Posts tonen met het label tweede kamer. Alle posts tonen
Posts tonen met het label tweede kamer. Alle posts tonen

dinsdag 30 juni 2015

Ministeriele regeling tot aanwijzing functies waar ketenregeling niet op van toepassing is en kantonrechter hogere vergoeding toe kan kennen



De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
Gelet op de artikelen 668a, achtste lid, 671c, vierde lid, en 677, zesde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek;
Besluit:
Artikel 1
Als functie, bedoeld in artikel 668a, achtste lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, wordt aangewezen de functie van:
  • a. voetbalspeler die als contractspeler geregistreerd staat bij de sectie betaald voetbal van de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond voor deelname aan de herencompetities van de sectie betaald voetbal;
  • b. trainer coach, assistent-trainer coach, technisch directeur, technisch manager, hoofd scouting, coördinator scouting, hoofd jeugdopleidingen en specialisten trainer, werkzaam in de onder a, bedoelde sectie;
  • c. bondstrainer of technisch directeur, werkzaam bij een nationale sportbond;
  • d. danser of acteur, die arbeid verricht bestaande uit werkzaamheden met betrekking tot uitvoeringen van culturele of artistieke aard of uitvoeringen die daarmee gelijkenis vertonen alsmede de direct daarmee samenhangende werkzaamheden, in de podiumkunstensectoren dans of theater;
  • e. remplaçant in dienst bij de door de Nederlandse orkesten opgerichte Stichtingen Remplaçanten of het Muziekcentrum van de Omroep;
  • f. de presentator, in dienst bij RTL Nederland B.V, die presentatiewerkzaamheden verzorgt voor de media of hieraan een zichtbare of hoorbare onderscheidende bijdrage levert, en van wie het bruto jaarsalaris, inclusief vakantiebijslag, omgerekend naar een fulltime dienstverband gebaseerd op 40 uur per week, en ongeacht het door de presentator daadwerkelijk gewerkte aantal uren, gelijk aan of hoger is dan € 100.000,–.
Artikel 2
Als functie, bedoeld in de artikelen 671c, vierde lid, en 677, zesde lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, worden aangewezen, de functies, genoemd in artikel 1, onderdelen a en b.

Artikel 3
Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2015.

Artikel 4
Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling ketenbepaling bijzondere functies en hogere vergoeding kantonrechter.
Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.
Den Haag, 24 juni 2015
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher


TOELICHTING
ALGEMEEN
Deze regeling wijst bepaalde functies in een bedrijfstak aan waarvoor bij collectieve arbeidsovereenkomst (cao) of regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan kan worden bepaald dat de ketenbepaling op grond van artikel 7:668a, achtste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) niet geldt en functies waarvoor op grond van artikel 7:671c, vierde lid, en artikel 7:677, zesde lid, BW, een hogere vergoeding kan worden toegekend indien sprake is van tussentijdse opzegging of ontbinding van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die niet tussentijds opzegbaar is.

Ketenbepaling
Op grond van de ketenbepaling geldt dat na drie elkaar opvolgende arbeidsovereenkomsten, of bij een minder aantal, na twee jaar, een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ontstaat. Voor een specifieke groep werknemers is een afwijkingsmogelijkheid van de ketenbepaling gecreëerd om te voorkomen dat toepassing van de ketenbepaling tot onaanvaardbare consequenties zou leiden. Dit betreft werknemers die functies vervullen in bedrijfstakken waarvoor het bestendig gebruik is en vanwege de intrinsieke aard van de bedrijfsvoering noodzakelijk is de arbeid uitsluitend te verrichten op grond van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd en waarvoor de gemaximeerde afwijkingsgrond in artikel 7:668a, vijfde lid, BW van ten hoogste zes arbeidsovereenkomsten in een periode van ten hoogste vier jaar onvoldoende soelaas biedt. Hiervoor is in artikel 7:668a, achtste lid, BW geregeld dat bij cao of bij regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan de ketenbepaling buiten toepassing kan worden verklaard, indien bij ministeriële regeling is vastgesteld dat het voor die functies bestendig gebruik is, en zowel vanwege de intrinsieke aard van de bedrijfsvoering als vanwege de intrinsieke aard van die functies noodzakelijk om de arbeid uitsluitend te verrichten op grond van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd.
De partijen betrokken bij de totstandkoming van een dergelijke cao kunnen bij de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid een gezamenlijk schriftelijk verzoek indienen om de ketenbepaling buiten toepassing te verklaren voor bepaalde functies in hun bedrijfstak. Naar aanleiding van verzoeken daartoe wordt in deze regeling voor de volgende functies een uitzondering getroffen:
  • 1. Contractspeler, trainer-coach – waaronder de jeugdcoach –, assistent trainer-coach, technisch directeur, technisch manager, hoofd scouting, coördinator scouting, hoofd jeugdopleidingen en specialisten trainer werkzaam in de herencompetitie van de bedrijfstak betaald voetbal;
  • 2. Bondstrainer en technisch directeur bij een nationale sportbond;
  • 3. Danser en acteur in de podiumkunstsectoren dans of theater;
  • 4. De musicus die als remplaçant werkzaam is bij een orkest;
  • 5. Presentatoren bij RTL Nederland met een bruto jaarsalaris van € 100.000,– of meer.
Voor deze functies is door de betrokken partijen aannemelijk gemaakt dat sprake is van een bestendig gebruik van tijdelijke arbeidsovereenkomsten en dat het vanwege de intrinsieke aard van zowel de bedrijfsvoering als van die functies noodzakelijk is om de arbeid uitsluitend te verrichten op grond van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd.

1. Contractspeler, trainer-coach, assistent trainer-coach, technisch directeur, technisch manager, hoofd scouting, coördinator scouting, hoofd jeugdopleidingen en specialisten trainer werkzaam in de herencompetitie van de bedrijfstak betaald voetbal
Voor de functie van contractspeler in de herencompetitie bij betaald voetbalorganisaties geldt dat zonder de mogelijkheid om een onbeperkt aantal arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd aan te gaan (zonder tussentijdse opzegmogelijkheid), betaald voetbalorganisaties onvoldoende zekerheid hebben over het behoud van contractspelers. Als door toedoen van de ketenbepaling een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zou ontstaan, zou deze arbeidsovereenkomst immers op elk gewenst moment, met inachtneming van een opzegtermijn van een maand, kunnen worden opgezegd door de werknemer, zonder dat daar enige financiële compensatie voor de club tegenover zou staan. Dit brengt niet alleen schade toe aan betaald voetbalorganisaties als het gaat om het behoud van spelers en daarmee aan de sportieve continuïteit, maar tast ook de huidige systematiek van vergoedingen aan die verschuldigd zijn bij spelerswisselingen waardoor het voortbestaan van de sector in het gedrang komt.
Voor de in de cao Trainer/Coaches Betaald Voetbal genoemde voetbaltechnische functies van trainer-coach – waaronder de jeugdcoach –`, assistent trainer-coach, technisch directeur, technisch manager, hoofd scouting, coördinator scouting, hoofd jeugdopleidingen en specialisten trainer geldt dat zij een sterke mate van onderlinge verwevenheid kennen, dat de invulling van deze functies mede wordt bepaald door het technisch beleid van een club en dat de betreffende werknemers bepalend zijn als het gaat om de invulling en uitvoering van dat beleid.
Een voortijdig tussentijds vertrek van deze werknemers – wat bij een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd eenvoudig realiseerbaar is – heeft negatieve gevolgen voor de continuïteit van (de uitvoering van) het technisch beleid van een betaald voetbal organisatie – en daarmee op de bedrijfsvoering – en kan tot ernstige financiële schade leiden en nadelig zijn voor de sportieve continuïteit. Daarom moet het ook voor deze functies mogelijk zijn een onbeperkt aantal tijdelijke arbeidsovereenkomsten (zonder tussentijdse opzegmogelijkheid) te kunnen sluiten zonder dat een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ontstaat.

2. Bondstrainer en technisch directeur bij een nationale sportbond
Voor deze functies gelden dezelfde overwegingen als voor de voetbaltechnische functies bij betaald voetbalorganisaties. Zonder de mogelijkheid van onbeperkt gebruik van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd (zonder tussentijdse opzegmogelijkheid) hebben nationale sportbonden onvoldoende zekerheid over het behoud van een bondstrainer of een technisch directeur die bepalend zijn als het gaat om de vormgeving en uitvoering van het technisch beleid. Het voortijdig kunnen opzeggen van de arbeidsovereenkomst zal niet alleen negatieve gevolgen hebben voor de sportieve continuïteit, maar tevens tot ernstige financiële schade kunnen leiden.

3. Danser en acteur in de bedrijfstak podiumkunsten
Voor de functies van danser en acteur wordt een uitzondering gemaakt omdat veelal of uitsluitend projectmatig wordt gewerkt, de frequentie en duur van de projecten en producties onregelmatig zijn en gebruik wordt gemaakt van verschillende teams van artiesten per productie, omdat de rollen per productie verschillen en hiervoor daarom steeds verschillende typen dansers en acteurs nodig zijn. Daarom is het niet mogelijk om deze artiesten door middel van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aan een gezelschap te verbinden.

4. Remplaçanten
Voor de functie van remplaçant bij de Nederlandse orkesten is de noodzaak om werkzaamheden uitsluitend te verrichten op arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd inherent aan de specifieke eisen van de artistieke productie- en planningspraktijk in de sector, doordat vrijwel uitsluitend projectmatig wordt gewerkt en de duur en omvang wat betreft vereiste bezettingen sterk verschillen tussen de orkesten. Daarbij is de specifieke expertise van musici bepalend bij het aantrekken van de verschillende remplaçanten, waardoor het niet mogelijk is om remplaçanten door middel van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd aan een orkest te verbinden.

5. Presentatoren bij RTL Nederland met een bruto jaarsalaris van € 100.000,– of meer
Voor de functie van presentator bij RTL Nederland met een bruto jaarsalaris van € 100.000,– of meer geldt dat gebruik van contracten voor bepaalde tijd (zonder tussentijdse opzegmogelijkheid) noodzakelijk is, opdat deze presentatoren niet op ieder door hen gewenst moment (tijdens opnameperiodes) de arbeidsovereenkomst voortijdig kunnen opzeggen. In het verlengde daarvan geldt dat wanneer door de ketenbepaling een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd zou ontstaan, deze op elk gewenst moment met inachtneming van een opzegtermijn van een maand door betreffende presentator kan worden opgezegd. Dit zou aanzienlijke schade aan de omroepen toebrengen, aangezien de presentator gezichtsbepalend is voor het programma en het programma veelal is bedacht en ingericht rondom een specifieke presentator. Voortijdige beëindiging van de arbeidsrelatie zou niet alleen schadelijk zijn voor de continuïteit van dat programma, maar tevens tot ernstige financiële schade voor de Omroep kunnen leiden.

Mogelijkheid tot toekennen hogere vergoeding
In artikel 7:677, vierde lid, BW is geregeld dat als een werknemer ten onrechte een arbeidsovereenkomst opzegt wegens een dringende reden, hij aan de werkgever een vergoeding verschuldigd is gelijk aan zijn loon over de resterende looptijd van de arbeidsovereenkomst als het een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd betreft die de mogelijkheid van tussentijdse opzegging niet kent. In artikel 7:671c, derde lid, onder c, BW is geregeld dat de rechter aan de werkgever een vergoeding van dezelfde omvang kan toekennen als een dergelijke arbeidsovereenkomst op verzoek van de werknemer wordt ontbonden. Hiermee is aangesloten bij de huidige praktijk als het gaat om het opzeggen of ontbinden van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd die niet de mogelijkheid tot tussentijdse opzegging kent.
In de genoemde artikelen is in respectievelijk het zesde en vierde lid van die artikelen voorzien in een uitzondering op deze regelingen, die ertoe strekt dat de rechter (of een arbitragecommissie) een hogere vergoeding kan toekennen daar waar het gaat om het (ten onrechte) tussentijds opzeggen of het ontbinden van een arbeidsovereenkomst door of op verzoek van een werknemer die een in een bij ministeriële regeling aan te wijzen functie uitoefende. Gedoeld is hierbij op de functie van contractspeler in het betaald voetbal.1 In deze regeling wordt deze functie dan ook aangewezen, zodat – als het gaat om de hoogte van de toe te kennen vergoeding – de rechter rekening kan houden met de specifieke omstandigheden die gelden in het betaald voetbal. Hierdoor kan worden voorkomen dat spelers hun contract kunnen ‘afkopen’ tegen betaling van alleen het nog resterende aantal maandsalarissen waarop zij tot het einde van hun contract recht zouden hebben gehad, waardoor clubs slechts een geringe vergoeding ontvangen in verhouding tot de thans bestaande situatie. Dat zou de huidige systematiek van vergoedingen aantasten en de concurrentiepositie van Nederlandse clubs in internationaal verband schaden. Het zou immers betekenen dat buitenlandse clubs tegen een geringe vergoeding spelers van Nederlandse clubs kunnen overnemen, daar waar Nederlandse clubs voor vergelijkbare spelers mogelijk een veelvoud moeten betalen, hetgeen ongewenst is.
Op gezamenlijk verzoek van de Federatie van Betaald Voetbal Organisaties en de Coaches Betaald Voetbal zal de mogelijkheid tot het toekennen van een hogere vergoeding ook gelden voor de functies van trainer-coach, assistent trainer-coach, technisch directeur en technisch manager, hoofd scouting, coördinator scouting, hoofd jeugdopleidingen en specialisten trainer (werkzaam in de herencompetitie van de bedrijfstak betaald voetbal). Enerzijds gelet op het belang van het voorkomen van een voortijdig vertrek van deze werknemers (zoals hiervoor toegelicht) en anderzijds gelet op de internationale concurrentiepositie nu het internationaal gezien niet ongebruikelijk is dat bij het tussentijds verbreken van een contract een hogere afkoopsom verschuldigd is dan een bedrag gelijk aan het aantal maandsalarissen over de resterende duur van het contract.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING
Artikel 1
In dit artikel worden, gelet op artikel 7:668a, achtste lid, BW, de functies aangewezen waarvoor door betrokken partijen aannemelijk is gemaakt dat het voor die functies in die bedrijfstak bestendig gebruik is en vanwege de intrinsieke aard van de bedrijfsvoering en van die functies noodzakelijk is om de arbeid uitsluitend te verrichten op grond van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd. Bij collectieve arbeidsovereenkomst of bij regeling door of namens een bevoegd bestuursorgaan kan voor deze functies afgeweken worden van artikel 7:668a, eerste lid, BW.

(onder a)
Onderdeel a ziet op de functie van contractspeler in de bedrijfstak betaald voetbal. Voor de omschrijving van de functie van contractspeler in het betaald voetbal is aansluiting gezocht bij de in de CAO Contractspelers betaald voetbal Nederland gehanteerde definitiebepaling.2 De contractspeler in het betaald voetbal is volgens die CAO de voetbalspeler die een arbeidsovereenkomst heeft met een werkgever en als contractspeler geregistreerd staat bij de sectie betaald voetbal van de KNVB voor deelname aan de herencompetities van de sectie betaald voetbal. In het reglement betaald voetbal 2014-2015 van de KNVB, wordt de contractspeler omschreven als een natuurlijk persoon van zestien jaar of ouder, die met een club een door het bestuur betaald voetbal geregistreerde overeenkomst heeft gesloten, krachtens welke hij een geldelijke vergoeding ontvangt voor zijn deelneming aan het spel en/of de training.
Onder betaald voetbal wordt hier verstaan die voetbalcompetitie waarbij spelers werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst, te weten de Nederlandse eredivisie en de eerste divisie.

(onder b)
Onderdeel b ziet op de functie van trainer-coach – waaronder de jeugdcoach –, assistent-trainer coach, technisch directeur, technisch manager, hoofd scouting, coördinator scouting, hoofd jeugdopleidingen en specialisten trainer, die een arbeidsovereenkomst heeft met een betaald voetbalorganisatie die is toegelaten tot deelneming aan de herencompetities van de sectie betaald voetbal van de KNVB. Bij de omschrijving van genoemde functies is aansluiting gezocht bij de aanduiding van deze functies in de CAO Trainer/coaches betaald voetbal.3

(onder c)
Onderdeel c ziet op de professionele bondstrainer of technisch directeur bij een nationale sportbond. Conform de CAO Sport wordt uitgegaan van sportbeoefening in de ruimste zin.4 De functie van professionele bondstrainer of technisch directeur kan uitgelegd worden conform de hantering van deze begrippen in de CAO Sport.

(onder d)
Onderdeel d ziet op de acteur of danser in de podiumkunstsectoren theater of dans. Bij de definiëring van artikel 1, onder d, is aansluiting gezocht bij artikel 5.16:1 van het Arbeidstijdenbesluit en de definitie van ‘podiumkunstenaars’ in de CAO Theater en Dans.5

(onder e)
Onderdeel e ziet op musici die als remplaçant worden ingezet bij orkesten. Deze musici zijn op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd in dienst van een remplaçantenstichting. Ook kan het betreffen remplaçanten met wie het Muziekcentrum van de Omroep een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd heeft gesloten met het oog op de inzet bij de ensembles van het Muziekcentrum van de Omroep.

(onder f)
Onderdeel f ziet op de presentator die werkt voor RTL Nederland B.V. en van wie het bruto jaarsalaris, inclusief vakantiebijslag, omgerekend naar een fulltime dienstverband gebaseerd op 40 per week, en ongeacht het door de presentator daadwerkelijk gewerkte aantal uren, gelijk aan of hoger is dan € 100.000,–. Bij de definiëring in artikel 1, onder e, is aansluiting gezocht bij de definitie van ‘Presentator I’ in de CAO RTL Nederland.

Artikel 2
In dit artikel worden de functies van contractspeler in de bedrijfstak betaald voetbal, alsmede de functies van trainer-coach, assistent trainer-coach, technisch directeur en technisch manager, hoofd scouting, coördinator scouting, hoofd jeugdopleidingen en specialisten trainer werkzaam in de herencompetitie van de bedrijfstak betaald voetbal, aangewezen als functies waarvoor de kantonrechter de vergoeding die op grond van artikel 7:671c, derde lid, en artikel 7:677, vierde lid, BW kan worden toegekend, op een hoger bedrag kan stellen.
Onder betaald voetbal wordt hier verstaan die herenvoetbalcompetitie waarbij spelers werkzaam zijn op basis van een arbeidsovereenkomst, te weten de Nederlandse eerste divisie en de eredivisie.


De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, L.F. Asscher

vrijdag 6 februari 2015

Beantwoording minister Asscher kamervragen: vallen bondstrainers en technisch directeuren onder ketenbepaling Wwz?

Redactie: duidelijk is dat voor contractspelers en trainer/coach in het betaald voetbal (als dat bij CAO wordt afgesproken) zijn vrijgesteld van de ketenregeling in de Wwz omdat die functies voldoen aan de gestelde voorwaarden en die zullen bij ministeriële regeling worden aangewezen.
Onduidelijk is of dat ook gaat gelden voor bondstrainers en technisch directeuren. In tegenstelling tot hetgeen sportwerkgever.nl meldt in "Uitzonderingketenbepaling voor technisch directeur en bondstrainer" 
geeft de minister daar geen antwoord op.


Vragen van de leden Van Veen en Anne Mulder (beiden VVD) aan de ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over het artikel ‘Meer nadelen dan voordelen’ (ingezonden 11 december 2014)

Vraag 1 Kent u het artikel “Meer nadelen dan voordelen”? ‘Meer nadelen dan voordelen’, De Maas Driehoek (9 december 2014).

Antwoord 1 Ja.

Vraag 2 Wat zijn de te verwachten effecten van de nieuwe Wet werk en zekerheid (Wwz) en de daaropvolgende ketenbepaling voor de amateursport?

Antwoord 2 De ketenbepaling regelt wanneer elkaar opvolgende tijdelijke contracten overgaan in een vast contract. In de huidige situatie is dat het geval bij meer dan drie elkaar opvolgende tijdelijke contracten of (bij een minder aantal) als een periode van drie jaar wordt overschreden. Tijdelijke contracten worden als opeenvolgend gezien als zij elkaar met een tussenpoos van drie maanden of minder opvolgen. Van deze tussenpoos kan bij cao onbeperkt worden afgeweken. Dat geldt ook voor het aantal contracten en de periode van drie jaar waarna een vast contract ontstaat. Het doel van de ketenbepaling is echter dat na verloop van tijd voor werknemers zekerheid ontstaat in de vorm van een vast contract. Omdat de huidige regeling te veel mogelijkheden biedt om werknemers structureel en langdurig in te schakelen op basis van tijdelijke contracten, is in het Sociaal Akkoord van 11 april 2013 afgesproken de ketenbepaling zodanig aan te passen dat deze haar doelstelling beter kan vervullen. Zo wordt de balans tussen vast en flexibel werk beter in evenwicht gebracht. In de Wwz wordt de ketenbepaling dan ook overeenkomstig de afspraken in het Sociaal Akkoord met ingang van 1 juli 2015 zo aangepast dat meer dan drie elkaar opvolgende tijdelijke contracten overgaan in een vast contract of (bij een minder aantal) als een periode van twee jaar wordt overschreden.
Tijdelijke contracten worden als opeenvolgend gezien als zij elkaar met een tussenpoos van zes maanden of minder opvolgen. Bij cao kan alleen nog worden afgeweken van de ketenbepaling als het uitzendovereenkomsten betreft, of als het werken met tijdelijke contracten gegeven de intrinsieke aard van de bedrijfsvoering noodzakelijk is, met dien verstande dat het aantal contracten ten hoogste kan worden gesteld op zes in een periode van vier jaar. Van de tussenpoos van zes maanden kan niet bij cao worden afgeweken.
Voor de beantwoording van de vraag of de ketenbepaling van toepassing is, dient ook te worden meegenomen of er sprake is van een arbeidsovereenkomst of van vrijwilligerswerk. Binnen de amateursport wordt immers veel gebruik gemaakt van onbetaalde krachten (of tegen een geringe vergoeding) waarop de ketenbepaling niet van toepassing is. Daar waar gewerkt wordt met betaalde krachten geldt ook voor de amateursport dat het langdurig en onvrijwillig inschakelen van werknemers op flexibele contracten door één en dezelfde werkgever, waar het in feite structurele werkzaamheden betreft, zoveel mogelijk moet worden teruggedrongen. De verwachting is dat dit ook in de amateursport zal leiden tot een toename van het aantal vaste contracten.

Vraag 3 Klopt het dat u een uitzondering maakt voor bijvoorbeeld de profvoetbalsector? Doet u dit op basis van de intrinsieke aard van de bedrijfsvoering, een oplossing die de Wwz mogelijk maakt? Deelt u de mening dat het bij de aard van de bedrijfsvoering niet uit maakt of het om professionele of amateursport gaat, maar dat het gaat om de sector als totaal? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom maakt u dan verschil binnen de sportsector tussen amateur- en professionele sport?

Antwoord 3 Bij cao kan de ketenbepaling buiten toepassing worden verklaard voor functies die ik bij ministeriële regeling heb aangewezen. Deze functies dienen aan de volgende cumulatieve voorwaarden voldoen:
· Het is voor die functies in een bedrijfstak reeds bestendig gebruik om de arbeid uitsluitend te verrichten op grond van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd;
· Het is vanwege de intrinsieke aard van de bedrijfsvoering als van die functies noodzakelijk om de arbeid uitsluitend te verrichten op grond van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, niet zijnde uitzendovereenkomsten. Het betreft functies in een bedrijfstak waar onverkorte toepassing van de ketenbepaling tot onaanvaardbare consequenties zou leiden en het voortbestaan van de sector in het geding zou komen.
Het gaat dan om (functies binnen) bedrijfstakken waar om die reden uitsluitend met tijdelijke contracten kan worden gewerkt, waarvoor het gebruik van langjarige tijdelijke contracten ook geen oplossing kan vormen en waarvoor de gemaximeerde afwijkingsgrond, zoals hierboven omschreven, onvoldoende soelaas biedt. De functies van contractspeler en trainer/coach in het betaald voetbal voldoen aan de gestelde voorwaarden en zullen bij ministeriële regeling worden aangewezen.
 Dit is noodzakelijk omdat zonder deze uitzondering clubs binnen het betaald voetbal onvoldoende zekerheid hebben over het behoud van spelers en trainers. Wanneer door de ketenbepaling een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ontstaat, zou de arbeidsovereenkomst op elk gewenst moment met inachtneming van een opzegtermijn van een maand kunnen worden opgezegd, zonder dat daar enige financiële compensatie voor de club tegenover zou staan. Dit brengt dus niet alleen sportieve schade toe aan clubs in het betaald voetbal, maar tast ook de huidige systematiek van vergoedingen aan die verschuldigd zijn bij spelerswisselingen waardoor het voortbestaan van de sector in het gedrang komt. Voor trainers geldt dat het technische beleid van een club vaak mede wordt bepaald door de trainer. Het zou dan ook niet alleen slecht zijn voor de continuïteit als een trainer van de een op de andere dag zijn arbeidsovereenkomst kan opzeggen, maar tevens tot ernstige financiële schade voor de club kunnen leiden (nieuwe trainer, met nieuwe wensen als het gaat om spelers). De uitzondering bij ministeriële regeling voor de functie van speler en trainer in het betaald voetbal is gestoeld op bovenstaande overwegingen (en derhalve op de intrinsieke aard van de bedrijfsvoering in het betaald voetbal). Wat betreft de amateursport zou ik een vergelijkbare toets doen ten aanzien van de consequenties voor de bedrijfsvoering, mocht een verzoek om uitzondering op de toepassing van de ketenbepaling gedaan worden (zie ook het antwoord op vraag vier).

Vraag 4 Wat heeft u met de eerdere signalen uit de sportwereld aangaande de Wwz gedaan, en wat heeft u gedaan om de onzekerheid en onrust bij de amateursport weg te nemen?

Antwoord 4 In gesprekken met de KNVB en NOC*NSF heb ik toegelicht wat de wijziging van de ketenbepaling precies inhoudt. Vervolgens hebben beide organisaties een verzoek ingediend om in aanmerking te komen voor de uitzondering als beschreven in antwoord 3. De KNVB heeft verzocht om een uitzondering voor de functies van contractspelers, trainers/coaches en (assistent)scheidsrechters in het Nederlandse profvoetbal. NOC*NSF heeft verzocht om een uitzondering voor de functies van bondstrainers en technisch directeuren. Wat betreft functies binnen de amateursport heeft NOC*NSF een dergelijk verzoek niet gedaan. Dit kan mede zijn oorzaak vinden in de omstandigheid dat sportverenigingen niet onder een cao vallen. Als vereiste is immers in de wet is opgenomen dat de ketenbepaling alleen bij cao buiten toepassing kan worden verklaard voor functies die ik bij ministeriële regeling heb aangewezen. Wellicht zal NOC*NSF een dergelijk verzoek in de toekomst nog doen, dat ik dan op zijn eigen merites zal beoordelen. Dit geldt ook voor de functie van bondstrainer en technisch directeur in de bedrijfstak sport en de functie van danser en acteur in de podiumkunsten. De zorgen die leven binnen de amateursport, zoals beschreven in het artikel ‘Meer nadelen dan voordelen’, zien op de wijziging van de ketenbepaling waardoor niet meer eindeloze reeksen van tijdelijke contracten kunnen worden aangegaan, of de zomerperiode als tussenpoos van drie maanden kan worden genomen zonder dat een vast contract ontstaat. Zoals ook voor andere bedrijfstakken geldt, doet de amateursport er goed aan zich te beraden op welke wijze de bedrijfsvoering kan worden aangepast om te komen tot een optimale inzet van personeel. Ook werkgevers in de sport kunnen gebruik maken van verschillende vormen van interne flexibiliteit om de zomerperiode opvangen, bijvoorbeeld door met roosters en werktijden een andere inzet van personeel te bevorderen. Over de mogelijkheden hiertoe ga ik het gesprek graag verder aan.

Vraag 5 Deelt u de mening dat er door de Wwz een reële kans is dat veel amateurverenigingen veel meer moeite moeten doen om aan personeel te komen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid maatregelen te nemen om dit tegen te gaan?


Antwoord 5 Vooralsnog verwacht ik niet dat amateursportverenigingen meer moeite zullen ondervinden bij het aantrekken van personeel. Ook onder de Wwz blijft de mogelijkheid bestaan van het aanbieden van drie tijdelijke contracten, zolang deze bij elkaar opgeteld niet langer duren dan een periode van twee jaar. Doordat de tussenpoos in de ketenbepaling wordt verlengd van drie naar zes maanden, bestaat de mogelijkheid dat de werknemer in die tussenliggende periode van zes maanden sneller bij een andere werkgever een baan vindt. Een werkgever zal zich eerder bezinnen om een goede werknemer te laten gaan, aangezien hij niet de zekerheid heeft dat de werknemer na de tussenpoos weer voor hem beschikbaar zal zijn. De verlenging van de tussenpoos zal er derhalve toe leiden dat meer vaste contracten worden aangegaan. 

dinsdag 2 december 2014

Minister Schippers: Wettelijke grondslag voor gegevensverwerking dopingcontroles


Datum 1 december 2014

Betreft: Wetsvoorstel inzake doping

Geachte voorzitter,

Tijdens het Algemeen Overleg over sportbeleid dat plaatsvond op 2 juli van dit jaar heb ik uw Kamer toegezegd dat ik u zou informeren over de in voorbereiding zijnde wetgeving op het gebied van doping.1 Die toezegging kom ik na met deze brief, die ik mede namens de Minister voor Wonen en Rijksdienst stuur en waarin ik u de contouren schets van het wetsvoorstel dat ik samen met mijn ambtgenoot aan het voorbereiden ben.
De aanleiding voor het wetsvoorstel bestaat uit een standpunt van de Groep gegevensbescherming artikel 29, (de Groep), een adviesgroep die is ingesteld bij richtlijn 95/46/EG, beter bekend als de Europese privacyrichtlijn.2 De Groep, waarin vertegenwoordigers van de nationale privacy-autoriteiten plaatsnemen (in Nederland het College bescherming persoonsgegevens), is onafhankelijk en heeft tot taak het adviseren van de Europese Commissie over privacyvraagstukken. De Groep heeft een aantal standpunten gepubliceerd over de grondslag voor dopingcontroles. Daarin stelt zij zich op het standpunt dat de in het kader van dopingcontroles gegeven toestemming van topsporters voor de verwerking van persoonsgegevens niet aan het vereiste van ‘in vrijheid gegeven’ voldoet, vanwege de grote gevolgen (i.e. uitsluiting van deelname aan de betreffende wedstrijd of competitie) die een eventuele weigering zou hebben voor de betrokken sporter. Het uitgangspunt in Nederland is altijd geweest dat de toestemming van sporters wel een voldoende grondslag biedt voor de beperking van de persoonlijke levenssfeer die bestaat uit het verwerken van persoonsgegevens in het kader van dopingcontroles. Dit uitgangspunt was gebaseerd op de verenigingsrechtelijke grondslag voor de verwerking van persoonsgegevens: de sporter bindt zich door het lidmaatschap van een vereniging of door deelname aan een (eenmalige) competitie aan de geldende antidopingregels. Ik onderschrijf de opvatting van de Groep, zoals hierboven weergegeven, dat toestemming door sporters in vrijheid gegeven moet worden alvorens zij als grondslag voor de verwerking van persoonsgegevens kan dienen. Het is mijn voornemen om de privacy van sporters die worden onderworpen aan dopingcontroles te waarborgen conform het standpunt van de Groep en daarom heb ik het reeds aangekondigde wetsvoorstel in voorbereiding.
Het aangekondigde wetsvoorstel ziet op het verschaffen van een juridische basis voor de uitvoering van dopingcontroles in het licht van de relevante wet- en regelgeving op het gebied van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. De gegevensverwerking bij dopingcontroles heeft deels betrekking op, naast ‘gewone persoonsgegevens’ zeer gevoelige, medische gegevens over de betrokken sporter. De Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) vereist een grondslag voor de verwerking van persoonsgegevens. Voor de verwerking van medische persoonsgegevens gelden extra waarborgen. Naast toestemming van de betrokkene kan de grondslag ook bestaan uit het feit dat de gegevensverwerking ‘noodzakelijk is voor de goede vervulling van een publiekrechtelijke taak door het desbetreffende bestuursorgaan dan wel het bestuursorgaan waaraan de gegevens worden verstrekt’ (artikel 8, onderdeel e, van de Wbp). Deze alternatieve grondslag wordt in het wetsvoorstel uitgewerkt door te voorzien in de oprichting van de Dopingautoriteit als een publiekrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan (zbo). Op grond van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen kan worden besloten tot de instelling van een zbo indien er behoefte is aan een onafhankelijke oordeelsvorming op grond van specifieke deskundigheid (artikel 3, eerste lid, onderdeel a). Ik ben van mening dat de rol van de Dopingautoriteit bij de bestrijding van dopinggebruik in de sport een beroep op dit instellingsmotief rechtvaardigt. Het is namelijk wenselijk dat sportorganisaties zelf inhoud geven aan de uitvoering van dopingcontroles; de manier waarop de dopingcontroles worden uitgevoerd moet inhoudelijk geen voorwerp van overheidsbeleid worden. Het is naar mijn mening de taak van de overheid om de randvoorwaarden te scheppen voor een effectieve bestrijding van dopinggebruik in de sport, waaronder de mogelijkheid om dopingcontroles uit te voeren op een manier waarbij de persoonlijke levenssfeer van sporters wordt gerespecteerd.
De huidige praktijk is dat zowel de Dopingautoriteit als andere (commerciële) partijen dopingcontroles uitvoeren op verzoek van bijvoorbeeld de organisator van een sporttoernooi. Het wetsvoorstel zal niet in de weg staan aan de uitvoering van dopingcontroles door andere partijen dan de Dopingautoriteit. Er is op dit moment geen aanleiding om deze andere partijen te verbieden hun diensten aan te bieden. Het wetsvoorstel zal daarom geen verbod bevatten op het uitvoeren van dopingcontroles door andere partijen dan de Dopingautoriteit. Door het wetsvoorstel krijgen sport- en evenementenorganisaties de mogelijkheid om dopingcontroles te laten uitvoeren door de Dopingautoriteit in overeenstemming met de Wbp voor die gevallen waarin de toestemming niet voldoende is voor de verwerking van persoonsgegevens. Voor die gevallen waarin die toestemming wel volstaat, behouden zowel de commerciële uitvoerders als de Dopingautoriteit de mogelijkheid om –uiteraard binnen de grenzen van de Wbp- dopingcontroles uit te voeren.
Het in voorbereiding zijnde wetsvoorstel zal zich voor wat betreft de reikwijdte richten op het toekennen van taken aan het op te richten zbo. Het wetsvoorstel zal niet voorzien in uitbreiding van de bevoegdheden van het zbo in vergelijking met de huidige bevoegdheden van de stichting Dopingautoriteit. De reden daarvoor is dat bestrijding van dopinggebruik in de sport een verantwoordelijkheid is en blijft van de sportorganisaties en de overheidsverantwoordelijkheid daarbij niet verder strekt dan het voorzien in de benodigde kaders en de nakoming door Nederland van de internationaalrechtelijke verplichtingen. Laatstgenoemde verplichtingen vloeien voort uit de Wereld Anti Doping Code (WAD-Code) van het Wereld Anti Doping Agentschap (WADA). De WAD-Code bevat gedetailleerde en uniforme regels voor sportorganisaties en functioneert in feite als een (verplicht) model dopingreglement voor sportorganisaties in de gehele wereld.
Het WADA is geen (inter)gouvernementele organisatie en daarom kunnen overheden zich niet rechtstreeks binden aan de WAD-Code. Tegen deze achtergrond is in het kader van de UNESCO in 2005 de ‘International Convention Against Doping in Sport’ (UNESCO-Conventie) vastgesteld, die in 2007 van kracht is geworden. Op 17 november 2006 heeft Nederland de UNESCO-Conventie geratificeerd. De UNESCO-Conventie legt een aantal verplichtingen op aan de verdragspartijen, maar laat het aan de individuele staten zelf te bepalen welke specifieke (juridische) middelen zij daarbij inzetten. De Dopingautoriteit is in Nederland de nationale antidopingorganisatie in de zin van de Code en is in die hoedanigheid door het WADA erkend. De nieuwe WAD-Code, die vanaf 2015 van kracht zal zijn, bevat een bepaling over intelligence & investigation-activiteiten: het inwinnen en verwerken van informatie uit alle beschikbare bronnen ten behoeve van het vaststellen van overtredingen van de dopingregels. De nadruk in het antidopingbeleid verschuift hierdoor, qua handhaving, van het uitvoeren van dopingcontroles onder meer naar het doen van onderzoek en het verzamelen van informatie uit bijvoorbeeld berichtgeving in de media of andere openbare bronnen. Die informatie kan ook betrekking hebben op het ondersteunend personeel van sporters, zoals coaches, trainers, begeleidend (medisch) personeel, ouders en andere betrokkenen.
Met het oog op het bovenstaande wordt het in te stellen zbo, dat zoals gezegd de opvolger moet worden van de reeds bestaande stichting Dopingautoriteit, belast met in elk geval drie taken: de uitvoering van dopingcontroles, de uitvoering van de zogenaamde intelligence & investigation-activiteiten en het geven van voorlichting over dopinggebruik in de sport en daarmee samenhangende activiteiten. In het wetsvoorstel wordt een grondslag opgenomen die de uitvoering van voornoemde taken in overeenstemming met het geldende privacyrecht mogelijk maakt. De uitvoering van de intelligence & investigation-activiteiten zonder toestemming van de betrokkenen, zal een exclusieve taak voor het nieuwe zbo worden.
Naar mijn mening kan met dit wetsvoorstel een goede balans worden bereikt tussen een effectieve bestrijding van dopinggebruik in de sport en de privacy van de betrokken sporters. Mijn voornemen is om, in overeenstemming met mijn
eerdere toezegging, het wetsvoorstel zo spoedig mogelijk in procedure te brengen.

Hoogachtend,

de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

mw. drs. E.I. Schippers

1 Kamerstukken II 2013/14, 30 234, nr. 101, blz. 22.

2 Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegeven en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PbEG L281).

woensdag 2 juli 2014

Brief minister VWS over slechte financiele toestand sportbonden

   
Geachte voorzitter, 
Uw Commissie verzocht mij om een reactie op bovengenoemd artikel in AD, waarbij u tevens vroeg om een reactie op twee specifieke volgende vragen:
1) Herkent u het beeld dat het financieel slecht gaat met de Nederlandse sportbonden? Deelt u ook de achterliggende oorzaken die in het artikel genoemd worden?
2) Welke duidelijkheid kunt u geven over de bijdrage voor de sport uit  de desbetreffende loterijen? 

NOC*NSF Kansspelafdrachten zijn van levensbelang voor de sport in Nederland. Lottoinkomsten voor de sport bedroegen in de periode 2010 t/m 2013  ca. € 50 mln. per jaar. Na jaren van groei in de afdrachten van Lotto-inkomsten  voor de sport via NOC*NSF is vanaf 2012 sprake van een daling uit deze inkomstenbron. Op het hoogtepunt bedroeg de afdracht van Lotto € 53,1 mln. (2011). In 2012 daalde dit bedrag naar € 48,6 mln. en deze trend zette zich voort in 2013 (€ 44,3 mln.). De vereniging NOC*NSF voert de Sportagenda 2012-2016 uit, waaraan een Bestedingsplan van € 52 mln. is gekoppeld. Om de uitvoering van de Sportagenda te borgen heeft NOC*NSF in 2013 gelden onttrokken aan  een Bestemmingsreserve Lotto. Als gevolg hiervan is de Bestemmingsreserve Lotto eind 2013 door de door haar gewenste ondergrens van 1 jaar gezakt.  
Gezien de verwachting rond omzetprognoses van Lotto is NOC*NSF nu genoodzaakt het Bestedingsplan 2014 en verder te verlagen. Deze reductie  heeft gevolgen voor haar eigen organisatie en de door NOC*NSF gefinancierde sportbonden. In 2014 leidde dit tot een generieke korting van 5%, voor 2015 wordt aanvullende korting voorzien van 8%, waardoor de totale korting vanaf  2014 13% bedraagt.

Ontwikkeling bij Sportbonden
Mede naar aanleiding van een aantal externe ontwikkelingen (kansspelwetgeving, recessie) en interne ontwikkelingen (sterk groeiende en sterk krimpende sportbonden, veranderende sportconsument, bestaansrecht ledenorganisaties) heeft NOC*NSF in 2013 het initiatief genomen om binnen de vereniging na te denken over de toekomst van de (georganiseerde) sport. In een aantal smalle  en brede bijeenkomsten met bondsdirecteuren en besturen van bonden is van gedachten gewisseld over een aantal (mogelijke) scenario’s en oplossingen voor de lange en middellange termijn voor sportbonden en NOC*NSF.  
Momenteel verbreedt NOC*NSF dit transitietraject. Uitkomst van het traject zijn een aantal (mogelijke) vergezichten voor de sport in Nederland, die als fundament voor de Sportagenda 2017-2020 en het toekomstig beleid (sportinhoudelijk, financieel en organisatorisch) van de sportbonden en NOC*NSF kunnen dienen. Aanvullend aan dit traject gaan NOC*NSF en sportbonden ook aan de slag om voor de korte termijn 2015-2017 quick wins te vinden om effectiever en efficiënter te werken. 
Op ambtelijk niveau overleg ik hierover met de sportkoepel. Over de uitkomsten van dit traject bij NOC*NSF wil ik u desgevraagd informeren. 

Inkomsten Lotto Zoals aangegeven hangt de afname van middelen voor de sport samen met  de lagere afdrachten vanuit de Lotto. Mede in het licht van de voorgenomen wijzigingen op de kansspelmarkt onderzoeken de Lotto en haar beneficianten mogelijkheden om de afdrachten op een wenselijk niveau te brengen. In het  licht van het voorgenomen wetsvoorstel Kansspelen op Afstand dat het kabinet voornemens is in te dienen overleggen wij over de mogelijke gevolgen hiervan met onder andere NOC*NSF. Over de uitkomst hiervan zal ik u later informeren.

Hoogachtend,  
de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport

zaterdag 16 maart 2013

Memorie van toelichting aanscherping van de aanpak van voetbalvandalisme en ernstige overlast



Dit wetsvoorstel voorziet – in lijn met de eerdergenoemde brief en het regeerakkoord - in de aanpassingen om de in de praktijk en de evaluatie gesignaleerde knelpunten weg te nemen. In de eerste plaats bevat dit wetsvoorstel een wijziging van artikel 172a van de Gemeentewet zodat de burgemeester ook aan zogenaamde ‘first offenders’ die voor overlast hebben gezorgd een burgemeestersbevel, inhoudende een gebiedsverbod, groepsverbod of een meldplicht, voor een langere duur kan opleggen. Daarnaast introduceert dit wetsvoorstel een (expliciete) mogelijkheid om meldplichten anders dan door een melding op één bepaalde plaats ten uitvoer te leggen. Deze wijziging vloeit voort uit de wens in de praktijk om technische mogelijkheden te benutten om de uitvoering van de meldplicht te verbeteren. Ook voorziet dit wetsvoorstel in de mogelijkheid voor burgemeesters om naar aanleiding van door de KNVB of een voetbalclub opgelegd stadionverbod te ‘versterken’ met een gebiedsverbod, groepsverbod of meldplicht. Tot slot wordt het mogelijk gemaakt dat een burgemeestersbevel op grond van artikel 172a van de Gemeentewet niet meer voor een aaneengesloten termijn hoeft te worden opgelegd en wordt voorgesteld de maximale duur van de rechterlijke vrijheidsbeperkende maatregel te verhogen van twee naar vijf jaar. 

De MvT staat HIER

Het wetsvoorstel staat HIER

vrijdag 28 september 2012

CBS Rapport: "De bijdrage van sport aan de Nederlandse economie"



In het rapport is onder meer te lezen dat er in 2006 in Nederland een bedrag van € 11,4 miljard besteed is in relatie tot sport. Dat is 1,3% van de totale bestedingen in dat jaar. De bijdrage door sport aan het Bruto Binnenlands Product (BBP) was 1,0%. Ongeveer 130.000 mensen hadden in 2006 een baan te danken aan sport. Dat is 1,5% van de werkzame personen.
De rapportage en de methodische opzet ervan werden tijdens Dag van het Sportonderzoek door de Engelse hoogleraar Chris Gratton geprezen als de hoogste standaard in de EU, onder meer wegens directe koppeling met de standaard economische gegevens in de nationale rekeningen bij het CBS. Tevens is ervoor gezorgd dat de gegevens vergelijkbaar zijn met andere Europese landen.
Ik ben met het CBS in gesprek om een vergelijkbare calculatie te maken over recentere jaren, zodat de ontwikkelingen in de tijd kunnen worden gevolgd.
Daarmee krijgen we meer zicht op de toe- of afname van de bijdrage van sport aan het BBP en de mogelijke invloed van de economische crisis op het sportgerelateerde deel van de Nederlandse economie

vrijdag 6 juli 2012

Modelgaranties overheid voor grote internationale sportevenementen


Internationale (topsport)evenementen zijn populair bij Nederlanders. Het is bekend dat deze evenementen behalve een ruime publieke belangstelling ook maatschappelijke en economische voordelen kunnen opleveren. Verder heeft Nederland de ambitie om te behoren tot de beste 10 topsport landen van de wereld. Voor het realiseren van deze Top 10 ambitie en het opbouwen van een track record, is het opdoen van ervaringen met de organisatie van grote internationale (top)sportevenementen belangrijk. Nederland wil daartoe zelf een podium bieden aan de internationale sportwereld en de eigen topsporters. De topsporters kunnen dan ook in Nederland excelleren en niet alleen op buitenlandse toernooien en evenementen. Daarom is het belangrijk om internationale (top)sportevenementen in ons eigen land te organiseren.

Vragen om garanties.
Geconstateerd kan worden dat in toenemende mate internationale sportfederaties bij het maken van hun keuze voor de toewijzing van hun topsportevenementen bepaalde garanties van nationale overheden vragen. In Nederland hebben we hier recent ervaring mee opgedaan bij de Bid voor het WK voetbal 2018 (FIFA) en bij de toewijzing van de finale van de Euroleague van 2013 (UEFA). De vraag om garanties kan betrekking hebben op de fase die aan de toewijzing van een evenement vooraf gaat (bidfase), maar ook in de fase daarna (daadwerkelijke organisatie). Een centrale rol voor de organisatie van een evenement is in de regel weggelegd voor een lokaal organisatiecomité, meestal op initiatief van de betreffende sportbond.

Voor wie zijn de garanties bedoeld?
Op basis van de ervaringen tot nu toe heeft de Nederlandse Rijksoverheid daarom gemeend voor internationale sportfederaties, lokale organisatiecomités en andere geïnteresseerden een model van garanties te moeten opstellen. Het gaat daarbij om een model, waarin is weergegeven welke facetten van het Nederlandse beleid van belang zijn voor de organisatie van evenementen en mogelijk daarvoor te geven garanties. Het rijk wil daarmee anticiperen op mogelijke vragen, waardoor lokale organisatie comités, de betrokken sportbonden en hun internationale federaties sneller kunnen weten waar men aan toe is. De overheid op zijn beurt kan hiermee ook sneller en makkelijker inspelen op en het gesprek aangaan over wensen op het gebied van garanties.
Waarom modelgaranties?
Zoals gezegd gaat het om modelgaranties die dus als doel hebben organisatoren van sportevenementen vooraf te informeren over de mogelijkheden van het rijk op het vlak van garanties. Deze zullen dan standaard beschikbaar zijn voor sportfederaties die overwegen een internationaal evenement te organiseren en daarbij overheidsgaranties vragen. Omdat niet door alle organisatoren dezelfde garanties gevraagd worden is gekozen voor een model, dat – zo is de verwachting – nader toegespitst kan worden op het evenement waarover het in een specifiek geval gaat. Daarbij zal altijd bezien kunnen worden of er zaken zijn, die specifieke aandacht behoeven vanwege bijzondere omstandigheden, samenhangend met de tak van sport dan wel het soort evenement. Maatwerk zal tot de mogelijkheden blijven behoren.
Waarop hebben de garanties betrekking?
De ervaringen tot nu hebben geleid tot het inzicht dat de garanties die internationale organisaties van de rijksoverheid vragen betrekking hebben op een zevental terreinen van wet en regelgeving. Ieder terrein wordt verderop in een apart hoofdstuk uitgewerkt en geeft de laatste stand van de wet- en regelgeving daarvan weer. Daarbij is het zo, dat terreinen waarop de garanties betrekking hebben aanzienlijk verschillen naar de mate van complexiteit en gedetailleerdheid van de betreffende wet en regelgeving. Deze verschillen uiten zich ook in de formuleringen van de
garanties. Zo zullen, bijvoorbeeld, garanties op het gebied van de belastingen vanwege de complexere materie nogal verschillen van die op het gebied van tewerkstellingsvergunningen en visa. Jaarlijks zal bezien worden of de modelgaranties aangepast moeten worden naar aanleiding van nieuwe en/of aangepaste wet en regelgeving. Daardoor behoudt dit model zijn actualiteit.

De garanties nader beschreven.
Alvorens hieronder op de zeven garanties in te gaan, zal in het kort aandacht worden geschonken aan het algemene juridische kader, zoals dat in Nederland geldt. Daarin zal onder andere de relatie tussen de overheidslagen aan bod komen. Bij de organisatie van evenementen is dat een zeer belangrijke factor in verband met de verdeling van bevoegdheden en verantwoordelijkheden. Daarna zullen de garanties stuk voor stuk beschreven worden.

Lees verder HIER

dinsdag 19 juni 2012

Verslag Tweede Kamer commissie volksgezondheid Welzijn en Sport over matchfixing

De vaste commissie voor Volksgezondheid, Welzijn en Sport heeft op 24 mei 2012
gesprekken gevoerd over Matchfixing. Het verslag staat HIER

vrijdag 13 april 2012

Verslag debat over de informatievoorziening aan de Kamer over de Olympische Spelen.

Voor wie interesse heeft om het allemaal nog eens na te lezen. Het verslag van over de informatievoorziening over de Olympische spelen aan de Tweede Kamer is HIER te vinden.