maandag 26 augustus 2013

Arbitragecommissie KNVB (De Meiden/Stedoco): Overschrijving amateurs na verstrijken overschrijvingstermijn

Arbitraal vonnis (DeMeiden/Stedoco), 23 augustus 2013, nr. 1382

De feiten
Verzoeksters waren in het seizoen 2012/2013 lid van (de voetbalacademie van) Stedoco.
De trainer wordt tot onvrede van de meisjes in februari 2013 ontslagen. Bij e-mail d.d. 12 juni 2013 heeft de damescommissie (uiteindelijk) bericht dat een nieuwe (deels nog niet gediplomeerde) trainersstaf was gevonden.
Na 15 juni 2013 maar voor 30 juni 2013 hebben verzoeksters (veertien in totaal) het lidmaatschap van Stedoco opgezegd; dat lidmaatschap is steeds per 1 juli 2013 beëindigd, hetgeen schriftelijk door of namens het bestuur van Stedoco schriftelijk is bevestigd. Stedeco weigert mee te werken aan de overschrijving naar een andere vereniging. Ten aanzien van overschrijving van spelers is bepaald dat een overschrijving van een amateurspeler van een amateurvereniging naar een andere amateurvereniging voor15 juni van het desbetreffende jaar dient te zijn ingediend (artikel 7 lid 1 Reglement Overschrijvingsbepaling Amateurvoetbal 2012/2013).

Beoordeling geschil
De vraag is of Stedoco terecht haar medewerking aan de overschrijving van verzoeksters heeft geweigerd. De arbitragecommissie meent dat de bevoegdheid van een voetbalvereniging medewerking te weigeren aan een door de speler gewenste overschrijving, na 15 juni van enig jaar, geen absoluut recht is. Ingeval van een dergelijke weigering dient aan de hand van alle omstandigheden te worden bepaald of- marginaal toetsend -de vereniging in redelijkheid van haar bevoegdheid gebruik heeft gemaakt.
De arbitragecommissie is van oordeel dat, gelet op het feit dat het in casu gaat om jonge, minderjarige speelsters die Stedoco ruim vóór het begin van het voetbalseizoen hebben verzocht medewerking te verlenen aan overschrijving en het lidmaatschap reeds is beëindigd terwijl Stedoco zich naar het oordeel van de arbitragecommissie voldoende heeft kunnen instellen op het vertrek van verzoeksters, verzoeksters naar het oordeel van de arbitragecommissie op een welwillender houding van Stedoco mochten rekenen.
Daarbij weegt de arbitragecommissie als bijzondere omstandigheid mee dat Stedoco, ondanks toezeggingen dat veel eerder te doen, pas zeer kort vóór 15 juni 2013 verzoeksters duidelijkheid heeft gegeven over de trainersstaf van het daaropvolgende seizoen, terwijl
voor Stedoco uit de vele overgelegde e-mails duidelijk moest zijn dat vragen rondom de trainersstaf in de groep sterk leefde en al voor de nodige onrust had gezorgd. Door dan pas zo kort voor 15 juni 2013 bedoelde duidelijkheid te verstrekken, brengt in de gegeven omstandigheden (waaronder de jonge leeftijd van vrzoeksters) naar het oordeel van de arbitragecommissie met zich dat Stedoco de datum van 15 juni niet als een rigide grens had dienen te hanteren. Stedoco heeft, ondanks specifieke vragen van de arbitragecommissie op dit punt, niet duidelijk gemaakt wat er is gewijzigd in de korte periode van 13 juni 2013 (op welk moment Stedoco verzoeksters expliciet schriftelijk heeft bericht mee te zullen werken aan de overschrijving indien er geen vertrouwen zou zijn in het beleid van Stedoco) en 23 juni 2013 (toen het verzoek om medewerking tot overschrijving werd gedaan maar door Stedoco werd afgewezen).
Wel heeft Stedoco gesteld dat zij kort vóór 15 juni 2013 inschatte dat het om een relatief beperkte groep vertrekkers zou gaan. Nu op 23 juni 2013 bleek dat het om een grotere groep zou gaan, stelt Stedoco dat zij in redelijkheid niet meer gehouden was medewerking te verlenen aan de overschrijving, althans zo begrijpt de arbitragecommissie de stellingen van Stedoco.

Beslissing

De arbitragecommissie veroordeelt  Stedoco om haar volle medewerking te verlenen aan de overschrijving van de verzoeksters naar een andere vereniging en veroordeelt  Stedoco in de kosten van de KNVB, zijnde € 650,00.

De beslissing staat HIER

Arbitragecommissie KNVB (Ruijs/Roda JC): beeindiging arbeidovereenkomst trainer, reden: positieverbetering


 Ruijs is per 1 juli 2012 voor de bepaalde duur van twee jaren bij Roda JC in dienst getreden in de functie van trainer/coach van de A-junioren. Het salaris van Ruijs bedraagt € 2.000,00 bruto per maand exclusief vakantiegeld, zowel in het eerste contractsjaar als in het tweede.
Aan Ruijs is lopende de arbeidsovereenkomst door Roda JC geen (concreet) aanbod gedaan tot verlenging van de arbeidsovereenkomst of tot wijziging van de arbeidsvoorwaarden.
Onder leiding van Ruijs is het A1-elftal van Roda JC in het seizoen 2012/2013 kampioen geworden van de eerste divisie en daarmee gepromoveerd naar de eredivisie.
Ruijs wordt vervolgens door MVV benaderd met de vraag of hij daar hoofdtrainer wil worden. MW heeft aan Ruijs een voorstel gedaan voor indiensttreding per 1 juli 2013 voor de duur van twee jaren met een optie voor nog twee jaren. Het salaris zou in het eerste jaar € 6.000,00 en in het tweede jaar € 7.000,00 bruto per maand bedragen, te verhogen met diverse premies bij te behalen resultaten.
Standpunt van de partijen
Ruijs
Ruijs stelt zich op het standpunt dat hij ontbinding van de arbeidsovereenkomst wenst  omdat hij zich met indiensttreding als hoofdtrainer bij MW zowel sportief als financieel aanmerkelijk kan verbeteren. Hij kan bij MVV drie keer zoveel verdienen en dat is een aanmerkelijke verbetering. Andere argumenten die Ruijs aanvoert zijn:
- de hoofdtrainer  van het eerste elftal van MW heeft een grotere exposure  in de media, hij hierdoor bekendheid verwerft die hem in het vervolg  van zijn professionele carrière van dienst kan zijn;
-  zijn relatief hoge leeftijd en zijn tot op heden in Nederland  beperkte trainerscarrière.

RODA JC
Roda JC verzoekt de arbitragecommissie primair t het ontbindingsverzoek af te wijzen en subsidiair - bij ontbinding van de arbeidsovereenkomst - aan Roda JC een vergoeding toe te kennen van € 150.000,00 bruto.
Roda JC wijst uitdrukkelijk  op het ontbreken  van een tussentijdse opzegmogelijkheid in de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst en meent  dat van Ruijs mag worden verwacht dat deze de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst uitdient en als uitdrukkelijk  uitgangspunt heeft te gelden dat contracten behoren te worden uitgediend. Ook betwist Roda JC dat sprake is van een sportieve verbetering, laat staan van een aanmerkelijke sportieve verbetering. Daarbij merkt Roda JC op dat zij reeds 41 jaar onafgebroken in de eredivisie voetbalt, terwijl MW al sinds 2000 onafgebroken in de Jupiler League speelt

Oordeel arbitragecommissie
De vraag die beantwoord moet worden is of er sprake is van een zodanige wijziging van omstandigheden dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen billijkheidshalve dadelijk of na korte tijd behoort te eindigen.
De arbitragecommissie overweegt dat in de verhouding tussen spelers en clubs en ook in de verhouding tussen trainers en clubs het uitgangspunt is dat arbeidsovereenkomsten moeten worden nagekomen. Alleen wanneer er zich zeer bijzondere omstandigheden voordoen, kan tussentijds een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd worden ontbonden al dan niet onder toekenning van een vergoeding. De arbitragecommissie meent dat de verdrievoudiging van het salaris van Ruijs bij indiensttreding bij MW zondermeer als een voldoende aanmerkelijke financiële verbetering heeft te gelden. De arbitragecommissie meent ook dat sprake is van een (voldoende) sportieve verbetering. De functie van hoofdtrainer van het eerste elftal van een club in de Jupiler League is naar het oordeel van de arbitragecommissie van een ander en hoger niveau dan de functie van trainer van het A1-elftal van Roda JC. Ook gelet op de persoonlijke belangen van Ruijs, waaronder zijn gevorderde leeftijd en het verloop van zijn trainerscarrière in relatie tot de thans aan de orde zijnde mogelijkheid, is de arbitragecommissie voornemens de arbeidsovereenkomst tussen Roda JC en Ruijs te ontbinden per 1 juli 2013.
Hoogte vergoeding
Dat Roda JC schade zal lijden (met een effect op de te bepalen billijke vergoeding) als gevolg van het vertrek van Ruijs is in de visie van de arbitragecommissie onvoldoende gebleken. Roda JC heeft zich niet op het standpunt gesteld dat een nieuwe A1-trainer (ten behoeve van het nieuwe seizoen 2013-2014) moeilijk zal zijn te vinden of dat de kosten van een dergelijke trainer (aanzienlijk) hoger zullen zijn, noch heeft zij zich op het standpunt gesteld dat Ruijs over zodanige bijzondere kwaliteiten beschikt, dat zij deze niet of nauwelijks in een nieuwe A1-trainer zal kunnen vinden. Daarnaast heeft Roda JC zich niet op het standpunt gesteld dat sprake is van imagoschade of schade door verlies aan sponsors, supporters en dergelijke.

Oordeel
Alles afwegende meent de arbitragecommissie dat € 15.000,00 een billijke vergoeding is te achten. De arbitragecommissie ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen Ruijs en Roda JC onder toekenning van € 15.000,--.

De uitspraak staat HIER


woensdag 14 augustus 2013

Boek: Rechters als scheidsrechters "Vijftig actuele en opmerkelijke zaken uit het sportrecht"

Voor iedereen die geïnteresseerd is in een overzicht van de belangrijkste arbitrage en gerechtelijke uitspraken van de afgelopen drie jaar is dit een interessant boek.
Het boek is HIER te koop

Voorwoord
Een keeper die een zware tackle uitdeelt. Voetballers die hun vertrekpremie mislopen. Golfbanen in natuurgebieden. Atleten die niet naar de Olympische Spelen mogen, terwijl ze wel aan de sportieve voorwaarden voldoen. Wanpresterende spelersmakelaars, corruptie en matchfixing, dopingstraffen en spreekkoren – het zijn allemaal sportonderwerpen met juridische raakvlakken en grote aandacht van het publiek.
Sport is actie, emotie maar ook recht. Winnaars op het veld kunnen verliezers zijn in de rechtszaal – en andersom. En steeds vaker vindt de derde helft plaats voor een arbitragecommissie. Dat sport ook dáár leeft, laat dit boek overduidelijk zien.

Mr. Maarten Vrolijk selecteerde vijftig bijzondere binnenlandse en buitenlandse sportrechtzaken uit 2012 en 2011, op het gebied van onder meer arbeidsrecht, aansprakelijkheidsrecht, belastingrecht, bestuursrecht, strafrecht, intellectuele eigendomsrecht en Europees recht. De zaken gaan over de voetballer die wegens contractbreuk wereldwijd werd geschorst, over stadionverboden, over corrupte FIFA-bazen en matchfixende sporters, over de openbaarmaking van het Nederlandse bid voor het WK Voetbal, over de volgauto die bij een wielerwedstrijd toeschouwers aanrijdt, over de naam van een sporter als merk, over doping – en tal van andere (on)sportieve juridische zaken.

Eén-nul mag in de sport een mooie uitslag zijn, in het sportrecht draait het meestal om de nuance, waarbij beide partijen soms een beetje winnen en een beetje verliezen. Vaak blijft deze nuance in de media onderbelicht. Deze bundel beoogt inzicht te geven in deze complexe maar populaire materie.

Mr. Maarten Vrolijk is als jurist gespecialiseerd in sportrecht. Hij adviseert en voert procedures in binnen-en buitenland over sportgerelateerde onderwerpen als doping en selectiegeschillen voor kampioenschappen. Tevens treedt hij op als legal counsel bij organisatie van sportevenementen. Hij was eerder als redacteur verbonden aan het sportjuridische tijdschrift Sportzaken en publiceerde over staatssteun aan profclubs en belastingfraude in de sportwereld.

Juli 2013
X + 248 pagina’s
€ 24,95

ISBN 978-90-8863-115-3

dinsdag 13 augustus 2013

Tijdschrift voor Sport & Recht 2013 nummer 2

In het juli nummer van het Tijdschrift voor Sport &Recht de volgende onderwerpen: 
Third party ownership in voetbal; een nadere analyse
Mr. R. Simons

Mede door de afname van sponsorinkomsten als gevolg van de economische crisis, zoeken voetbalclubs steeds meer naar andere vormen van financiering om zich te kunnen – blijven – meten met de (inter)nationale top. Een van deze alternatieve vormen betreft de gehele of gedeeltelijke verkoop van de economische rechten van een voetbalspeler aan een derde partij, de investeerder. Bij een toekomstige transfer van de speler ontvangt de investeerder vervolgens als tegenprestatie een percentage van de transfersom. Deze vorm staat bekend als ‘Third Party (Player) Ownership’ (hierna: TPO). In Zuid-Amerika is TPO reeds wijdverbreid. Inmiddels heeft TPO ook zijn intrede in het Europese én Nederlandse voetbal gedaan. Zo zou bijvoorbeeld FC Porto slechts over 7 van haar 29 spelers de volledige economische rechten bezitten.

KEA-CDES, ‘Study on the economic and legal aspects of transfers of players’, januari 2013, p. 65.
 De UEFA wil TPO verbieden. De FIFA wil hier echter nog niet aan. Een nadere analyse.

Column: Wielersport
Mr. dr. M. Olfers

Profiel: Koninklijke Nederlandse Gymnastiek Unie
Mr. E. Lankers

Jurisprudentie
Mr. M.I. van Dijk


Lees verder HIER

zondag 11 augustus 2013

Selectiegeschil formatiedansen; Danssport Bond in kort geding in ongelijk gesteld


Eiseres is de "Stichting Old Forest Promotion" hierna "Old Forest", een rechtspersoon die één of meerdere teams traint en in de gelegenheid stelt tot het beoefenen van de formatiedanssport: een danssportvorm waarbij teams van in het algemeen 16 dansers tegen elkaar uitkomen in competities.
De Nederlandse Algemene Danssport Bond (NADB) beslist over de uitzending van de dansteams die namens Nederland aan de Europese- en de Wereldkampioenschappen (verder: EK en WK) deelnemen. Op die beslissing zijn het “Uitzendreglement van de Nederlandse Algemene Danssport Bond" verder te noemen het uitzendreglement van toepassing.

In het uitzendreglement is onder meer bepaald:

Artikel 3 Formatie

(…)

7 De winnaar van de Rankinglijst over het afgelopen Dansseizoen zal als eerste vertegenwoordiger van de NADB worden uitgezonden voor deelname aan EK en/of WK. Indien een EK en/of WK plaatsvindt terwijl de serie van grandprixwedstrijden in een Dansseizoen reeds is aangevangen en er dientengevolge nog geen Rankinglijst kan worden vastgesteld, geldt dat de eerste vertegenwoordiger van de NADB wordt bepaald aan de hand van de ranking over de laatste drie grandprixwedstrijden (met inbegrip van het Vierlandentoernooi, maar exclusief het Nederlands Kampioenschap). De Nederlands Kampioen zal als tweede vertegenwoordiger van de NADB worden uitgezonden voor deelname aan EK en/of WK, mits dit formatieteam heeft deelgenomen aan ten minste vier grandprixwedstrijden (met inbegrip van het Vierlandentoernooi, maar exclusief het Nederlands Kampioenschap) in het afgelopen Dansseizoen.

Indien de Nederlands Kampioen ook de winnaar van de Rankinglijst van dat moment is, zal het Formatieteam dat de tweede plaats bezet op de Rankinglijst worden uitgezonden als tweede vertegenwoordiger van de NADB naar EK en/of WK.”

De Nederlandse Algemene Danssport Bond besluit twee teams naar het WK te sturen:"Step in Time Formation Team" is de eerste vertegenwoordiger op grond van het feit dat dit team de winnaar van de ranking is. Het tweede team is: "DSV Dance Impression" dat na twee wedstrijden in het nieuwe seizoen 2013 op de tweede plaats staat.
Het dansteam van "Stichting Old Forest Promotion" hierna "Old Forest" is het niet met de uitzending van DSV eens omdat Old Forest in het seizoen 2012 op de tweede plaats was geëindigd en begint een kort geding tegen de NADB om alsnog uitzending af te dwingen.
Old Forest heeft gesteld dat het besluit van de bond in strijd met het uitzendreglement en het nankingreglement is genomen. Volgens haar wordt waar in artikel 3 lid 7 tweede alinea van het uitzendreglement wordt gesproken over “rankinglijst van dat moment” en later “rankinglijst” bedoeld de rankinglijst over het afgelopen dansseizoen 2012. Een rankinglijst in het formatiedansen ziet volgens haar altijd op een afgesloten seizoen. Aldus dient in het geval de Nederlands kampioen tevens de eerste plaats op de rankinglijst van het afgelopen dansseizoen (2012) bezet, het team dat de tweede plaats op de rankinglijst van het afgelopen dansseizoen (2012) bezet, als tweede team te worden uitgezonden, zijnde Old Forest.
De NADB stelt zich op het standpunt dat de objectieve en taalkundige uitleg van de bepaling, specifiek de zinsnede “de Rankinglijst van dat moment” dat geen sprake kan zijn van een verwijzing naar de rankinglijst over het afgelopen dansseizoen, maar enkel naar de rankinglijst van het huidige (lopende) dansseizoen

Oordeel rechter
De rechtsverhouding tussen de bond en Old Forest, zijnde een vereniging en een lid van die vereniging, wordt beheerst door artikel 2:8 BW en dat betekent volgens de voorzieningenrechter dat degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, zich als zodanig jegens elkaar moeten gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Tevens bepaalt artikel 2:15 lid 1 sub b en c BW at het besluit van de NADB kan worden vernietigd omdat het besluit in strijd is met de redelijkheid en billijkheid of met de reglementen.
De eerste vraag die de rechter moet beantwoorden is of het besluit in strijd is met het reglement en als dat het geval is, of het besluit van de NADB misschien van geringe betekenis is. Is het besluit van de NADB in strijd met de reglementen, maar van geringe betekenis dan kan het besluit toch in stand blijven omdat het dan geen besluit is dat in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Wil er sprake zijn van strijd met de redelijkheid en billijkheid dan is er meer nodig dan het enkel in strijd zijn met de reglementen van het besluit. Daar waar de NADB in beginsel grote vrijheid heeft om te bepalen wie er wordt uitgezonden wordt die vrijheid beperkt door de reglementen.
De voorzieningenrechter in is het met de interpretatie van het reglement van Old Forest eens
Niet alleen zijn de bewoordingen van een bepaling, niet doorslaggevend, maar in dit geval maken enkel de bewoordingen van het reglement ook niet dat de (taalkundige) uitleg van de bond bij voorbaat zeer sterk voor de hand ligt. Hierbij is van belang dat voor de betreffende zinsnede “de Rankinglijst van dat moment” staat: “de winnaar van”, wat impliceert dat sprake is van een al afgesloten geheel. Even zo goed kan aldus de rankinglijst van dat moment terugslaan op de rankinglijst over het afgelopen dansseizoen die, ondanks dat reeds een nieuw dansseizoen is begonnen op dat moment, nog steeds geldt.
Bovendien staat in de daaropvolgende zin dat indien de serie van grandprixwedstrijden in een dansseizoen reeds is aangevangen en er dientengevolge nog geen rankinglijst kan worden vastgesteld, hetgeen impliceert dat als een dansseizoen is aangevangen, en nog loopt, er geen rankinglijst kan worden opgemaakt. In het rankingreglement staat dat de rankinglijst na ieder Dansseizoen opnieuw wordt vastgesteld
De voorzieningenrechter volgt de bond dan ook niet in haar standpunt dat de bewoordingen van het artikel reeds maken dat de door haar gebezigde uitleg meer voor de hand ligt.
Op grond van al het voorgaande komt de uitleg van Old Forest de voorzieningenrechter in hoge mate aannemelijk voor.
Vervolgens is de vraag of de NADB in dit geval beleidsvrijheid heeft om van de regeling af te wijken. Die vrijheid is volgens de voorzieningenrechter beperkt in dit geval omdat de bepaling over de uitzending nu juist is opgenomen met het expliciete doel de beleidsvrijheid van de bond op dat punt te beperken.

De voorzieningenrechter gebiedt de NADB Old Forest uit te zenden naar het WK 2013.

De uitspraak staat HIER

maandag 22 juli 2013

Hof van Jusititie: WK/EK wedstrijden niet achter decoder, maar moeten op open net. Geen exclusieve verkoop rechten door UEFA/FIFA aan betaalzenders

The full text of the judgments: (C-201/11 P, C-204/11 P and C-205/11 P)

The Court of Justice dismisses the appeal brought by FIFA and UEFA against the judgments of the General Court on television broadcasts of the World Cup and the EURO.
Although those judgments are vitiated by errors of law, those errors did not have any impact in the present cases The directive concerning the pursuit of television broadcasting activities (Council Directive 89/552/EEC of 3 October 1989 amended Directive 97/36/EC) authorises the Member States to prohibit the exclusive broadcasting of events which they deem to be of major importance for society, where such broadcasts would deprive a substantial proportion of the public of the possibility of following those events on free television.
The Fédération internationale de football association (FIFA) organises the final stage of the football World Cup (‘the World Cup’) and the Union des associations européennes de football (UEFA) organises the final stage of the European football championship (‘the EURO’). Sales of television broadcasting rights for those competitions make up a significant part of their revenues.
Belgium and the United Kingdom each drew up a list of the events they regarded as being of major importance for society in their respective states. Those lists contained, inter alia, in the case of Belgium, all the matches in the final stage of the World Cup and, in the case of the United Kingdom, all the matches in the final stage of the World Cup and the EURO. Those lists were sent to the Commission, which decided that they were compatible with European Union law.
FIFA and UEFA challenged those decisions before the General Court, arguing that not all those matches could constitutes events of major importance for the general public in those States. The General Court dismissed their actions, Judgments of 17 February 2011 in Cases T-385/07, T-55/08 and T-68/08 FIFA and UEFA v Commission,which led them to lodge appeals before the Court of Justice.
In today’s judgments, the Court of Justice notes, first of all, that the designation by a Member State of certain events as being of major importance for society and the prohibition on their exclusive broadcasting constitute obstacles to the freedom to provide services, the freedom of
establishment, the freedom of competition and the right to property. However, such obstacles are justified by the objective of protecting the right to information and ensuring wide public access to television coverage of those events.
In that context, the Court points out that it is for the Member States alone to determine the events which are of major importance and that the Commission’s role in that respect is limited to determining whether the Member States have complied with European Union law in exercising their discretion. Thus, if an event has validly been designated by a Member State as being of major importance, the Commission is to carry out only a limited review of that designation and is  required, in particular, to examine only the effects thereof on the freedoms and rights recognised under European Union law which exceed those which are intrinsically linked to such a designation.
Next, the Court notes that not all the matches in the final stage of the World Cup and the EURO are of equal importance for the general public, which tends to attach particular importance to decisive matches between the best teams – such as the final and semi-finals – and those involving the national team. Consequently, those tournaments must be regarded as events which are, in principle, divisible into different matches or stages, not all of which are necessarily capable of being characterised as an event of major importance.
In that regard, the Court also states that, contrary to the grounds given in the judgments under
appeal, the Member States are required to communicate to the Commission the reasons
justifying why they consider that the final stage of the World Cup or the EURO constitutes,
in its entirety, a single event of major importance for society in the States concerned.
However, those errors did not have any impact in the present cases. The General Court found,
on the basis of the information provided by FIFA and UEFA and in the light of the actual perception of the public in the United Kingdom and Belgium, that all the matches in the final stages of those two tournaments actually attracted sufficient attention from the public to form part of an event of major importance. In particular, it is apparent from the file, first, that those tournaments, in their entirety, have always been very popular among the general public and not only viewers who generally follow football matches on television. Second, those competitions have traditionally been broadcast on free television channels in those Member States.
Finally, the Court finds that, given the Commission’s limited power of review of the designation by a Member State of an event as being of major importance and the in-depth knowledge of broadcasters of the grounds underlying such a designation, it is permissible for the Commission to indicate only succinct grounds for its decision on the list of events of major importance drawn up by a Member State. Moreover, where the effects of such a designation on the freedom to provide services, the freedom of competition and the right to property do not go beyond those which are intrinsically linked to the classification of the event concerned as being of major importance, it is not necessary to provide specific grounds for concluding that it is compatible with European Union law. In the present case, it has not been shown that the effects on the freedoms and rights recognised by European Union law of the designation of the final stages of the World Cup and the EURO, in their entirety, as events of major importance were excessive.
In those circumstances, the Court dismisses the appeals brought by FIFA and UEFA in their

entirety.

dinsdag 25 juni 2013

Ontslag Rasmussen niet kennelijk onredelijk




Het gerechtshof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, heeft vandaag arrest gewezen in de zaak Rasmussen tegen Rabo Wielerploegen B.V. Het hof is van oordeel dat Rabo heeft bewezen dat het ontslag op staande voet van Rasmussen onverwijld is gegeven en dat zij Rasmussen terecht op 26 juli 2007 op staande voet heeft ontslagen.

Verloop hoger beroep
In het hoger beroep in de zaak van Rasmussen tegen Rabo Wielerploegen B.V. (hierna: Rabo), heeft het gerechtshof Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem op 19 juni 2012 (BW8595) een tussenarrest gewezen en daarbij Rabo toegelaten te bewijzen dat het ontslag op staande voet van Rasmussen op 26 juli 2007 ‘onverwijld’ is gegeven.

Op 12 november 2012, 18 december 2012 en 7 maart 2013 zijn aan de zijde van beide partijen getuigen gehoord.

Inleidende opmerkingen
Na het getuigenverhoor aan de zijde van Rabo op 18 december 2012 hebben verschillende (oud) professionele wielrenners in het openbaar bekend gemaakt dat zij in het verleden voorafgaande en tijdens wielerwedstrijden, zoals bijvoorbeeld de Tour de France, diverse vormen van doping hebben gebruikt. In de loop van het geding in hoger beroep is de aandacht verschoven naar de heimelijke en wijd verbreide cultuur van dopinggebruik in de professionele wielersport. Het feit dat Rasmussen opnieuw zichzelf en de toenmalige algemeen directeur van Rabo op 7 maart 2013 als getuigen heeft laten horen, ligt in het verlengde daarvan.

Benadrukt wordt dat het in deze zaak gaat om de rechtsgeldigheid van het ontslag op staande voet dat Rabo op 26 juli 2007 aan Rasmussen heeft verleend. De reden(en) voor dit ontslag op staande voet was/waren - kort gezegd - dat Rasmussen volgens Rabo in strijd met de geldende regels (van UCI en zijn arbeidsovereenkomst) belangrijke onjuiste informatie met betrekking tot zijn verblijfplaats in de maand juni 2007 had verstrekt, te weten dat hij, voorafgaande aan de door Rabo (in de periode van 25 tot en met 29 juni 2007) georganiseerde training in de Pyreneeën, in Mexico verbleef om zich op de Tour de France voor te bereiden, terwijl dit ten aanzien van tenminste één dag (13 juni 2007) niet het geval was.

Dit betekent dat het hof de aandacht die namens Rasmussen is gevraagd voor de recente ontwikkelingen rondom het dopinggebruik en de dopingbekentenis van Rasmussen bij de beoordeling buiten beschouwing zal laten. De omstandigheid dat Rasmussen heeft bekend doping te hebben gebruikt, staat in deze zaak los van de vraag waar precies hij in de maand juni 2007, voorafgaande aan de start van de Tour de France, heeft verbleven.

Het hof oordeelt dat Rabo heeft bewezen dat het ontslag op staande voet van Rasmussen onverwijld is gegeven. Doorslaggevend is dat Rasmussen - kort gezegd - op essentiële momenten heeft gelogen over zijn verblijfplaats in de maand juni 2007 en dat deze leugens (pas) aan het licht zijn gekomen op 25 juli 2007. De e-mail wisseling in april 2007 tussen Rasmussen en de ploegleider en tussen de toenmalige algemeen directeur en Rasmussen, de toezending van de routes van de Alpenetappes op 16 juni 2007 en het sms’je van de ploegleider aan Rasmussen op 24 juni 2007 vormen noch afzonderlijk noch in onderling verband beschouwd een aanwijzing dat Rabo al eerder dan op 25 juli 2007 bekend was met het feit dat Rasmussen niet in juni 2007 in Mexico had verbleven.

Hooguit kan de ontmoeting tussen de ploegleider en Rasmussen in Bergamo op 6 juni 2007, in het licht van de door Rabo op 29 juni 2007 ontvangen recorded warning, een aanwijzing opleveren dat Rabo al eerder wist dat Rasmussen vóór 6 juni 2007 niet in Mexico was geweest, maar deze omstandigheid alléén is van onvoldoende gewicht om te oordelen dat het ontslag op staande voet niet onverwijld is gegeven.

Rabo heeft Rasmussen terecht op staande voet ontslagen
Het hof oordeelt vervolgens dat Rabo Rasmussen terecht op 26 juli 2007 op staande voet heeft ontslagen. Rasmussen heeft op essentiële momenten (ten tijde van de recorded warning van 29 juni 2007 en de boete op 3 juli 2007, de persconferentie op 24 juli 2007 en de bekendwording op 25 juli 2007 dat Rasmussen op 13 juni 2007 door een Italiaanse journalist in de Dolomieten was gezien) onjuiste informatie verstrekt met betrekking tot zijn verblijfplaats in de maand juni 2007; hij heeft over die verblijfplaats herhaaldelijk gelogen. Uitgekomen is dat hij tenminste op één dag in Italië was gezien.

De persoonlijke gevolgen die het ontslag voor Rasmussen heeft, zijn leeftijd en de duur van het dienstverband wegen niet op tegen de aard en de ernst van de aan het adres van Rasmussen gemaakte verwijten.
Dit betekent dat Rasmussen schadeplichtig is jegens Rabo en een bedrag van € 84.543,- bruto aan Rabo is verschuldigd.

Het ontslag is niet kennelijk onredelijk
Het ontslag van Rasmussen is niet kennelijk onredelijk. Er is geen sprake van een valse of een voorgewende reden en de gevolgen van de beëindiging van het dienstverband zijn niet te ernstig in vergelijking met het belang van Rabo bij de beëindiging.

Conclusies
Het vonnis van de kantonrechter kan slechts gedeeltelijk in stand blijven. Op procedurele gronden laat het hof de beslissing van de kantonrechter dat Rabo aan Rasmussen een bedrag van € 50.000,- wegens buitengerechtelijke kosten moet betalen, in stand (zonder toekenning van de door Rasmussen gevorderde wettelijke rente over dit bedrag). Rabo is voorts een (gematigd) bedrag van € 6.069,- bruto (met rente) als wettelijke verhoging aan Rasmussen verschuldigd omdat zij niet tijdig (een deel van ) het achterstallige salaris (€ 40.457,- bruto) aan Rasmussen heeft betaald.

Rabo heeft ter uitvoering van dit vonnis op 23 juli 2008 een bedrag van € 715.000,- als hoofdsom alsmede een bedrag van € 34.812,96 wegens wettelijke rente, in totaal € 749.812,96, aan Rasmussen betaald. De beslissingen van het hof leiden ertoe dat Rabo een bedrag van € 6.069,- bruto (met rente) aan Rasmussen dient te betalen en dat Rasmussen aan Rabo € 84.543,- bruto (met rente) alsmede een bedrag van € 579.349,69 (met rente) dient (terug) te betalen. Rasmussen wordt voorts in de proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep veroordeeld.