering op een tegenvordering beroept, dient bij het onderzoek naar de aannemelijkheid van de vordering van de eisende partij ook de aannemelijkheid van de tegenvordering in aanmerking te worden genomen (zie onder andere Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13 augustus 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:5968).
De voorzieningenrechter voegt hier aan toe dat de aard van de procedure in kort geding geen ruimte biedt voor bewijsvoering door middel van het horen van getuigen.
Pro Skating heeft gesteld dat zij vanwege het niet voldoen van het (restant van het) verschuldigde sponsorbedrag in de financiële problemen is geraakt. Pro Skating genereert geen omzet en maakt geen winst. Pro Skating werkt met een exact sluitende begroting, waarbij de inkomsten volledig bestaan uit subsidies en sponsorgelden. Door het niet (volledig) hebben voldaan van de overeengekomen sponsorbijdrage is een gat in de begroting ontstaan, die er onder meer toe heeft geleid dat Pro Skating de door haar verschuldigde belasting niet tijdig heeft kunnen betalen, met als gevolg dat de Belastingdienst tweemaal aan boete heeft opgelegd, aldus Pro Skating. Met deze uiteenzetting heeft Pro Skating naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk gemaakt dat zij een spoedeisend belang heeft bij de door haar verzochte voorziening.
Enie.nl voert tot haar verweer aan dat Pro Skating haar contractuele verplichtingen jegens Enie.nl niet is nagekomen. Daartoe stelt Enie.nl dat Pro Skating in de sponsorovereenkomst aan Enie.nl een omzet van € 250.000,00 heeft gegarandeerd, maar dat Pro Skating deze garantie geen gestand heeft gedaan. Ook op andere punten is Pro Skating tekortgeschoten in de nakoming van contractuele verplichtingen jegens Enie.nl. Als gevolg van al deze tekortkomingen heeft Enie.nl schade geleden, die Enie.nl wenst te verrekenen met de vordering van Pro Skating, aldus Enie.nl. De voorzieningenrechter begrijpt dit verweer aldus dat Enie.nl van mening is dat zij na verrekening niets meer verschuldigd is aan Pro Skating.
Pro Skating bestrijdt dat zij aan Enie.nl een bepaalde omzet heeft gegarandeerd. Uiteraard is het de bedoeling van een sponsorovereenkomst dat de sponsornemer, in dit geval Enie.nl, haar naamsbekendheid en goodwill vergroot en daardoor indirect een hogere omzet hoopt te behalen. De sponsorgever, in dit geval Pro Skating, kan echter niet verantwoordelijk worden gehouden als de werkelijke omzet achterblijft bij de verwachtingen van de sponsornemer. Pro Skating heeft zich slechts verplicht tot het aandragen van zogenoemde "business-to-business leads", waarmee Enie.nl vervolgens aan de slag moest gaan. In zoverre heeft Pro Skating een inspanningsverplichting op zich genomen, waarvan zij zich voldoende heeft gekweten. Ook anderszins is van tekortkomingen in de nakoming van contractuele verplichtingen door Pro Skating jegens Enie.nl geen sprake, aldus Pro Skating.
De voorzieningenrechter overweegt dat voor de beantwoording van de vraag of partijen in de sponsorovereenkomst een omzetgarantie zijn overeengekomen, zoals Enie.nl stelt, het aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs uit hun verklaringen en gedragingen hebben mogen begrijpen en afleiden (HR 13 maart 1981, Haviltex, ECLI:NL:HR:1981:AG4158). In het licht van deze beoordelingsmaatstaf acht de voorzieningenrechter door Enie.nl niet aannemelijk gemaakt dat aan haar door Pro Skating een omzetgarantie is verleend. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat de tekst van de sponsorovereenkomst daar niet op wijst. Er is door Enie.nl geen bepaling aangewezen, noch in de sponsorovereenkomst noch in de bijlagen, in het bijzonder bijlage V, waaruit zonder meer kan worden afgeleid dat Pro Skating een omzetgarantie heeft verstrekt. Integendeel, de formulering van bijlage V wijst er veeleer op dat, zoals Pro Skating heeft gesteld, er niet meer is overeengekomen dan een inspanningsverplichting om Enie.nl in contact te brengen met "leads", dat wil zeggen toegang te geven tot het zakelijk netwerk van Pro Skating. Bovendien heeft Enie.nl zelf gesteld dat "de tekst van de overeenkomst een vlag is die de lading niet dekt", waarmee zij uitdrukking geeft aan ook haar opvatting dat de bedoelde garantie in de tekst niet is te vinden. Hierbij heeft te gelden dat partijen professionele partijen zijn en dat zij over de tekst van de sponsorovereenkomst hebben onderhandeld. Voorshands moet derhalve worden aangenomen dat de tekst van de sponsorovereenkomst de bedoeling van partijen weergeeft. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de directeur van Enie.nl ter zitting een uitleg heeft gegeven van bijlage V van de sponsorovereenkomst, die aansluit bij de tekst van bijlage V. Bovendien is daarnaast geen andere toelichting gegeven over de inhoud van en de wijze waarop de omzetgarantie vorm zou moeten krijgen, tegen de achtergrond dat Enie.nl van Pro Skating niet verwachtte dat zij zelf zonnepanelen aan de man zou brengen, zoals zijdens Enie.nl ter zitting is betoogd. Bij zijn oordeel dat van een omzetgarantie geen sprake is, betrekt de voorzieningenrechter voorts dat de sponsorovereenkomst is overeengekomen voor een betrekkelijke korte periode, namelijk zeven maanden. De duur alsmede de aard van de sponsorovereenkomst verdragen zich niet met een, kennelijk in de visie van Enie.nl, in tijd ongeclausuleerde omzetgarantie.
Aan de door Enie.nl in het geding gebracht verklaring van [E] (blijkbaar een medewerker van Team Coredon red.) kent de voorzieningenrechter in het licht van de voorgaande overwegingen minder gewicht toe. Diens verklaring dat hij een omzetgarantie zou hebben toegezegd namens Team Corendon staat op zichzelf tegenover de betwisting van de zijde van Pro Skating. Daarnaast verdraagt de verklaring van [E] zich niet met de door  de algemeen directeur van Enie.nl ter zitting gegeven toelichting over de wijze waarop volgens Enie.nl invulling moest worden gegeven aan de gestelde garantie. Tegen deze achtergrond mist de verklaring van [E] een nadere inkleuring. Bovendien sluit de verklaring van [E] niet uit dat de 'omzetgarantie', zoals [E] die schetst, een inspanningsverplichting betreft, zoals Pro Skating stelt.
De overige door Enie.nl gestelde tekortkomingen aan de zijde van Pro Skating houden onder meer verband met een door Enie.nl gesteld 'volwaardig co-sponsorschap'. Dit co-sponsorschap hield een vergaande exposure van Enie.nl in, waaronder het opnemen van naam en logo op de schaatspakken bij alle belangrijke wedstrijden. Deze verplichting is Pro Skating niet nagekomen, aldus Enie.nl. De voorzieningenrechter verwerpt deze stelling. In bijlage II is duidelijk omschreven dat het logo van Enie.nl alleen wordt vermeld op schaatspakken die worden gebruikt bij een NK, hetgeen door Enie.nl niet voldoende gemotiveerd is betwist.
Een ander door Enie.nl aan het adres van Pro Skating gemaakt verwijt betreft de samenstelling van Team Corendon. De voorzieningenrechter wijst op randnummer 20 in de pleitnota van Enie.nl. Wat hier ook van zij, dat de samenstelling van Team Corendon gaandeweg het schaatsseizoen is gewijzigd en dat er daarom sprake is van een Pro Skating toe te rekenen tekortkoming is onvoldoende met feiten gestaafd.
Een ander verwijt betreft dat Pro Skating in strijd met artikel 5.19 met een ander, in zonne-energieproducten handelend bedrijf een samenwerking zou zijn aangegaan.
De voorzieningenrechter gaat voorbij aan deze stelling nu Enie.nl deze stelling niet heeft onderbouwd, zodat hij niet kan beoordelen of dit verwijt hout snijdt en zo ja, of Pro Skating deze tekortkoming kan worden toegerekend.
Enie.nl verwijt Pro Skating tenslotte, samengevat weergegeven, dat de door Enie.nl gewenste samenwerking met Corendon, de hoofdsponsor van Team Corendon, niet van de grond is gekomen. Op zich is juist dat deze samenwerking niet tot stand is gekomen. Op dit punt kan Pro Skating echter evenmin een toerekenbare tekortkoming worden verweten, nu niet is gesteld dat Pro Skating een verbintenis om deze samenwerking te realiseren op zich heeft genomen. Zoals hiervoor is overwogen, heeft Enie.nl gebruik mogen maken van het netwerk van Pro Skating, Team Corendon, en hun sponsoren. Langs die weg is Enie.nl ook in contact gekomen met Corendon. Er heeft begin februari 2015 een bijeenkomst plaatsgevonden tussen de algemeen directeur van Enie.nl en (vertegenwoordigers van) Corendon. De voorzieningenrechter wijst op de memo d.d. 12 februari 2015 (productie 5 Enie.nl, alsmede productie 6 bij de brief van 5 juni 2015 van Pro Skating). Omdat Enie.nl haar betalingsverplichtingen jegens Pro Skating niet is nagekomen, heeft Corendon besloten niet (verder) samen te werken met Enie.nl. Deze keuze van Corendon kan niet aan Pro Skating worden tegengeworpen. Weliswaar exploiteert Pro Skating een schaatsteam dat Corendon als hoofdsponsor heeft, maar Pro Skating en Corendon zijn twee van elkaar te onderscheiden ondernemingen.

Op grond van voorgaande overwegingen komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat de vordering van Pro Skating voldoende aannemelijk en ook in een eventuele bodemprocedure toewijsbaar is en dat de daartegen door Enie.nl gevoerde verweren geen stand houden. Gelet daarop komt aan de stelling van Enie.nl dat bij toewijzing van de vordering het risico van non-restitutie bestaat, welke stelling overigens door Enie.nl niet specifiek, aan de hand van concrete feiten en omstandigheden, is onderbouwd, geen zodanig gewicht toe dat op grond daarvan de gevraagde voorziening geweigerd zou moeten worden. Ook de afweging van andere belangen van partijen leidt niet tot dat oordeel, al was het maar omdat Enie.nl, los van de ter onderbouwing van de hiervoor reeds verworpen verweren aangevoerde feiten en omstandigheden, geen feiten en omstandigheden heeft gesteld die tot het oordeel zouden kunnen leiden dat de gevraagde voorziening geweigerd moet worden. De voorzieningenrechter komt dan ook tot de slotsom dat de gevorderde veroordeling van Enie.nl tot betaling van het restant van de factuur, ten bedrage van € 175.450,00, toewijsbaar is.

vrijdag 1 mei 2015

Bewijsvermoeden van artikel 7:18 lid 2 BW ook van toepassing in geval van koop van een paard


De feiten
Het gaat in deze zaak om het volgende.
Op 13 juli 2010 is het paard Barney Hill zowel klinisch als röntgenologisch gekeurd door dierenarts [E] die een positief aankoopadvies verstrekte. Op of omstreeks 14 juli 2010 heeft de koper Barney Hill gekocht van Westrade voor € 30.000,-. Op 25 juli 2010 heeft de koper Barney Hill bij Westrade bereden. Hiervan is een video-opname gemaakt.
Barney Hill is in augustus 2010 bij Westrade opgehaald en naar Israël getransporteerd. Begin september 2010 heeft de koper met Barney Hill dressuurles genomen bij [G]. [G] schrijft in zijn verklaring van 28 november 2010 dat Barney Hill vanaf de eerste les kreupel was.
De koper heeft Barney Hill in september 2010 door de dierenartsen [A] en [R] laten onderzoeken. Beide dierenartsen concluderen dat Barney Hill kreupel is aan het rechter voorbeen.
Op 7 november 2010 heeft de koper Barney Hill laten onderzoeken door de dierenartsen [K] en [T]. Beide dierenartsen concluderen dat Barney Hill kreupel is aan het rechter voorbeen met als oorzaak een ontsteking in het peesgebied (proximal suspensory desmitis).
 Bij brief van 26 november 2010 heeft de advocaat van de koper de koopovereenkomst vernietigd althans ontbonden.
 Bij exploot van 1 juli 2011, hersteld bij exploot van 4 juli 2011, heeft de koper Westrade gedagvaard voor de kantonrechter te Dordrecht. de koper vorderde een verklaring voor recht dat hij de koopovereenkomst rechtsgeldig heeft ontbonden en voorts veroordeling van Westrade tot restitutie van de koopsom, tot het ophalen van Barney Hill bij de koper en tot vergoeding van de schade en buitengerechtelijke kosten.
In zijn vonnis van 12 april 2012 heeft de kantonrechter het beroep van de koper op het bewijsvermoeden van artikel 7:18 lid 2 BW verworpen. Volgens de kantonrechter verzet het feit dat het in dit geval gaat om een levend dier, mede gelet op de omstandigheden van het geval, zich tegen (toepassing van) het bewijsvermoeden. Daarbij heeft de kantonrechter in aanmerking genomen dat voorafgaand aan de verkoop door dierenarts Evers kennelijk geen afwijkingen zijn vastgesteld en het gebrek eerst is geconstateerd nadat Barney Hill was getransporteerd naar Israël. Vervolgens heeft de kantonrechter een deskundigenonderzoek bevolen voor het vaststellen van het gestelde gebrek en de oorzaak daarvan.
Het deskundigenbericht dat daarop is gevolgd, vermeldt onder meer:
De video laat zien dat Barney Hill in draf zo nu en dan RV kreupel loopt, maar soms ook enkele passen LV niet geheel zuiver loopt. Met name valt op dat de pas RV niet altijd goed wordt afgemaakt. (…) Naar mijn mening is er op basis van deze video (25-07-2010) geen uitspraak te doen of de geconstateerde kreupelheid te maken heeft met ruiter, paard, dan wel beide.
(…)
Samenvattend: het is hoogstwaarschijnlijk dat de op 7 november 2010 geconstateerde kreupelheid RV van Barney Hill veroorzaakt wordt door een ontsteking van het bovenste deel van de zgn. tussenpees, waarbij er met echografie geen ziekteverschijnselen zijn waar te nemen.

(…)
Op basis van de verklaringen van [G] (4 september), de dierenartsen [A] en [R] (september) en de dierenartsen [K] en [T] (7 november) is in een periode van 2 maanden herhaaldelijk vastgesteld dat Barney Hill RV kreupel loopt. Gelet op deze waarnemingen is er sprake van een chronische kreupelheid. Voor mij valt niet vast te stellen of dat op 1 augustus 2010 (ook) zo was. Immers, tijdens de aankoopkeuring op 13 juli 2010 liep volgens het keuringsrapport van dierenarts [E] Barney Hill niet kreupel en zijn er ook geen bevindingen waargenomen die te zijner tijd tot kreupelheid aanleiding kunnen geven. Op de video van 25 juli is weliswaar een kreupelheid te zien, maar ik kan geen uitspraak doen of dit te maken heeft met ruiter, paard, dan wel beide.
(…)
Bij vonnis van 14 februari 2013 heeft de kantonrechter de vordering afgewezen. Daartoe heeft hij overwogen dat volgens de deskundige een antedatering van de kreupelheid in alle redelijkheid slechts kan tot de datum van het onderzoek van [R] (september 2010) omdat deze in zijn onderzoek de kreupelheidsoorzaak in dezelfde regio vaststelde. In de (ante)datering tot het onderzoek van [R] zit al een marge en verdere (ante)datering is in redelijkheid niet mogelijk omdat men op beelden geen diagnose kan stellen, er vele andere aandoeningen tot vergelijkbare kreupelheid kunnen leiden en desmitis acuut kan ontstaan. Gelet op de nadere, goed gemotiveerde onderbouwing van de deskundige heeft de kantonrechter deze in zijn bevindingen gevolgd. De kantonrechter heeft daarom de koper niet geslaagd geacht in zijn bewijsopdracht.

Oordeel gerechtshof
De koper komt op tegen het oordeel van de kantonrechter dat het bewijsvermoeden van artikel 7:18 lid 2 BW in het onderhavige geval niet van toepassing is omdat het gaat om een levend dier en vanwege de omstandigheden van het geval. de koper betoogt dat uit de wetsgeschiedenis van artikel 7:18 lid 2 BW blijkt dat bij de totstandkoming van de richtlijn waarop deze bepaling is gebaseerd (Richtlijn 1999/44/EG, PbEG 1999, L 171, 12) alsook bij de totstandkoming van de bepaling zelf blijkt dat de problematiek van levende dieren is onderkend maar dat dat niet ertoe heeft geleid dat deze categorie als uitzondering in het kader van de tenzij-bepaling moet worden beschouwd.
Ingevolge artikel 7:18 lid 2 BW wordt bij een consumentenkoop vermoed dat de zaak bij aflevering niet aan de overeenkomst heeft beantwoord, indien de afwijking van het overeengekomene zich binnen een termijn van zes maanden na aflevering openbaart, tenzij de aard van de zaak of de aard van de afwijking zich daartegen verzet. In dit geding ligt de vraag voor of de aard van de zaak, een paard, en/of de aard van de afwijking, chronische kreupelheid vanwege een peesontsteking, meebrengen dat vanwege de tenzij-bepaling geen beroep kan worden gedaan op het bewijsvermoeden van voormeld artikel.
Tijdens de behandeling in de Eerste Kamer van het wetsvoorstel Aanpassing van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek aan de richtlijn betreffende bepaalde aspecten van de verkoop van en de garanties voor consumptiegoederen, dat heeft geleid tot invoering van artikel 7:18 BW is aan de minister de vraag gesteld of het niet voor de hand had gelegen in de wet uitdrukkelijk planten en dieren uit te zonderen op grond van de aard van de zaak als bedoeld in artikel 7:18 lid 2 BW. De minister heeft daarop als volgt geantwoord:
Het is, zoals aangegeven, juist dat bij bepaalde planten en dieren de aard daarvan zich tegen toepassing van het bewijsvermoeden kan verzetten. Ik noemde reeds planten waarvan men niet mag verwachten dat deze langer dan een aantal maanden leven en aquariumvissen die slechts bij een zeer nauwgezette verzorging in leven blijven. Men zal per geval moeten beoordelen of de aard daarvan zich al dan niet tegen toepassing van het bewijsvermoeden verzet, evenals dat bij andere consumptiegoederen het geval is. Ik meen dat men niet in het algemeen bij dieren en planten kan stellen dat de aard zich tegen toepassing van het bewijsvermoeden verzet. De richtlijn bevat op dit punt een open formulering omdat zo'n algemene uitzondering zich moeilijk in abstracto laat formuleren. Een specificering in de nationale uitvoeringswet zal snel in strijd met de richtlijn zijn.
(zie: Kamerstukken I, 2002-2003, 27 809, nr. 32a (nadere memorie van antwoord), blz. 4)
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de minister hieromtrent nog opgemerkt:
De discussie richt zich nu op dieren en het is zeker niet mijn bedoeling om daar bagatelliserend over te doen. Ik weet ook dat de betrokken branche zich zorgen maakt op dit punt. Daarom zeg ik voor alle duidelijkheid nog eens, dat Nederland zich van het begin af aan tegen het voorstel op dit punt heeft gekeerd, ook omdat Nederland deze omdraaiing van rechtsvermoedens niet juist vindt. Dat heeft er ook toe geleid dat Nederland zich op dit punt heeft onthouden, maar de consequentie van harmonisatie van wetgeving – dat overigens in de meeste gevallen tot goede wetgeving leidt – is nu eenmaal dat een aantal lidstaten overstemd kan worden. Het enkele feit dat Nederland overstemd wordt, is geen bewijs dat het resultaat slecht is. De mogelijkheid om lidstaten te overstemmen, geeft in veel gevallen juist de gelegenheid om betere wetgeving te realiseren.

en

Tijdens de onderhandelingen heeft Duitsland bepleit om de koop en verkoop van vee van de werkingssfeer van de richtlijn uit te sluiten, maar Duitsland heeft dit punt uiteindelijk laten vallen. Hieruit en uit de afwijzing van het Nederlandse voorstel blijkt ook dat onder ogen is gezien dat de richtlijn ook van toepassing is op de koop en verkoop van dieren en dat dit ook altijd de bedoeling is geweest. Dit geldt derhalve ook voor het wettelijke bewijsvermoeden. Zoals gezegd heeft Nederland zich juist tegen dit element van de richtlijn verzet; Nederland heeft gepleit voor de schrapping ervan. Omdat daarvoor onvoldoende steun bestond, is het bewijsvermoeden gehandhaafd en heeft Nederland zich onthouden bij de stemming. Dit punt is ook aan de orde gekomen in de SER die advies heeft uitgebracht over de richtlijn. Een meerderheid van de SER heeft de omkering van de bewijslast afgewezen, onder meer vanwege het mogelijk misbruik dat dit in de hand werkt. Dat deel was van mening dat de rechter van geval tot geval moet afwegen op welke partij de bewijslast rust. Kortom, voor dit onderdeel bestond zeker geen enthousiasme of steun in Nederland, maar het is een consequentie van het besluit over de richtlijn.
(zie: Handelingen I, 2002-2003, 19, blz. 596-597 en 598)

Specifiek over paarden heeft de minister opgemerkt:
De leden van de CDA-fractie stellen een aantal vragen over het effect van artikel 18 lid 2 bij de verkoop van paarden aan particulieren, waarbij de leden van de VVD-fractie zich aansluiten. De leden van de CDA-fractie constateren dat paarden doorgaans worden gebruikt op een wijze die het risico van letsel met zich meebrengt. Daarbij gaat het volgens deze leden om een reeks van mogelijke letsels: enerzijds om van buitenaf zichtbaar letsel dat door een direct van buitenaf op een paard inwerkende oorzaak is veroorzaakt, tot anderzijds om niet van buitenaf zichtbaar, inwendig ontstaan letsel, dat niet rechtstreeks is terug te voeren op een direct van buitenaf inwerkende oorzaak. Als voorbeeld geven deze leden een ontsteking, die het gevolg is van een verkeerd gebruik of een te intensief gebruik van het paard.
Deze leden stellen vervolgens dat de omstandigheid dat het om van buitenaf zichtbaar letsel gaat, spoedig tot de conclusie moet leiden dat de aard van de afwijking zich ertegen verzet, dat het vermoeden van artikel 18 lid 2 wordt toegepast. Onaannemelijk is, volgens deze leden, dat de koper het letsel niet heeft gezien bij de aflevering. Deze stelling kan in zijn algemeenheid worden onderschreven, met dien verstande dat ook bij van buitenaf zichtbaar letsel denkbaar is dat, ook al was deze bij de aflevering niet zichtbaar, de manifestering van dit letsel toch op een afwijking van het overeengekomene wijst. Men denke bijvoorbeeld aan een hond met heupdysplasie die zich na de aflevering manifesteert (vgl. HR 9 januari 1998, NJ 1998, 272). De aard van het letsel is hier derhalve van belang.
Vervolgens vragen de leden van de CDA-fractie aandacht voor een inwendige afwijking als gevolg van een verkeerd gebruik van het paard of een ernstige belasting van het dier. Deze leden wijzen erop dat aan de hand van waarnemingen van een veterinair deskundige, respectievelijk met hulpmiddelen uitgevoerd onderzoek, op basis van ervaringsregels en wetenschappelijke kennis de termijn kan worden bepaald tussen het moment van onderzoek en het moment waarop de aandoening moet zijn ontstaan. Deze leden meenden dat bij het optreden van een afwijking van een dier een dergelijke antedateringstermijn in beginsel bepalend zal zijn voor de vraag of het ten tijde van de aflevering aan de overeenkomst heeft beantwoord. Indien op een dergelijke wijze bepaald kan worden dat de inwendige afwijking nog niet bestond op het moment van aflevering, wil dat niet altijd zeggen dat daarmee het dier aan de overeenkomst beantwoordt. Het is immers goed mogelijk dat de afwijking die zich na aflevering openbaart het gevolg is van een erfelijke afwijking, waardoor het dier niet aan de overeenkomst beantwoordt. Het is verder ook mogelijk dat bijvoorbeeld een hierboven genoemde ontsteking niet het gevolg is van een ernstige belasting van het dier, maar het gevolg is van een overgevoeligheid daarvoor, waardoor een dier reeds bij een normale belasting daarvan last krijgt. Het dier is dan reeds ten tijde van de aflevering niet geschikt voor een normaal gebruik, zodat het niet aan de overeenkomst beantwoordt. Of een dergelijke antedateringstermijn derhalve bepalend kan zijn voor de vraag of het dier aan de overeenkomst beantwoordt, zal afhankelijk zijn van de aard van de afwijking en de wetenschappelijke inzichten omtrent de waarschijnlijke of mogelijke oorzaak of oorzaken daarvan.
Aldus kan een antedateringstermijn ook een rol spelen bij de toepassing van artikel 18 lid 2, waarnaar de leden van de CDA-fractie vervolgens vragen. Indien met toepassing van dit lid de verkoper dient te stellen en, zo nodig, te bewijzen dat het dier bij de aflevering aan de overeenkomst beantwoordde, zal – als zojuist aangegeven – een antedateringstermijn niet in alle gevallen bepalend zijn voor de beantwoording van deze vraag. Dit is zij bijvoorbeeld niet indien de afwijking een natuurlijke, of mede een natuurlijke oorzaak kan hebben. Indien de afwijking evenwel uitsluitend het gevolg kan zijn van een verkeerd gebruik van het paard, dan is met de antedateringstermijn te bewijzen of het paard bij de aflevering al dan niet aan de overeenkomst beantwoordde. Hetzelfde heeft te gelden voor de bewijsfunctie in deze van röntgenfoto's van kwetsbare delen van het paard, waarnaar deze leden verwijzen. In antwoord op de vraag van deze leden zij voorts nog opgemerkt dat indien de aard van de afwijking meebrengt dat de verkoper door een antedateringstermijn of een röntgenfoto kan bewijzen dat het paard bij de aflevering aan de overeenkomst beantwoordde, de koper per definitie niet meer kan bewijzen dat de het paard niet aan de overeenkomst beantwoordde.
Ten slotte beschrijven de leden van de CDA-fractie de situatie waarbij een antedateringstermijn naar wetenschappelijke inzichten niet de beoogde zekerheid geeft omtrent het moment van het ontstaan van de aandoening, danwel de termijn een zekere marge kent, waardoor de afwijking zowel vlak voor de datum van aflevering als vlak daarna kan zijn ontstaan. Deze leden vragen of de zienswijze kan worden omschreven dat in dat geval de verkoper kan aantonen dat in de periode voor aflevering zodanig gebruik is gemaakt van het paard, dat het naar wetenschappelijke inzichten onwaarschijnlijk is dat de afwijking in die periode is ontstaan. Hierbij zij er nogmaals op gewezen dat het mogelijk is dat ook al openbaart een afwijking zich na aflevering, het paard desondanks niet aan de overeenkomst beantwoordt, bijvoorbeeld bij een erfelijke afwijking. Indien evenwel de afwijking louter het gevolg kan zijn van een verkeerd gebruik van het paard en het gezien het gebruik van het paard voor de aflevering naar wetenschappelijke inzichten onwaarschijnlijk is dat de afwijking in die periode is ontstaan, dan zal de beantwoording van de vraag of de verkoper daarmee in voldoende mate heeft bewezen dat het paard bij aflevering aan de overeenkomst beantwoordde, afhankelijk zijn van de mate van onwaarschijnlijkheid dat de afwijking voor de aflevering is ontstaan.
(zie: Kamerstukken I, 2001–2002, 27 809, nr. 323b (memorie van antwoord), blz. 8-9)

Uit het voorgaande volgt dat het enkele feit dat de verkochte zaak een dier en meer specifiek een paard betreft, niet aan toepassing van het bewijsvermoeden van artikel 7:18 lid 2 BW in de weg staat.
Met betrekking tot de vraag of de aard van de onderhavige afwijking, chronische kreupelheid vanwege een peesontsteking, in de weg staat aan een beroep op het bewijsvermoeden kan worden gewezen op de volgende passages in de parlementaire geschiedenis met betrekking tot artikel 18 lid 2 BW:
(…) bij de aard van de afwijking denke men aan de situatie waarin duidelijk is dat de afwijking is ontstaan door de handelwijze van de koper (bijvoorbeeld een overduidelijk door een val niet meer functionerende videorecorder).
(Zie: Kamerstukken II, 2000–2001, 27 809, nr. 3 (memorie van toelichting), blz. 20)
Ik vrees evenwel niet dat de verkoper hierdoor in veel gevallen in een bewijsnood terecht kan komen, omdat het wettelijk vermoeden niet geldt indien de aard van de afwijking zich daartegen verzet. Voor afwijkingen die derhalve duidelijk het gevolg zijn van onoordeelkundig gebruik door de consument, heeft deze regel derhalve geen effect. Uiteraard heeft het wettelijk vermoeden wel effect indien deze duidelijkheid ontbreekt, maar thans is moeilijk in te schatten in welke mate dit effect zich in de praktijk zal manifesteren.
(Kamerstukken I, 2001–2002, 27 809, nr. 323b (memorie van antwoord), blz. 8)

Uit deze passages blijkt dat de aard van de afwijking in de weg staat aan toepassing van het bewijsvermoeden indien reeds uit de aard van de afwijking volgt dat de afwijking zich ten tijde van de levering niet kan hebben voorgedaan. Daarvan is naar het oordeel van het hof in de onderhavige zaak geen sprake. Uit de aard van de afwijking, chronische kreupelheid vanwege een peesontsteking, kan niet worden afgeleid dat die pas na de levering is ontstaan.
 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat noch de aard van de verkochte zaak noch de aard van de afwijking in de weg staat aan toepassing van het bewijsvermoeden van artikel 7:18 lid 2 BW zodat de vierde en vijfde grief van de koper slagen.

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of het beroep van de koper op het bewijsvermoeden slaagt. Daarvoor is vereist dat de afwijking zich binnen een termijn van zes maanden na de aflevering heeft geopenbaard. Tussen partijen staat vast dat Barney Hill in augustus 2010 is geleverd. Uit het deskundigenbericht en het aanvullend deskundigenbericht blijkt dat de afwijking in september en november 2010 door verschillende dierenartsen is vastgesteld. Aldus heeft de afwijking zich binnen zes maanden na augustus 2010 geopenbaard zodat de koper een beroep toekomt op het bewijsvermoeden van artikel 7:18 lid 2 BW.
In de onderhavige zaak dient derhalve te worden uitgegaan van het vermoeden dat Barney Hill tijdens de aflevering aan de koper leed aan chronische kreupelheid vanwege een peesontsteking.
Dit vermoeden wordt nog versterkt door het deskundigenbericht en het aanvullend deskundigenbericht waarin de deskundige op basis van de video-opname van 25 juli 2010 tot de conclusie komt dat Barney Hill reeds op dat, vóór de aflevering gelegen, moment kreupel loopt. Volgens de deskundige loopt Barney Hill blijkens die video-opname kreupel op een wijze die ook wordt gezien bij paarden die lijden aan de bij Barney Hill geconstateerde peesontsteking aan het voorbeen. Daarbij maakt de deskundige wel de kanttekening dat hij niet kan uitsluiten dat de kreupelheid die op de video-opname is te zien een andere oorzaak heeft. Volgens de deskundige zijn er ook andere aandoeningen die tot een vergelijkbare kreupelheid kunnen leiden. Ook de ruiter kan de oorzaak zijn van het kreupel lopen.
Het vermoeden van artikel 7:18 lid 2 BW wordt ook nog versterkt door de volgende door de koper in eerste aanleg overgelegde verklaringen van dierenartsen die ook de video-opname hebben bekeken.
Concluderend:
Het paard Barney Hill is op de video-opname van 25 juli 2010 zichtbaar mank rechts voor. Er zijn geen objectieve elementen die er op wijzen dat de kreupelheid wordt uitgelokt door de ruiter. De kreupelheid op de video is verder qua type vergelijkbaar met de kreupelheid die tijdens de onderzoeken in de maanden volgend op de levering werd toegeschreven aan een proximale insertiedesmopathie.
Alles in acht genomen kan aldus met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid worden besloten dat (1) de kreupelheid op de video van 25 juli 2010 een fysieke oorzaak heeft en dat (2) die oorzaak dezelfde is als deze die verantwoordelijk wordt geacht voor de kreupelheid tijdens de onderzoeken in het najaar 2010 te Israël.
Het hof is van oordeel dat Westrade met hetgeen zij tot op dit moment heeft overgelegd vooralsnog onvoldoende tegenbewijs heeft geleverd tegen het bewijsvermoeden van artikel 7:18 lid 2 BW.
Westrade heeft in haar memorie van antwoord bewijs aangeboden. Ingevolge artikel 151 lid 2 Rv en vaste jurisprudentie van de Hoge Raad heeft Westrade recht op het leveren van tegenbewijs en behoeft een daarop gericht bewijsaanbod geen specificatie. Westrade zal daarom worden toegelaten tot het leveren van tegenbewijs. Aangezien zij niet heeft toegelicht op welke wijze zij tegenbewijs wenst te leveren, zal Westrade in de gelegenheid worden gesteld om bij akte nader toe te lichten hoe zij tegenbewijs wenst te leveren. De zaak zal daartoe naar de rol van 14 april 2015 worden verwezen. Na de akte van Westrade zal aan de koper de gelegenheid worden gegeven om bij antwoordakte daarop te reageren. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

Beslissing
Het hof:
- verwijst de zaak naar de rol van 14 april 2015 voor het nemen van een akte door Westrade als bedoeld in rov. 31;
- houdt iedere verdere beslissing aan.


dinsdag 5 augustus 2014

Kort geding Gemeente Alkmaar versus AZ: vordering tot dooronderhandelen over vestiging trainingscomplex in Alkmaar afgewezen


De voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar heeft op 5 augustus 2014 vonnis gewezen in het kort geding dat de gemeente Alkmaar had aangespannen tegen AZ en Stadion Alkmaar Beheer BV (SAB). De gemeente had gevorderd dat AZ en SAB op straffe van een dwangsom de onderhandelingen over de vestiging van een nieuw trainingscomplex aan de Westrand te Alkmaar moest voortzetten. De rechter heeft de vordering afgewezen en bepaald dat de gemeente de kosten van het geding moet betalen. De rechter heeft in het vonnis uitsluitsel gegeven over de onderstaande juridische vraagstukken.

Was er sprake van een overeenkomst tussen de gemeente Alkmaar en AZ?
De rechter heeft vastgesteld dat de gemeente Alkmaar en AZ in 2011 afspraken hebben gemaakt die deels concreet waren maar deels ook niet. Er was in 2011 sprake van een overeenkomst, maar één, die op bepaalde punten nog nader ingevuld moest worden. De formalisering van die afspraken is op het einde gestrand, terwijl er nog géén definitieve overeenstemming was. De vordering tot dooronderhandelen moet worden behandeld aan de hand van de vraag of het AZ nog vrij stond om de onderhandelingen af te breken en of het, gezien de inmiddels met Zaanstad gemaakte afspraken, thans nog van AZ gevergd kan worden dat zij de onderhandelingen met de gemeente Alkmaar op straffe van verbeurte van een dwangsom voortzet.

Stond het AZ vrij om de onderhandelingen met de gemeente Alkmaar af te breken en met Zaanstad in zee te gaan?
Deze vraag laat zich lastig beantwoorden in kort geding. Het is denkbaar dat, als de zaak uitgebreid behandeld wordt in een bodemprocedure, de rechter oordeelt dat AZ die vrijheid niet had en dus schadeplichtig is jegens de gemeente. Evengoed kan echter worden geredeneerd dat de gemeente Alkmaar genoeg kansen heeft gehad om tot overeenstemming te komen met AZ, maar die heeft laten lopen.  De vraag wie verantwoordelijk is voor het afbreken van de onderhandelingen kan in kort geding niet worden beantwoord.

Kan van AZ gevergd worden verder te onderhandelen met de gemeente Alkmaar op straffe van een dwangsom?

De rechter vindt dat dit niet van AZ kan worden gevergd. AZ heeft tijdens de zitting onomwonden duidelijk gemaakt dat het besluit, om het nieuwe trainingscomplex in Zaanstad te vestigen, vaststaat. Gezien het contract met de gemeente Zaanstad is AZ niet meer bereid met de gemeente Alkmaar te onderhandelen over de vestiging van het complex aan de Westrand. Nu in de visie van de rechter verdere onderhandelingen tot mislukken zijn gedoemd, zou het dwingen van AZ tot verder onderhandelen leiden tot nieuwe procedures over de vraag of dwangsommen zijn verbeurd. Dat zou AZ in een onmogelijke positie brengen en gaat de rechter te ver.


Samenvatting uitspraak:
De gemeente Alkmaar dagvaart voetbalclub AZ. Op 5 oktober 2011 zijn tussen de gemeente en AZ afspraken gemaakt. Deze afspraken zijn verwoord in een brief van de gemeente van 26 oktober 2011. Deze brief houdt voor zover hier van belang het volgende in:

“(…) In het laatste gesprek op 5 oktober jl. - waarbij aanwezig waren namens AZ NV de heren [naam 9] en [naam 6], de eigenaren van stadion, P8 en het Lood verenigd in Stadion Alkmaar Beheer B.V. en namens de gemeente Alkmaar de portefeuillehouders [naam 4] en [naam 10] en de heren [naam 1] en [naam 11] – is overeenstemming bereikt over de programmatische en financiële aspecten met betrekking tot en samenhangend met de vestiging van het nieuwe trainingscomplex aan de Westrand in Alkmaar. Het doet ons genoegen de gemaakte afspraken in deze brief te bevestigen. Deze afspraken zullen, nadat ook de raad hiermee heeft ingestemd, worden uitgewerkt en vastgelegd in een door AZ en de gemeente te ondertekenen huurovereenkomst en samenwerkingsovereenkomst met een eerste looptijd van 25 jaar en een door Stadion Alkmaar Beheer B.V. en de gemeente te ondertekenen erfpachtovereenkomst. Partijen hebben de intentie om na afloop van deze termijn de samenwerking te verlengen.
(…)
Planning, besluitvorming en communicatie
De in het kader van de ontwikkeling van het trainingscomplex met AZ en Stadion Alkmaar Beheer B.V. gemaakte afspraken zijn onder voorbehoud van een staatssteuntoets en instemming van de gemeenteraad.
Wij verzoeken u de in deze brief vastgelegde afspraken hieronder voor akkoord te ondertekenen. Parallel aan deze brief wordt een brief, met daarin vastgelegd de afspraken tussen gemeente en Stadion Alkmaar Beheer B.V., voor ondertekening aan de Stadion Alkmaar Beheer B.V. overlegd. Na ondertekening van beide brieven kan de besluitvorming door de raad worden voorbereid en kunnen de afspraken worden uitgewerkt in een tussen partijen af te sluiten huur- en erfpachtovereenkomst. De afspraken worden bekend gemaakt tijdens een gezamenlijke persconferentie van de gemeente en AZ in week 41.
Het raadsvoorstel zal naar verwachting in de raad van 1 december a.s. kunnen worden geagendeerd. Na besluitvorming door de raad zullen wij ons inspannen om, in nauw overleg met u en Stadion Alkmaar Beheer BV., te komen tot een voortvarende planuitwerking en technische voorbereiding van het trainingscomplex.
Wij richten ons daarbij op oplevering en ingebruikname van het complex eind 2013/begin 2014, waarvoor nodig is dat in overleg met u wordt onderzocht op welke wijze de bestaande conceptplanning (bijlage 3) kan worden versneld. Dit is onder meer afhankelijk van de voortgang van het gebouwontwerp, de aanbesteding
en de te voeren planologische procedure (inclusief instemming van de provincie).
Bij sterk wijzigende marktomstandigheden kan, zolang nog geen huurovereenkomst tussen gemeente en AZ is afgesloten en het werk nog niet is aanbesteed, op verzoek van AZ de verdere planuitwerking worden beëindigd. Indien AZ van dit recht gebruik maakt, neemt AZ alle vanaf datum ondertekening van deze brief door partijen gemaakte voorbereidingskosten voor zijn rekening.
Wij vertrouwen erop in een goede samenwerking met u het nieuwe trainingscomplex te realiseren. Namens ons college is wethouder [naam 4] ook bij de volgende uitwerkingen graag tot verder overleg bereid.”

In een nota aan burgemeester en wethouders van de gemeente van 25 oktober 2011 opgesteld namens de wethouder [naam4] over de besprekingen, is onder meer het volgende opgenomen:
“(…)
Juridische aspecten
De afspraken zoals die zijn vastgelegd in de door B&W te ondertekenen en AZ en Stadion Alkmaar Beheer B.V. mede te ondertekenen brieven kunnen worden beschouwd als een intentieovereenkomst. (…)”

Partijen hebben sindsdien veel onderhandelingen gevoerd en actie ondernomen om te komen tot realisatie van het plan. Er zijn in overleg nog een aantal wijzigingen doorgevoerd. De geplande oplevering en ingebruikname van het complex eind 2013/begin 2014 is niet gehaald.
Eind oktober 2013 heeft het college van de gemeente Zaanstad de gemeente Alkmaar geïnformeerd dat zij door AZ is benaderd met het verzoek om de mogelijkheid van een trainingscomplex te onderzoeken en dat de gemeente Zaanstad voornemens is aan dat verzoek mee te werken. In reactie hierop heeft de gemeente aan Zaanstad laten weten dat zij met AZ overeenkomsten heeft gesloten voor de realisatie van het trainingscomplex in Alkmaar die in rechte afdwingbaar zijn.

Op 25 januari 2014 heeft AZ met Zaanstad een intentieovereenkomst gesloten voor het uitvoeren van een haalbaarheidsonderzoek naar de vestiging van het trainingscomplex op het sportcomplex Kalverhoek.
Op 28 januari 2014 heeft de gemeente AZ een aangetekende brief gestuurd die onder meer het volgende inhoudt:
“Reeds lange tijd zijn wij met u in goed overleg over de realisatie van het AZ-trainingscomplex in de Westrand en zijn wij met u in dit proces zeer ver gevorderd. Gelet op enkele recente ontwikkelingen achten wij het helaas noodzakelijk u deze brief te sturen.
Allereerst reageren wij op uw brief van 2 december 2013 met bovengenoemd kenmerk. (…). In uw brief geeft u aan dat ‘...tegen de afspraken in belangrijke kostendragers als een casino en een reclamemast aan andere partijen dan aan AZ worden gegund”. Wij benadrukken hierbij dat voor wat betreft de mogelijke vestiging van een casino bij het stadion door de gemeente aan AZ geen toezeggingen zijn gedaan. Ter zake van de voorgenomen reclamemast merken wij op dat deze mast niet op gronden van Stadion Alkmaar Beheer (SAB) BV is gepland, maar op gemeentegrond. Overigens is een nieuw reclamebeleid in voorbereiding dat een verruiming van de mogelijkheden voor reclame beoogt.
Voor de afspraken inzake de ontwikkeling en bestemmingswijziging van stadionterrein, P8 en het Lood, alsmede de beoordeling van initiatieven die buiten deze bestemmingswijziging vallen, verwijzen wij u naar de op 26 oktober 2011 en 3 november 2011 respectievelijk met AZ NV en SAB BV afgesloten overeenkomst. Noch de vestiging van een casino noch de exploitatie van een reclamezuil maken hiervan onderdeel uit. Van de gemeente kan derhalve niet gezegd worden dat zij haar afspraken met AZ en SAB niet nakomt.
In de genoemde overeenkomsten hebben AZ NV en SAB BV zich verplicht tot de realisatie van het AZ trainingscomplex in de Westrand van Alkmaar. De in deze overeenkomsten vastgelegde afspraken zijn niet vrijblijvend en die afspraken geven AZ geen ruimte om dezelfde afspraken met andere partijen te maken.
Het verbaast ons derhalve dat AZ op 25 januari 2014 kennelijk een intentieovereenkomst met de gemeenten Zaanstad en Wormerland heeft afgesloten die is gericht op de vestiging van een trainingscomplex in de Zaanstreek. Wij achten deze intentieovereenkomst onverenigbaar met de tussen u en ons geldende op realisatie gerichte overeenkomst (…)
De afgelopen twee jaar hebben wij op basis van de overeenkomst uit 2011 nauw met elkaar samengewerkt en hebben wij als partners belangrijke stappen gezet naar de realisatie van het AZ-trainingscomplex in de Westrand. Dat het proces langer heeft geduurd dan in 2011 werd voorzien, kan niet los worden gezien van de door AZ in 2012/2013 aangebrachte wijzigingen in het plan. Wij hebben AZ daar op 16 januari 2013 per brief nadrukkelijk op gewezen (…).
Gezien de betekenis van AZ voor de stad Alkmaar hechten wij groot belang aan een goede, op samenwerking gerichte relatie met AZ. Wij vertrouwen er dan ook op dat AZ NV en SAB BV de in 2011 gemaakte afspraken zullen nakomen en dat wij op korte termijn in goed overleg met u ook de laatste stappen naar realisatie van dit project kunnen zetten.”

In een e-mail van 30 januari 2014 van de gemeente aan AZ is het volgende meegedeeld.
“Naar aanleiding van het telefonisch contact van hedenochtend en in het licht van het constructief overleg dat gevoerd wordt kunt u de aangetekende brief d.d. 28 januari 2014 als niet verzonden beschouwen. (…)”

AZ heeft haar definitieve besluitvorming over het eventueel beëindigen van de planuitwerking meermalen uitgesteld, totdat zij in een overleg met de gemeente in januari 2014 heeft meegedeeld dat zij medio mei 2014 een definitieve beslissing zou nemen.

In een e-mail van 11 mei 2014 van AZ aan de gemeente wordt onder meer het volgende aangevoerd.
“(…) Hierbij memoreer ik dat wij in januari in overleg met het college van B&W van Alkmaar hebben besloten de besluitvorming met 4 maanden uit te stellen tot half mei. Met andere woorden, het is al maanden bekend dat nu een beslissing genomen moet worden. Het feit dat een aantal openstaande punten nu een paar dagen voor de besluitvorming binnen AZ nog niet is opgelost, doet ons eerlijk gezegd het ergste vrezen voor de keuze voor Alkmaar. Deze openstaande punten, die hieronder verder zullen worden benoemd, zijn voor ons essentieel en urgent en indien hieromtrent niet vóór aanstaande dinsdagavond overeenstemming is bereikt, lijkt ons de kans op een besluit om naar de Westrand te gaan uitermate gering.”

Partijen hebben over de in voornoemde e-mail genoemde geschilpunten niet binnen de door AZ gestelde termijn volledige overeenstemming kunnen bereiken.
Op 13 mei 2014 zijn de laatste concepten voor de huurovereenkomst, de overeenkomst van erfpacht en de overeenkomst van geldlening aan AZ toegestuurd. Dit heeft opnieuw niet geleid tot overeenstemming tussen partijen over de inhoud van de overeenkomsten.
Op 18 mei 2014 heeft AZ bekend gemaakt dat zij definitief heeft gekozen voor de vestiging van het nieuwe trainingscomplex in de gemeente Zaanstad.
Op 6 juni 2014 heeft AZ met de gemeente Zaanstad een overeenkomst ondertekend voor de realisatie van het nieuwe trainingscomplex.
De gemeente heeft de aan AZ uitgebrachte dagvaarding op 14 juli 2014 doen overbetekenen aan de gemeente Zaanstad.

Vordering Gemeente Alkmaar
De gemeente vordert dat de voorzieningenrechter, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
AZ veroordeelt om de onderhandelingen met de gemeente Alkmaar over de uitwerking van de gemaakte afspraken gericht op vestiging van het trainingscomplex aan de Westrand te Alkmaar te goeder trouw voort te zetten op basis van het commentaar van AZ en SAB d.d. 12 mei 2014 op de concept-huurovereenkomst, de concept-erfpachtovereenkomst, de concept bijlage bij artikel 3.5 van genoemde concept huurovereenkomst, en de reactie daarop van de gemeente d.d. 13 mei 2014, alsmede - voor wat betreft de overeenkomst van geldlening - op basis van de reactie van AZ van 24 april en 11 mei 2014 en de concept overeenkomst van geldlening d.d. 13 mei 2014 van notaris mr. H. Erkamp te Alkmaar;

Motivering gemeente Alkmaar
De gemeente legt aan haar vorderingen ten grondslag dat AZ inbreuk maakt op door haar met de gemeente in 2011 gemaakte bindende afspraken. Zij stelt dat die inbreuk eruit bestaat dat AZ een overeenkomst met de gemeente Zaanstad heeft gesloten, gericht op de realisatie van het nieuwe trainingscomplex op sportpark Kalverhoek van de gemeente Zaanstad. Dat is in strijd met het feit dat AZ al sinds 2011 gebonden is aan afspraken met de gemeente Alkmaar om het nieuwe trainingscomplex te realiseren aan de Westrand en derhalve pleegt AZ wanprestatie jegens de gemeente. Zij heeft Zaanstad hieromtrent ook vóór het sluiten van de overeenkomst op 6 juni 2014 geïnformeerd en zij gaat er om die reden van uit dat de door die gemeente met AZ gesloten overeenkomst op dit punt voorziet in een escape, zodat de gesloten overeenkomst niet aan toewijzing van haar vorderingen in dit kort geding in de weg kan staan. Zij wijst er op dat partijen, na het sluiten van de overeenkomst in 2011, een ontwerp- en bestemmingsplantraject hebben doorlopen, wat heeft geleid tot het opstellen van een concept huurovereenkomst en een concept overeenkomst tot uitgifte in erfpacht, van welke overeenkomsten de laatste concepten zijn gewisseld op 13 mei 2014. De gemeente stelt dat tussen partijen feitelijk overeenstemming bestond over alle voor de uitvoering van het project noodzakelijke afspraken. Voor zover het project nog nadere uitwerking behoeft, ziet die nadere uitwerking op ondergeschikte punten die niet in de weg staan aan uitvoering van het project en in ieder geval geen aanleiding geven om het overleg over de contractuele uitwerking van de bestaande afspraken af te breken, nu inmiddels het traject op een haar na afgerond is. Zij benadrukt dat er al bindende afspraken liggen zodat in deze procedure geen beroep wordt gedaan op de goede trouw in de precontractuele fase, maar meer op een verplichting om door te onderhandelen over de ondergeschikte elementen van een reeds gesloten overeenkomst. Om die reden heeft zij belang bij toewijzing van haar vorderingen, aldus nog steeds de gemeente.

Verweer AZ
AZ heeft verweer gevoerd. Zij heeft betwist dat er in 2011 bindende afspraken zijn gemaakt. Zij heeft het standpunt ingenomen dat deze afspraken meer moeten worden gezien als een intentieovereenkomst, zoals B&W dat destijds zelf hebben gekwalificeerd. Echter, er bleven in het vervolgtraject steeds nieuwe problemen ontstaan die vertraging in de planning tot gevolg hadden. AZ heeft tegenwerking van de gemeente ervaren bij het creëren van kostendragers (bioscoop, casino, reclamezuil), hoewel duidelijk besproken was dat deze kostendragers van groot belang waren voor AZ om de financiering van het traject rond te krijgen. Toch ging de gemeente in overleg met derden over de realisatie van een bioscoop en casino op Overstad en het oprichten van een reclamezuil dicht bij het stadion van AZ op een stukje grond dat aan de gemeente toebehoort. Door deze gang van zaken is het vertrouwen van AZ in de gemeente ernstig beschadigd geraakt. AZ heeft verder aangevoerd dat zij, door de opgetreden vertragingen, er ernstig rekening moest gaan houden dat het trainingscomplex niet op korte termijn alsnog gerealiseerd kon gaan worden en dat zij om die reden ook is gaan kijken naar een eventueel geschikte locatie elders. In dat verband is zij met Zaanstad in gesprek gekomen, waarvan zij de gemeente ook in kennis heeft gesteld. Uiteindelijk heeft zij in januari 2014 de gemeente meegedeeld dat zij uiterlijk medio mei 2014 een definitieve keuze zou maken voor de plaats van het nieuwe trainingscomplex. Ook die mededeling maakte evenwel niet dat partijen voor de datum 15 mei 2014 op alle punten tot overeenstemming konden komen. AZ heeft onder meer nog verschillende op- en aanmerkingen gemaakt ten aanzien van de laatste concepten voor de huurovereenkomst en de erfpachtovereenkomst en de beslissing over een aanvullende lening aan AZ moet nog worden getoetst in het kader van eventuele staatssteun. De huurvoorwaarden na ommekomst van de eerste 25 jaar, die in de overeenkomst van 2011 nog niet waren ingevuld, waren voor AZ van zeer groot belang. De gemeente bleef vasthouden aan een gelijkblijvende huurprijs, terwijl de investeringen tegen die tijd allang afgeschreven zouden zijn. Ook lag er nog altijd een bezwaar van de erven [naam12] tegen het ontwerp wijziging bestemmingsplan, hetgeen voor verdere vertraging dreigde te gaan zorgen. Al deze zaken maakten dat AZ de knoop heeft doorgehakt en, teneinde verdere vertraging te voorkomen, gekozen heeft voor Zaanstad waar zij gelijk kon beginnen met de (voorbereidingen voor de) realisatie van het trainingscomplex. De afspraken met Zaanstad zijn definitief en verder onderhandelen met de gemeente is dus zinloos, aldus nog steeds AZ.

Oordeel voorzieningenrechter
Partijen verschillen van inzicht in hoeverre sprake is van een precontractuele of een postcontractuele verhouding. Dit is echter een vooral semantische discussie die voor de uitkomst niet van groot belang is. Partijen zijn het er immers over eens dat zij hebben onderhandeld op basis van de in 2011 gemaakte afspraken, die deels concreet waren en deels niet. In zoverre is sprake van een postcontractuele verhouding. Vast staat echter evenzeer dat in 2011 is overeengekomen dat die afspraken nader geformaliseerd moesten worden in nog op te stellen contracten. Die formalisering is op het laatste moment gestrand op een tijdstip dat in elk geval ook als precontractueel kan worden gekwalificeerd, in de zin dat onderhandeld is in afwachting van een definitieve schriftelijk vastgelegde wilsovereenstemming.
Hoe die verhouding echter ook wordt gekwalificeerd, de vordering tot dooronderhandelen moet worden beoordeeld aan de hand van de vraag of het AZ, gegeven de - deels concrete - afspraken uit 2011 en de stand van de onderhandelingen sindsdien tot aan mei 2014, nog vrij stond om die onderhandelingen af te breken en met Zaanstad in zee te gegaan, alsmede de vraag of het, gezien de inmiddels met Zaanstad gemaakte afspraken, thans nog van AZ gevergd kan worden dat zij de onderhandelingen met de gemeente op straffe van verbeurte van een dwangsom voortzet.
De vraag of het AZ nog vrij stond om de onderhandelingen af te breken en met Zaanstad in zee te gaan is in het kader van dit kort geding lastig te beantwoorden. Denkbaar is dat de bodemrechter, indien geadieerd, tot de slotsom zal komen dat de vraag ontkennend moet worden beantwoord en dat AZ daarom schadeplichtig is jegens de gemeente. Zeker is dat echter geenszins, omdat evengoed geredeneerd kan worden dat de gemeente genoeg kansen heeft gehad, en vervolgens heeft laten lopen, om de onderhandelingen succesvol af te ronden. AZ heeft niet gekozen voor de in 2011 overeengekomen optie om de verdere planuitwerking te beëindigen op grond van sterk gewijzigde marktomstandigheden, naar aan te nemen valt vanwege de verplichting van AZ om in dat geval de door partijen gemaakte voorbereidingskosten voor haar rekening te nemen. Dus zal een eventuele schadeplichtigheid van AZ afhangen van de vraag aan wie het te wijten is dat de onderhandelingen zijn afgebroken.
Deze onzekerheid over de afloop van een eventuele bodemprocedure is van belang voor de beantwoording van de vraag of het, gezien de inmiddels met Zaanstad gemaakte afspraken, thans nog van AZ gevergd kan worden dat zij de onderhandelingen met de gemeente op straffe van verbeurte van een dwangsom voortzet. Hoe groter die onzekerheid, hoe minder een rechterlijk gebod tot dooronderhandelen in de rede ligt. Van belang is voorts dat AZ ter zitting onomwonden duidelijk heeft gemaakt dat haar besluit om het nieuwe trainingscomplex in Zaanstad te vestigen vaststaat en dat zij - mede gezien de inmiddels met Zaanstad bereikte wilsovereenstemming - niet langer bereid is met de gemeente verder te onderhandelen over het vestigen van het nieuwe trainingscomplex aan de Westrand. Aan te nemen valt daarom dat verdere onderhandelingen gedoemd zijn te mislukken, hetgeen dus onvermijdelijk tot executiegeschillen zou leiden, waarbij dan de vraag beantwoord zou moeten worden of AZ voldaan zou hebben aan de haar op straffe van een dwangsom opgelegde verplichting om te goeder trouw door te onderhandelen, met andere woorden of AZ dwangsommen zou hebben verbeurd. Voor AZ zou dat in de praktijk betekenen dat zij zich in een weinig benijdenswaardige positie zou bevinden. Zij zou zich immers naar alle waarschijnlijkheid genoodzaakt zien de onderhandelingen alsnog te laten stuklopen door weinig of geen water in de wijn te doen bij haar eisenpakket, en dat alles zonder kleerscheuren op te lopen in de vorm van verbeurde dwangsommen.

De voorzieningenrechter kan slechts constateren dat (los van de vraag wiens schuld dat is) de breuk tussen partijen inmiddels kennelijk zodanig definitief is dat verder onderhandelen een zinloze rituele dans zou zijn zonder enige reële kans op een positieve uitkomst. De vordering strekkende tot dooronderhandelen zal bij deze stand van zaken worden afgewezen. In het kielzog daarvan is ook de vordering van de gemeente die ertoe strekt dat het AZ verboden wordt verder uitvoering te geven aan de overeenkomst met de gemeente Zaanstad, niet toewijsbaar. De gemeente zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

woensdag 23 juli 2014

Mast tot tweemaal toe gebroken tijdens zeilwedstrijden. Non-conformiteit catamaran?


De feiten
Nautical Sports is in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank ’s-Gravenhage, sector kanton, locatie ‘s-Gravenhage tussen partijen gewezen vonnis van 29 augustus 2012. Vervolgens heeft het hof op 4 juni 2013 tussenarrest gewezen en op 23 augustus 2013 een comparitie bepaald. De comparitie is echter niet gehouden, omdat partijen daarvan beide wilden afzien. Daarop heeft Nautical Sports bij memorie van grieven zes grieven aangevoerd. Bij memorie van antwoord met een productie heeft De Vries de grieven bestreden. Tenslotte heeft Nautical Sports bij akte haar eis gewijzigd.
Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep
De door de rechtbank in het vonnis van 29 augustus 2012 vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daar van uitgaan. Het gaat in deze zaak om het volgende:
a. Op 16 september 2010 heeft De Vries van Nautical Sports een catamaran (hierna: de catamaran) gekocht. Daarbij heeft De Vries aangegeven dat hij de catamaran wilde gebruiken om deel te nemen aan zeilwedstrijden. De catamaran is in november 2010 aan De Vries geleverd.
b. Op 4 juni 2011 is tijdens een zeilwedstrijd de mast van de catamaran gebroken. Partijen hebben afgesproken dat De Vries de schade bij zijn verzekeraar zou melden. Nautical Sports zou een nieuwe mast leveren en De Vries zou de eventuele verzekeringsuitkering doorbetalen aan Nautical Sports.
c. Kort na het maken van die afspraak heeft Nautical Sports aan De Vries een nieuwe mast (hierna: de tweede mast) geleverd. De Vries heeft van zijn verzekeraar € 6.000,- ontvangen in verband met de gebroken mast, maar deze niet aan Nautical Sports betaald.
d. Tijdens een zeilwedstrijd in het weekend van 25 en 26 juni 2013 is ook de tweede mast gebroken. Als gevolg van deze breuk zijn ook het grootzeil, de fok en de romp van de catamaran beschadigd.
e. De Vries heeft de gebroken tweede mast laten onderzoeken door Ing. S.A. Fidder van Compose-it. Op 3 augustus heeft deze deskundige rapport uitgebracht van zijn bevindingen. In zijn rapport benoemt Fidder onder meer dat het grootste gedeelte van de breuk te wijten is aan een slechte hechting (tussen het “SB” en het “PS” deel) van de gebruikte hars in de mast.
f. Nautical Sports heeft op haar beurt de gebroken tweede mast laten onderzoeken door haar leverancier HEOL Composites (hierna: HEOL), die in een in het Engels gestelde e-mail van 8 augustus 2011 het rapport van Fidder weerspreekt.
g. De Vries heeft in eerste aanleg gedeeltelijke ontbinding gevorderd van de koopovereenkomst, voor zover die zag op de (tweede) mast, alsmede veroordeling van Nautical Sports tot betaling van schadevergoeding ad € 9.604,66 (of van € 3.604,66 voor zover het beroep van Nautical Sports op verrekening met de door De Vries in verband met de breuk van de breuk van de eerste mast ontvangen verzekeringsuitkering slaagt), één en ander te vermeerderen met rente en kosten.
h. Nautical Sports heeft in reconventie -kort gezegd- betaling van voornoemde  schadeuitkering van de verzekeraar vanDe Vries gevorderd.
i. In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter -samengevat- de vordering van De Vries toegewezen, onder verrekening met de door De Vries ontvangen schadeuitkering van € 6.000,-. De vordering van Nautical Sports is afgewezen.
j. In appel vordert Nautical Sports om de vorderingen van De Vries alsnog af te wijzen, (voorwaardelijk) De Vries te veroordelen tot betaling van € 6.035,10, vermeerderd met rente en kosten, alsmede tot terugbetaling van € 3.992,66 welk bedrag Nautical Sports aan De Vries heeft voldaan op grond van het bestreden vonnis in eerste aanleg, met veroordeling van De Vries in de kosten van beide instanties.

Oordeel Gerechtshof
Stelling De Vries
De Vries legt aan zijn vordering ten grondslag dat de tweede mast non-conform was en beroept zich, nadat hij dit eerder al deed bij dagvaarding in eerste aanleg, op het in artikel 7:18 lid 2 BW opgenomen bewijsvermoeden.
Bij de beoordeling daarvan staat voorop dat De Vries als natuurlijk persoon, niet handelend in de uitoefening van een beroep of bedrijf, bij Nautical Sports, handelend in de uitoefening van haar bedrijf, de tweede mast heeft aangeschaft ten behoeve van de eerder door De Vries bij Nautical Sports gekochte catamaran. Er is derhalve sprake van consumentenkoop in de zin van artikel 7:5 BW. Dat en meer speciaal de toepasselijkheid van artikel 7:18 lid 2 BW is door Nautical Sports ook niet bestreden.
Ingevolge artikel 7:17 lid 1 BW moet een afgeleverde zaak aan de overeenkomst beantwoorden. In artikel 7:18 lid 2 BW is bepaald dat bij een consumentenkoop wordt vermoed dat de zaak bij aflevering niet aan de overeenkomst heeft beantwoord, als de afwijking van het overeengekomene zich binnen een termijn van zes maanden na aflevering openbaart, tenzij de aard van de zaak of de aard van de afwijking zich daartegen verzet. In dit geval heeft de afwijking zich binnen enkele weken na aflevering geopenbaard: ongeveer twee weken na aflevering is de tweede mast gebroken. Noch de aard van de zaak, noch de aard van de afwijking verzet zich tegen toepassing van deze regel. Partijen hebben dat ook niet aangevoerd. Derhalve wordt vermoed dat de door Nautical Sports geleverde tweede mast non-conform was. Dit bewijsvermoeden is bovendien verstrekt, doordat De Vries zijn stellingen omtrent de non-conformiteit van de tweede mast heeft onderbouwd met het deskundigenrapport van Ing. S.A. Fidder, zoals hierboven sub 1.e. is vermeld.

Stelling Nautical Sports
Nautical Sports heeft van haar kant twee e-mails van HEOL in het geding gebracht, waarin L. Tournier in technisch Engels zijn zienswijze op de breuk in de tweede mast heeft verwoord. Deze informatie is echter onvoldoende om het wettelijk bewijsvermoeden, versterkt met genoemd deskundigenrapport aan het wankelen te brengen, niet in de laatste plaats omdat de berichten van HEOL gemotiveerd weersproken zijn. Voorts is daarbij van belang dat HEOL, als leverancier van de tweede mast, een eigen belang bij de uitkomst van deze procedure kan hebben.
Ook het betoog van Nautical Sports dat De Vries ten tijde van de breuk in de tweede mast meedeed aan de “Ronde van Texel”, een zeilwedstrijd die bekend staat om de zware omstandigheden en de kans op schade die daarmee samenhangt, evenals haar nadere stellingen dat tijdens de editie 2011 van de 400 gestarte boten er 147 zijn gefinisht en dat sprake was van een (te) vroege start van de race, zodat er weinig water op het wad stond, leiden niet tot een ander oordeel. De Vries heeft onbestreden aangevoerd dat Nautical Sports wist dat hij de catamaran (en daarmee de tweede mast) zou gebruiken voor zeilwedstrijden. De Vries heeft voorts reeds in eerste aanleg onderbouwd gesteld dat ten tijde van deze wedstrijd sprake was van windkracht 4, zodat van extreme omstandigheden geen sprake was. Tot slot heeft De Vries aangevoerd dat aan deze wedstrijd mede wordt deelgenomen door recreanten die niet altijd de wedstrijd uitvaren en heeft hij betwist dat het omslaan van zijn catamaran en het breken van de tweede mast het gevolg waren van – kort gezegd – zijn eigen schuld. Bij deze stand van zaken heeft Nautical Sports het voorshands vermoeden dat de tweede mast non-conform was niet aan het wankelen gebracht.
Het hof ziet aanleiding om Nautical Sports, overeenkomstig haar aanbod, toe te laten tot het leveren van tegenbewijs tegen het vooralsnog bewezen geachte feit dat de tweede mast non-conform was.

Beslissing
Het hof laat Nautical Sports tot het leveren van tegenbewijs tegen het vooralsnog bewezen geachte feit dat de tweede mast non-conform was.
Indien Nautical Sports getuigen wil doen horen, de getuigenverhoren zullen worden gehouden in een der zittingszalen van het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te
Den Haag ten overstaan van de hierbij benoemde raadsheer-commissaris mr. M. Flipse op 23 juli 2014 om 10.00 uur;


woensdag 23 april 2014

Ontruiming clubgebouw voetbalvereniging Gronitas: geen verkrijgende verjaring, opzegging duurovereenkomst schadeloostelling € 200.000,--


De feiten
De Gemeente is eigenaar van het sportcomplex gelegen aan de laan Corpus den Hoorn 98-102 te Groningen (hierna Sportcomplex Corpus den Hoorn te noemen). Gronitas is een voetbalvereniging opgericht in 1929. De vereniging bestaat momenteel uit ongeveer 185 leden. Op dit moment telt Gronintas zes seniorenelftallen. Gronitas was vanaf 1965 gevestigd op Sportpark Coendersborg gelegen aan de Kooiweg 1 te Groningen. Dit complex was eigendom van de Gemeente. Gronitas beschikte aldaar over een door haar gebouwd clubgebouw met was- en kleedaccommodatie. De ondergrond van het gebouw was niet aan Gronitas overgedragen; evenmin was er een opstalrecht gevestigd. In het kader van een gemeentelijke herverkaveling is Gronitas verhuisd naar sportcomplex Corpus den Hoorn. Medio juni 1989 zijn tussen partijen onder meer de volgende afspraken tot stand gekomen:
- de Gemeente zal aan Gronitas een verhuisvergoeding voldoen ad f 545.000,-- opdat Gronitas op Corpus den Hoorn een vergelijkbare accommodatie kan oprichten op een door de Gemeente aangewezen plek op het sportpark;
- de nog bestaande verplichtingen in het kader van de 1/3 Regeling ter zake van het clubgebouw op Sportpark Coendersborg blijven van kracht;
- de bestaande locatie op Sportpark Coendersborg zal onmiddellijk na gereedkomen van
het nieuwe onderkomen maar uiterlijk 1 juli 1990 worden ontruimd en verlaten opdat de Gemeente tot sloop en herontwikkeling ter plaatse zal kunnen overgaan.
Bij brief van 19 juli 1989 heeft de gemeente aan Gronitas geschreven (voor zover hier van belang):
“(…) Voor de herbouw van uw kleed-clubaccommodatie ontvangt u f 545.000,-. (…)
Het verstrekken van de bijdrage groot f 572.000,- onzerzijds betekent dat het gebouw op Coendersborg door u leeg en ontruimd uiterlijk op 1 juli 1990 moet worden opgeleverd en de gemeente per die datum eigenaar zal zijn van de betreffende accommodatie. (…)”

Als gevolg van bovengenoemde afspraken huurt Gronitas sedert juli 1990 de op het sportcomplex Corpus den Hoorn gelegen voetbalvelden van de Gemeente. Gronitas maakt voorts gebruik van het in 1990 in haar opdracht op het perceel van de Gemeente gerealiseerde clubgebouw (kantine) annex kleed- en wasaccommodatie met fitnessruimte. Daartoe noodzakelijke vergunningen zijn door Gronitas bij de Gemeente aangevraagd en verkregen. Gronitas heeft de bouwleges voldaan. De bouw is deels gerealiseerd door een door Gronitas ingeschakelde aannemer en deels door inzet van de leden.
Medio 1993 heeft Gronitas het clubgebouw uitgebreid. De financiering van de uitbreiding is tot stand gekomen via een zogenaamde "1/3 regeling". Deze regeling hield in dat voor een derde van de bouwkosten door de Gemeente subsidie werd verleend, voor een lening is verstrekt en een derde van de bouwkosten door Gronitas is voldaan. Het geleende deel is in 2010 door Gronitas afgelost.
De afgelopen vijf jaren heeft Gronitas de in het clubgebouw aanwezige fitnessruimte verhuurd aan FC Groningen. Voorts heeft zij inkomsten uit reclame nabij de snelweg A7 verworven. In de afgelopen tien jaar hebben de inkomsten bij elkaar € 168.000,- belopen.
Gronitas heeft met betrekking tot het clubgebouw en de overige opstallen steeds het gebruikersdeel van de onroerende zaak belasting voldaan. De Gemeente voldeed het eigenaarsdeel. Medio 2011 is tussen de Gemeente en Gronitas een dispuut ontstaan over de eigendom van het clubgebouw en de kleedkamers.
De huidige trainingsfaciliteit van de professionele voetbalvereniging FC Groningen nabij voetbalstadion de Euroborg te Groningen heeft een andere bestemming gekregen. De Gemeente en onderwijsinstelling Noorderpoortcollege hebben het plan ontwikkeld op deze locatie een sporthal te realiseren. De Gemeente is voornemens het sportcomplex Corpus den Hoorn als centrale trainingsfaciliteit van FC Groningen aan te wijzen.

Als FC Groningen op Corpus den Hoorn gaat trainen, komt er nabij de Euroborg ruimte vrij voor het Noorderpoortcollege. Dat college ontruimt vervolgens sportfaciliteiten elders, waar de sport in de betreffende wijk haar voordeel mee kan doen.  De Gemeente heeft Gronitas (onder aanbieding van een verhuiskostenvergoeding) alternatieve locaties voorgehouden. De aangeboden alternatieven houden, in grote lijnen, het volgende in:
1. het betrekken van een gereedstaande “eigen clubaccommodatie” op Sportpark De Parrel,
2. nieuwbouw van een “eigen sportaccommodatie” op Sportpark Coendersborg en
3. het inhuizen inhuizen van een bestaande sportaccommodatie bij een andere voetbalclub.

In het kader van de onderhandelingen is de vervangingswaarde van het clubgebouw (kantine) annex kleed- en wasaccommodatie door Kooitsra Feenstra Bedrijfsmakelaars getaxeerd op een bedrag van € 384.813,96. Op verzoek van de Gemeente heeft Kooistra Bedrijfsmaklaars een aanvullend rapport opgesteld waarin de onderhandse verkoopwaarde van de accommodatie, exclusief de ondergrond, is getaxeerd op € 165.000,-.  De vanaf eind 2011 tussen partijen gevoerde gesprekken hebben niet tot overeenstemming (een minnelijke verhuisregeling) geleid.
De Gemeente heeft een bodemprocedure aanhangig gemaakt waarin zij (onder meer) vordert te verklaren voor recht dat de Gemeente en niet Gronitas eigenaar is van het clubgebouw en de kleed- en wasaccommodatie.

Vorderingen Gemeenteen Gronitas
De gemeente vordert Gronitas te gelasten de club- tevens was- en kleedaccommodatie bij haar in gebruik en gelegen te Sportpark Corpus den Hoorn aan de Laan Corpus den Hoorn 98-102 uiterlijk 1 maart 2014 te ontruimen.
Gronitas vordert, indien de vordering in conventie wordt toegewezen, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad de Gemeente te veroordelen tot betaling aan haar van een bedrag groot € 385.000,-,

De standpunten van partijen
Het standpunt van de gemeente
De Gemeente stelt dat zij de ondergrond van de clubaccommodatie aan Gronitas in gebruik heeft gegeven welke overeenkomst zij bij schrijven van 30 mei 2013 tegen 1 november 2013 rechtsgeldig heeft opgezegd. De Gemeente heeft Gronitas aangezegd dat zij de accommodatie per die datum dient te ontruimen met het oog op sloop- en herontwikkeling ter plaatse.
De Gemeente heeft een zwaarwegend en spoedeisend belang bij herontwikkeling van het sportcomplex Corpus den Hoorn. Van de beoogde komst van FC Groningen profiteren de overige gebruikers van het complex. FC Groningen is bereid te investeren in de faciliteiten (hockeyvelden, softbalvelden, rugbyvelden etc.) en deze van een facelift te voorzien. Het Europapark zal profiteren van het vertrek van FC Groningen omdat de beoogde bouw van een nieuwe sporthal voor het Noorderpoortcollege kan worden gerealiseerd. Voorts zal ingebruikname van deze nieuwe sporthal elders ruimte bieden aan de sport in Groningen.

Het standpunt van Gronitas
Gronitas betwist dat sprake is van een bruikleenovereenkomst en stelt zich primair op het standpunt dat zij middels extinctieve verjaring eigenaar is geworden van het clubgebouw en de onderliggende grond. Gronitas heeft de opstallen en de onderliggende grond sinds 1990 in gebruik als ware zij eigenaar, en zij heeft sindsdien het voortdurende en onafgebroken bezit gehad zonder dat van de zijde van de Gemeente een daad van rechtsvordering tot beëindiging van het bezit is ingesteld, dan wel de verjaring anderszins is gestuit. Daarnaast stelt Gronitas dat de vordering in conventie te ingrijpend is om in het kader een kort geding te worden toegewezen, aangezien dit leidt tot de sloop van het clubgebouw en daarmee het einde van het bestaan van de club. Bovendien heeft de Gemeente geen rechtens te respecteren eigen belang: de Gemeente fungeert slechts als stroman voor FC Groningen.
In reconventie stelt Gronitas dat de vordering tot ontruiming op grond van de redelijkheid en billijkheid slechts voor toewijzing vatbaar is door de Gemeente te verplichten een vergoeding aan Gronitas te voldoen ter hoogte van € 385.000,-, nu de Gemeente steeds als uitgangspunt heeft gehad dat de schade die Gronitas zou leiden door een gedwongen verhuizing gecompenseerd zou worden. Het gevorderde bedrag is gebaseerd op de taxatie van het clubgebouw, waarin Gronitas in 1989 maar ook nadien flink heeft geïnvesteerd.

Oordeel rechter
Verjaring
De ondergrond waarop het clubgebouw staat is door de Gemeente, die eigenares is van het de terreinen waarop het gehele sportcomplex is gelegen, in 1989/1990 niet formeel in eigendom overgedragen aan Gronitas; evenmin is een opstalrecht gevestigd. Door ‘natrekking’ (art. 5:20 BW) is het door Gronitas geplaatste gebouw vanaf het begin eigendom van de Gemeente geweest. Dit eigendomsrecht kan zijn vervallen als zich het juridisch fenomeen van verjaring heeft voorgedaan. Gronitas heeft zich op zulke bevrijdende verjaring beroepen. Het beroep op verjaring zou alleen dan slagen als Gronitas gedurende tenminste 20 jaar na 1989/1990 onafgebroken het ‘bezit’ van de ondergrond heeft gehad (art. 3:306 BW, gelezen in samenhang met art. 3:314 BW). Bezit is het houden van een goed voor zichzelf; als er sprake is van het door de eigenaar toestaan van gebruik van de ondergrond en het door de gebruiker accepteren van die toestemming, is dat (naar opvattingen zoals die gelden in het maatschappelijk verkeer) ‘houderschap’ en geen bezit.
Uit art. 3:111 BW volgt dat wanneer men eenmaal begonnen is krachtens een rechtsverhouding voor een ander te houden, men hiermee onder dezelfde titel voortgaat, tenzij er zich een bijzonderheid voordoet, met name duidelijke tegenspraak van het recht van de ander. Dit laatste was er wel, maar deed zich pas recent voor, toen de Gemeente aanspraak maakte op de ondergrond van het clubgebouw en afbraak verlangde; vanaf 1989/1990 is er meer dan twintig jaar lang geen woord gewijd aan de juridische basis van de aanwezigheid van het gebouw.
Daarmee ligt de vraag voor, of Gronitas vanaf het eerste moment dat zij zich vestigde op Corpus den Hoorn, ‘bezitter’ van de ondergrond is geweest. Het beroep op het door haar gevoerde ‘bevrijdende verweer’ dat zij gedurende tenminste twintig jaar het bezit heeft gehad, moet door Gronitas in rechte worden waargemaakt.
Ter onderbouwing van haar stelling dat er in 1989/1990 sprake is geweest van inbezitneming, voert Gronitas in hoofdzaak twee argumenten aan: (1) er werd eigendom geruild omdat Gronitas ook al de eigendom had op de Coendersborg, (2) de Gemeente heeft niet bewezen dat er een bruikleenafspraak is gemaakt.
Het onder (1) genoemde argument snijdt geen hout, omdat op de Coendersborg zich exact dezelfde situatie heeft voorgedaan als op Corpus den Hoorn: zonder formele afspraken (eigendomsoverdracht of vestiging opstalrecht) is Gronitas gaan bouwen op gemeentegrond. Partijen hebben zich toen en later, bij de verhuizing naar Corpus den Hoorn, geen rekenschap gegeven van de juridische situatie. Dat was dom, maar is wel een gegeven. Als er geen inbezitneming kan worden aangenomen op Corpus den Hoorn, was dat er ook niet op de Coendersborg, en omgekeerd.
Inbezitneming in de zin van de wet kan niet aanwezig worden geacht in de gegeven context waarbij zonder dat ook maar iemand zich afvroeg hoe het juridisch lag of kon worden geregeld, Gronitas een clubgebouw is gaan oprichten op gemeentegrond; dat is niet anders te duiden dan dat Gronitas met toestemming van de gemeente gebruik is gaan maken van de gemeentegrond. Dit leidde in juridische zin tot houderschap, niet tot inbezitneming. Hiervoor is al overwogen dat houderschap in principe blijft bestaan; in dit geval heeft zich geen uitzondering op deze regel voorgedaan. Het onder (2) genoemde argument ziet eraan voorbij dat de bewijslast bij Gronitas ligt. Daarnaast geldt natuurlijk dat Gemeente en Gronitas ‘maar wat deden’ op de Coendersborg en later op Corpus den Hoorn: het feit dat men niet nadacht over de juridische situatie en dus geen formeel bruikleencontract opstelde, bewijst natuurlijk niet dat in juridische zin inbezitneming plaatsvond; voor dit laatste zijn eigenaarspretenties nodig, die ontbraken. Gronitas is met toestemming van de Gemeente eenvoudigweg ‘ergens’ op het gemeentelijk sportterrein een clubhuis gaan bouwen, niet meer, niet minder. Gebruik met toetstemming leidt eenvoudigweg tot ‘houderschap’, niet tot ‘bezit’.
De voorzieningenrechter houdt het ervoor dat in de bodemprocedure de rechtbank zal uitspreken dat zich geen verjaring die tot eigendomsverkrijging heeft geleid heeft voorgedaan. In de bewoordingen van art. 3:111 BW: Gronitas heeft krachtens haar rechtsverhouding met de Gemeente aangevangen voor een ander te houden en is daarmee onder dezelfde titel voortgegaan tot het moment dat het onderhavige geschil aan het licht trad. Dit laatste deed zich pas recent voor; eigenaarsaanspraken van Gronitas zijn vanaf dat moment consequent weersproken door de Gemeente, zodat verjaring niet kan worden aangenomen.

Bruikleenovereenkomst
Gegeven dat de eigendom van de ondergrond waar het clubgebouw op Corpus den Hoorn op werd geplaatst in 1989/1990 bij de Gemeente lag en gegeven dat er geen opstalrecht is gevestigd, kan de afspraak tussen de Gemeente en Gronitas niet anders worden aangeduid dan als een bruikleenovereenkomst: de Gemeente gaf, zonder een tegenprestatie te verlangen, voor onbepaalde tijd een stukje van het sportcomplex in gebruik aan Gronitas, opdat zij daarop haar clubgebouw zou kunnen plaatsen. Het feit dat er niets op schrift is gesteld en zelfs de omstandigheid dat het woord ‘bruikleen’ in 1989/1990 niet is gevallen, maakt niet dat een dergelijke overeenkomst niet aanwezig kan worden geacht. De kwalificatie volgt eenvoudigweg uit de feiten. Nu geen gebruik voor bepaalde tijd was overeengekomen, is de afspraak aan te merken als een duurovereenkomst voor onbepaalde tijd.

Opzegging: algemeen criterium
De Hoge Raad heeft zich in zijn arrest van 28 oktober 2011 (LJN BQ9854) uitgelaten over de opzegging van een duurovereenkomst die voor onbepaalde tijd is aangegaan. Of en, zo ja, onder welke voorwaarden zo'n overeenkomst opzegbaar is, wordt bepaald door de inhoud daarvan en door de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen. Indien wet en overeenkomst niet voorzien in een regeling van de opzegging, geldt dat de overeenkomst in beginsel opzegbaar is. De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien een voldoende zwaarwegende grond voor de opzegging bestaat, aldus de Hoge Raad. Uit diezelfde eisen kan, eveneens in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval, voortvloeien dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen of dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding.
In het nu beoordeelde geval bieden wet noch overeenkomst nadere aanwijzingen. Derhalve moet worden bezien of er een voldoende zwaarwegende grond voor opzegging bestaat, alsmede of vanwege een ontoereikende opzegtermijn dan wel een ongenoegzame (schade)vergoeding de opzegging in rechte niet kan worden aanvaard.

Aard van de overeenkomst
De aard van de overeenkomst en de overige omstandigheden van het geval spelen een rol bij beantwoording van de vraag of opzegging als rechtmatig kan worden aangemerkt.
De aard van de overeenkomst is niet zodanig dat deze bijna 25 jaar na het begin ervan opzegging niet goed denkbaar maakt. De Gemeente heeft als eigenares en als behartiger van het algemene belang de regie over een groot sportterrein; als er na al die jaren sterke behoefte ontstaat om dat terrein anders in te richten, kan het recht daartoe niet aan de Gemeente worden ontzegd.

Zwaarwegende grond voor opzegging
De Gemeente heeft in voldoende mate aangetoond dat zij een zwaarwegende grond heeft voor opzegging van de bruikleenovereenkomst. Een voor de hele regio zo belangrijke partij als FC Groningen verkrijgt op Corpus den Hoorn adequate voorzieningen, het Noorderpoortcollege kan dan goed terecht op de Euroborg, waardoor er elders in de stad weer ruimte ontstaat om sportfaciliteiten beter te organiseren. Gronitas heeft ook niet weersproken dat de Gemeente er groot belang bij heeft dat met de ontruiming van de plaats die het clubhuis van Gronitas nu inneemt, een ‘carrousel’ van verbeteringen van sportaccommodaties in werking kan gaan.

Opzegtermijn
Op 30 mei 2013 heeft de Gemeente definitief kenbaar gemaakt dat zij de door Gronitas ingenomen plaats weer zelf in gebruik wil nemen. Nu ontruiming aanvaard wordt per 1 maart 2014 (zie hierna), is de relevante termijn niet zodanig kort dat daarin een belemmering is gelegen voor het accepteren van de opzegging.

Vergoeding
Uit de eisen van redelijkheid en billijkheid kan in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval voortvloeien dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding.
De Gemeente heeft een vergoeding aangeboden, kortweg neerkomend op betaling van € 200.000,- zonder concreet uitzicht op aanvullende faciliteiten, dan wel een lagere vergoeding gecombineerd met voorzieningen in natura (te weten: eigen accommodatie op De Parrel, nieuwbouw op de Coendersborg, inhuizen bij een andere voetbalclub), grosso modo telkens ook neerkomend op een vergoeding van € 200.000,-.
De voorzieningenrechter neemt bij de beoordeling van het ‘aanbod’ van de Gemeente de volgende omstandigheden in aanmerking.

a) De Gemeente voldeed aan Gronitas in 1989/1990 € 247.310,- (fl. 545.000,-) ter bestrijding van de begrote bouwkosten van een nieuwe accommodatie. Aannemelijk is dat een gedeelte van de eerdere investeringen in het clubgebouw Coensdersborg (waar de vergoeding mede op was gebaseerd) gefinancierd is geweest uit een gemeentesubsidie. Gronitas heeft na 1989/1990 kleine verbouwingen grotendeels zelf gefinancierd. Gronitas heeft van haar clubgebouw bijna 25 jaar plezier gehad, terwijl zij er ook aanzienlijke inkomsten (€ 168.000,-) uit verkreeg (reclame, verhuur fitness); investeringen zijn aldus in belangrijke mate terugverdiend. De waarde van het gebouw in het economisch verkeer valt lastig te schatten (vanwege de incourantheid), maar mede gelet op veroudering is er onvoldoende aanleiding die waarde hoger aan te slaan dan € 200.000,-.

b) Elke vergoeding die de Gemeente moet voldoen, komt uit de publieke middelen. De overheidsfinanciën staan op het ogenblik sterk onder druk. De voorzieningenrechter kan de Gemeente goed volgen als zij, als het om sportuitgaven gaat, de prioriteit legt bij het investeren in voorzieningen voor de jeugd in plaats van het nog verdergaand tegemoetkomen aan Gronitas, een vereniging met 185 leden, welke slechts zes seniorenelftallen op de been brengt.

c) Een volledige schadevergoeding is, gelet op de gegeven eigendomssituatie, in een zaak als deze niet vereist; de Gemeente kan volstaan met een vergoeding die in de gegeven omstandigheden tegemoet komt aan de eisen van redelijkheid en billijkheid.
Gelet op dit een en ander merkt de voorzieningenrechter het aanbod van de Gemeente aan als toereikend.  Het is aan Gronitas om een keuze te maken uit de door de gemeente gepresenteerde varianten, of met de Gemeente te komen tot andere afspraken die liggen binnen de door de Gemeente gestelde grenzen.

De beslissing


De voorzieningenrechter gelast Gronitas de club- tevens was- en kleedaccommodatie uiterlijk 1 maart 2014 te ontruimen en te verlaten. Veroordeelt de Gemeente tot betaling aan Gronitas van een bedrag van € 200.000,- als voorschot op de schadeloosstelling.