vrijdag 24 mei 2013

Judo Bond Nederland kan judoka's niet verplichten deel te nemen aan wedstrijden in judopak sponsor van bond



De feiten
De Judo Bond Nederland (JBN) kwam er achter dat het ook anders kan lopen.
Een aantal judoka's hebben ieder voor zich een sponsorovereenkomst gesloten met een judopakkenleverancier. Een aantal judoka's ontvangen daarnaast een financiële vergoeding van hun sponsor. In 2011 hebben de JBN en Green Hill een zogenaamde “Supplier Agreement” ondertekend, waarbij Green Hill de leverancier van judokleding zou worden voor de gehele nationale selectie. Green Hill is een van de ongeveer tien leveranciers van judopakken waarmee officiële wedstrijden gespeeld mogen worden.
JBN heeft aan alle 190 judoka’s van de nationale selectie een (standaard) kernploegovereenkomst toegezonden waarin de verplichting is opgenomen tijdens wedstrijden en evenementen waarnaar de judoka’s door JBN worden uitgezonden de door JBN aangewezen judopakken en andere (sport)kleding te dragen. Van de 190 judoka’s hebben 174 de standaard kernploegovereenkomst ondertekend. Zestien judoka's hebben geweigerd deze overeenkomst te ondertekenen. Green Hill laat de JBN op een gegeven moment weten het niet te accepteren dat een grote groep judoka’s van de nationale selectie tijdens wedstrijden niet de judopakken van Green Hill draagt.
De JBN heeft daarop besloten dat alleen de judoka’s met een eigen sponsorovereenkomst met een waarde van meer dan € 20.000,00 worden uitgezonderd van de verplichting om tijdens wedstrijden de judopakken van Green Hill te dragen, dat geldt voor twee judoka’s.
De andere veertien judoka's blijven weigerigachtig en de JBN stapt naar de rechter en vordert een verklaring voor recht dat de JBN gerechtigd is om te bepalen welke kleding haar leden moeten dragen tijdens toernooien. Volgens de JBN zijn de judoka's op grond van artikel 6 lid 1 van de statuten van de JBN gebonden aan het besluit van de JBN om tijdens wedstrijden en evenementen de kleding van Green Hill te dragen.
De judoka's voeren als verweer aan dat het in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar artikel 2:8 lid 2 BW is aan hen de verplichting op te leggen om tijdens wedstrijden de door de JBN aangewezen judopakken te dragen.
De rechtbank oordeelt dat er een belangenafweging plaats moet vinden. Bij die belangenafweging dienen de belangen van de JBN bij het opleggen van de verplichting aan de judoka's om de judopakken van Green Hill te dragen te worden afgewogen tegen de belangen van judoka's  bij het zelf kunnen bepalen welk judopak tijdens wedstrijden wordt gedragen. Verder dient bij de toetsing rekening te worden gehouden met de overige omstandigheden van het geval.
Belangen van de JBN
De JBN stelt dat zij jegens Green Hill contractueel gehouden is om de judoka's te verplichten om tijdens wedstrijden de judopakken van Green Hill te dragen. Anders dan JBN leidt de rechtbank dit niet af uit de tekst van de Supplier Agreement. Uit artikel 4.1. van de Supplier Agreement blijkt eerder het tegendeel. Dit artikel bepaalt dat JBN het recht heeft om individuele judoka’s uit te zonderen van de verplichting om Green Hill judopakken te dragen indien JBN dit in het belang van alle betrokken partijen acht. De rechtbank acht wel aannemelijk dat de relatie van JBN met Green Hill erbij gebaat is dat een zo groot mogelijk aantal judoka’s de judopakken van Green Hill draagt. Het standpunt van de JBN dat zij door het sluiten van de Supplier Agreement belangrijke inkomsten genereert die ten goede komen aan de gehele judosport in Nederland, is volgens de rechtbank onvoldoende onderbouwd. De JBN noemt nergens bedragen die de sponsorovereenkomst opgeleverd heeft. De enige inkomsten waarop JBN op grond van de Supplier Agreement recht heeft, betreffen een percentage van de verkoopopbrengst van via JBN verkochte judokleding van Green Hill in Nederland. Tot slot stelt de JBN dat het haar grote wens is dat er eenheid komt binnen de nationale selectie in die zin dat iedere judoka van de nationale selectie hetzelfde pak draagt. De rechtbank overweegt dat van eenheid geen sprake is nu JBN haar twee gezichtsbepalende (top)judoka’s met een sponsorcontract met een waarde van meer dan € 20.000,00 niet verplicht de judopakken van Green Hill te dragen.

Belangen judoka's
Het judopak wordt volgens de rechtbank tijdens wedstrijden actief gebruikt in de zin dat daaraan getrokken en vastgehouden mag worden. Anders dan kleding bij andere sporten zoals voetbal of atletiek, is het judopak dus onderdeel van de sportbeoefening. Voorafgaand aan iedere wedstrijd wordt het judopak om die reden ook gekeurd. Als het judopak niet aan de eisen van de internationale judobond voldoet, mag de judoka met dat judopak niet de mat op.
De rechtbank is met de judoka's eens dat het judopak een belangrijk attribuut is bij de uitoefening van de judosport. De judoka's hebben er een zwaarwegend belang bij dat het judopak dat zij tijdens wedstrijden dragen goed past. Een niet goed zittend judopak kan tijdens een wedstrijd afleiden, en een ogenschijnlijk kleine afleiding kan een wedstrijd beslissen, zoals een van de judoka’s ter zitting ook heeft verklaard. De pakken van de privé sponsoren van de judoka's zijn maatpakken en de pakken van Green Hill zijn standaardpakken die niet goed zitten. Ook zijn er judoka's die enkele duizenden euro's van hun privé sponsor krijgen en dus inkomsten mislopen als ze in het judopak van Green Hill moeten gaan judoën.  
Overige omstandigheden van belang
De rechtbank acht tot slot van belang dat een judoka zonder lidmaatschap van JBN niet kan deelnemen aan belangrijke nationale en internationale wedstrijden. JBN bekleedt in dit kader een machtspositie. Op JBN rust om die reden de verplichting om bij haar besluitvorming zorgvuldig om te gaan met de belangen van de judoka's.
Conclusie
De rechtbank is van oordeel dat voornoemde belangen van de judoka's van aanmerkelijk zwaarder gewicht zijn dan genoemde belangen van JBN en dus het besluit van de JBN in strijd is met artikel 2:8 lid 2 BW. Bij de toetsing op grond van artikel 2:8 lid 2 BW houdt de rechtbank verder rekening met de omstandigheid dat JBN de judoka’s niet tijdig en op voldoende zorgvuldige wijze bij de besluitvorming heeft betrokken.

donderdag 23 mei 2013

CBP: Sportbonden moeten tuchtrechtelijke uitspraken anoniem publiceren


NOC*NSF, de koepel van sportbonden, heeft op aangeven van het College bescherming persoonsgegevens (CBP) aandacht van de aangesloten bonden gevraagd voor het anonimiseren van tuchtrechtelijke uitspraken voordat deze op internet worden geplaatst. Sportbonden publiceren dergelijke uitspraken soms inclusief naam, adres, woonplaats, de overtreding/gedraging, de straf, etc. Deze wijze van publiceren, zeker als het gaat om sporters die in betrekkelijke anonimiteit hun sport beoefenen, is in strijd met de Wet bescherming persoonsgegevens. NOC*NSF adviseert de sportbonden ervoor te zorgen dat tuchtrechtelijke uitspraken alleen geanonimiseerd op hun websites worden geplaatst en stelt samen met enkele sportbonden en de Dopingautoriteit een richtlijn op om sportbonden te helpen op de juiste manier om te gaan met openbaarmaking van tuchtrechtuitspraken.
​De publicatie van een tuchtrechtelijke uitspraak voor een algemeen publiek met vermelding van de persoonsgegevens van de betrokken persoon is veelal niet noodzakelijk. NOC*NSF benoemt dat in een klein deel van de tuchtrechtelijke zaken
-waaronder met name zaken waarbij een bekende sporter betrokken is- een sportbond niet geheel aan het openbaar maken van uitspraken kan ontkomen. NOC*NSF geeft hierbij aan dat dit waar mogelijk in nauw overleg met de betrokkene moet gebeuren en dat er uiteraard niet meer persoonsgegevens gepubliceerd dienen te worden dan strikt noodzakelijk. Voor het overige kunnen voorlichting en preventie ook worden bereikt met publicatie van de uitspraak zonder de naam van de betrokken sporter. Een publicatie op internet van een uitspraak mét vermelding van de naam kan voor de sporter ernstige gevolgen hebben, bijvoorbeeld wanneer een potentiële werkgever op de uitspraak stuit.
Het anonimiseren van de uitspraak betekent niet dat alleen de naam verwijderd moet worden. Onder persoonsgegevens valt ook elk gegeven dat te herleiden is tot een persoon, bijvoorbeeld 'aanvoerder van het eerste team van Blauw-Wit uit plaats A'. De sportbonden moeten bij het anonimiseren hiermee rekening houden.
In de 'gewone'' rechtspraak worden uitspraken geanonimiseerd gepubliceerd. Dit betekent dat de namen van natuurlijke personen worden verwijderd en vervangen door neutrale termen als 'eiser' of 'verdachte'. De rechtspraak hanteert voor dit anonimiseren de zogenoemde anonimiseringsrichtlijnen. Deze richtlijnen zijn te vinden op de website van de Rechtspraak onder 'uitspraken en registers'.

Bron: cbpweb.nl

zondag 19 mei 2013

Bezitter tokkelbaan risicoaansprakelijk voor schade klant ex. artikel 6:174 BW


tokkelen


Feiten
Eiser gaat tijdens zijn vakantie in de Ardennen tokkelen bij Outdoor Group aldaar. Hij gaat via de tokkelbaan, met een hoogteverschil van 20 meter, naar beneden en raakt bij de landing aan het einde van de tokkelbaan met zijn linkervoet de grond. Hij loopt daarbij letsel op aan zijn enkel. De eiser lijdt hierdoor schade en stelt Outdoor Group daarvoor aansprakelijk.
Oordeel rechtbank
De rechtbank stelt voorop dat de tokkelbaan kan worden gekwalificeerd als een opstal in de zin van artikel 6:174 BW. Het bedrijfsmatig exploiteren van een tokkelbaan, waaraan men in beginsel ongeacht zijn conditie, leeftijd en mate van sportieve ervaring deel kan nemen, brengt volgens de rechtbank met zich mee dat de exploitant een bijzondere zorgvuldigheid moet betrachten om ongevallen zoveel mogelijk te voorkomen, dan wel de gevolgen daarvan zoveel mogelijk te beperken.
Naar het oordeel van de rechtbank dient een tokkelbaan zodanig te zijn ontworpen dat de tokkelende persoon niet, voordat hij volledig tot stilstand is gekomen, op enigerlei wijze met zijn voeten de grond kan raken en daardoor letsel kan oplopen. Dit geldt ook in dit geval waarbij de remming moeizamer ging dan normaal gesproken het geval is en de te remmen persoon (te) laat tot stilstand is gekomen. Deelnemers behoeven er niet bedacht op te zijn dat een tokkelbaan dusdanig is geconstrueerd dat hun benen of voeten (hard en ongecontroleerd) de grond kunnen raken alvorens zij volledig zijn afgeremd. Zij hoeven er evenmin op bedacht te zijn dat zij ter voorkoming van letsel aan het einde van een tokkelbaan hun benen moeten intrekken.
De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat de tokkelbaan in de zin van artikel 6:174 BW en veroordeelt Outdoor Group tot het betalen van de schadevergoeding. De stelling van Outdoor Group dat zij in verband met de aanleg van de tokkelbaan deskundig advies heeft ingewonnen en dat zich nimmer andere ongevallen met de tokkelbaan hebben voorgedaan, doet aan het voorgaande niet af. Ook het verweer dat de baan is goedgekeurd door gecertificeerde instanties, leidt volgens de rechtbank niet tot een ander oordeel.
Het verweer van Outdoor Group dat de eiser erop is gewezen dat hij bij de landing zijn benen diende in te trekken, kan Outdoor Group niet baten. Een dergelijke instructie c.q. waarschuwing vormde een onvoldoende adequate maatregel om letsel te voorkomen, zoals in dit geval blijkt. Outdoor Group mocht er - zelfs wanneer er vanuit wordt gegaan dat de instructies zijn gegeven op de wijze zoals door Outdoor Group c.s. gesteld - niet op vertrouwen dat deelnemers aan de tokkelbaan steeds in staat zijn om dergelijke instructies adequaat uit te voeren. Daarbij is van belang dat het nemen van een tokkelbaan voor veel mensen een spannende onderneming is, die veel prikkels genereert, waardoor zij minder goed in staat zijn om instructies als het op het juiste moment intrekken van de benen correct uit te voeren. Outdoor Group had hier bij het ontwerp van de tokkelbaan rekening mee moeten houden en er voor moeten zorgen dat zelfs wanneer deelnemers hun benen niet (tijdig) intrekken, zij voordat zij volledig zijn afgeremd niet de grond kunnen raken.

De uitspraak staat  HIER

maandag 13 mei 2013

Geen dwaling, bedrog of non-conformiteit bij verkoop paard met zogeheten "patella fixatie"



LJN: BZ9641, Rechtbank's-Gravenhage, Datum uitspraak: 01-05-2013

Feiten
[gedaagde] als verkoper en Remmits als koper hebben op 17 april 2012 een schriftelijke koopovereenkomst gesloten strekkende tot verkoop van het paard Beaucaro voor een bedrag van € 20.000,=. Betaling en levering van Beaucaro hebben eveneens op 17 april 2012 plaatsgevonden. Beaucaro is voorafgaand aan het sluiten van de koopovereenkomst klinisch en röntgenologisch gekeurd door dierenarts E. Bergman. Bergman heeft geconcludeerd dat het paard zowel klinisch als röntgenologisch in orde was.
Na het sluiten van de koopovereenkomst - op 12 mei 2012 - is Beaucaro opnieuw onderzocht, ditmaal door E. Enzerink van het Veterinair Centrum Someren. Enzerink rapporteerde over zijn bevindingen als volgt:
“Op stal staat paard geregeld met tong uit de mond. Bij omdraaien op stal heeft paard regelmatig la en ra een habituele patella fixatie. Als paard uit de box gehaald word heeft hij herhaaldelijk een patellafixatie die er wel spontaan af schiet, als het paard wat meer heeft gelopen word de frequentie minder. (…) Paard staat netjes rondom op de ijzers beiderzijdsachter wat binnendoor gezet. (…)Bij het opzadelen op de poetsplaats staat het paard met de tong een stukje naar buiten. Bij aanvang van het rijden gooit het paard enkele malen tong volledig naar buiten.
(…).”

De vordering
Remmits vordert restitutie van de koopsom van € 20.000,= en schadevergoeding. Aan haar vorderingen legt Remmits, samengevat weergegeven, ten grondslag dat de overeenkomst onder invloed van bedrog subsidiair dwaling tot stand is gekomen, nu [gedaagde] heeft verzwegen dat Beaucaro was behept met een tongprobleem en de “patella fixatie (het “mobiliteitsprobleem”), terwijl zij verplicht was beide problemen aan Remmits mede te delen. [gedaagde] had moeten weten dat Remmits de koopovereenkomst niet zou hebben gesloten, indien zij ervan op de hoogte was dat Beaucaro behept is met een mobiliteitsprobleem en een tongprobleem. Voor zover [gedaagde] niet op de hoogte was van het feit dat bij Beaucaro sprake is van een tong- en mobiliteitsprobleem, is meer subsidair sprake van wederzijdse dwaling. Tot slot stelt Remmits zich op het standpunt dat het paard niet aan de overeenkomst beantwoordt, nu het als gevolg van het tong- en mobiliteitsprobleem niet geschikt is voor de dressuursport. Daardoor is sprake van non-conformiteit. Aan de vordering tot schadevergoeding legt Remmits ten grondslag dat [gedaagde] ongerechtvaardigd is verrijkt, subsidiair dat sprake is van wanprestatie aan de zijde van [gedaagde].

Beoordeling geschil
Bedrog
[gedaagde] heeft betwist dat sprake is van bedrog aan haar zijde en heeft daartoe ter comparitie aangevoerd dat zij er niet van op de hoogte was dat Beaucaro zijn tong wel eens naar buiten liet hangen als zij het paard bereed. Zij heeft meegedaan aan dressuurwedstrijden met Beaucaro. Tijdens die wedstrijden is zij nooit “uitgebeld”. Evenmin is op het protocol dat zij na afloop van een wedstrijd ontving een melding gemaakt van het naar buiten laten hangen van de tong door Beaucaro.
Tegenover de betwisting van [gedaagde] heeft Remmits haar stelling dat [gedaagde] ervan op de hoogte was dat Beaucaro zijn tong ook tijdens het rijden naar buiten liet hangen naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende onderbouwd. [D] heeft in het kader van het voorlopig getuigenverhoor weliswaar verklaard dat Beaucaro zijn tong tijdens de lessen met [gedaagde] soms naar buiten liet hangen, maar [D] heeft niet verklaard dat hij dit ook met [gedaagde] heeft besproken. Evenmin volgt uit zijn verklaring dat [gedaagde] zelf heeft gezien dat Beaucaro zijn tong soms naar buiten liet hangen tijdens de lessen. Uit de verklaring van [C], die Beaucaro vier tot vijf keer heeft bereden, volgt ook niet dat [gedaagde] ervan op de hoogte was dat Beaucaro zijn tong tijdens het rijden naar buiten liet hangen. [C] heeft immers verklaard:

“(…) Tijdens het rijden bracht Beaucaro zijn tong absoluut niet naar buiten. Dat gebeurde wel op stal, en ik moet daar om giechelen, want dat is een grappig gezicht. Mevrouw [gedaagde] had me er ook al op gewezen dat Beaucaro dat doet. Mij was niet bekend van enig probleem met de tong tijdens het rijden (…).”

[gedaagde] heeft [C] er kennelijk over geïnformeerd dat Beaucaro zijn tong op stal naar buiten liet hangen, niet dat hij dat ook tijdens het rijden deed. Ook anderszins is niet komen vast te staan dat [gedaagde] zelf van “het tongprobleem” op de hoogte was. Het beroep op bedrog wegens het opzettelijk doen van een onjuiste mededeling faalt derhalve.
Ook heeft de [gedaagde] de patella fixatie niet opzettelijk verzwegen volgens de rechtbank teneinde Remmits tot de koopovereenkomst te bewegen c.q. dat is niet komen vast te staan. Dit leidt ertoe dat de het beroep op bedrog strandt.

Dwaling
Niet is komen vast te staan dat [gedaagde] wist van het tongprobleem, zodat haar niet kan worden tegengeworpen dat ze op dit punt een mededelingsplicht heeft geschonden. Ten aanzien van het mobiliteitsprobleem heeft eveneens te gelden dat [gedaagde] geen mededelingsplicht heeft geschonden. Nu zij meende dat het probleem met het binnendoor zetten van de hoeven was verholpen, valt niet in te zien dat zij Remmits daarover had moeten informeren.

Non-conformiteit
Voorts dient de vraag te worden beantwoord of sprake is van non-conformiteit. Een zaak beantwoordt volgens het bepaalde in artikel 7:17 lid 2 BW niet aan de overeenkomst indien zij, mede gelet op de aard van de zaak en de mededelingen die de verkoper over de zaak heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper van de overeenkomst mocht verwachten. De koper mag in elk geval verwachten dat de zaak de eigenschappen bezit die voor normaal gebruik daarvan nodig zijn, alsmede de eigenschappen die nodig zijn voor een bijzonder gebruik dat bij overeenkomst is voorzien.
De rechtbank is van oordeel dat Remmits onvoldoende feiten heeft gesteld om te kunnen concluderen dat Beaucaro niet geschikt is voor het bijzondere gebruik dat haar bij het aangaan van de overeenkomst voor ogen stond, te weten: de dressuursport. Het feit dat het paard is behept met de patella fixatie brengt naar het oordeel van de rechtbank niet mee dat het ongeschikt is voor de dressuursport. De rechtbank hecht in dit verband belang aan de verklaring van [D] ten aanzien van de patella fixatie. Hoewel [D] niet als deskundige is benoemd, komt aan zijn oordeel ter zake grote betekenis toe, nu hij paardentrainer en ervaren dressuurruiter is.
Uit de verklaring van [D] volgt naar het oordeel van de rechtbank dat de patella fixatie geen beletsel vormt voor gebruik van het paard voor de dressuursport. Het probleem is met het binnendoor zetten immers opgelost. Evenmin kan Remmits worden gevolgd in haar betoog dat het paard vanwege de patella fixatie ongezond zou zijn en daarmee derhalve niet aan de overeenkomst beantwoordt.

De beslissing
De rechtbank wijst de vorderingen af.

De uitspraak staat HIER

zaterdag 27 april 2013

Commissie van Beroep KNVB, uitlatingen Gert Jan Verbeek, tuchtrechters afzeiken, nooit een goed idee



Voor lezers die genoeg hebben aan een samenvatting:
Straf Gertjan Verbeek verhoogd door commissie van beroep


Gert Jan Verbeek heeft beroep ingesteld tegen de beslissing van 21 maart 2013 van de tuchtcommissie betaald voetbal, hierna te noemen: “tuchtcommissie”, waarbij appellant met ingang van 21 maart 2013 het recht is ontzegd om op wedstrijddagen waarop een competitie-, play-off- of bekerwedstrijd van de KNVB wordt gespeeld als trainer-coach te fungeren of in welke vorm ook enige andere een voetbalteam begeleidende functie te vervullen, tot de dag, volgende op die, waarop het 1e elftal van zijn club 1 competitie-, play-off- en/of bekerwedstrijd van de KNVB heeft gespeeld. De hiervoor vermelde straf is voorwaardelijk opgelegd met een proeftijd van 2 jaar.

De feiten
Op 21 februari 2013 heeft de aanklager betaald voetbal de tuchtcommissie verzocht een oordeel te geven over de vraag of de Gedragscode Officials Betaald voetbal, hierna te noemen:
ʺGedragscodeʺ, door appellant is overtreden.
De aanklager heeft geen schikkingsvoorstel gedaan en heeft aangegeven zich bij voorbaat te refereren aan het oordeel van de tuchtcommissie. De aanklager heeft hiertoe besloten aangezien de uitlatingen van appellant grotendeels de aanklager zelf betreffen. Hij heeft verzocht om een schriftelijke behandeling.
De aanklager meent dat de uitlatingen die door appellant zijn gedaan, op twee punten in strijd zijn met de Gedragscode namelijk:
-          Uitlatingen waardoor het betaald voetbal in diskrediet wordt gebracht (negatieve beeldvorming);
-          Het op onbehoorlijke wijze geven van commentaar op aan het voetbal gelieerde organisaties in de media.

De tuchtcommissie heeft het volgende overwogen:
ʺDe uitlatingen die op de website van AZ door beschuldigde zijn gedaan en de uitlatingen in het interview met Eredivisie Live acht de tuchtcommissie deels ontoelaatbaar. De tuchtcommissie overweegt dat wanneer er een gevoel bestaat bij beschuldigde dat hij niet respectvol wordt behandeld, hij hier uiteraard iets van mag zeggen. Voor zover hij in dit verband een beroep heeft gedaan op de vrijheid van meningsuiting, dan geldt die vrijheid voor hem uiteraard ook onverkort.
Maar allereerst betreft het hier uitlatingen van beschuldigde over een zitting bij de tuchtcommissie waar hij zelf niet bij is geweest. Hij heeft zijn informatie van horen zeggen en het is maar zeer de vraag wat de aanklager door beschuldigde wordt verweten zich ook daadwerkelijk heeft voorgedaan. Onder die omstandigheden is het hoe dan ook raadzaam om wat meer terughoudende bewoordingen te gebruiken.
Maar los daarvan wordt de vrijheid van meningsuiting beperkt door de rechten van anderen en
door de verplichtingen van beschuldigde als lid van de KNVB zelf, zoals deze bijvoorbeeld zijn verwoord in de Gedragscode. Van hem wordt in dat kader verwacht, mede in het licht van het Handvest, dat hij met respect omgaat met andere leden van de KNVB en met organen zoals de aanklager en de tuchtcommissie. Door het gebruiken van dusdanig algemene denigrerende bewoordingen, waarin geen enkele ruimte is voor nuance, is hij de grens van het toelaatbare gepasseerd.
De tuchtcommissie doelt hier met name op de volgende teksten op de AZ website:
“Het is ons kent ons in Zeist”, en: ”De manier waarop aangeklaagde wordt behandeld is respectloos, denigrerend en neerbuigend. Vooral de aanklager is verschrikkelijk en subjectief”. En bij Eredivisie Live als antwoord op de vraag: “Hoe word je dan bejegend?”. “Met name door de aanklager. Nou respectloos, denigrerend”.
Beschuldigde heeft net als alle andere betrokkenen bij het Betaald Voetbal een voorbeeldfunctie voor de vele andere leden van de KNVB. Juist daarbij past het niet om op
deze ongenuanceerde wijze te reageren op vermeende gebeurtenissen. Van beschuldigde mag verwacht worden dat hij zijn mening op een minder ongenuanceerde wijze naar buiten brengt. Dat geldt voor de opmerkingen ten aanzien van de aanklager, maar ook voor de tekst: “Het is
ons kent ons in Zeist”. Ter zitting is dat nog nader toegelicht in die zin dat de leden van de
tuchtcommissie en de aanklager elkaar kennen en tutoyeren en dat de secretarissen bij elkaar op één gang zitten.
De opmerking wekt de indruk dat de aanklager en de tuchtcommissie één pot nat is en dat een beschuldigde bij voorbaat veroordeeld is. Beschuldigde hoort te weten dat dit geenszins het geval is. Beide organen hebben een geheel eigen verantwoordelijkheid. Uiteraard kennen de verschillende functionarissen elkaar, zoals zij ook veel betrokkenen van de clubs kennen. Maar dat staat er niet aan in de weg dat zij in volstrekte onafhankelijkheid hun taak verrichten en dat er over zaken nimmer inhoudelijk overleg wordt gevoerd. Ook de secretarissen kennen hun eigenstandige positie en waken er voor de onafhankelijkheid van de verschillende organen in gevaar te brengen.

Door desondanks dergelijke bewoordingen voor iedereen kenbaar te gebruiken ondermijnt beschuldigde het vertrouwen in het tuchtrechtelijk systeem. En dat is, als gezegd, in strijd met de Gedragscode.

De bovengenoemde opmerkingen op de website van AZ zijn ook niet in een opwelling gemaakt. Eerstbedoelde teksten zijn gepubliceerd op de eigen club website. Beschuldigde had derhalve hier gemakkelijk op in kunnen grijpen. Dit heeft hij nagelaten.
De uitingen die door beschuldigde zijn gedaan in de uitzending van Eredivisie Live heeft hij niet ontkend en zijn vergelijkbaar met die op de club website. Beschuldigde heeft doelbewust deze bewoordingen gebezigd.

Het is naar het oordeel van de tuchtcommissie ook onnodig om zich op een dergelijke wijze over de tuchtrechtelijke organen in het algemeen en de aanklager in het bijzonder uit te laten. Er zijn genoeg manieren om eventuele grieven over het functioneren van de tuchtcommissie en/of de aanklager via het Bestuur Betaald Voetbal of de Algemene Vergadering Betaald Voetbal aan de orde te stellen.

De tuchtcommissie overweegt nogmaals dat beschuldigde een voorbeeldfunctie heeft. Hij dient zich ervan bewust te zijn dat hij wordt gevolgd en dat zijn uitspraken door anderen worden geciteerd, juist als hij zich op deze wijze uitlaat. De Gedragscode Officials Betaald Voetbal is niet voor niets in het leven geroepen. Van beschuldigde mag verwacht worden dat hij deze niet overtreedt en dat hij zich bewust is van zijn eigen bewoordingen, mondeling dan wel schriftelijk.

Nu de uitingen in Voetbal International door beschuldigde niet worden onderschreven, heeft de tuchtcommissie deze niet meegenomen in haar oordeel. Overigens, maar dat terzijde, stond het de aanklager vrij deze bewoordingen mede aan de tuchtcommissie voor te leggen.

Concluderend is de tuchtcommissie van oordeel dat beschuldigde door zijn uitlatingen de tuchtrechtelijke organen en met name de aanklager in diskrediet heeft gebracht. Van beschuldigde mag worden verwacht dat hij wanneer hij het niet eens is met de gang van zaken meer relativeert en niet in dusdanig algemene denigrerende termen vervalt. Door het uiten van zulke teksten ondermijnt beschuldigde het tuchtrechtelijk systeem en dit acht de tuchtcommissie – met het bestuur betaald voetbal- niet toelaatbaar.ʺ

De bewezenverklaring van de tuchtcommissie steunt op de navolgende bewijsmiddelen:

-          De publicatie d.d. 15 februari 2013 op de website  www.az.nl, inhoudende uitlatingen van appellant;

-          De uitzending van Eredivisie Live op 16 februari 2013, met daarin een interview met appellant.

Behandeling van het beroep
Verbeek komt het volgende verweer
Appellant kan zich niet met de uitspraak van de tuchtcommissie verenigen omdat hij, naar zijn oordeel, ten onrechte niet is vrijgesproken van hetgeen hem ten laste is gelegd.
Hij verzoekt daarom de commissie van beroep de uitspraak van de tuchtcommissie te vernietigen en, opnieuw recht doende, te beslissen dat hij zich niet heeft schuldig gemaakt aan het hem ten laste gelegde.
In dit verband heeft appellant – deels naar aanleiding van vragen van de kant van de commissie van beroep - het volgende gesteld.
De aan hem toegeschreven uitlatingen die gepubliceerd zijn op de website  www.az.nl, mogen niet voor zijn rekening komen. Het gaat om een tekst die niet door hem is opgesteld en evenmin door hem is goedgekeurd.
Hij heeft tegen de publicatie geen actie ondernomen, omdat hij deze niet gelezen heeft. De site valt onder verantwoordelijkheid van AZ.
De weergave van zijn uitspraken tijdens het interview op “Eredivisie Live” op pagina 3 van het procesdossier, is juist. Deze uitspraken neemt hij voor zijn rekening.

Bij de tuchtcommissie heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de aan hem toegeschreven uitlatingen in het tijdschrift “Voetbal International”, nummer 8 van 20 februari 2013, pagina 10 (pagina 7 van het procesdossier) niet voor zijn rekening mogen komen, omdat het gaat om een niet door hem geautoriseerde tekst.
Inmiddels weet hij dat de tekst is gebaseerd op een interview, waarvan door de betrokken journalist een geluidsopname is gemaakt. Deze geluidsopname is door de aanklager ten behoeve van de behandeling in beroep opgevraagd en aan het dossier toegevoegd.
Appellant heeft deze geluidsopname beluisterd. Hij is inderdaad aan het woord en de aan hem toegeschreven bewoordingen heeft hij inderdaad gebruikt.
Meer in het bijzonder moet hij terugkomen op zijn bewering, gedaan tegenover de
tuchtcommissie, dat hij het woord “samenzwering” niet heeft gebruikt. Dat blijkt wèl het geval te zijn.
De geluidsopname mag echter – zo stelt de verdediging – bij de beoordeling door de commissie van beroep geen rol spelen en dient uit het dossier te worden verwijderd. Daartoe is het volgende aangevoerd.
De tuchtcommissie heeft het interview van appellant met “Voetbal International” niet betrokken in zijn oordeel. De aanklager heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de tuchtcommissie en heeft dan ook geen beroep ingesteld tegen de beslissing van die commissie.
Met dit alles is niet verenigbaar dat de aanklager nu, in beroep, de geluidsopname aan het procesdossier toevoegt, want daarmee kan hij geen andere bedoeling hebben dan dat de commissie van beroep - in ieder geval op dit punt – tot een andere beslissing komt dan de tuchtcommissie.

Appellant stelt dat de ernstige bezwaren die appellant in de loop van jaren heeft gekregen tegen het optreden van de aanklager en – zij het in mindere mate – tegen het optreden van de tuchtcommissie, de reden vormen voor zijn uitlatingen, voor zover die in dit beroep aan de orde zijn.
De aanleiding was de behandeling van de zaak van AZ-speler Viergever (waarbij appellant zelf overigens niet aanwezig was), maar appellant ziet een patroon: de bezwaren die hij heeft tegen de manier waarop de aanklager in die zaak is opgetreden gelden ook voor bijna alle andere zaken die de afgelopen jaren door de tuchtcommissie zijn behandeld, met name spelerszaken
in zijn AZ-periode, waarbij appellant wèl zelf aanwezig is geweest. De aanklagers in die zaken traden respectloos en denigrerend op.
Dat gold niet voor de tuchtcommissie, maar die greep niet in en riep de aanklagers niet tot de
orde in de gevallen die appellant hier voor ogen heeft.

Appellant merkt daarbij op dat zijn bezwaren tegen het functioneren van de aanklagers – en in het verlengde daarvan – de tuchtcommissie, geen betrekking hebben op het functioneren van de commissie van beroep.

De uitspraak dat het “ons kent ons” is in “Zeist” komt voort uit het feit dat enerzijds op de zittingen makkelijk wordt gezegd dat clubs en spelers hun verklaringen op elkaar afstemmen, maar dat anderzijds de verklaringen van de arbitrage zonder meer serieus worden genomen, die praten na een wedstrijd toch ook met elkaar?. In dit verband speelt ook de zaak Advocaat, coach van PSV: deze heeft uitlatingen gedaan waarvoor hij zich niet bij de tuchtrechter hoeft te verantwoorden, maar naar aanleiding waarvan Advocaat is uitgenodigd bij de KNVB voor een gesprek bij een kop koffie. Advocaat is bondscoach geweest en de directie betaald voetbal kent hem goed.
Dat is een illustratie van “ons kent ons”.

Appellant heeft met zijn uitlatingen geen kwade bedoelingen gehad.
Hij weet dat hij in het betaalde voetbal een voorbeeldfunctie heeft, maar hij voelde zich tekort gedaan door de behandeling in de zaak Viergever.
Hij beroept zich op de vrijheid van meningsuiting. Hij weet dat die vrijheid niet onbeperkt is,
maar hij heeft geen beledigende bewoordingen gebruikt en hij is, ook naar zijn oordeel achteraf, met zijn uitlatingen binnen de grens van het toelaatbare gebleven.

Het bestuur betaald voetbal heeft met een brief van 18 februari 2013 de aanklager verzocht om de uitlatingen van appellant te onderzoeken, dan wel de tuchtcommissie om een direct oordeel te vragen.
Het is, voor zover appellant weet, de eerste keer of één van de eerste keren dat het bestuur een dergelijk verzoek tot de aanklager richt.
In deze gang van zaken schuilt willekeur, in die zin dat niet duidelijk is hoe ver de Gedragscode strekt en dat niet duidelijk is waarom het bestuur een dergelijk verzoek in het ene geval (appellant) wèl tot de aanklager richt en in het andere geval (Advocaat) niet.
Het bestuur betaald voetbal heeft zijn taak om toezicht te houden op de naleving van statuten en reglementen gedelegeerd aan de tuchtrechtelijke organen.
Het bestuur heeft zich echter rechtstreeks in deze zaak gemengd.
In het belang van de rechtszekerheid dient gemotiveerd te worden aangegeven in welke gevallen een dergelijke inmenging door het bestuur betaald voetbal verwacht mag worden. De tuchtcommissie heeft zich hierover ten onrechte niet uitgelaten.

Advocaat heeft met diens uitlatingen de aanklager in diskrediet gebracht, maar die kwestie is geëindigd met een informeel gesprek, zonder tuchtrechtelijke vervolging en dus ook zonder enige strafoplegging.
De tuchtcommissie is niet ingegaan op het standpunt van appellant, dat door de aanklager ten nadele van hem gehandeld is in strijd met het gelijkheidsbeginsel.
Het verdient ten minste nadere toelichting op grond van welke criteria door de aanklager in het ene geval gekozen is voor een gesprek en in het andere geval voor een tuchtzaak.

Vordering aanklager
De aanklager geeft aan dat de uitlatingen die appellant ten laste zijn gelegd, het vertrouwen in de rechtspraak bij de KNVB schaden.
Het doel van de aanklager is nooit om iemand monddood te maken, maar op een bepaald moment gaat het te ver en wordt de tuchtrechtspraak ondermijnd. Dat is hier het geval.
Het instituut aanklager is een onafhankelijk instituut bestaande – in hun dagelijkse beroepsuitoefening - uit zeer ervaren leden van het openbaar ministerie.
Het staat niet ter discussie dat de ten laste gelegde uitlatingen zijn gedaan, het gaat om de weging daarvan.
De aanklager is van oordeel dat door de uitlatingen van appellant de integriteit van de aanklager ten onrechte in twijfel wordt getrokken.

De aanklager merkt op dat appellant met ingang van 20 maart 2013 een voorwaardelijke straf op zijn strafkaart heeft staan, waarvan de proeftijd nog niet was verstreken toen appellant de uitspraken deed.
Deze voorwaardelijke straf heeft een rol gespeeld bij de beslissing om in deze zaak het oordeel van de tuchtrechter in te roepen. Iets vergelijkbaars was niet aan de orde in de kwestie Advocaat, die alleen daarom al niet vergelijkbaar is met de onderhavige zaak.
De uitlatingen van Advocaat waren bovendien van een andere orde en zwaarte dan de uitlatingen van appellant. Advocaat heeft zich uitgelaten over de werkwijze van de aanklagers in het geval van een vooronderzoek op basis van tv-beelden. Van handelen in strijd met het gelijkheidsbeginsel en van willekeur aan de zijde van de aanklager is geen sprake.

De aanklager refereert zich voor wat betreft de bewezenverklaring en de strafoplegging aan het oordeel van de commissie van beroep.

De beoordeling van de beslissing van de tuchtcommissie
De commissie van beroep vernietigt de beslissing van de tuchtcommissie waartegen het beroep is ingesteld, omdat zij tot een andere bewezenverklaring en een andere strafoplegging komt.

De bewezenverklaring
De commissie van beroep acht bewezen dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan het overtreden van de Gedragscode Officials Betaald Voetbal door het doen van uitlatingen waardoor het betaald voetbal in diskrediet wordt gebracht (negatieve beeldvorming), strafbaar gesteld in artikel 19 lid 1 sub b Reglement Tuchtrechtspraak Betaald voetbal

De bewijsmiddelen
De hiervoor vermelde bewezenverklaring steunt op de navolgende bewijsmiddelen:
-          De publicatie op  www.az.nl de.dato.15 februari 2013, houdende uitlatingen van appellant, zakelijk weergegeven, luidende:

Het heeft bijna geen zin meer om in beroep te gaan”, reageerde Verbeek. “Het is ons-kent-ons in Zeist. De manier waarop je daar als aangeklaagde wordt behandeld is respectloos, denigrerend en neerbuigend. Vooral de aanklager is verschrikkelijk en subjectief. Maar we blijven er tegen vechten. Je ergens bij neerleggen terwijl je onrecht is aangedaan, dat moet je nooit doen.”

-          De uitzending van “Eredivisie Live” uitgezonden op 16 februari 2013 met daarin een interview met appellant, waarvan de tekst luidt, wat betreft het relevante gedeelte:

C: Waarom niet?

Verbeek: Eén, omdat dat in onze ogen geen zin heeft, zeker de wijze waarop wij wederom bejegend zijn, in dit geval.

C: Maar leg dat eens uit. Hoe word je dan bejegend?

Verbeek: Met name door de aanklager. Nou, respectloos, denigrerend. Die man, waar die mee begint is al af te vragen wat we eigenlijk komen doen. Nou ja, daar gaat hij helemaal niet over. Wij worden in staat gesteld om in beroep te gaan, dus waar bemoeit die man zich mee? Hij moet zich beoordelen de feiten behoren. Hè, en dan, je krijgt al van tevoren, krijg je een dreigement dat als je in beroep gaat dat de kans groot is dat je een wedstrijd erbij krijgt. Nou , dat is gewoon chantage. Hè, ieder mens heeft recht om in beroep te gaan, als jij meent dat je onrecht wordt aangedaan. Dus alleen uit dat oogpunt al, dat vertrekpunt is al totaal verkeerd. Hè, dus daar erger je mateloos aan.

-          Het tijdschrift “Voetbal International”, nummer 8 van 20 februari 2013, pagina 10, met een weergave van - een selectie uit - een interview met appellant, luidende:

“Het is één grote samenzwering in Zeist” …”Aanklagers zijn verschrikkelijke mensen. Het is ongelooflijk hoe zij al jarenlang hun werk doen. Ze kunnen niet onafhankelijk zijn.” ….”Zoals die aanklager het woord voerde…. Denigrerend, neerbuigend en respectloos. We hebben het niet over een crimineel, maar over een voetballer die subjectief is beoordeeld door het arbitraal kwartet. Die mensen kunnen het ook weleens mis hebben. Maar het ons-kent-ons-gehalte in Zeist is erg groot.”

Bespreking van de gevoerde verweren
Eerste verweer
Het verweer van appellant dat de aanklager willekeurig en in strijd met het gelijkheidsbeginsel handelt, raakt de ontvankelijkheid van de aanklager in de vervolging en wordt daarom hier in de eerste plaats besproken.
Appellant wijst in dit kader op het verzoek van het bestuur betaald voetbal aan de aanklager (voormelde brief van 18 februari 2013), de reactie daarop van de aanklager alsmede op de manier waarop de aanklager zich heeft opgesteld in de kwestie Advocaat. Appellant heeft overigens, ondanks daartoe te zijn uitgenodigd door de commissie van beroep, geen concreet processueel gevolg aan deze zienswijze verbonden.

De commissie van beroep overweegt met betrekking tot dit verweer als volgt.
Artikel 38 van het Reglement Tuchtrechtspraak Betaald Voetbal (verder RTBV) geeft aan hoe een overtreding bij de aanklager aanhangig kan worden gemaakt. Een van de manieren is “een melding dat sprake is van een overtreding als genoemd in artikel 19 van dit reglement” (art. 38 sub d RTBV). Dat het bestuur betaald voetbal niet bevoegd zou zijn om een dergelijke melding te doen, zoals appellant kennelijk betoogt, vindt geen steun in de reglementen van de KNVB noch in enige andere wettelijke regeling. De commissie van beroep is van oordeel dat het bij uitstek op de weg ligt van het bestuur betaald voetbal, indien dit bestuur van oordeel is dat een onder haar aandacht gebrachte gebeurtenis of uitlating mogelijk in strijd is met de reglementen van de KNVB, om de tuchtrechtelijke organen van de KNVB hieromtrent te informeren.

Het is – zo merkt de commissie van beroep wellicht ten overvloede op - echter steeds de aanklager die beslist of hij betrokkene in staat van beschuldiging stelt, al dan niet na een vooronderzoek. Dat is ook in deze zaak de gang van zaken geweest.

Zowel Advocaat als appellant zijn coach betaald voetbal en beiden hebben zich publiekelijk uitgelaten over het optreden van de aanklager. Daarmee houdt de vergelijking echter op. Advocaat heeft zich uitgesproken over de procedure die door de aanklager werd gevolgd, te weten de werkwijze in het kader van een vooronderzoek. Appellant daarentegen heeft rechtstreeks de aanklagers en daarmee het instituut van aanklager aangevallen alsmede, zij het in mindere mate, het optreden van de tuchtcommissie.

De uitlatingen van appellant komen er op neer dat de aanklagers ter zitting structureel op onaanvaardbare manier optreden en dat van onafhankelijke tuchtrechtspraak binnen de KNVB geen sprake is, culminerend in de uitspraak dat het “één grote samenzwering (is) in Zeist, daar kom je helemaal niet meer tussen”. Tussen het optreden van Advocaat en het optreden van appellant bestaat dus belangrijk verschil.

De aanklager heeft bij zijn besluit om tot vervolging van appellant over te gaan ook meegewogen dat de proeftijd van een aan appellant opgelegde voorwaardelijke straf nog niet verstreken was toen appellant zijn uitlatingen deed.

Er is derhalve naar het oordeel van de commissie van beroep geen sprake van gelijke gevallen die verschillend zijn en met willekeur zijn behandeld.

Het verweer faalt.

Tweede verweer
Appellant heeft voorts het volgende verweer gevoerd.
De commissie van beroep mag de band met de geluidsopname van het interview met een journalist van “Voetbal International” niet in haar oordeel betrekken. De band dient alsnog uit het dossier te worden verwijderd.

Hierover oordeelt de commissie van beroep als volgt.
Het beroep van appellant tegen de beslissing van de tuchtcommissie betekent dat de commissie van beroep de zaak in volle omvang opnieuw beoordeelt. Het hoger beroep dient mede om eventuele omissies of fouten te herstellen die bij de tuchtcommissie zijn gepasseerd. De aanklager heeft daarbij tot taak om de tuchtcommissie en de commissie van beroep zo volledig en evenwichtig mogelijk voor te lichten.

Het vorenstaande geldt in gelijke zin voor een beschuldigde. Deze mag in hoger beroep bij de commissie van beroep evenzeer nader bewijs overleggen in het kader van zijn verweer tegen een beschuldiging

Het is dan ook juist dat de aanklager de geluidsband van het interview heeft opgevraagd en vervolgens heeft verzocht om deze aan het dossier toe te voegen, nadat appellant ter zitting van de tuchtcommissie had verklaard dat hij zich voor het artikel in “Voetbal International” niet verantwoordelijk voelde en dat hij het woord “samenzwering” dat in dat artikel stond, niet had gebruikt.
De geluidsband heeft duidelijk gemaakt dat het artikel in “Voetbal International” wel degelijk is gebaseerd op de uitlatingen van appellant en het artikel op correcte wijze de opvatting van appellant weergeeft en dat appellant ook het woord “samenzwering” tegenover de betrokken journalist heeft gebruikt.

Ook dit verweer faalt.

Derde verweer
Daarnaast heeft appellant aangevoerd dat de aan hem toegeschreven uitlatingen die gepubliceerd zijn op de website  www.az.nl, niet voor zijn rekening mogen komen, omdat het gaat om een tekst die niet door hem is opgesteld en evenmin door hem is goedgekeurd.
Hij heeft tegen de publicatie geen actie ondernomen, omdat hij deze publicatie niet gelezen heeft. De site valt onder verantwoordelijkheid van AZ.
Ook dit verweer faalt.

Appellant heeft erkend dat hij de uitlatingen met betrekking tot ”Voetbal International” en “Eredivisie Live” heeft gedaan. De op de website van AZ gepubliceerde uitlatingen van appellant zijn in dezelfde bewoordingen vervat als in de andere twee gevallen en sluiten hierbij volledig aan.
De commissie van beroep heeft geen reden te veronderstellen dat degene die de litigieuze uitlatingen op de website van AZ heeft vermeld deze heeft verzonnen, en de commissie van beroep neemt in aanmerking dat appellant ook niet heeft ontkend dergelijke uitlatingen gedaan te hebben, maar slechts heeft gesteld dat het gaat om een tekst die niet door hem is opgesteld en evenmin door hem is goedgekeurd.
Dat appellant de tekst niet heeft opgesteld of goedgekeurd of de website van AZ niet gelezen heeft is echter van ondergeschikt belang, omdat appellant niet verweten wordt dat hij die uitlatingen op de website van AZ heeft geplaatst of niet van de website van AZ heeft doen verwijderen, maar dat hem verweten wordt dergelijke uitlatingen te hebben gedààn.

Vierde verweer
Voor zover appellant nog heeft willen betogen dat de vrijheid van meningsuiting met zich brengt dat hij de litigieuze uitlatingen heeft mogen doen in het algemeen belang, is de commissie van beroep van oordeel dat dit verweer eveneens faalt.
De grondwettelijke vrijheid van meningsuiting wordt ingeperkt door – in casu - het op het verenigingsrecht stoelende tuchtrechtelijke verbod om uitlatingen te doen waardoor het betaald voetbal in diskrediet wordt gebracht .
Met name de uitlatingen “Het is ons-kent-ons in Zeist” en “Het is één grote samenzwering in Zeist” …”Aanklagers zijn verschrikkelijke mensen. Het is ongelooflijk hoe zij al jarenlang hun werk doen. Ze kunnen niet onafhankelijk zijn” en de daarbij ter zitting van de commissie van beroep door appellant gegeven toelichting zijn uitlatingen waarbij aan de onafhankelijkheid van zowel de aanklager als - in ieder geval – de tuchtcommissie wordt getwijfeld. Appellant heeft op geen enkele wijze aangetoond of aannemelijk gemaakt dat van een dergelijke situatie sprake is of is geweest.
De uitlatingen schaden (het gezag van) de tuchtrechtelijke organen van de KNVB en brengen het betaald voetbal in diskrediet.
Appellant, die als coach binnen het betaald voetbal een voorbeeldfunctie moet vervullen, is met deze uitspraken ver over de schreef gegaan.

Het verweer van appellant dat hij geen beledigende woorden heeft gebruikt, kan hem niet helpen. Het gaat om de strekking van wat hij heeft gezegd.
Appellant heeft ter zitting van de commissie van beroep aangevoerd dat hij zijn uitspraken over de opstelling van de aanklager (“denigrerend, neerbuigend, respectloos”) heeft gebaseerd op het verslag dat hem is gedaan van de zitting in de zaak Viergever en verder op een aantal zittingen van de tuchtcommissie dat hij in het verleden zelf heeft bijgewoond. Hij heeft verder evenwel niets concreets aangevoerd en het bij deze algemene bewering gelaten.
De commissie van beroep acht het hoogst onaannemelijk, mede gelet op de eigen ervaringen ter zitting met het instituut aanklager, dat de diverse aanklagers die optraden in de zaken die appellant volgens zijn zeggen op het oog heeft, stuk voor stuk “denigrerend, neerbuigend en respectloos” zouden zijn opgetreden, waarbij de tuchtcommissie dat dan in al die gevallen, zo
beweert appellant, ook nog zonder enig bezwaar zou hebben laten passeren.
Het gaat hier kennelijk om een zeer persoonlijke opvatting van appellant die niet steunt op objectieve gegevens. Dat heeft appellant er echter niet van weerhouden om in zeer algemene termen, zonder enige nuancering of enig voorbehoud, uiterst negatief over de aanklager als instituut en daarmee over alle aanklagers, zowel in verleden als heden, te spreken
Ook in dit opzicht treft appellant een ernstig verwijt.

Ten overvloede merkt de commissie van beroep het volgende op.
De uitlatingen van appellant komen er op neer dat al geruime tijd sprake zou zijn van structurele misstanden binnen de tuchtrechtspraak van de KNVB.
Daarmee valt niet te rijmen dat appellant over die beweerde structurele misstanden nooit het bestuur of de algemene vergadering betaald voetbal van de KNVB heeft benaderd, hetgeen toch op zijn weg zou hebben gelegen en daarom te verwachten zou zijn geweest.

De op te leggen straf
De commissie van beroep overweegt met betrekking tot de op te leggen straf het volgende. Anders dan bij de tuchtcommissie, staat inmiddels vast dat appellant ook de uitlatingen heeft
gedaan die staan weergegeven in het genoemde artikel in “Voetbal International”, waaronder
die over het bestaan van “één grote samenzwering in Zeist”.
De tuchtcommissie heeft deze uitlatingen niet bewezen geacht, maar de commissie van beroep betrekt deze uitlatingen wel in haar beoordeling, nu zij deze uitlatingen wel bewezen acht.

Het doel van de Gedragscode is het verbeteren van de beeldvorming ten aanzien van het betaald voetbal en het tegengaan van onbehoorlijk gedrag van (kort gezegd) Officials Betaald Voetbal. De Gedragscode is breed aanvaard en ondersteund door de betrokkenen in het betaald voetbal.
Het “Handvest”, gepubliceerd op 21 december 2012, onderstreept het belang van de
Gedragscode en van stringente handhaving daarvan.
Een coach in het betaald voetbal heeft een voorbeeldfunctie, ook voor de vele leden van de KNVB die niet binnen het betaald voetbal actief zijn. Appellant erkent dat wel, maar hij heeft daar in dit geval niet naar gehandeld, integendeel.
Appellant liep nog in een proeftijd van een eerdere veroordeling, zij het op basis van andersoortige feiten.
Appellant is, anderzijds, nog niet eerder wegens een soortgelijk feit tuchtrechtelijk bestraft. De commissie van beroep weegt dat relatief sterk mee ten gunste van appellant.

Dit alles overziende, dient een rechtontzegging te volgen die deels onvoorwaardelijk is. Het voorwaardelijke gedeelte van de straf dient ertoe om appellant te weerhouden zich in de toekomst nogmaals op vergelijkbare wijze uit te laten.

De kwalificatie
Het bewezenverklaarde levert op een overtreding van de Gedragscode Officials Betaald
Voetbal juncto artikel 19 lid 1 sub b van het Reglement Tuchtrechtspraak Betaald Voetbal.

De beslissing
De commissie van beroep vernietigt de beslissing van de tuchtcommissie waartegen het beroep is ingesteld en doet opnieuw recht.

Bewezen wordt verklaard hetgeen onder 6. is vermeld.

Het bewezenverklaarde is strafbaar zoals onder 10. is omschreven.

Appellant is ter zake strafbaar en wordt met ingang van 23 april 2013 het recht ontzegd om op wedstrijddagen waarop een competitie-, play-off- of bekerwedstrijd van de KNVB wordt gespeeld als trainer-coach te fungeren of in welke vorm ook enige andere een voetbalteam begeleidende functie te vervullen, tot de dag, volgende op die, waarop het 1e elftal van zijn club 2 competitie-, play-off- en/of bekerwedstrijden van de KNVB heeft gespeeld waarvan 1 wedstrijd voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

Deze straf houdt in ieder geval in dat appellant de wedstrijd alleen vanaf de tribune mag volgen. Hij mag zich niet in de kleedkamer, spelerstunnel of technische zone bevinden en mag voor en tijdens de wedstrijd geen contact hebben met zijn team. Tevens is het hem niet toegestaan na afloop van de wedstrijd een persconferentie te geven.

donderdag 25 april 2013

ECJ: Homophobic statements by the ‘patron’ of FC Steaua may shift the burden of proof on to the club to prove that it does not have a discriminatory recruitment policy




The appearance of discrimination on ground of sexual orientation may be refuted by a body of consistent evidence

The directive on equal treatment in employment and occupation ( Council  Directive  2000/78/EC  of  27  November  2000)    lays down a general framework for combating discrimination on the grounds of religion or belief, disability, age or sexual orientation as regards employment and occupation. Pursuant to that directive, where facts from which it may be presumed that there has been discrimination are established before a court or another competent authority, the burden of proof shifts to the defendants concerned who must prove that, notwithstanding the appearance of discrimination, there has been no breach of the principle of equal treatment.

On 3 March 2010, Accept, a non-governmental organisation whose aim is to promote and protect lesbian, gay, bisexual and transsexual rights in Romania, lodged a complaint before the National Council for Combatting Discrimination (CNCD) against SC Fotbal Club Steaua București SA (‘FC Steaua’) and Mr Becali, who presents himself as being the ‘patron’ of that club. Accept claims that the principle of equal treatment was breached in recruitment matters.  In an interview concerning the possible transfer of a professional footballer, Mr Becali had stated essentially that he would never hire a homosexual player. As regards the other defendant before the CNCD, FC Steaua, Accept maintains that the club has at no time distanced itself from Mr Becali’s statements. The CNCD held, in particular, that since Mr Becali’s statements could not be regarded as emanating from an employer or a person responsible for recruitment, those circumstances did not fall within the sphere of employment. However, the CNCD took the view that those statements constituted discrimination in the form of harassment (According to that directive a form of discrimination within the meaning of paragraph 1, when unwanted conduct related, in particular, to sexual orientation takes place with the purpose or effect of violating the dignity of a person and of
creating an intimidating, hostile, degrading, humiliating or offensive environment.) and gave Mr Becali a warning. That penalty was the only one then possible under Romanian law, since the CNCD’s decision had been given more than six months after the date on which the facts complained of occurred. Accept brought an action against that decision before the Curtea de Apel București (Court of Appeal, Bucharest, Romania), which referred questions for a preliminary ruling to the Court of Justice on the interpretation of the directive.

In today’s judgment, the Court observes that the directive applies to situations such as those on which the dispute in the main proceedings before the Curtea de Apel București is based, which involve statements concerning the conditions for access to employment, including recruitment conditions. The Court states that the specificities of the recruitment of professional footballers are irrelevant in that regard because sport constitutes an economic activity which is covered by EU law.

As regards the position of FC Steaua in the case in the main proceedings, the Court points out that the mere fact that statements such as Mr Becali’s do not come directly from a given defendant is not necessarily a bar to establishing, with respect to that defendant, the existence of ‘facts from which it may be presumed that there has been … discrimination’  within the meaning  of the directive. Consequently, a defendant employer cannot deny the existence of facts from which it may be presumed that it has a discriminatory recruitment policy by asserting that the statements indicative of a homophobic recruitment policy come from a person who, while claiming to play an important role in the management of that employer and appearing to do so, is not legally capable of binding it in recruitment matters. According to the Court, the fact that that employer might not have clearly distanced itself from those statements may be taken into account in the appraisal of its recruitment policy.

Furthermore, the Court states that the burden of proof, as modified by the directive, does not require evidence which is impossible to adduce without interfering with the right to privacy. The appearance of discrimination on grounds of sexual orientation may be refuted with a body of consistent evidence, without the defendant having to prove that persons with a specific sexual orientation have been recruited in the past. That evidence may include, in particular, distancing itself  from  discriminatory  public  statements  and  the  existence  of  express  provisions  in  its recruitment policy aimed at ensuring compliance with the principle of equal treatment.

Finally, the Court observes that the directive precludes national rules by virtue of which, where there is a finding of discrimination on grounds of sexual orientation, it is only possible to give a ‘warning’ after the expiry of six months from the date on which the facts occurred, if that penalty is not effective, proportionate and dissuasive. However, it is for the Romanian court to determine if that is the situation in the present case.


The preliminery ruling can be found HERE

woensdag 10 april 2013

Arbitragecommissie KNVB: Geschil WSC (spelersmakelaar) en AZ inzake transfervergoeding Miklas Moisander

Aribtragecommissie KNVB arb.vonnis WSC - AZ, nr. 1362

WSC,verzoekt  de arbitragecommissie AZ te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 350.000,-- en subsidiair om wijziging van de rechtsbetrekking tussen WSC en AZ op het punt van de in de tussen partijen gesloten Transferovereenkomst overeengekomen vergoeding, zodat deze vergoeding in lijn wordt gebracht met het bepaalde in het huidige reglement spelersmakelaars.

Kern van het geschil
Partijen verschillen van mening of uit een tussen hen op 22 mei 2008 gesloten (samenwerkings-)overeenkomst  thans voortvloeit dat aan WSC een bedrag van € 350.000,-­ toekomt, zulks als gevolg van de transfer van de heer Moisander van AZ naar Ajax in de zomer van 2012.

Feiten en omstandigheden
De arbitragecommissie gaat in onderstaande beoordeling uit van de navolgende vaststaande feiten en omstandigheden:
Tussen Miklas Moisander en AZ is op 22 mei 2008 een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd gesloten van 1 juli 2008 tot en met 30 juni 2011.
WSC trad voor de heer Moisander destijds als spelersmakelaar op, zoals bedoeld in het reglement Spelersmakelaars.
Op 22 mei 2008 is tussen AZ en WSC een Samenwerkingsovereenkomst gesloten.(Eerste overeenkomst)
Daarin is ondermeer opgenomen (waarbij met zaakwaarnemer wordt gedoeld op
WSC):
"Partijen zijn, met betrekking tot een eventuele opvolgende transfer tussen AZ en een andere club waar de speler Niklas Moisander  (geboren 29 september 1985 te Finland}, hierna te noemen "de Speler", onder contract zal komen, de hierna volgende  samenwerking overeengekomen. AZ en de zaakwaarnemer zullen voor gezamenlijke rekening hun kennis en netwerk inzetten ten behoeve van een eventuele opvolgende overgang. De met deze overgang  behaalde winst wordt conform onderstaande tussen AZ en de zaakwaarnemer gedeeld.
In het geval de Speler gedurende de looptijd van het contract als getekend d.d. 22 mei 2008 vertrekt naar een andere club komen AZ en de zaakwaarnemer het volgende  overeen. AZ en de zaakwaarnemer komen overeen dat de winst die behaald wordt met de eventuele overgang van de Speler, hierna "de Verkoopwinst", zal worden gedeeld tussen AZ en de zaakwaarnemer conform de hiernavolgende berekening. De zaakwaarnemer heeft recht op 10% (zegge: tien procent) van de Verkoopwinst,  exclusief de eventueel verschuldigde belastingen. "

Naast de hiervoor bedoelde Samenwerkingsovereenkomst hebben AZ en WSC op 22 mei 2008 nog een overeenkomst gesloten.(tweede overeenkomst) In die overeenkomst is ondermeer opgenomen:
"Partijen zijn navolgende overeengekomen in het kader van de totstandkoming  van de arbeidsovereenkomst d.d. 22 mei 2008 tussen AZ en de Speler Niklas Moisander (geboren 29 september 1985 te Finland), hierna te noemen: "de Speler":
AZ dient aan de zaakwaarnemer een bemiddelingstee te betalen. AZ en de Speler zijn een arbeidsovereenkomst aangegaan voor de duur van drie seizoen, te weten van 1 juli 2008 tot 30 juni 2011. De overeengekomen bemiddelingstee met betrekking tot deze contractsperiode bedraagt eenmalig een bedrag van € 50.000,00 (zegge: vijftigduizend euro) exclusief BTW"

Op 12 mei 2009 hebben AZ en WSC een nadere overeenkomst gesloten. (derde overeenkomst AZ-WSC) waarin wordt afgesproken dat AZ aan WSC in totaal een vergoeding van € 110.000,­ (zegge: honderdtienduizend euro), te betalen als volgt:
- € 55.000,- (zegge: vijfenzeventigduizend euro), uiterfijk 1 augustus 2009;
- € 55.000,- (zegge: vijfenvijftigduizend euro), uiterfijk 1 september 2010.

Reden is de verlengde arbeidsovereenkomst tussen Miklas Moisander en AZ die loopt tot 1 juli 2014.

Vervolgens ontstaat er wat gedoe tussen AZ en WSC over het tijdstip van betaling van de bovengenoemde bedragen. WSC verzoekt begin 2010 eerdere betaling van het bedrag dat op 1 september opeisbaar is. AZ weigert en vervolgens gaan de verzoeken van WSC en de afwijzingen van AZ (AZ verwijst naar de slechte liquiditeitspositie) om een voorschot te betalen over en weer. Dat eindigt met een brief van WSC op 27 april 2010 aan AZ waarin staat: "Onder verwijzing naar de overeenkomst  d.d. 12 mei 2009 tussen AZ en World Soccer Consult BV bevestigen wij hiermede accoord te gaan met een vergoeding  van € 40.000,-,  exclusief BTw,  tegen prompte betalingen. Alle verdere afspraken komen daarmee te vervallen."

Op of rond 20 augustus 2012 is tussen AZ en AFC Ajax te Amsterdam overeengekomen dat de arbeidsovereenkomst tussen AZ en de heer Moisander -tussentijds -werd beëindigd en is de heer Moisander in dienst getreden bij AFC Ajax te Amsterdam. Bij de totstandkoming van deze overeenkomst(en) was WSC niet betrokken.
Bij factuur van 27 augustus 2012 heeft WSC aan AZ een bedrag van € 350.000,--, vermeerderd met de BTW in rekening gebracht. Op de factuur is vermeld: "Conform samenwerkingsovereenkomst AZIWSC d.d. 22 mei 2008 inzake de speler Niklas Moisander."
AZ weigert te betalen.

WSC gaat naar de arbitragecommissie en de kern van geschil is hoe de drie overeenkomsten en de brief van 27 april 2010 moet worden uitgelegd.

De arbitragecommissie is van oordeel dat de tekst van de samenwerkingsovereenkomst uit 2008 duidelijk is. Daarin staat: "In het geval de Speler gedurende de looptijd van het contract als getekend d.d. 22 mei 2008 vertrekt naar een andere club" zal WSC van AZ een deel van de "Verkoopwinst" verkrijgen. Miklas had getekend tot 30 juni 2011 en is daarna weggegaan, dus heeft WSC geen recht op de vergoeding.
Een mogelijke redenering zou kunnen zijn dat met het verlengen van de arbeidsovereenkosmt van Miklas ook de samenwerkingsovereenkomst uit 2008 verlengd is. Die samenwerkingsovereenkomst kan echter NIET verlengd zijn bij de contractsverlening van Miklas in 2009. Dat mag niet volgens het Reglement Spelersmakelaars. Een spelersmakelaar mag op grond van artikel 7 van dat reglement namelijk niet en de belangen van een speler behartigen en de belangen van een club. De arbitragecommissie is van oordeel dat als de Samenwerkingsovereenkomst verlengd zou zijn, WSC zowel de belangen van AZ als van Miklas zou hebben behartigd.

WSC gaat met lege handen naar huis. Het bedingen van een percentage  van de "Verkoopwinst" en in de verlengde Samenwerkingsovereenkomst opnemen dat partijen zich gezamenlijk  zullen inzetten voor een transfer en gezamenlijk  delen in de "Verkoopwinst" is, naar het oordeel van de arbitragecommissie, temeer nu de speler van deze afspraken niet op de hoogte was, zo wezenlijk  in strijd met het bepaalde in artikel 7 Reglement Spelersmakelaars, dat de primaire vordering  van WSC daarop afstuit.