woensdag 21 januari 2015

Borgstelling bestuurders V.V. Young Boys door geslaagd beroep op artikel 1:88 lid 1 sub c BW vernietigd

Voor achtergrond bij deze zaak zie het artikel uit het AD: "Voorzitter voetbalclub hulpje van topcrimineel"


De feiten
Op 4 maart 2011 is een geldleningsovereenkomst tot stand gekomen tussen een geldverstrekker en de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid V.V. Young Boys. Bestuurders A en B waren op dat moment bestuurder van V.V. Young Boys. In de overeenkomst is onder het kopje “Hoofdelijke aansprakelijkheid” vermeld dat Bestuurder A en bestuurder B, handelend voor zich in privé, verklaren zich hoofdelijk jegens de geldverstrekker te verbinden tot algehele nakoming van alle verplichtingen van V.V. Young Boys uit hoofde van de overeenkomst. Onder het kopje “Ondertekening” zijn bij bestuurder A in privé en bestuurder B in privé handtekeningen geplaatst.
V.V. Young Boys is tekortgeschoten in de nakoming van haar betalingsverplichtingen uit hoofde van de geldleningsovereenkomst. V.V. Young Boys is op 3 april 2012 in staat van faillissement verklaard.

De vordering
De geldverstrekker heeft bestuurders A en B aangesproken tot betaling van het onbetaalde geldleningsbedrag. Zij heeft zich daarbij beroepen op de bij de geldleningsovereenkomst overeengekomen hoofdelijke aansprakelijkheid van Bestuurder A en B.

Het verweer
Bestuurders A en B hebben in eerste aanleg het verweer gevoerd dat hun echtgenotes geen toestemming hebben verleend als bedoeld in artikel 1:88 lid 1 sub c BW voor de hoofdelijke verbondenheid van Bestuurders A en B voor de schulden van V.V. Young Boys. Bestuurder B heeft tevens het verweer gevoerd dat hij geen partij bij de geldleningsovereenkomst is, stellende dat de handtekening onder de overeenkomst niet van hem is.

Oordeel kantonrechter
De kantonrechter heeft het op artikel 1:88 BW gegronde verweer verworpen op de grond dat het aangaan van een overeenkomst van geldlening niet valt onder het bereik van artikel 1:88 lid 1 BW. De kantonrechter heeft naar aanleiding van de betwisting van bestuurder B dat de handtekening onder de overeenkomst van hem is een deskundige benoemd. Bestuurders A en B hebben aan de kantonrechter verzocht hoger beroep van het tussenvonnis open te stellen aan welk verzoek de kantonrechter gehoor heeft gegeven.

Oordeel gerechtshof
Bestuurders A en B kunnen zich niet verenigen met de verwerping door de kantonrechter van hun verweer dat hun echtgenotes geen toestemming hebben verleend als bedoeld in artikel 1:88 lid 1 sub c BW voor de hoofdelijke verbondenheid van bestuurders A en B voor de schulden van V.V. Young Boys. Het hof zal er bij de behandeling van deze grieven veronderstellenderwijs van uitgaan dat ook bestuurder B de overeenkomst heeft ondertekend.
Ingevolge artikel 1:88 lid 1 sub c BW behoeft een echtgenoot de toestemming van de andere echtgenoot voor overeenkomsten die ertoe strekken dat hij, anders dan in de normale uitoefening van zijn beroep of bedrijf, zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt, of zich tot zekerheidstelling voor een schuld van de derde verbindt. Deze bepaling strekt tot bescherming van de andere echtgenoot.
De overeenkomst tussen de geldverstrekker en V.V. Young Boys bevat de bepaling dat bestuurders A en B zich hoofdelijk jegens de geldverstrekker verbinden tot algehele nakoming van alle verplichtingen van V.V. Young Boys uit hoofde van de overeenkomst. In de overeenkomst zijn de geldverstrekker en V.V. Young Boys als contractspartijen vermeld en uit de overeenkomst blijkt dat de geldverstrekker alleen aan V.V. Young Boys een geldlening heeft verstrekt, omdat die vereniging een liquiditeitsbehoefte had in verband met door de geldverstrekker geleverde maar door V.V. Young Boys onbetaald gelaten zaken. Aan de geldleningsovereenkomst zijn voorts afname- en reclameverplichtingen voor de vereniging verbonden. Nu de geldverstrekker wist dat de schuld uit hoofde van geldlening bestuurders A en B niet aanging, moeten zij als borg ten behoeve van V.V. Young Boys worden aangemerkt. Er is sprake van borgtocht - ongeacht of partijen die term of een andere hebben gebezigd - als iemand zich verbindt de schuld van een ander te voldoen en hij zich bij de schuldeiser aandient als iemand aan wie deze schuld zelf niet aangaat. Die situatie doet zich hier voor. Niet in geschil is voorts dat bestuurders A en B niet handelden in de normale uitoefening van hun beroep of bedrijf; zij waren bestuurder van een amateurvoetbalvereniging. Dat betekent dat zij voor het aangaan van deze verbintenis de toestemming van hun echtgenotes behoefden. De tegen het andersluidende oordeel van de kantonrechter gerichte grieven slagen derhalve.

Artikel 2:30 BW niet van toepassing
Het verweer van de geldverstrekker , dat artikel 2:30 BW in de weg staat aan de toepasselijkheid van artikel 1:88 lid 1 sub c BW, wordt verworpen. Artikel 2:30 BW, dat onder meer bepaalt dat bestuurders van een vereniging hoofdelijk naast de vereniging zijn verbonden voor schulden uit een rechtshandeling die tijdens hun bestuur opeisbaar worden, ziet op bestuurders van een vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. V.V. Young Boys is, zoals De geldverstrekker ook zelf stelt, een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid. Daarop is artikel 2:30 BW niet van toepassing. Uit artikel 2:29 lid 2 BW volgt dat bestuurders van een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid als V.V. Young Boys na de inschrijving en nederlegging van de statuten in het handelsregister niet hoofdelijk naast de vereniging aansprakelijk zijn voor schulden van de vereniging. Gesteld noch gebleken is dat inschrijving en nederlegging niet heeft plaatsgehad.

Bestuurders A en B hebben hun stelling dat zij bij het aangaan van die verbintenis waren gehuwd, na betwisting door de geldverstrekker , bij memorie van antwoord in incidenteel appel onderbouwd met stukken, te weten een kopie van inschrijving van het huwelijk van Bestuurder A en zijn echtgenote in het huwelijksboekje en een kopie van de legitimatiebewijzen van Bestuurder B en zijn echtgenote. De geldverstrekker heeft hierop in de vervolgens door haar genomen akte niet meer gereageerd. Daarmee staat, als onvoldoende nader weersproken, vast dat bestuurders A en B bij het aangaan van de verbintenis waren gehuwd.
Bestuurders A en B hebben bij memorie van grieven gesteld dat hun echtgenotes jegens de geldverstrekker een beroep hebben gedaan op het ontbreken van hun toestemming en dat zij de rechtshandeling buitengerechtelijk hebben vernietigd. De geldverstrekker heeft dit bij gebrek aan wetenschap betwist. Bestuurders A en B hebben vervolgens bij memorie van antwoord in incidenteel appel gesteld dat dit hen verbaast omdat de brieven door de echtgenotes aan de geldverstrekker zijn toegezonden en dat de gemachtigde van de geldverstrekker aan de echtgenote van bestuurder A heeft laten weten dat die vernietiging niet werd geaccepteerd en dat de echtgenote van bestuurder B haar brief niet als zijnde onbestelbaar retour heeft ontvangen. De geldverstrekker heeft hierop bij haar akte niet meer gereageerd. Daarmee staat, als onvoldoende nader weersproken, vast dat de echtgenotes de rechtshandeling van hun echtgenoten buitengerechtelijk hebben vernietigd.

Het rechtsgeldige beroep van de echtgenotes van Bestuurders A en B op vernietigbaarheid van de borgstellingen heeft tot gevolg dat De geldverstrekker geen vordering op hen heeft op grond van de geldleningsovereenkomst. De vordering van De geldverstrekker jegens bestuurders A en B behoort dan ook te worden afgewezen.

CAS Bulletin 2014/2: Jurisprudentieoverzicht belangrijke uitspraken CAS

The CAS Bulletin 2014/2 can be found HERE

Table of contents
Message du Secrétaire Général du TAS/Message from the CAS Secretary General

Articles et commentaires/Articles and Commentaries
Arbitrage, Conciliation, Médiation : étude comparative à partir d’un exemple concret Bernard Foucher

Minors in Sport
Estelle de La Rochefoucauld

The Role of the Arbitrator in CAS Proceedings
Dr. Dirk Reiner Martens

The Court of Arbitration for Sport and its Global Jurisprudence: International Legal Pluralism in a World Without National Boundaries
Prof. Matthew J. Mitten

L’admissibilité des appels formés par les clubs contre les décisions relatives aux transferts
internationaux des footballeurs
Gérald Simon

Jurisprudence majeure/Leading Cases

Arbitration CAS 2012/A/2869
Fédération Internationale de Football Association (FIFA) v. Federação Portuguesa de Futebol (FPF) & Pedro António Pereira Teixeira
4 February 2014

Arbitration CAS 2012/A/3031
Katusha Management SA v. Union Cycliste Internationale (UCI)
2 May 2013

Arbitration CAS 2012/A/3039
Trevor McGregor Steven v. Fédération Internationale de Football Association (FIFA)
29 August 2013

Arbitration CAS 2013/A/3058
FC Rad v. Nebojša Vignjević
14 June 2013

Arbitration CAS 2013/A/3080
Alemitu Bekele Degfa v. Turkish Athletics Federation (TAF) and International Association of Athletics Federations (IAAF)
14 March 2013

Arbitration CAS 2013/A/3094
Hungarian Football Federation v. Fédération Internationale de Football Association (FIFA)
14 January 2014

Arbitration CAS 2013/A/3258
Besiktas Jimnastik Kulübü v. Union Européenne des Associations de Football (UEFA)
23 January 2014

Arbitration CAS 2013/A/3260
Grêmio Foot-ball Porto Alegrense v. Maximiliano Gastón López
4 March 2014

Arbitration CAS 2013/A/3453
FC Petrolul Ploiesti v. Union des Associations Européennes de Football (UEFA)
20 February 2014 (operative part of 28 January 2014)

Arbitration CAS 2014/A/3488
World Anti-Doping Agency (WADA) v. Juha Lallukka
20 November 2014

Arbitration CAS 2014/A/3665, 3666 & 3667
Luis Suárez, FC Barcelona & Uruguayan Football Association v. Fédération Internationale de Football Association (FIFA)
2 December 2014 (Operative part 14 August 2014)

Arbitration CAS Ad hoc Division (A.G. Incheon) 2014/03
Tai Cheau Xuen v. Olympic Council of Asia (OCA)
3 October 2014

Jugements du Tribunal Fédéral/Judgements of the Federal Tribunal

Judgment of the Swiss Federal Tribunal 4A_93/2013
29 October 2013

Arrêt du Tribunal fédéral 4A_304/2013
3 mars 2014

Arrêt du Tribunal fédéral 4A_564/2013
7 avril 2014


maandag 5 januari 2015

Kwalificatie van huur kantine, kleedkamers en twee sportvelden: Huur onbebouwde grond? Artikel 7:290 BW bedrijfsruimte? of artikel 7:230a BW bedrijfsruimte?

Redactie: deze uitspraak sluit aan bij een vergelijkbare uitspraak van het gerechtshof in Amsterdam over de vraag of een sporkantine nu wel of geen artikel 7:290 BW bedrijfsruimte is. Die uitspraak staat HIER
In 2004 moest de kantonrechter in Heerlen oordelen over de vraag of er wel of geen sprake was van artikel 7:230a BW ruimte. In dat geval had de gemeente aan een voetbalvereniging twee sportvelden en één halfverhard oefenveld verhuurd. De gemeente heeft vervolgens op haar kosten op dit terrein voorzieningen gerealiseerd, omdat voetbalvereniging bereid was geweest met achterlating van haar toenmalige accommodatie naar het terrein te verhuizen. De voetbalvereniging heeft zich verplicht tot het doen van het gehele onderhoud van de ter beschikking gestelde opstallen en outillage met uitzondering van het buitenverfwerk van de kleedgebouwen. Volgens de kantorechter in deze zaak was er geen sprake van de verhuur van 7:230a BW ruimte, omdat uit de overeenkomst tussen partijen wordt gekenmerkt dat de voeetbalvereniging  van de gemeente een onbebouwd stuk grond heeft gehuurd, bestemd tot sportterrein, tegen een aan het aantal daarop spelende teams gerelateerde huurprijs en dus geen betrekking heeft op een gebouwde onroerend zaak als bedoeld in artikel 7:230a lid 1 BW. De accommodatie heeft de vereniging in bruikleen.

......

Feiten
De Gemeente Zaanstad is eigenaresse van sportvelden met opstallen. Broeks is een onderneming die zich toelegt op het organiseren van recreatieve en sportgerelateerde evenementen. Met ingang van 1 mei 2011 huurt Broeks van de Gemeente een opstal en grond ter grootte van circa 30.600 m2 (een kantine, kleedkamers en twee sportvelden).
In de huurovereenkomst zijn voor zover van belang, de volgende bepalingen opgenomen.
“1. De ondergetekenden:
(…)
Overwegende dat:
- Door de verhuizing van sportclub Hercules/PSCK naar sportpark De Kuil de locatie aan de Zuiderweg beschikbaar is gekomen;
- in afwachting van het definitief bestemmen van de locatie voor een periode van minimaal drie jaar te verhuren;
- dat met deze verhuur de bestemming gerelateerd blijft aan de sport- en recreatiebestemming.
verklaren het volgende te zijn overeengekomen:
2Het gehuurde
1. Huurder huurt van verhuurder opstal en grond (kantine, kleedkamers en twee sportvelden), plaatselijk bekend als gelegen nabij Zuiderweg 72e te Wijderwormer, sectie D, nummer 480 (geheel) en D, nummers 268 en 559 (gedeeltelijk) en zoals schetsmatig aangegeven op de aan deze overeenkomst gehechte tekening, nummer 10571, hierna te noemen ‘het gehuurde’.
2. Huurder aanvaardt het gehuurde in de toestand waarin het zich bij het ingaan van deze huurovereenkomst bevindt, behoudens afspreken welke bij de oplevering zijn afgesproken m.b.t. het vervangen van de sloten en het herstellen van de bestrating en verbeteren van de omgeving.
3. Het reguliere onderhoud van het sportterrein alsmede het periodieke onderhoud van de opstallen zijn voor rekening van verhuurder.
5. Het gehuurde dient gebruikt te worden voor activiteiten die aan sport- en recreatie zijn gerelateerd.
3 Duur van de overeenkomst
1. De huurovereenkomst gaat in op 1 mei 2011 en eindigt op 30 april 2014.
2. De overeenkomst kan na 30 april door beide partijen opgezegd worden per aangetekende brief met inachtneming van een opzegtermijn van zes maanden.
3. (…).
4. De huurovereenkomst zal aan het einde van de termijn van drie jaar telkens stilzwijgend voor de duur van 1 jaar op dezelfde voorwaarden worden voortgezet, tenzij de huur tegen het einde van de periode van één jaar overeenkomstig artikel 3 onder één van de partijen schriftelijk is opgezegd.
5. Bij het einde van de overeenkomst is de huurder verplicht het gehuurde geheel ontruimd en in de oorspronkelijke staat ter beschikking van verhuurder te stellen, tenzij partijen anders overeenkomen.
6. (…)”
In september 2013 is de Gemeente in onderhandeling getreden met voetbalclub AZ (verder: AZ) over de ontwikkeling van een nieuw trainingscomplex voor de jeugdopleiding van AZ op onder meer het gehuurde.
Bij brief van 30 oktober 2013 heeft de Gemeente de huurovereenkomst opgezegd per 30 april 2014. Daarbij is gewezen op de verplichting het gehuurde geheel ontruimd en in de oorspronkelijke staat ter beschikking van de verhuurder te stellen.
Vervolgens heeft Broeks aan de Gemeente gevraagd of Broeks het gehuurde tot en met 31 juli 2014 mocht huren, daar stemde de gemeente mee in en later heeft Broeks gevraagd of hij tot 31 oktober 2014 mocht blijven. Ook dat mocht van de Gemeente maar Broeks moest wel uiterlijk op 31 oktober 2014 ontruimen.
Standpunt Broeks
Bij brief van 15 september 2014 heeft mr. Raas namens Broeks aan de Gemeente, samengevat, geschreven dat van een rechtsgeldige opzegging van de huurovereenkomst geen sprake is omdat het gehuurde een bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 Burgerlijk Wetboek (BW) betreft en de huurovereenkomst daarom doorloopt tot april 2016 en dat, mocht geen sprake zijn van een bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW, sprake is van overige bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW, in welk geval aanspraak kan worden gemaakt op ontruimingsbescherming.
Standpunt Gemeente
Bij brief van 17 september 2014 heeft de Gemeente gereageerd op de brief van mr. Raas en, samengevat, aangegeven dat volgens haar sprake is van een rechtsgeldige opzegging en dat het gehuurde uiterlijk op 31 oktober 2014 ontruimd moet worden opgeleverd.
De Gemeente legt in de eerste plaats aan haar vordering ten grondslag dat de huurovereenkomst tussen partijen met wederzijds goedvinden is beëindigd per 30 april 2014. Zij stelt dat partijen aansluitend nadere afspraken hebben gemaakt omtrent het moment van ontruiming, te weten 31 juli 2014 en vervolgens 31 oktober 2014. Hieruit volgt volgens de Gemeente dat Broeks sinds 1 november 2014 zonder recht of titel en dus onrechtmatig op/in het gehuurde verblijft.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter voert Broeks hier terecht tegen aan dat de Gemeente Broeks in de brieven van 6 februari en 26 augustus 2014 niet slechts een ruimere termijn voor ontruiming heeft toegestaan, maar de huurovereenkomst tweemaal heeft verlengd. Dit staat uitdrukkelijk in voormelde brieven. Dat uit de hiervoor onder de feiten weergegeven gang van zaken kan worden afgeleid dat door Broeks zich niet heeft verzet tegen de (rechtsgeldigheid van de) opzegging door de Gemeente per 30 april 2014, betekent ook niet dat sprake is van beëindiging met wederzijds goedvinden.

Welk huurregime is van toepassing?
De centrale vraag die vervolgens voorligt, is onder welk huurregime de huurovereenkomst tussen partijen valt. Het antwoord op die vraag is van belang omdat daaruit kan worden afgeleid of en in welke mate Broeks huur- of ontruimingsbescherming geniet.

Gemeente: Huur onbebouwde grond. Artikel 7:290 BW en artikel 7:230a BW niet van toepassing
De Gemeente stelt zich in dit kader, samengevat, op het volgende standpunt. Er is geen sprake van een bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW, nu niet wordt voldaan aan de in dat artikel neergelegde vereisten. Er is sprake van huur van onbebouwde grond waarop noch artikel 7:290, noch artikel 7:230a BW van toepassing is, aangezien de opstal een zeer ondergeschikte rol speelt in de huurovereenkomst. Voor zover de huurovereenkomst moet worden aangemerkt als een gemengde huurovereenkomst van enerzijds onbebouwde grond en anderzijds een opstal, dan nog is op grond van de absorptietheorie sprake van een huurovereenkomst van onbebouwde grond, aangezien de opstal maar een klein onderdeel uitmaakt van het gehuurde en de huur van de onbebouwde grond overheersend is. Ook in dat geval is de huurovereenkomst dus rechtsgeldig opgezegd per 31 oktober 2014. Indien de absorptie theorie niet geldt, is sprake van verschillende huurregimes voor de huur van de grond en van de opstal. De huur voor de grond is dan geëindigd op 30 april 2014, waarna partijen afspraken hebben gemaakt over de ontruiming op (uiteindelijk) 31 oktober 2014. Op de huur van de opstal is in dat geval artikel 7:230a BW van toepassing. Broeks kan evenwel geen aanspraak maken op de ontruimingsbescherming van artikel 7:230a lid twee BW, primair omdat Broeks heeft ingestemd met de opzegging door de Gemeente, subsidiair omdat de Gemeente uit de gedragingen van Broeks heeft mogen afleiden dat zij het gehuurde per 31 oktober 2014 zou ontruimen, zodat sprake is van rechtsverwerking en meer subsidiair omdat Broeks door een beroep te doen op ontruimingsbescherming zich schuldig maakt aan misbruik van recht.

Standpunt Broeks: wél artikel 7:290 BW en eventueel artikel 7:230a BW huur
Broeks voert daar het volgende tegen aan. Primair is sprake van een huurovereenkomst in de zin van artikel 7:290 BW. Subsidiair is sprake van een huurovereenkomst in de zin van artikel 7:230a BW. Van huur van onbebouwde grond is geen sprake, nu de huurovereenkomst het gehuurde omschrijft als huur van opstal en grond. Nu het bebouwde onderdeel van het gehuurde overheersend is, is de absorptietheorie, zoals door de Gemeente voorgestaan, niet toepasbaar. Broeks heeft daarnaast niet ingestemd met het einde van de huurovereenkomst per 31 oktober 2014. Broeks geniet gelet hierop huur- dan wel ontruimingsbescherming zodat de vordering in kort geding dient te worden afgewezen. De voorzieningenrechter overweegt hieromtrent als volgt.

Oordeel voorzieningenrechter: Onbebouwde grond? Nee
Bij de vraag welk huurregiem op de overeenkomst van toepassing is, komt belang toe aan de inhoud van de huurovereenkomst en aan de bedoeling van partijen. In de huurovereenkomst staat dat sprake is van huur van grond én opstal (kantine, kleedruimte en twee sportvelden). Verder is van belang dat in artikel 2.5 van de overeenkomst staat dat “het gehuurde” gebruikt dient te worden voor activiteiten die aan sport en recreatie zijn gerelateerd. De bewoordingen van de overeenkomst duiden er dus niet op dat de huur van de opstal ondergeschikt moet worden geacht aan die van de grond. Uit artikel 2.5. blijkt naar het oordeel van de voorzieningenrechter voorts dat het partijen bij het aangaan van de overeenkomst voor ogen stond dat de opstal samen met de grond gebruikt zouden worden. Voor zover de activiteiten plaatsvinden op de grond (de sportvelden), is het gebruik van de opstal (met name de sanitaire voorzieningen) immers eveneens nodig. Daarnaast is het mogelijk dat er activiteiten worden georganiseerd waarvoor alleen de van de opstal onderdeel uitmakende kantine (ook wel feestzaal genoemd), wordt gebruikt. De voorzieningenrechter acht voorts van belang dat Broeks ter zitting onweersproken heeft toegelicht dat zij haar evenementen, waaronder bedrijfsuitjes en sportdagen, organiseert vanuit een kantoor, gevestigd in de opstal. Het recreatieve/sportieve gedeelte van de door haar georganiseerde evenementen vindt plaats op het gehuurde, maar ook wel daarbuiten. Voor zover deze activiteiten plaatsvinden op de sportvelden die onderdeel uitmaken van het gehuurde, maken de deelnemers ook gebruik van de kleedkamers en sanitaire voorzieningen in de opstal. Verder heeft Broeks onweersproken toegelicht dat alle door haar georganiseerde activiteiten gepaard met een ‘sociaal’ gedeelte bij aanvang en/of na afloop van die activiteiten, welk ‘sociale’ gedeelte plaatsvindt in de opstal, namelijk in de kantine. Gelet op al het voorgaande is de voorzieningenrechter van oordeel dat het zwaartepunt van de activiteiten van Broeks bij de opstal ligt. Dit heeft naar het oordeel van de voorzieningenrechter tot gevolg dat dat het regime dat de opstal beheerst ook de overeenkomst in zijn geheel beheerst. Het betoog van de Gemeente dat de huurovereenkomst moet worden beschouwd als huur van onbebouwde grond, dan wel als een gemengde huurovereenkomst, waarbij op de huur van grond en opstal verschillende huurregimes van toepassing zijn, faalt dan ook.

Oordeel voorzieningenrechter: Bedrijfsruimte ex artikel 7:290 BW? Nee
Artikel 7:290 BW bepaalt:
1. De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op huur en verhuur van bedrijfsruimte.
2. Onder bedrijfsruimte wordt verstaan:
a. een gebouwde onroerende zaak of gedeelte daarvan, die krachtens overeenkomst van huur en verhuur is bestemd voor de uitoefening van een kleinhandelsbedrijf, van een restaurant- of cafébedrijf, van een afhaal- of besteldienst of van een ambachtsbedrijf, een en ander indien in de verhuurde ruimte een voor het publiek toegankelijk lokaal voor rechtstreekse levering van roerende zaken of voor dienstverlening aanwezig is;
b. een gebouwde onroerende zaak of gedeelte daarvan die krachtens zulk een overeenkomst bestemd is voor de uitoefening van een hotelbedrijf;
c. een onroerende zaak die krachtens zulk een overeenkomst is bestemd voor de uitoefening van een kampeerbedrijf.
3. Tot de in lid 2 bedoelde bedrijfsruimte worden ook gerekend de onroerende aanhorigheden, de bij het een en ander behorende grond en de, mede gelet op de bestemming van die bedrijfsruimte, afhankelijke woning.
Tussen partijen is niet in geschil dat de gehuurde bedrijfsruimte door Broeks niet valt onder artikel 7:290, tweede lid, onder b en c, BW. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan het gehuurde ook niet worden aangemerkt als een bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290, tweede lid, onder a, BW. Voor dit oordeel is redengevend dat, wat er ook zij van de kwalificatie van de bedrijfsactiviteiten van Broeks, niet wordt voldaan aan het vereiste dat in het gehuurde een voor het publiek toegankelijk lokaal voor rechtstreekse levering van roerende zaken of voor dienstverlening aanwezig is. Gelet op de toelichting van Broeks is het gehuurde ‘lokaal’ toegankelijk voor personen die behoren tot een besloten groep. Het besloten karakter van de evenementen van Broeks blijkt uit het feit dat, zoals de heer Koopman namens Broeks ter zitting heeft toegelicht, het doel van de activiteiten van Broeks niet is dat iedere willekeurige passant het gehuurde kan betreden voor de levering van roerende zaken dan wel om aldaar gebruik te maken van de dienstverlening van Broeks. De gang van zaken bij Broeks is dat na reservering van een evenement degenen die tot de kring van genodigden behoren, worden toegelaten op het gehuurde en wel uitsluitend voor deelname aan dat specifieke evenement en uitsluitend voor de daarvoor bedoelde tijdstippen/periode. Dat door Broeks zo nu en dan ook evenementen worden georganiseerd die voor eenieder toegankelijk zijn, doet daar niet aan af, nu de toegankelijkheid voor eenieder in dat geval uitsluitend voor de duur van dat evenement geldt en dit niet het merendeel van de evenementen betreft. De stelling dat Broeks een horecavergunning heeft en dat een groot gedeelte van haar omzet afkomstig is uit horeca, kan evenmin af doen aan het besloten karakter van de evenementen. De stelling dat het eenieder vrij staat zich naar het gehuurde te begeven, nu het gehuurde vanaf de openbare weg vrij toegankelijk is, leidt evenmin tot een ander oordeel, nu duidelijk is dat het ontvangen van willekeurige passanten niet overeenstemt met het doel van de bedrijfsactiviteiten van Broeks.

Oordeel voorzieningenrechter: Bedrijfsruimte ex artikel 7:230a BW? Ja
Artikel 230a BW bepaalt, voor zover van belang:
1. Heeft de huur betrekking op een gebouwde onroerende zaak of gedeelte daarvan en is die zaak of dat gedeelte noch woonruimte, noch bedrijfsruimte in de zin van deze titel, dan kan de huurder na het einde van de huurovereenkomst de rechter verzoeken de termijn waarbinnen ontruiming moet plaats vinden, te verlengen. Het verzoek moet worden ingediend binnen twee maanden na het tijdstip waartegen schriftelijk ontruiming is aangezegd.
2. Het eerste lid geldt niet in geval de huurder zelf de huur heeft opgezegd, uitdrukkelijk in de beëindiging daarvan heeft toegestemd of veroordeeld is tot ontruiming wegens niet nakoming van zijn verplichtingen.
De voorzieningenrechter overweegt dat de gehuurde opstal voldoet aan het criterium van artikel 7:230a, eerste lid, BW. Zoals hiervoor is geoordeeld ligt het zwaartepunt van het gehuurde op de huur van de opstal, zodat de overeenkomst in zijn geheel wordt beheerst door artikel 7:230a BW.
Partijen zijn verdeeld over de vraag of de ontruimingsbescherming van het eerste lid van artikel 7:230a BW in het onderhavige geval geldt, of dat sprake is van een situatie als omschreven in artikel 7:230a, tweede lid, BW.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan uit de door partijen overgelegde producties niet worden afgeleid dat Broeks uitdrukkelijk heeft ingestemd met de opzegging van de huur door de Gemeente. Dat Broeks tweemaal heeft verzocht om verlenging van de huurovereenkomst en dat Broeks heeft ingestemd met een verlenging van de huurovereenkomst voor bepaalde tijd, is niet voldoende voor dat oordeel. Uit de door partijen overgelegde producties komt immers duidelijk naar voren dat Broeks het gehuurde bij voorkeur voor langere tijd zou huren en dat die mogelijkheid ook bestond zolang de Gemeente nog geen definitieve overeenkomsten met AZ had, althans een definitieve startdatum met AZ nog niet vaststond. Ook de omstandigheid dat door Broeks samen met de Gemeente is gezocht naar een alternatieve locatie voor de bedrijfsactiviteiten van Broeks, maakt niet dat sprake is van een uitdrukkelijke instemming aan de zijde van Broeks, waarbij zij haar ontruimingsbescherming wilde prijsgeven.

Echter: rechtsverwerking Broeks
Ten aanzien van het standpunt van de Gemeente dat Broeks geen aanspraak kan maken op ontruimingsbescherming omdat sprake is van rechtsverwerking dan wel misbruik van recht, geldt het volgende.
Een geslaagd beroep op rechtsverwerking vereist de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan bij de Gemeente hetzij het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat Broeks haar recht op ontruimingsbescherming niet meer geldend zou maken, hetzij de positie van de Gemeente zodanig onredelijk is verzwaard dat Broeks in redelijkheid geen beroep meer kan doen op dat ingeroepen recht. Van misbruik van recht kan onder meer sprake zijn als de bevoegdheid wordt uitgeoefend met geen ander doel dan de Gemeente te schaden of als Broeks, de onevenredigheid tussen de wederzijdse belangen in aanmerking genomen, in redelijkheid niet tot uitoefening van haar bevoegdheid kan komen.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het beroep op rechtsverwerking slaagt. Daarvoor is het volgende redengevend. De Gemeente heeft de huurovereenkomst aanvankelijk opgezegd per 30 april 2014. Vervolgens is de huurovereenkomst op verzoek van Broeks enige malen verlengd. Aanvankelijk bestond daarbij nog de mogelijkheid dat Broeks de huur zou kunnen voortzetten. Vanaf juni 2014 is echter duidelijk geworden dat de Gemeente met betrekking tot het gehuurde verplichtingen aanging tegenover AZ. Uit de door partijen overgelegde stukken blijkt weliswaar dat Broeks zo lang mogelijk in het gehuurde wilde blijven zitten, maar niet dat Broeks zich mogelijk op ontruimingsbescherming zou beroepen of anderszins van mening zou zijn dat zij langer dan de door de Gemeente genoemde einddatum in het gehuurde zou mogen blijven. In een email van 27 maart 2014 heeft [C] van de Gemeente aan [bestuurder] van Broeks geschreven:
“ Er zal een passage worden opgenomen in het persbericht AZ-Zaanstad, dat Broeks Events haar activiteiten in ieder geval tot 1 augustus 2014 kan voortzetten. ”
[bestuurder] heeft hierop als volgt gereageerd:
“ De naam Broeks Events hoef je wat mij betreft niet te noemen. Alleen dat de start op zijn vroegst 1 augustus begint, liefst natuurlijk indien mogelijk 1 november. Dan is namelijk ons hoogseizoen voorbij. ”
Deze reactie duidt er niet op dat Broeks zich op ontruimingsbescherming zal beroepen. Vervolgens heeft Broeks meerdere malen verzocht om duidelijkheid over de planning met AZ. Op 11 augustus 2014 heeft [bestuurder] van Broeks een e-mail gestuurd met als onderwerp
“ einddatum Broeks events Wijdewormer ”.
Hij schrijft daarin:
“ Is de einddatum van Broeks nog steeds 1 oktober of mag/kan het eind oktober worden? Wat niet kan kan niet hoor ”.
Ook door deze formulering, met name uit het gebruik van de term “ einddatum van Broeks ” en de toevoeging “ wat niet kan kan niet hoor ”, heeft Broeks naar het oordeel van de Gemeente de indruk gewekt dat zij zich niet op ontruimingsbescherming zou beroepen.
Uit de overgelegde e-mails blijkt voorts duidelijk dat Broeks zich bewust was van de verplichtingen die de Gemeente op dat moment aanging tegenover AZ. Door in de gegeven omstandigheden niet aan de Gemeente duidelijk te maken dat zij met “einddatum” zoals nu blijkt doelt op einddatum van de huurovereenkomst (waarna ontruimingsbescherming ingaat) en niet op einddatum van het gebruik van het gehuurde, heeft Broeks de indruk gewekt dat zij doelde op de einddatum van het gebruik, derhalve dat zij per einddatum zou ontruimen en zich niet op ontruimingsbescherming zou beroepen. Dat Broeks geen juristen in dienst heeft doet daar niet aan af. Broeks, bekend met de verplichtingen die de Gemeente inmiddels tegenover AZ was aangegaan, had kunnen weten dat de Gemeente niet bereid zou zijn geweest de huurovereenkomst op 26 augustus 2014 te verlengen tot 31 oktober 2014, indien zij had geweten dat Broeks zich op het standpunt zou stellen dat haar ontruimingsbescherming toekwam. In de gegeven omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat Broeks door haar handelen bij de Gemeente het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat zij haar recht op ontruimingsbescherming niet geldend zou maken en eveneens dat de positie van de Gemeente door het handelen van Broeks zodanig onredelijk is verzwaard dat Broeks in redelijkheid geen beroep meer kan doen op ontruimingsbescherming.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat Broeks zich niet op artikel 7:230a, lid 1 BW kan beroepen. Nu de door de Gemeente aangezegde einddatum van de huur reeds is verstreken, stelt de Gemeente zich terecht op het standpunt dat Broeks zonder recht of titel in/op het gehuurde verblijft. De vordering tot ontruiming ligt dan ook voor toewijzing gereed.

Maar toch op grond van belangenafweging: ontruimingstermijn gunnen van 4 maanden:
Afweging van de wederzijdse belangen leidt echter tot toewijzing van de vordering op een andere termijn dan door de Gemeente gevorderd. De continuïteit van de onderneming van Broeks, die ondanks pogingen daartoe nog geen alternatieve locatie heeft gevonden en derhalve voor haar bedrijfsvoering vooralsnog afhankelijk is van het gehuurde, is immers in het geding. Daartegenover staan weliswaar belangen van de Gemeente, die overeenkomsten is aangegaan met AZ, maar de Gemeente heeft onvoldoende onderbouwd dat dit belang zo zwaar weegt dat Broeks niet een korte ontruimingstermijn kan worden gegund. De Gemeente wijst immers vooral op het belang om spoedig tot sloop van de opstal te komen en met de herinrichting van het terrein te beginnen. De Gemeente heeft evenwel niet voldoende onderbouwd dat niet later met de aanvang van deze werkzaamheden kan worden gestart. Weliswaar heeft zij aangegeven dat er vóór het broedseizoen bomen moeten worden gekapt, maar gesteld noch gebleken is dat het kappen van de bomen niet kan plaatsvinden zolang Broeks het gehuurde gebruikt. De overige aangevoerde belangen zien – kort gezegd – op de start van de door AZ beoogde trainingen op het terrein. Deze zijn echter niet op korte termijn gepland. De financiële belangen die de Gemeente bij spoedige ontruiming stelt te hebben, heeft de Gemeente niet onderbouwd. De Gemeente heeft voor het overige geen argumenten aangevoerd die de conclusie rechtvaardigen dat haar belang bij spoedige ontruiming zwaarder moet wegen dan het belang van Broeks bij een korte ontruimingstermijn. De voorzieningenrechter zal Broeks dan ook een ontruimingstermijn gunnen van 4 maanden. Deze termijn kan Broeks, die naar eigen zeggen nu in haar laagseizoen zit, benutten om een alternatieve bedrijfslocatie te vinden. Een langere termijn acht de voorzieningenrechter niet redelijk, nu Broeks al lange tijd rekening heeft kunnen houden met het einde van haar gebruik van het gehuurde.

donderdag 18 december 2014

Bezitter paard risicoaansprakelijk voor veroorzaakte schade Artikel 6:179 BW, geen eigen schuld slachtoffer



De feiten
Het slachtoffer had bij manege X in [woonplaats] (hierna: de manege) drie paarden, hengsten, staan.
De verweerders hadden een merrie, een ruim en een jonge hengst genaamd A bij de manege gestald staan. Partijen hielpen elkaar regelmatig met het naar buiten leiden van elkaars paarden.
Op 18 maart 2010 hielp het slachtoffer de bezitters van hengst A om twee paarden van de bezitters van hengst A, waaronder A, naar buiten te brengen. Het slachtoffer is ten val gekomen toen zij met A door de stal van de manege liep richting de paddock op het buitenterrein achter de stallen. Bij brief van 23 januari 2014 heeft (de advocaat van) het slachtoffer de bezitters van hengst A aansprakelijk gesteld voor de gevolgen van ongeval.

De rechtsvraag
Zijn de bezitters van hengst A volledig aansprakelijk is voor het ongeval van 18 maart 2010 dat is veroorzaakt door haar paard.

De beoordeling
Vast staat dat hengst A van de verweerders in deze procedure was. Ook staat vast dat het slachtoffer ten val is gekomen door een manoeuvre van A.

Aansprakelijk op grond van artikel 6:179 BW?
De vraag is of de bezitters van hengst A op grond van artikel 6:179 BW aansprakelijk zijn voor de schade die het slachtoffer stelt te lijden als gevolg van de val op 18 maart 2010. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.
De rechtbank stelt bij de beantwoording van deze vraag voorop dat de bezitter van een dier op grond van artikel 6:179 BW in principe aansprakelijk is voor de door het dier aangerichte schade. Dit is alleen anders in de denkbeeldige situatie dat de bezitter het gedrag van het dier dat tot schade leidde in zijn macht zou hebben gehad (dus bewust zou hebben toegelaten) en dat de bezitter daarvan dan geen verwijt zou zijn te maken.
Het gaat bij artikel 6:179 BW dus om een risico-aansprakelijkheid. De achtergrond daarvan is het gevaar dat in de eigen energie van een dier schuilt en het onberekenbare element dat daarin is gelegen. De rechtbank constateert dat bezitters van hengst A geen beroep doet op de uitzonderingsregel van artikel 6:179 BW. Of sprake is van de hiervoor omschreven denkbeeldige situatie hoeft daarom niet beoordeeld te worden. Dit betekent dat de bezitters van hengst A in principe aansprakelijk is voor de eventuele schade die haar paard A aan het slachtoffer heeft toegebracht.

Eigen schuld slachtoffer?
De bezitters van hengst A hebben echter aangevoerd dat er sprake is van eigen schuld van het slachtoffer, omdat het ongeval volgens haar te wijten is aan het slachtoffer zelf. Volgens de bezitters van hengst A moet de schade van het slachtoffer daarom op grond van artikel 6:101 lid 1 BW volledig voor haar rekening blijven. Kort samengevat zijn de bezitters van hengst A van mening dat het door het onrustige gedrag van de paarden van het slachtoffer komt omdat hengst A richting de uitgang van de stal is gerend waarbij het slachtoffer ten val is gekomen. Bij het naar buiten lopen met hengst A moesten de paarden van het slachtoffer namelijk gepasseerd worden. Hengst A schrok toen van het onrustige, aanvallende gedrag van de paarden van het slachtoffer.
De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de paarden van het slachtoffer op 18 maart 2014 onrustig, aanvallend gedrag vertoonden. Op de zitting heeft de rechter dit aan de orde gesteld, waarop de bezitters van hengst A hebben aangegeven dat zij niet meer weten of de paarden van het slachtoffer op die dag onrustig waren. Of de paarden van het slachtoffer de aanleiding waren voor de manoeuvre van A is dus onduidelijk. Ook als de rechtbank ervan uitgaat dat het gedrag van de paarden wel de aanleiding is geweest voor de reactie van hengst A dan valt dat niet in de vorm van eigen schuld aan het slachtoffer toe te rekenen. Er is namelijk niet gesteld of gebleken dat het slachtoffer heeft bijgedragen aan het onrustige gedrag van haar paarden of dat de oorzaak van het gedrag van de paarden van het slachtoffer het gevolg is van handelen of toedoen van het slachtoffer. De rechtbank gaat daarom voorbij aan het standpunt van de bezitters van hengst A dat het gedrag van de paarden van het slachtoffer een schrikreactie bij hengst A teweeg zou hebben gebracht op grond waarvan de schade wegens eigen schuld volledig voor rekening van het slachtoffer moet blijven.
Hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen betekent dat de bezitters van hengst A ten opzichte van het slachtoffer aansprakelijk zijn, onder de voorwaarde dat sprake is van schade die het gevolg is van het ongeval op 18 maart 2010. De bezitters van hengst A betwisten namelijk dat het slachtoffer schade lijdt als gevolg van haar val

De beslissing

De rechtbank bepaalt dat de bezitters van hengst A volledig aansprakelijk is voor de schade die het slachtoffer lijdt als gevolg van het ongeval op 18 maart 2010.

vrijdag 12 december 2014

ICSS and Sorbonne release match-fixing report


After two years of work, and the involvement of nearly 80 international experts, I am pleased to bring to your attention the final report of the Sorbonne-ICSS Research Programme on Ethics and Sport Security, a programme partnered with the ICSS.

Entitled “Fighting against the Manipulation of Sports Competitions”, the report aims to:
- draw up an inventory of the many forms of manipulation of sports competitions and decipher the logic of the stakeholders involved in this area;
- recommend operational solutions allowing the prevention and the repression of the manipulation of sports competitions

In fact, the recent developments in this area are worrying. Every year since 2010, and to take only the public sources (Interpol, Europol, polices forces and judicial institutions, regulators, betting operators or operators tasked with monitoring the market) between 300 and 700 sports events worldwide are suspected of being fixed. But how many other cases fall through the cracks without being identified?

In this regard, the initial findings of the report unveiled in May had already revealed that:
- the economic activity of sport represents almost 2% of the global GDP, i.e. between 800 and 900 billion Euros;
- over the past two decades, the number of operators offering online bets reached the threshold of 8,000 worldwide;
- the amounts of bets (legal and illegal) are estimated at between 200 and 500 billion Euros; with more than 80% of illegal bets;
- the money laundered by organised crime through sporting bets is estimated at between 100 and 140 billion Dollars per year;
- legal sports bets only provide 4 billion Euros of official income for States;
- of the 60 information programmes identified in 2013 worldwide, 75% were launched after 2011.

The final report highlights, among other things, that:
- the vast majority of the cases of manipulation of sports competitions are today linked to sports bets;
- current national or international prevention and repression tools are still widely disparate;
- albeit belatedly, States are beginning to take stock of the extent of the threat caused by the manipulation of sports competitions on their respective public policies as reflected, in particular, in the recent legislative and regulatory developments in the field [for example, in the United Kingdom (Gambling - Licensing and Advertising - Act 2014), in Singapore (a draft bill was recently proposed to drastically restrict the offer of online games), in New Zealand (the manipulation of sports competitions will soon be established as a criminal offence punishable by seven years of incarceration)];
- it is possible to suggest a new way of interpreting the economic rationality of the different actors(in particular for States, the sporting movement and betting operators);
- it is possible, in particular through a study of the national legislations from the angle of sports bets, to establish a classification of the countries according to their policy on sport integrity;
- similarly, it is possible, through a study of the tools developed by sports institutions to fight against the manipulation of sports competitions, to measure their degree of implication and their responsiveness in the face of this scourge;
- the limits of the current mechanisms for coordinating the fight against the manipulation of sports competitions require imagining and proposing new tools that should lead all stakeholders to respecting common principles.

By way of conclusion, the authors believe that the current measures for protecting sport integrity and reducing the influence of organised crime on this sector are unfortunately still insufficient. In this regard, the recently adopted Convention of the Council of Europe on the Manipulation of Sports Competitions constitutes an essential first step towards protecting sport integrity and more generally, the sustainability of sport as we know it.

Among the report’s key recommendations, the following are of particular importance:
- The urgent need for an effective cooperation between all stakeholders without ulterior motives;
- The introduction of a subtle balance between the protection of public order, sport autonomy and the functioning of the markets of sports bets and sports spectacles;
- An uncompromising fight against organised crime and illegal bets.

Source: Press release

donderdag 11 december 2014

Vereniging kan niet, door lidmaatschap van bestuurslid op te zeggen, bevoegdheid Algemene Vergadering omzeilen bestuurder te ontslaan


De procedure
De heer A is in 2006 lid geworden van Schietsportvereniging “A-Team”. In 2013 is hij toegetreden tot het bestuur van Schietsportvereniging “A-Team”. Begin 2014 is een conflict ontstaan tussen de heer A (en de zijnen) en medebestuurslid X (en de zijnen). Dit conflict is in de daarop volgende maanden verhevigd. In de algemene ledenvergadering van Schietsportvereniging “A-Team” van 18 juli 2014 is besloten tot royement van de heer A, waarna het bestuur van Schietsportvereniging “A-Team” de heer A bij brief van 22 juli 2014 uit zijn lidmaatschap heeft ontzet. Na door de heer A ingesteld intern beroep tegen deze ontzetting, heeft het bestuur van Schietsportvereniging “A-Team” het ontzettingsbesluit bij brief van 26 augustus 2014 “om haar moverende redenen” ingetrokken. Bij brief van 29 augustus 2014 heeft het bestuur van Schietsportvereniging “A-Team” vervolgens het lidmaatschap van de heer A opgezegd en hem meegedeeld dat daarmee tevens zijn bestuurslidmaatschap is geëindigd.
Door Schietsportvereniging “A-Team” is geen gevolg gegeven aan de sommatie van de heer A om de opzegging ongedaan te maken en hem weer toe te laten als lid en bestuurslid en daarom vordert de heer A in kort geding dat aan Schietsportvereniging “A-Team” wordt verboden uitvoering te geven aan haar besluit tot opzegging van zijn lidmaatschap.

Oordeel voorzieningenrechter
De heer A legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat de opzegging van zijn lidmaatschap door Schietsportvereniging “A-Team” in strijd is met de statuten van Schietsportvereniging “A-Team” en in strijd is met de door Schietsportvereniging “A-Team” en haar bestuur op grond van art. 2:8 lid 1 BW in acht te nemen eisen van redelijkheid en billijkheid. Ook de voorzieningenrechter komt tot dat oordeel.
Artikel 2:8 lid 1 BW bepaalt dat een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken zich als zodanig jegens elkander moeten gedragen naar hetgeen door de redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Artikel 2:14 lid 1 BW bepaalt onder meer dat een besluit van een orgaan van een rechtspersoon nietig is, indien het in strijd is met de statuten. Artikel 2:15 lid 1 BW bepaalt dat een besluit vernietigbaar is, indien het in strijd is met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW wordt geëist.
De statuten van Schietsportvereniging “A-Team” bevatten onder meer de volgende bepalingen:
EINDE VAN HET LIDMAATSCHAP (…):
Artikel 5.
1. Het lidmaatschap (…) eindigt door:
a. overlijden;
b. schriftelijke opzegging door het lid (…).
Deze kan te allen tijde en zonder inachtneming van een opzegtermijn geschieden;
c. schriftelijke opzegging namens de vereniging.

Deze kan te allen tijde en zonder inachtneming van een opzegtermijn geschieden door het bestuur wanneer een lid (…) heeft opgehouden te voldoen aan de vereisten door deze statuten voor het lidmaatschap (…) gesteld of wanneer redelijkerwijs van de vereniging niet gevergd kan worden het lidmaatschap (…) te laten voortduren.

d) ontzetting.
Deze kan geschieden door het bestuur wanneer een lid (…) in strijd met de statuten, reglementen of besluiten van de vereniging handelt of wanneer een lid (…) de vereniging op onredelijke wijze benadeelt.
2. Van een besluit tot ontzetting uit het lidmaatschap (…) staat de betrokkene binnen een maand na de ontvangst van de kennisgeving van het besluitberoep open op een door de algemene vergadering te benoemen commissie van beroep van tenminste drie leden, die geen deel mogen uitmaken van het bestuur.
(…)

BESTUUR:
Artikel 7.
1. Het bestuur bestaat uit een door de algemene vergadering vast te stellen aantal van minimaal drie leden, die door de algemene vergadering uit de leden worden benoemd.
(…)

EINDE BESTUURSLIDMAATSCHAP - (…) - SCHORSING:
Artikel 8.
1. Elk bestuurslid kan te allen tijde door de algemene vergadering worden ontslagen of geschorst. (…)
2. (…)
3. Het bestuurslidmaatschap eindigt voorts:
a. door het eindigen van het lidmaatschap van de vereniging;
b. door bedanken.

Zoals ook uit deze statuten blijkt, is de algemene ledenvergadering het belangrijkste orgaan van Schietsportvereniging “A-Team”. Deze algemene vergadering benoemt, schorst en ontslaat bestuurders en beslist, via een door haar te benoemen commissie van beroep, in hoogste instantie over de ontzetting door het bestuur van leden. Met de door het bestuur van Schietsportvereniging “A-Team” ten aanzien van de heer A gevolgde weg en de door Schietsportvereniging “A-Team” aangehangen uitleg van de statuten, wordt de algemene vergadering echter gepasseerd op een essentieel punt, te weten het ontslag van een bestuurder. Schietsportvereniging “A-Team” redeneert aldus dat het bestuur (bij meerderheidsbesluit) de bevoegdheid heeft het lidmaatschap van een lid op te zeggen (art. 5 sub c. van de statuten) en dat als gevolg van die beëindiging van het lidmaatschap van de vereniging het bestuurderschap automatisch vervalt (art. 8 lid 3 sub a. van de statuten). Door toepassing van die constructie ten aanzien van de heer A, heeft (de meerderheid van) het bestuur zichzelf de facto een bevoegdheid toegedicht - het ontslag van een medebestuurslid - die bij uitstek toekomt aan de algemene vergadering. In de redenering van Schietsportvereniging “A-Team” en de uitleg die zij daarbij geeft aan de statuten, wordt de algemene vergadering geheel buiten spel gezet, te meer nu Schietsportvereniging “A-Team” kennelijk het standpunt inneemt dat in geval van opzegging van het lidmaatschap - anders dan bij ontzetting - geen beroep openstaat bij de commissie van beroep van de algemene vergadering. Het passeren van de algemene vergadering verhoudt zich ook niet met de regel van art. 2:37 lid 6 BW dat het orgaan dat een bestuurslid heeft benoemd te allen tijde tot diens ontslag kan beslissen.
De voorzieningenrechter is gelet op het voorgaande met de heer A van oordeel dat een redelijke uitleg van de statuten voor het onderhavige geval meebrengt dat onder “het eindigen van het lidmaatschap van de vereniging” in art. 8 lid 3 sub a. niet mede kan worden begrepen de opzegging door het bestuur zonder daartoe strekkend besluit van de algemene vergadering of zonder bekrachtiging door (de commissie van beroep van) de algemene vergadering.
Het voorgaande brengt naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter mee dat geen sprake is van een rechtsgeldige beëindiging van het bestuurderschap van de heer A. De vraag in hoeverre de door het bestuur van Schietsportvereniging “A-Team” gebezigde opzeggingsgronden valide zijn, hetgeen de heer A bestrijdt, kan daarbij in het midden blijven. Van omstandigheden op grond waarvan de toepassing van de statutaire regeling over ontslag van bestuurders in het onderhavige geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn (art. 2:8 lid 2 BW), is in ieder geval niet gebleken.
De door de heer A in dit kort geding gevraagde voorzieningen, waarbij de heer A voldoende spoedeisend belang heeft, komen neer op een verbod gevolgen te verbinden aan de door het bestuur van Schietsportvereniging “A-Team” beoogde beëindiging van het lidmaatschap en bestuurderschap van de heer A. In beginsel zijn deze voorzieningen toewijsbaar.
De primaire vorderingen van de heer A zullen evenwel niet onverkort worden toegewezen. De voorzieningenrechter ziet in de belangen van partijen en de (deels gewijzigde) omstandigheden van het geval aanleiding Schietsportvereniging “A-Team” eerst in de gelegenheid te stellen haar algemene vergadering alsnog over het bestuurderschap (en lidmaatschap) van de heer A te laten besluiten. Het gaat hierbij, samengevat, met name om de volgende belangen en omstandigheden:
- de algemene vergadering heeft zich eerder, op 18 juli 2014, kennelijk uitgesproken voor royement van de heer A (waarna de later door het bestuur van Schietsportvereniging “A-Team” ingetrokken ontzetting volgde);
- de heer A heeft inmiddels een nieuwe schietsportvereniging opgericht, waarvan hij bestuurder is;
- van de aanvankelijk 56 leden van Schietsportvereniging “A-Team” is een aantal met de heer A meegegaan, waardoor Schietsportvereniging “A-Team” nu nog slechts 40 leden heeft;
- uit de over en weer overgelegde verklaringen van (oud-)leden van Schietsportvereniging “A-Team” blijkt dat gesproken kan worden van twee tegenover elkaar staande “kampen”: de heer A en de zijnen en [naam medebestuurslid] en de zijnen;
- niet aannemelijk is geworden dat de heer A zijn wapenvergunning dreigt te verliezen indien hij niet terstond weer als actief (bestuurs)lid van Schietsportvereniging “A-Team” kan terugkeren;
- het moet in het belang van beide partijen en in het belang van de leden van Schietsportvereniging “A-Team” worden geacht dat (de besluitvorming over) de eventuele terugkeer van de heer A als actief (bestuurs)lid van Schietsportvereniging “A-Team” ordentelijk verloopt.

De beslissing
De voorzieningenrechter, rechtdoende in kort geding verbiedt Schietsportvereniging “A-Team” uitvoering te geven aan haar besluit tot opzegging van het lidmaatschap van de heer A totdat de bevoegde rechter in een bodemprocedure zal hebben beslist over de rechtsgeldigheid daarvan, althans totdat het lidmaatschap van de heer A op andere wijze rechtsgeldig is geëindigd.
De voorzieningenrechter beveelt Schietsportvereniging “A-Team” te gehengen en gedogen dat de heer A zijn functie als bestuurder van Schietsportvereniging “A-Team” ongehinderd zal kunnen uitoefenen onder de voorwaarden zoals opgenomen in de statuten van Schietsportvereniging “A-Team” totdat de bevoegde rechter in een bodemprocedure zal hebben beslist over de rechtsgeldigheid van de opzegging van het lidmaatschap van de heer A, althans totdat het lidmaatschap van de heer A op andere wijze rechtsgeldig is geëindigd;


dinsdag 2 december 2014

Minister Schippers: Wettelijke grondslag voor gegevensverwerking dopingcontroles


Datum 1 december 2014

Betreft: Wetsvoorstel inzake doping

Geachte voorzitter,

Tijdens het Algemeen Overleg over sportbeleid dat plaatsvond op 2 juli van dit jaar heb ik uw Kamer toegezegd dat ik u zou informeren over de in voorbereiding zijnde wetgeving op het gebied van doping.1 Die toezegging kom ik na met deze brief, die ik mede namens de Minister voor Wonen en Rijksdienst stuur en waarin ik u de contouren schets van het wetsvoorstel dat ik samen met mijn ambtgenoot aan het voorbereiden ben.
De aanleiding voor het wetsvoorstel bestaat uit een standpunt van de Groep gegevensbescherming artikel 29, (de Groep), een adviesgroep die is ingesteld bij richtlijn 95/46/EG, beter bekend als de Europese privacyrichtlijn.2 De Groep, waarin vertegenwoordigers van de nationale privacy-autoriteiten plaatsnemen (in Nederland het College bescherming persoonsgegevens), is onafhankelijk en heeft tot taak het adviseren van de Europese Commissie over privacyvraagstukken. De Groep heeft een aantal standpunten gepubliceerd over de grondslag voor dopingcontroles. Daarin stelt zij zich op het standpunt dat de in het kader van dopingcontroles gegeven toestemming van topsporters voor de verwerking van persoonsgegevens niet aan het vereiste van ‘in vrijheid gegeven’ voldoet, vanwege de grote gevolgen (i.e. uitsluiting van deelname aan de betreffende wedstrijd of competitie) die een eventuele weigering zou hebben voor de betrokken sporter. Het uitgangspunt in Nederland is altijd geweest dat de toestemming van sporters wel een voldoende grondslag biedt voor de beperking van de persoonlijke levenssfeer die bestaat uit het verwerken van persoonsgegevens in het kader van dopingcontroles. Dit uitgangspunt was gebaseerd op de verenigingsrechtelijke grondslag voor de verwerking van persoonsgegevens: de sporter bindt zich door het lidmaatschap van een vereniging of door deelname aan een (eenmalige) competitie aan de geldende antidopingregels. Ik onderschrijf de opvatting van de Groep, zoals hierboven weergegeven, dat toestemming door sporters in vrijheid gegeven moet worden alvorens zij als grondslag voor de verwerking van persoonsgegevens kan dienen. Het is mijn voornemen om de privacy van sporters die worden onderworpen aan dopingcontroles te waarborgen conform het standpunt van de Groep en daarom heb ik het reeds aangekondigde wetsvoorstel in voorbereiding.
Het aangekondigde wetsvoorstel ziet op het verschaffen van een juridische basis voor de uitvoering van dopingcontroles in het licht van de relevante wet- en regelgeving op het gebied van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. De gegevensverwerking bij dopingcontroles heeft deels betrekking op, naast ‘gewone persoonsgegevens’ zeer gevoelige, medische gegevens over de betrokken sporter. De Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) vereist een grondslag voor de verwerking van persoonsgegevens. Voor de verwerking van medische persoonsgegevens gelden extra waarborgen. Naast toestemming van de betrokkene kan de grondslag ook bestaan uit het feit dat de gegevensverwerking ‘noodzakelijk is voor de goede vervulling van een publiekrechtelijke taak door het desbetreffende bestuursorgaan dan wel het bestuursorgaan waaraan de gegevens worden verstrekt’ (artikel 8, onderdeel e, van de Wbp). Deze alternatieve grondslag wordt in het wetsvoorstel uitgewerkt door te voorzien in de oprichting van de Dopingautoriteit als een publiekrechtelijk zelfstandig bestuursorgaan (zbo). Op grond van de Kaderwet zelfstandige bestuursorganen kan worden besloten tot de instelling van een zbo indien er behoefte is aan een onafhankelijke oordeelsvorming op grond van specifieke deskundigheid (artikel 3, eerste lid, onderdeel a). Ik ben van mening dat de rol van de Dopingautoriteit bij de bestrijding van dopinggebruik in de sport een beroep op dit instellingsmotief rechtvaardigt. Het is namelijk wenselijk dat sportorganisaties zelf inhoud geven aan de uitvoering van dopingcontroles; de manier waarop de dopingcontroles worden uitgevoerd moet inhoudelijk geen voorwerp van overheidsbeleid worden. Het is naar mijn mening de taak van de overheid om de randvoorwaarden te scheppen voor een effectieve bestrijding van dopinggebruik in de sport, waaronder de mogelijkheid om dopingcontroles uit te voeren op een manier waarbij de persoonlijke levenssfeer van sporters wordt gerespecteerd.
De huidige praktijk is dat zowel de Dopingautoriteit als andere (commerciële) partijen dopingcontroles uitvoeren op verzoek van bijvoorbeeld de organisator van een sporttoernooi. Het wetsvoorstel zal niet in de weg staan aan de uitvoering van dopingcontroles door andere partijen dan de Dopingautoriteit. Er is op dit moment geen aanleiding om deze andere partijen te verbieden hun diensten aan te bieden. Het wetsvoorstel zal daarom geen verbod bevatten op het uitvoeren van dopingcontroles door andere partijen dan de Dopingautoriteit. Door het wetsvoorstel krijgen sport- en evenementenorganisaties de mogelijkheid om dopingcontroles te laten uitvoeren door de Dopingautoriteit in overeenstemming met de Wbp voor die gevallen waarin de toestemming niet voldoende is voor de verwerking van persoonsgegevens. Voor die gevallen waarin die toestemming wel volstaat, behouden zowel de commerciële uitvoerders als de Dopingautoriteit de mogelijkheid om –uiteraard binnen de grenzen van de Wbp- dopingcontroles uit te voeren.
Het in voorbereiding zijnde wetsvoorstel zal zich voor wat betreft de reikwijdte richten op het toekennen van taken aan het op te richten zbo. Het wetsvoorstel zal niet voorzien in uitbreiding van de bevoegdheden van het zbo in vergelijking met de huidige bevoegdheden van de stichting Dopingautoriteit. De reden daarvoor is dat bestrijding van dopinggebruik in de sport een verantwoordelijkheid is en blijft van de sportorganisaties en de overheidsverantwoordelijkheid daarbij niet verder strekt dan het voorzien in de benodigde kaders en de nakoming door Nederland van de internationaalrechtelijke verplichtingen. Laatstgenoemde verplichtingen vloeien voort uit de Wereld Anti Doping Code (WAD-Code) van het Wereld Anti Doping Agentschap (WADA). De WAD-Code bevat gedetailleerde en uniforme regels voor sportorganisaties en functioneert in feite als een (verplicht) model dopingreglement voor sportorganisaties in de gehele wereld.
Het WADA is geen (inter)gouvernementele organisatie en daarom kunnen overheden zich niet rechtstreeks binden aan de WAD-Code. Tegen deze achtergrond is in het kader van de UNESCO in 2005 de ‘International Convention Against Doping in Sport’ (UNESCO-Conventie) vastgesteld, die in 2007 van kracht is geworden. Op 17 november 2006 heeft Nederland de UNESCO-Conventie geratificeerd. De UNESCO-Conventie legt een aantal verplichtingen op aan de verdragspartijen, maar laat het aan de individuele staten zelf te bepalen welke specifieke (juridische) middelen zij daarbij inzetten. De Dopingautoriteit is in Nederland de nationale antidopingorganisatie in de zin van de Code en is in die hoedanigheid door het WADA erkend. De nieuwe WAD-Code, die vanaf 2015 van kracht zal zijn, bevat een bepaling over intelligence & investigation-activiteiten: het inwinnen en verwerken van informatie uit alle beschikbare bronnen ten behoeve van het vaststellen van overtredingen van de dopingregels. De nadruk in het antidopingbeleid verschuift hierdoor, qua handhaving, van het uitvoeren van dopingcontroles onder meer naar het doen van onderzoek en het verzamelen van informatie uit bijvoorbeeld berichtgeving in de media of andere openbare bronnen. Die informatie kan ook betrekking hebben op het ondersteunend personeel van sporters, zoals coaches, trainers, begeleidend (medisch) personeel, ouders en andere betrokkenen.
Met het oog op het bovenstaande wordt het in te stellen zbo, dat zoals gezegd de opvolger moet worden van de reeds bestaande stichting Dopingautoriteit, belast met in elk geval drie taken: de uitvoering van dopingcontroles, de uitvoering van de zogenaamde intelligence & investigation-activiteiten en het geven van voorlichting over dopinggebruik in de sport en daarmee samenhangende activiteiten. In het wetsvoorstel wordt een grondslag opgenomen die de uitvoering van voornoemde taken in overeenstemming met het geldende privacyrecht mogelijk maakt. De uitvoering van de intelligence & investigation-activiteiten zonder toestemming van de betrokkenen, zal een exclusieve taak voor het nieuwe zbo worden.
Naar mijn mening kan met dit wetsvoorstel een goede balans worden bereikt tussen een effectieve bestrijding van dopinggebruik in de sport en de privacy van de betrokken sporters. Mijn voornemen is om, in overeenstemming met mijn
eerdere toezegging, het wetsvoorstel zo spoedig mogelijk in procedure te brengen.

Hoogachtend,

de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport,

mw. drs. E.I. Schippers

1 Kamerstukken II 2013/14, 30 234, nr. 101, blz. 22.

2 Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegeven en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PbEG L281).