zondag 11 juni 2017

Royement leden judovereniging in strijd met redelijkheid vanwege grote verdiensten judosport


De feiten
Op een judotraining is een incident voorgevallen tussen twee leden enerzijds en de trainer anderzijds. De twee leden bejegenen de judoleraar onheus en schofferen hem. De voorzitter van het bestuur heeft daarna aan het tweetal laten weten dat ze op de volgende training niet welkom waren. De twee leden kwamen toch. Vervolgens besluit het bestuur de twee leden te ontzetten uit hun lidmaatschap (royeren). De twee leden beginnen te procederen omdat ze van mening zijn dat de vereniging in redelijkheid niet tot haar besluiten tot ontzetting heeft kunnen komen en dat het bestuur daarmee in strijd met de redelijkheid en de billijkheid als bedoeld in artikel 2:8 BW. Zowel bij de commissie van beroep als bij de rechtbank worden de twee leden in het ongelijk gesteld.

Gerechtshof
Het hof overweegt dat als beoordelingskader geldt  dat de ontzettingen slechts dan jegens de twee leden ontoelaatbaar zijn, indien de vereniging in de gegeven omstandigheden, waaronder de door haar behartigde belangen, jegens de twee leden in redelijkheid niet tot ontzetting had kunnen komen (HR 2 december 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4702). Het hof dient bij de beoordeling of het bestuur van de vereniging bij het nemen van de ontzettingsbesluiten alle in aanmerking komende belangen naar redelijkheid en billijkheid heeft afgewogen en daarbij de nodige zorgvuldigheid in acht heeft genomen, terughoudend te zijn (HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9145).
De twee leden brengen naar voren dat bij de toetsing van het besluit alle betrokken belangen moeten worden afgewogen, waarbij rekening gehouden moet worden met de gevolgen die het besluit voor de twee leden en voor de vereniging heeft. In dit verband merken de twee leden op dat zij meer dan voldoende zijn gestraft met de schorsing bij brief van 7 oktober 2013, dat zij niet inzien dat zij ook nog gestraft moesten worden met een ontzetting en dat zij als gerespecteerde leden van de vereniging en de judosport op een oneervolle manier aan de kant zijn gezet. Volgens twee leden is geen acht geslagen op de onberispelijke staat van dienst van twee leden gedurende een periode van vele tientallen jaren, het feit dat één lid erelid van de vereniging is en dat hij is onderscheiden door de judobond voor zijn verdiensten ten behoeve van de vereniging en de judosport.
De vereniging heeft niet betwist dat bij het nemen van de besluiten geen acht is geslagen op de verdiensten van twee leden voor de vereniging en het oneervolle karakter van de ontzetting. Uit het besluit en de overige stukken blijkt dat evenmin. Daarmee staan voormelde stellingen van twee leden vast.

Op grond van het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat het bestuur en de commissie bij hun besluitvorming en hun besluiten geen rekening hebben gehouden met voormelde belangen aan de zijde van twee leden , althans hebben het bestuur en de commissie daarmee niet voor twee leden kenbaar rekening gehouden. Het hof is daarom van oordeel dat de vereniging jegens twee leden in redelijkheid niet tot hun besluiten tot ontzetting hadden kunnen komen. Dit brengt mee dat de grief van twee leden slaagt en dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd.

zondag 28 mei 2017

Kartcircuit Kombikart aansprakelijk voor letselschade kartster; eigen schuld 50%


De feiten
Slachtoffer X reed op 8 mei 2015 (twee dagen voor haar vijftiende verjaardag) in haar eigen kart, een zogenaamde minimax. Zij was een ervaren kartster en kende het kartcircuit goed. Zij was lid van de kartschool en reed ook wedstrijden. Karter Y was ten tijde van het ongeval 20 jaar oud, had wel eens eerder gekart maar reed die middag voor het eerst op het kartcircuit van Kombikart in Eindhoven.
Na enkele ronden te hebben gereden raakte karter Y van de baan af. Dit gebeurde in de chicane (S-bocht) van het circuit. Op het moment dat karter Y vanaf de rechterkant de baan weer opreed werd hij aangereden door Slachtoffer X . Zij reed met een snelheid van ongeveer 70 km per uur. Zij zag de kart van karter Y pas staan een enkel ogenblik voor de botsing en kon toen niets meer doen om het ongeval te voorkomen. Slachtoffer X is met haar kart tegen het linker voorwiel van de kart van karter Y gereden, waardoor haar kart werd gelanceerd, over de kop ging en een stuk verderop in de berm terechtkwam en in brand raakte. Slachtoffer X viel hierbij uit de kart.  Slachtoffer X had na het ongeval een dubbele klaplong, een gebroken linker sleutelbeen, diverse gekneusde en gebroken ribben, kneuzingen in haar bekken, en de linkerkant van haar lichaam was zeer pijnlijk, zat vol blauwe plekken en schaafwonden. Ook haar linkerhand was erg pijnlijk. Karter Y heeft bij het ongeval geen letsel opgelopen.

De vordering
Slachtoffer X stelt zowel karter Y als de kartschool aansprakelijk voor de schade.

Oordeel rechtbank

Aansprakelijkheid karter Y
Het staat vast dat het ongeval is veroorzaakt doordat karter Y terug het circuit is opgereden juist op het moment dat Slachtoffer X daar aan kwam rijden. De vraag is nu kort gezegd of karter Y , door het circuit op te rijden op de manier waarop hij dat heeft gedaan, onrechtmatig heeft gehandeld als bedoeld in artikel 6:162 BW. De ouders van Slachtoffer X stellen dat karter Y gevaarlijk en daarom onrechtmatig heeft gehandeld en beroepen zich in dit verband op de criteria zoals door de Hoge Raad gegeven in het zogenaamde Kelderluikarrest van 5 november 1965 (ECLI:NL:HR:1965:AB7079).
De rechtbank is van oordeel dat toepassing van deze criteria hier minder voor de hand ligt omdat het verwijt aan karter Y niet zozeer ziet op het in het leven roepen of in stand laten van een potentieel gevaarlijke (min of meer statische) situatie maar op het zich gevaarlijk gedragen. Of het gedrag van karter Y als onrechtmatig is aan te merken, moet als volgt worden beoordeeld. In het algemeen geldt dat niet elke gedraging die kan leiden tot een ongeval ook onrechtmatig is. Een gedraging die gevaar voor een ander kan opleveren is alleen dan onrechtmatig als de kans op een ongeval (met letsel voor een ander) zo groot is, dat de persoon in kwestie zich uit oogpunt van zorgvuldigheid daarvan had moeten onthouden (vergelijk Hoge Raad 9 december 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1576, ‘zwiepende tak’ en Hoge Raad 28 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2679, ‘Witmarsumer Merke’). Bij het beoordelen of in een concreet geval aan dit criterium is voldaan, moet worden gekeken naar de specifieke situatie waarin partijen zich hebben begeven en naar het gevaar dat partijen in die situatie over en weer redelijkerwijs van elkaar konden en mochten verwachten. In de jurisprudentie is uitgemaakt dat deelnemers aan een sport of spel in redelijkheid tot op zekere hoogte gevaarlijke, slecht gecoördineerde, verkeerd getimede of onvoldoende doordachte handelingen of gedragingen waartoe die activiteit uitlokt, of die daarin besloten liggen, van elkaar moeten verwachten (zie Hoge Raad van 28 juni 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0300, ‘natrappen bij voetbal’ en het al eerder genoemde arrest ‘Witmarsumer Merke’ uit 2003). Als een deelnemer aan een sport of spel door zijn gedrag letsel veroorzaakt bij een andere deelnemer, wordt dat gedrag daarom minder snel als onrechtmatig aangemerkt dan als datzelfde gedrag buiten een sport- en spelsituatie zou hebben plaatsgevonden. In sport- en spelsituaties is dus sprake van een verhoogde aansprakelijkheidsdrempel. Partijen twisten over de vraag of hier sprake was van een sport- en spelsituatie. karter Y meent van wel en stelt dat hij in het vuur van het spel zo snel mogelijk de baan weer op wilde. de ouders van Slachtoffer X meent dat karter Y, nadat hij de bocht was uitgevlogen en naast de baan terecht was gekomen, geen deel meer uitmaakte van de sport- en spelsituatie. Bovendien was er sprake van vrij rijden en ontbrak het competitieve element, zo stelt de ouders van Slachtoffer X . De rechtbank overweegt dat de verhoogde drempel voor aansprakelijkheid niet is opgehouden te gelden zodra karter Y naast de baan terecht is gekomen. Karter Y , die de bocht was uitgevlogen en de baan weer op wilde, maakte ook op het korte moment dat hij met zijn kart naast de baan stond, nog altijd deel uit van de sport- en spelsituatie (vergelijk Hoge Raad 28 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF2680, ‘Broere/Kegel’ en het eerdergenoemde arrest ‘Witmarsumer Merke’ van dezelfde datum). Voorts geldt dat van een sport- en spelsituatie niet alleen sprake kan zijn indien de activiteit plaatsvindt in wedstrijdverband. Ook bij zuiver recreatieve activiteiten kan er reden zijn om een verhoogde drempel voor aansprakelijkheid aan te nemen. Bij het vrij karten is overigens wel degelijk sprake van een competitief element. De essentie van karten is toch om zo snel mogelijk het circuit af te leggen. Tijdens het vrij rijden zullen mogelijk minder risico’s worden genomen dan tijdens een wedstrijd, maar uit wat partijen daarover naar voren hebben gebracht begrijpt de rechtbank dat ook deelnemers aan het vrij rijden proberen zo snel mogelijk te rijden om hun rondetijden te verbeteren of om een andere kart bij te houden of in te halen. Dat karter Y buiten de baan was geraakt (en daar weer op probeerde te rijden om zijn ronde af te maken) betekent niet dat hij niet langer deelnam aan het vrij rijden. De rechtbank is daarom van oordeel dat de aansprakelijkheid van karter Y moet worden beoordeeld aan de hand van de maatstaf die geldt in sport- en spelsituaties. Die maatstaf kan variëren naargelang de specifieke omstandigheden van het geval. De aard en intensiteit van de activiteit speelt daarbij een belangrijke rol want (om bij gemotoriseerde activiteiten te blijven) in bijvoorbeeld deelname aan een motorcrosswedstrijd liggen nu eenmaal andere gevaren besloten dan in deelname aan een wat rustiger activiteit zoals een recreatieve snorfietstoertocht. Karter Y heeft over de toedracht van het ongeval en de omstandigheden die middag het volgende verklaard. karter Y had een paar keer eerder gekart maar reed die middag voor het eerst ‘semiprofessioneel’ op het outdoor circuit in Eindhoven, op uitnodiging van een schoolvriend. Hij reed in een kart van zijn vriend en droeg zijn eigen helm en crossbril. Bij aankomst op het circuit heeft karter Y voor het gebruik van de baan betaald en werd een label aan zijn kart bevestigd. Hem is niet gevraagd naar zijn kartervaring en aan hem zijn door het personeel van de kartbaan geen instructies gegeven. De instructies die op een bord bij de ingang hingen heeft hij niet gezien. Hij keek hoe anderen reden. Na enkele ronden te hebben gereden is karter Y met zijn kart gaan spinnen en raakte hij van de baan af. Dit gebeurde in de ‘chicane’ (S-bocht) van het circuit, waar een bocht van 90 graden naar links direct wordt gevolgd door een zelfde bocht naar rechts. Hij kwam in het gras rechts van de baan terecht en zijn kart kwam schuin/dwars in de bocht te staan, een positie van waaruit hij direct terug de baan op kon rijden. karter Y wilde zo snel mogelijk weer de baan oprijden. Voor hij dat deed keek hij naar links. Door de helm en de bril die hij droeg, en de kuipstoel waarin hij zat en waarin hij zich niet kon draaien, kon hij niet zo gemakkelijk naar achteren kijken als hij dat zonder helm en bril in bijvoorbeeld de auto zou kunnen, maar de baan was overzichtelijk en van links zag hij geen karts op korte afstand naderen. Verderop zag hij twee karts naderen, maar zijn inschatting was dat hij daar gemakkelijk voorlangs kon. Hij reed de baan op en werd direct van links aangereden door Slachtoffer X . Zij reed met hoge snelheid tegen zijn linker voorwiel. Karter Y stelt dat hij Slachtoffer X niet heeft gezien, mogelijk omdat zij buiten zijn blikveld, in zijn dode hoek heeft gereden. de ouders van Slachtoffer X (en Kombikart) hebben deze verklaringen van karter Y niet betwist. De ouders van Slachtoffer X verwijten karter Y onder meer dat hij in een onwennige kart reed waarin hij moeilijk kon bewegen en dat hij een helm droeg in combinatie met een crossbril, waardoor hij een kleinere kijkhoek had.
De rechtbank is van oordeel dat karter Y in deze geen verwijt treft. Karter Y reed voor het eerst in de kart, die daarom onwennig voor hem zal zijn geweest, maar de kart voldeed aan alle daaraan te stellen eisen. Zoals ook van de zijde van Kombikart is toegelicht is het uit een oogpunt van veiligheid van belang dat een karter goed vastzit in de kuipstoel van de kart. Het dragen van een helm is om voor de hand liggende redenen verplicht bij het karten, al maakt dit het naar opzij en met name het naar achteren kijken niet makkelijker. Karter Y heeft zijn helm gedragen in combinatie met een crossbril. Het staat niet vast dat hij hierdoor een beperkter zicht had dan wanneer hij een helm met vizier had gedragen. Voor zover zijn crossbril het zicht naar achteren enigszins heeft beperkt, dan betekent dit naar het oordeel van de rechtbank nog niet dat dit karter Y ervan had moeten weerhouden met die bril op te gaan rijden. Bij het binnengaan van de kartbaan is hij door het personeel ook niet gewezen op mogelijke ongeschiktheid van zijn helm met crossbril.
De ouders van Slachtoffer X verwijten karter Y ook dat hij meerdere baanregels heeft overtreden door zich buiten de baan te begeven, zijn hand niet op te steken en geheel onverwachts en zonder goed uit te kijken de baan weer op te rijden, daarbij niet aangevend wat hij van plan was en geen voorrang verlenend aan snellere rijders, waardoor hij anderen heeft gehinderd en afgesneden.
De rechtbank overweegt dat uit de verklaringen van zowel Kombikart als Slachtoffer X volgt dat het regelmatig voorkomt dat een karter buiten de baan raakt. Het van de baan af raken moet worden gezien als (het gevolg van) een tot op zekere hoogte gevaarlijke, slecht gecoördineerde, verkeerd getimede of onvoldoende doordachte handelingen of gedragingen waartoe het karten uitlokt, of die daarin besloten liggen, die karters onderling van elkaar, en zeker van minder ervaren mede-karters, moeten verwachten. De rechtbank overweegt dat er bij Kombikart geen baanregel is die voorschrijft dat een rijder die van de baan is geraakt zijn hand op moet steken bij het weer oprijden van de baan. De baanregels - die karter Y overigens niet had gelezen en waarover hij ook geen instructie had gehad - schrijven voor dat rijders hun beide handen op het stuur moeten houden en dat rijders duidelijk hun hand op moeten steken bij gevaar of bij het verlaten van de baan. Het was wellicht aan te raden geweest wanneer karter Y zijn hand had opgestoken voordat hij (met beide handen aan het stuur) de baan weer op reed, om daarmee andere rijders te waarschuwen. Dat hij dit niet heeft gedaan valt naar het oordeel van de rechtbank hooguit aan te merken als onvoldoende doordacht handelen waarmee andere gebruikers van de kartbaan rekening moeten houden dat dit kan gebeuren, zeker als zij weten dat er ook onervaren karters op de baan rijden. Overigens is het zeer de vraag of met het opsteken van de hand het ongeval zou zijn voorkomen. Op de zitting heeft Slachtoffer X uitgelegd dat het opsteken van de hand bedoeld is om te waarschuwen dat er iets aan de hand is, waarna er gevlagd kan worden en iedereen rustiger gaat rijden. Vast staat echter dat er op de middag van 8 mei 2015 geen vlaggers op het circuit aanwezig waren. Het opsteken van de hand door karter Y had er dus niet toe geleid dat er zou zijn gevlagd en het is niet zeker of Slachtoffer X de opgestoken hand van karter Y zou hebben gezien want zij heeft verklaard dat zij karter Y in zijn kart helemaal niet heeft zien staan naast de baan. Het is bovendien maar zeer de vraag of Slachtoffer X , als zij de opgestoken hand van karter Y wel had gezien, haar handelen daarop zou hebben aangepast. Op de zitting heeft Slachtoffer X immers verklaard dat als er een kart naast de baan staat het niet aan haar is om vaart te minderen, maar dat degene die de baan weer op wil goed moet uitkijken. Het belangrijkste verwijt aan het adres van karter Y is dat hij niet, of althans niet goed heeft uitgekeken voordat hij de baan is opgereden. De rechtbank is met de ouders van Slachtoffer X van oordeel dat het aan karter Y was om goed uit te kijken en te wachten totdat hij zonder anderen te hinderen de baan kon oprijden. Dit is door karter Y ook niet betwist. De ouders van Slachtoffer X stellen dat karter Y zonder te kijken de baan weer is opgereden. De vader van Slachtoffer X , heeft dit zo verklaard. Hij was die middag op het circuit aanwezig en heeft het ongeval naar eigen zeggen zien gebeuren. De rechtbank overweegt dat het voor de heer de ouders van Slachtoffer X heel moeilijk, zo niet onmogelijk moet zijn geweest om vanaf de zijkant van het circuit met zekerheid vast te stellen dat karter Y niet naar links heeft gekeken. De rechtbank ziet in de verklaring van de heer de ouders van Slachtoffer X dan ook onvoldoende grond om aan te nemen dat karter Y , anders dan hij zelf heeft verklaard, helemaal niet naar links heeft gekeken voordat hij de baan weer op reed. De rechtbank gaat er vanuit dat karter Y naar links heeft gekeken en vindt daarvoor een aanknopingspunt in de verklaring van karter Y dat hij twee karts heeft zien naderen waar hij naar zijn inschatting nog voorlangs kon. De heer [naam] , de vriend waarmee karter Y aan het karten was, heeft verklaard dat karter Y twee andere karts voor heeft laten gaan voordat hij de baan weer opging (productie 1 bij de conclusie van antwoord van karter Y ). Ook dit wijst er op dat karter Y niet direct en zonder eerst te kijken de baan weer is opgereden. Hoewel karter Y naar links heeft gekeken heeft toch een ongeval plaatsgevonden. Wat er precies de oorzaak van is geweest dat karter Y , hoewel hij naar links heeft gekeken, niet heeft gezien dat Slachtoffer X hem met hoge snelheid van dichtbij naderde (de aanrijding vond immers plaats direct bij het oprijden van de baan), is onduidelijk. Mogelijk heeft zij op het moment dat karter Y naar links keek juist in zijn dode hoek gereden. Rekening houdend met het feit dat het handelen van karter Y heeft plaatsgevonden binnen een sport- en spelsituatie als bedoeld in de eerder aangehaalde jurisprudentie, en rekening houdend met het feit dat karter Y , zoals zijn raadsman het verwoordt, in het vuur van het spel druk voelde om zo snel mogelijk weer de baan op te rijden, acht de rechtbank de handelwijze van karter Y niet onrechtmatig. De rechtbank ziet onvoldoende grond om te oordelen dat de handelwijze van karter Y zo abnormaal gevaarlijk was dat de andere karters, waaronder Slachtoffer X , hiermee in redelijkheid geen rekening hoefden te houden. Bij vrij karten op de manier waarop dat hier op het circuit van Kombikart gebeurde, kunnen de deelnemers verwachten dat andere (minder ervaren) deelnemers onbedoeld voor gevaarlijke situaties kunnen zorgen. karter Y heeft dan ook niet onrechtmatig gehandeld en is daarom niet aansprakelijk voor de schade die Slachtoffer X als gevolg van het ongeval lijdt. De vorderingen van de ouders van Slachtoffer X voor zover deze zien op karter Y zullen daarom worden afgewezen.

Aansprakelijkheid Kombikart
De vorderingen van de ouders van Slachtoffer X jegens Kombikart zijn er op gegrond dat Kombikart als exploitant van het kartcircuit is tekortgeschoten in de verplichting die zij heeft om te zorgen voor de veiligheid van gebruikers van het circuit. Zij verwijten Kombikart dat zij onvoldoende veiligheidsmaatregelen heeft getroffen. Kombikart voert gemotiveerd verweer.
De ouders van Slachtoffer X stellen dat Kombikart onrechtmatig, want gevaarzettend, jegens Slachtoffer X heeft gehandeld. Zij doen uitdrukkelijk een beroep op artikel 6:162 BW en - wederom - op het eerdergenoemde Kelderluik-arrest van de Hoge Raad uit 1965. Uit dit arrest volgt dat het antwoord op de vraag of het in het leven roepen of in stand laten van een gevaarlijke situatie onrechtmatig is, met name afhangt van (a) hoe waarschijnlijk het is dat anderen niet voldoende oplettend en voorzichtig zijn, (b) hoe groot de kans is dat dit tot ongevallen leidt, (c) de ernst van de gevolgen die een ongeval kan hebben, en (d) hoe bezwaarlijk het is om veiligheidsmaatregelen te nemen. de ouders van Slachtoffer X stellen dat gelet op deze criteria Kombikart onrechtmatig heeft gehandeld. Tegelijk met hun beroep op onrechtmatigheid doen de ouders van Slachtoffer X in verband met de door Kombikart gehanteerde exoneratie een beroep op artikel 6:233 sub a juncto 6:237 aanhef en onder f BW (algemene voorwaarden) en artikel 6:248 lid 2 BW (beperkende werking van redelijkheid en billijkheid), wat duidelijk maakt dat het geschil zich tevens afspeelt tegen de achtergrond van de contractuele relatie met Kombikart. Slachtoffer X is immers een overeenkomst aangegaan met Kombikart op grond waarvan zij tegen betaling gebruik mocht maken van het kartcircuit van Kombikart. De rechtbank zal daarom de stellingen van partijen die zien op de beweerdelijk geschonden zorgplicht van Kombikart tegenover Slachtoffer X als gebruiker van het kartcircuit (mede) beoordelen binnen dit contractuele kader. Partijen zijn het er niet over eens hoever de plicht gaat die Kombikart heeft om te zorgen voor de veiligheid van de gebruikers van het kartcircuit. Zij verschillen van mening over de vraag welke veiligheidsmaatregelen in redelijkheid van Kombikart kunnen worden gevergd. De ouders van Slachtoffer X verwijten Kombikart dat karter Y is toegelaten op het circuit terwijl hij een helm droeg met losse crossbril die niet geschikt was om te karten. Ook verwijten zij Kombikart dat karter Y niet vooraf is geïnstrueerd over de geldende regels en met name niet over wat te doen als je van de baan afraakt. Volgens hen is het gebruikelijk dat gebruikers van een kartbaan vooraf een briefing over de veiligheidsregels krijgen. Tot slot verwijten zij Kombikart dat tijdens het vrij rijden geen toezicht werd gehouden op de baan. Er waren geen vlaggers die de rijders konden attenderen op gevaarlijke situaties, aldus de ouders van Slachtoffer X .
Kombikart voert ter verweer het volgende aan. Het materiaal van karter Y is gecontroleerd en geschikt bevonden. Een helm met losse crossbril biedt misschien iets minder goed zicht dan een helm met vizier, maar is daarmee nog niet ongeschikt of gevaarlijk. Op de informatieborden die duidelijk zichtbaar zijn aangebracht bij de ingang van het circuit heeft karter Y kunnen lezen wat de regels zijn die gelden op de baan. Een briefing is niet gebruikelijk bij het vrij rijden. De aanwezigheid van vlaggers is bij het vrij rijden niet verplicht voorgeschreven en ook niet gebruikelijk. Het inhuren van vlaggers zou de toch al hoge prijs van het vrij rijden zo opstuwen dat dit het einde van het kartcircuit zou betekenen. Deelnemers aan het vrij rijden weten dat er geen vlaggers staan en moeten hier rekening mee houden door wat voorzichtiger te rijden dan tijdens wedstrijden. Op het circuit is wel altijd minimaal één baanbeheerder aanwezig die de materiaalcontrole doet en er op toeziet dat iedereen zich aan de regels houdt. Daarmee is er voldoende toezicht.
De rechtbank overweegt als volgt. Karten is een gevaarlijke sport met een aanmerkelijke kans op ongevallen met (ernstig) lichamelijk letsel. Kombikart exploiteert een kartcircuit en kan niet altijd voorkomen dat ongevallen plaatsvinden, maar door het treffen van bijzondere maatregelen kan Kombikart de kans op (ernstige) ongevallen op haar circuit wel verminderen en van Kombikart als bedrijfsmatig verhuurder van de baan kan ook worden gevergd dat zij uit oogpunt van veiligheid de nodige maatregelen treft. Met name ook bij het vrij rijden. Iedereen die dat wil kan dan tegen betaling met een eigen kart of een gehuurde kart op het circuit rijden, ongeacht leeftijd of rijvaardigheid. Ervaren en onervaren deelnemers rijden dan dus gezamenlijk op het circuit met snelheden die onderling nogal kunnen verschillen, in karts van verschillend gewicht en vermogen. Dit kan leiden tot gevaarlijke situaties. Daar komt bij dat met name de recreatieve deelnemers vaak onverzekerd zullen rijden. Een ongevallenverzekering zullen zij in veel gevallen niet hebben afgesloten en deze biedt bovendien niet altijd dekking bij een gevaarlijke sport als karten. En ook de aansprakelijkheidsverzekering van de deelnemers zal soms, zoals ook in het geval van karter Y , geen dekking bieden. Van Kombikart als bedrijfsmatig exploitant mag daarom vanuit het oogpunt van maatschappelijke zorgvuldigheid worden verwacht dat zij de nodige maatregelen neemt om het ontstaan van gevaarlijke situaties waarbij (letsel)schade kan optreden zoveel als redelijkerwijs mogelijk te voorkomen.
De rechtbank is van oordeel dat van Kombikart onder meer mag worden verwacht dat zij controleert of degenen die de baan op willen gaan beschikken over veilig materiaal. Namens Kombikart is op de zitting verklaard dat de baanbeheerder ‘in één oogopslag’ ziet of alles in orde is van degenen die de baan opgaan. De rechtbank is er niet van overtuigd dat op die manier sprake is van een deugdelijke controle van kart en andere materialen, maar acht dit voor de beoordeling van deze zaak verder niet van belang omdat naar haar oordeel niet vaststaat dat Kombikart karter Y met onveilig materiaal de baan op heeft laten gaan. de ouders van Slachtoffer X stellen dat het gebruik van een helm met losse crossbril wel geschikt is voor motorcross maar niet voor karten, vanwege de beperkte kijkhoek. Zonder toelichting of onderbouwing, die de ouders van Slachtoffer X niet heeft gegeven, valt naar het oordeel van de rechtbank niet in te zien dat tussen beide sporten een relevant verschil bestaat in de mogelijkheid die deelnemers moeten hebben om naast en achter zich te kijken. De rechtbank ziet dan ook geen grond om aan te nemen dat het onveilig is een helm met losse crossbril te dragen bij het karten. Dat de kijkhoek van een helm met losse crossbril mogelijk iets beperkter is dan van een helm met vizier, maakt naar het oordeel van de rechtbank nog niet dat Kombikart het gebruik ervan op haar circuit niet zou mogen toestaan vanwege de onveiligheid daarvan. Van schending door Kombikart van haar verplichting om te zorgen voor veiligheid op het circuit is in die zin dan ook geen sprake. De rechtbank is van oordeel dat van Kombikart ook mag worden verwacht dat zij er voor zorgt dat alle deelnemers aan het vrij rijden, met name ook de beginners of weinig ervaren karters, zich bewust zijn van de gevaren van het karten en weten aan welke veiligheidsregels zij zich moeten houden. Kombikart heeft hierbij niet kunnen volstaan met het ophangen van een informatiebord waarop de baanregels staan vermeld. Veel deelnemers zullen dit bord niet (volledig) lezen, mede gelet op de hoogte waarop het bord hangt en de hoeveelheid informatie die erop vermeld staat. Bovendien staat op het bord niet duidelijk te lezen wat je moet doen als je van de baan raakt, terwijl dit naar de rechtbank heeft begrepen veelvuldig voorkomt en tot gevaarlijke situaties kan leiden. Kombikart dient er voor te zorgen dat alle deelnemers weten hoe zij zich op de baan moeten gedragen. Zij kan dit doen door aan alle deelnemers, of in elk geval aan iedereen die het circuit voor het eerst bezoekt, uitleg te geven over de veiligheidsregels en daarbij die regels op schrift uit te reiken (en eventueel voor kennisgeving of akkoord te laten ondertekenen). Een dergelijke handelwijze, waarbij Kombikart het belang van veiligheid actief onder de aandacht van de deelnemers brengt, zal deze deelnemers ook scherpen in het bewustzijn dat karten gevaarlijk is en dat ze zich aan de regels moeten houden, voor hun eigen veiligheid en die van de andere deelnemers. Naar het oordeel van de rechtbank is dit een handelwijze die redelijkerwijs van Kombikart mag worden gevergd. Door karter Y niet te vragen naar zijn kartervaring en hem zonder enige vorm van instructie toe te laten op het circuit, heeft Kombikart dan ook naar het oordeel van de rechtbank onzorgvuldig gehandeld.
Van Kombikart mag tot slot worden verwacht dat zij zorgt voor adequaat toezicht op en naast de baan. Op 8 mei 2015 was tijdens het vrij rijden slechts één baanbeheerder aanwezig. Kombikart heeft uitgelegd dat een baanbeheerder de materiaalcontrole doet en er op toeziet dat iedereen zich aan de regels houdt. Deze baanbeheerder bevindt zich voornamelijk in de buurt van het clubgebouw en het is niet zijn functie om de rijders door het opsteken van een vlag of op een andere manier te attenderen op gevaarlijke situaties op het circuit. De rechtbank is van oordeel dat Kombikart tijdens het vrij rijden niet kan volstaan met de aanwezigheid van slechts één baanbeheerder. De wijze waarop Kombikart het vrij rijden laat plaatsvinden, waarbij zij beginners en (ver)gevorderden vanaf 14 jaar door elkaar laat rijden in karts met een verschillend vermogen, zonder hen vooraf veiligheidsinstructies te geven, brengt mee dat gevaarlijke situaties te verwachten zijn en dat dus enig toezicht op de baan nodig is. Gegeven die situatie mag van Kombikart worden verwacht dat zij er voor zorgt dat tijdens het vrij rijden de deelnemers worden gewaarschuwd als er gevaar dreigt, bijvoorbeeld door vlaggers of waarschuwingslichten op het circuit te plaatsen. Dat het gebruik van vlaggers buiten wedstrijden om niet verplicht is voorgeschreven en ook niet gebruikelijk is bij outdoor circuits, zoals Kombikart stelt maar niet nader onderbouwt, betekent nog niet dat vlaggers nooit nodig zijn. Het gebruik van vlaggers tijdens het vrij rijden, of het gebruiken van een ander signaleringssysteem, kan uit oogpunt van veiligheid nodig zijn als de omstandigheden op de baan daartoe nopen. Kombikart stelt dat het gebruik van vlaggers financieel onhaalbaar is en ter onderbouwing heeft zij globaal voorgerekend dat het tijdens alle openingsuren inhuren van tien vlaggers tegen een vergoeding van € 20,- per uur de entreeprijs zou doen stijgen van € 40,- naar € 275,- per dag. Kombikart heeft op dit punt bewijs aangeboden. De rechtbank ziet geen aanleiding voor bewijslevering. Zoals door de ouders van Slachtoffer X is aangevoerd hoeven er tijdens het vrij rijden door Kombikart geen tien vlaggers te worden geplaatst, en ook geen negen, zoals bij wedstrijden, maar zou kunnen worden volstaan met bijvoorbeeld twee of drie vlaggers op strategische plekken op het circuit. Deze vlaggers zouden een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan de veiligheid op het circuit, nu van de deelnemers aan het vrij rijden op hun beurt mag worden verwacht dat zij minder risico’s nemen dan bij wedstrijden en oog houden voor wat er om hen heen gebeurt en dus ook voor vlaggen die de lucht in gaan. De vlaggers hoeven bovendien geen betaalde krachten te zijn. Kombikart zou ook gebruik kunnen maken van vrijwilligers die in ruil voor hun diensten bijvoorbeeld gratis gebruik mogen maken van de kartbaan. En als Kombikart geen vlaggers kan of wil plaatsen, zou zij bijvoorbeeld ook kunnen kiezen voor het plaatsen van waarschuwingslichten. Een toezichthouder die overzicht kan houden over het hele circuit kan dan deze lichten in werking stellen als zich een gevaarlijke situatie voordoet. Het plaatsen van vlaggers of het hanteren van een ander signaleringssysteem leidt ontegenzeggelijk tot extra kosten voor Kombikart, en noodzaakt mogelijk tot een verhoging van de reeds aanzienlijke entreeprijs van € 40,- per dag, maar dit nadeel weegt naar het oordeel van de rechtbank niet op tegen het veiligheidsbelang van de deelnemers dat ermee is gediend dat er voldoende toezicht op de baan aanwezig is en dat zij worden gewaarschuwd bij gevaar. De rechtbank concludeert op basis van het voorgaande dat Kombikart tekort is geschoten in haar verplichtingen ten aanzien van de gebruikers van het kartcircuit. Door tijdens het vrij rijden iedereen op het circuit toe te laten zonder hen te vragen of zij ervaring hebben met karten en zonder hen uitleg te geven over de regels die gelden bij het karten, en door alle deelnemers vervolgens gelijktijdig te laten rijden zonder daarbij toezicht te houden, waardoor de rijders niet worden gewaarschuwd als zich een gevaarlijke situatie voordoet, biedt Kombikart haar klanten onvoldoende veiligheid. Van Kombikart, die het kartcircuit bedrijfsmatig exploiteert, mag redelijkerwijs worden gevergd dat zij maatregelen treft om de gevaren die inherent zijn aan het karten te verminderen, waaronder het deugdelijk instrueren van de deelnemers en het houden van voldoende toezicht. Vanuit maatschappelijk oogpunt kan zij de verantwoordelijkheid voor de veiligheid op de door haar bedrijfsmatig geëxploiteerde kartbaan niet uitsluitend en volledig neerleggen bij de individuele rijders.

Causaal verband 
Slachtoffer X stelt dat als karter Y vooraf veiligheidsinstructies had ontvangen, waarbij hem zou zijn uitgelegd wat hij moest doen als hij buiten de baan zou raken, dat karter Y dan niet zomaar de baan weer was opgereden. Als er vlaggers op de baan hadden gestaan hadden zij karter Y instructies kunnen geven en de overige deelnemers, waaronder Slachtoffer X , met hun vlag kunnen waarschuwen. Slachtoffer X had dan vaart geminderd. de ouders van Slachtoffer X is op deze grond van mening dat Kombikart het ongeval had kunnen voorkomen als zij haar verplichtingen was nagekomen.
Kombikart betwist dat een instructie vooraf of het plaatsen van vlaggers het ongeval had kunnen voorkomen. karter Y wist dat hij de andere karts voor moest laten gaan maar heeft eenvoudigweg niet goed uitgekeken. Een instructie vooraf zou hieraan niets hebben veranderd, aldus Kombikart. Voor Slachtoffer X moet karter Y ook zichtbaar zijn geweest, maar toch heeft zij hem niet gezien. Het is daarom niet aan te nemen dat zij een signalerende vlagger wel had gezien, zo stelt Kombikart.  De rechtbank overweegt dat nooit met zekerheid zal kunnen worden vastgesteld wat er was gebeurd als karter Y vooraf instructies had ontvangen en als er vlaggers op de baan hadden gestaan. Aannemelijk is echter wel dat karter Y , en ook Slachtoffer X , anders zou(den) hebben gehandeld. karter Y heeft immers verklaard dat hij in het vuur van het spel zo snel mogelijk de baan weer op wilde. De rechtbank acht daarom voldoende aannemelijk dat Kombikart met goede instructies en goed toezicht het ongeval zoals dat zich hier heeft voorgedaan had kunnen voorkomen. Voor zover het causaal verband niettemin nog onzeker is, dient dit naar het oordeel van de rechtbank voor risico van Kombikart te komen. De rechtbank verwijst in dit verband naar de zogenaamde omkeringsregel die inhoudt dat als er sprake is van schending van een norm die strekt ter bescherming tegen een specifiek gevaar, en dat specifieke gevaar zich verwezenlijkt, de rechtbank het condicio sine qua non-verband tussen die normschending en de verwezenlijking van het gevaar als vaststaand moet aannemen, behoudens door de normschender te leveren tegenbewijs (zie o.a. Hoge Raad 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE7345 ‘lekkende tankcontainer’). Naar het oordeel van de rechtbank heeft Kombikart onvoldoende gemotiveerd gesteld dat het ongeval ook zou zijn gebeurd als de vereiste veiligheidsmaatregelen waren getroffen en zal zij Kombikart daarom niet toelaten tot tegenbewijs.

Exoneratie
Het staat vast dat Kombikart op het circuit borden heeft opgehangen met daarop de waarschuwing dat het gebruik van het circuit gebeurt op eigen risico. Kombikart doet een beroep op deze uitsluiting van aansprakelijkheid. De ouders van Slachtoffer X betwisten niet dat deze waarschuwing is gegeven en deel uitmaakt van de overeenkomst met Kombikart over het gebruik van het circuit. de ouders van Slachtoffer X beroepen zich er op dat dit een beding is dat ingevolge de wet vermoed wordt onredelijk bezwarend te zijn en dat Kombikart geen feiten en omstandigheden stelt waaruit het tegendeel kan blijken. Zij menen daarom dat de exoneratie vernietigbaar is.
De rechtbank is van oordeel dat de exoneratie waarop Kombikart zich beroept moet worden aangemerkt als een beding in algemene voorwaarden waarvan in artikel 6:237 aanhef en onder f BW is bepaald dat het vermoed wordt onredelijk bezwarend te zijn, omdat de exoneratie tot doel heeft Kombikart tegenover haar klanten (consumenten) geheel te bevrijden van elke wettelijke verplichting tot schadevergoeding. Deze exoneratie is daarom op grond van artikel 6:233 BW aanhef en onder a BW vernietigbaar, tenzij Kombikart dit vermoeden - dat het beding onredelijk bezwarend is - kan weerleggen.
Of de exoneratie onredelijk bezwarend is hangt af van de aard en overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de exoneratie tot stand is gekomen, de wederzijds kenbare belangen van partijen en de overige omstandigheden van het geval. Kombikart voert ter ondersteuning van haar stelling dat de exoneratie niet onredelijk bezwarend is de volgende argumenten aan:
a) Kombikart heeft het niet in haar macht om ongevallen door fouten of onvoorzichtigheid van de deelnemers te voorkomen;
b) Kombikart hoeft bij het vrij rijden niet hetzelfde niveau van veiligheid te bieden als bij wedstrijden;
c) Slachtoffer X heeft de risico’s van het karten aanvaard en heeft nooit bezwaar gemaakt tegen de voorwaarde dat het karten gebeurde op eigen risico;
d) Slachtoffer X had door voorzichtig te zijn het ongeval kunnen voorkomen;
e) Slachtoffer X had een ongevallenverzekering kunnen afsluiten.

De rechtbank overweegt dat de argumenten onder (a), (b) en (d) spelen een rol bij de vraag naar (de omvang van) de aansprakelijkheid van Kombikart maar zijn geen argumenten die in geval van aansprakelijkheid een exoneratie rechtvaardigen. De overeenkomst tussen Slachtoffer X en Kombikart hield in dat Slachtoffer X tegen betaling gebruik mocht maken van het circuit van Kombikart om te kunnen karten. Zij reed op het circuit met eigen materiaal en heeft daarmee naar het oordeel van de rechtbank het risico aanvaard dat haar kart beschadigd zou kunnen raken. Uit de waarschuwing van Kombikart dat het karten op eigen risico plaatsvindt heeft zij moeten begrijpen dat Kombikart eventuele schade aan haar kartmateriaal niet zou vergoeden. Zij had een schadeverzekering voor haar kartmateriaal kunnen afsluiten. De rechtbank is daarom van oordeel dat van de exoneratie niet kan worden gezegd dat deze onredelijk bezwarend is voor zover deze ziet op de materiaalschade die de ouders van Slachtoffer X van Kombikart vorderen.
Voor zover de exoneratie echter tot doel en tot gevolg heeft aansprakelijkheid van Kombikart ook uit te sluiten bij lichamelijk letsel van haar klanten, moeten aan de weerlegging van het vermoeden dat de exoneratie onredelijk bezwarend is, hoge eisen worden gesteld. In de indicatieve bijlage bij artikel 3 lid 3 van Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten is een dergelijk beding ook omschreven als een beding dat als oneerlijk kan worden aangemerkt. De rechtbank is van oordeel dat Kombikart met de door haar aangevoerde argumenten er niet in is geslaagd het vermoeden, dat het beding onredelijk bezwarend is, te weerleggen. De overeenkomst met Slachtoffer X is naar de rechtbank begrijpt mondeling tot stand gekomen. Dat Slachtoffer X (of haar ouders) enig schriftelijk stuk van Kombikart heeft (hebben) ondertekend, is niet gesteld of gebleken. Hoewel karten een gevaarlijke sport is, heeft Kombikart bij het sluiten van de overeenkomst geen bijzondere aandacht besteed aan de vraag naar aansprakelijkheid bij (letsel)schade. Zij heeft Slachtoffer X (of haar ouders) er ook niet op gewezen dat het haar eigen verantwoordelijkheid is om een ongevallenverzekering af te sluiten. Kombikart heeft slechts borden opgehangen met de waarschuwing dat het rijden op de kartbaan en het verblijf op het terrein voor eigen risico is. Dat Kombikart daarmee iedere aansprakelijkheid uitsluit, ook voor letselschade die (mede) het gevolg is van onrechtmatig handelen of nalaten van Kombikart zelf, is hen niet uitdrukkelijk voorgehouden. Kombikart zou een te respecteren belang kunnen hebben bij beperking van haar aansprakelijkheid voor zover deze redelijkerwijs niet door een verzekering kan worden gedekt, maar over eventuele onverzekerbaarheid is door Kombikart niets gesteld of onderbouwd. Uit de betrokkenheid van Achmea bij deze procedure begrijpt de rechtbank daarentegen dat de aansprakelijkheid van Kombikart door verzekering is gedekt.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat Kombikart er niet in is geslaagd het vermoeden te weerleggen dat de exoneratie onredelijk bezwarend is voor zover deze exoneratie ziet op de letselschade die de ouders van Slachtoffer X vorderen. De exoneratie is in zoverre vernietigbaar op grond van artikel 6:233, aanhef en onder a BW en Kombikart kan daarop geen geslaagd beroep doen. Voor wat betreft de materiaalschade die de ouders van Slachtoffer X vorderen kan Kombikart wel een geslaagd beroep doen op de exoneratie.

Eigen schuld
Door Kombikart is een beroep gedaan op eigen schuld aan de kant van de ouders van Slachtoffer X als bedoeld in artikel 6:101 BW.


De rechtbank is van oordeel dat dit beroep op eigen schuld slaagt op de daartoe door Kombikart aangevoerde gronden. Slachtoffer X is met haar snelle kart gaan vrij rijden op een circuit waar op dat moment ook onervaren karters reden en geen vlaggers aanwezig waren. Zij heeft zich hierdoor willens en wetens blootgesteld aan de risico’s die in het algemeen zijn verbonden aan het karten en meer in het bijzonder aan het risico van een ongeval door een fout van een minder ervaren karter. Slachtoffer X is bovendien onvoldoende oplettend geweest. Zij heeft karter Y niet naast de baan zien staan terwijl hij voor haar wel zichtbaar moet zijn geweest. Het circuit kon immers goed worden overzien en de stelling van de ouders van Slachtoffer X dat karter Y vanuit zijn positie Slachtoffer X in haar kart kon zien aankomen impliceert dat Slachtoffer X vanuit haart kart karter Y ook kon zien staan. Slachtoffer X heeft ook een risico genomen door met onverminderd hoge snelheid door de chicane en vlak langs karter Y te rijden. Hoewel Slachtoffer X een gevaarlijke sport beoefent is gesteld noch gebleken dat de ouders van Slachtoffer X in verband daarmee een ongevallenverzekering voor haar hebben afgesloten. De schade die Slachtoffer X lijdt door het ongeval is mede een gevolg van al deze omstandigheden die aan de ouders van Slachtoffer X kunnen worden toegerekend, wat de vergoedingsplicht van Kombikart doet verminderen.

In de omstandigheden van het geval ziet de rechtbank geen grond om te oordelen dat de aan Kombikart toe te rekenen omstandigheden meer hebben bijgedragen aan de schade dan de omstandigheden die aan Slachtoffer X (en dus aan de ouders van Slachtoffer X ) zijn toe te rekenen. De rechtbank zal daarom bepalen dat Kombikart 50% van de letselschade zal dienen te vergoeden en dat de overige 50% van de letselschade voor eigen rekening van de ouders van Slachtoffer X zal blijven

maandag 8 mei 2017

Rechter veroordeelt Judo Bond Nederland judoka Franssen voor te dragen voor een A-status en toe te laten aan deelname internationale wedstrijden


De feiten
De Judo Bond Nederland heeft een koerswijziging ingezet, in die zin dat met ingang van 1 september 2016 het topjudo wordt gecentraliseerd op één Centrum voor Topsport en Onderwijs (CTO) locatie, te weten Papendal, in plaats van over meerdere locaties, waaronder Rotterdam . Uitgangspunt daarbij is dat de kernploegleden op deze CTO locatie moeten sporten (trainen), wonen (op maximaal 30 minuten afstand van Papendal) en studeren of werken. Er geldt een fulltimeprogramma. De trainers en andere begeleiders worden door Judo Bond Nederland aangezocht en aangesteld. Juul Franssen volgt bij InHolland in Rotterdam de vierjarige HBO opleiding Sociaal Pedagogische Hulpverlening (SPH). Zij zit daar in het tweede studiejaar.  Zij mag over deze studie in verband met haar topsport carrière, in beginsel, tien jaar doen en heeft daarvan op dit moment zevenenhalf jaar gebruikt. Wanneer Juul Franssen de studie niet binnen tien jaar afrondt dan dient zij gelet op de geldende studieregeling bovenop het door haar in ieder geval terug te betalen bedrag van € 16.000,-- een extra bedrag van € 21.500,-- terug te betalen. Daarmee komt de studieschuld dan uit op een totaalbedrag van € 37.500,--.
Er vindt overleg plaats tussen de Judobond en Juul Franssen. Naar aanleiding van dat gesprek bericht Juul Franssen de Judobond het volgende:  
“Vanaf september 2017 ben ik bereid om naar Papendal te komen, ondanks mijn eerdere twijfels. Er zijn een aantal losse eindjes, waarvan ik het prettig zou vinden om op voorhand duidelijkheid over te krijgen, en dat gaat om het volgende:
1. De opleiding
2. De begeleiding
De opleiding
Ik wil het liefst mijn studie in Rotterdam blijven volgen. Omdat ik naar Papendal moet, ben ik bereid mijn studie om te gooien, waardoor mijn studieschuld van 16.000 euro naar 37.500 euro zal gaan. Ik moet namelijk mijn 2e studiejaar opnieuw overdoen vanaf september 2017. Bovendien zal mijn afstudeerjaar dan in het jaar van de OS in Tokyo zijn, waardoor ik dan ook weer studievertraging zal oplopen. Ik ben bereid om alles om te gooien, en jaren vertraging op te lopen, als de bond bereid is mij te helpen om ervoor te zorgen dat er garant wordt gestaan voor de studieschuld. Ik kan mezelf geen studieschuld veroorloven en kan het simpelweg niet betalen.
De begeleiding
Zoals ik eerder heb aangegeven, is voor mij de juiste begeleiding essentieel in het bedrijven van topsport, en het leveren van topprestaties. In het gesprek op 5 oktober jl. is verteld dat er vanaf januari twee nieuwe coaches/trainers bijkomen, en ik wil graag duidelijkheid wie de uiteindelijke trainer- en coachingstaf gaat zijn, om van daaruit een weloverwogen keuze te maken wie mij gaat begeleiden. Die invulling is nog niet bekend.”

Bij brief van 20 december 2016 heeft Judo Bond Nederland – samengevat – aan Juul Franssen bericht dat zij hebben besloten om de selectie van Juul Franssen voor het NTC Papendal in te trekken en dat de consequentie hiervan is dat Juul Franssen niet meer zal worden uitgezonden naar internationale trainingsstages met de nationale topsportselectie en dat tevens de deelname van Juul Franssen aan nationale trainingen zullen worden stopgezet. Vervolgens bericht NOC*NSF aan Juul Franssen dat zij haar A-status verliest.

De vordering
Juul Franssen vordert in kort geding om haar conform de normaal geldende regels uit te zenden naar internationale wedstrijden zo lang zij zich daarvoor op sportieve gronden kwalificeert en om haar voor te dragen voor een A-status bij het NOC*NSF.

Oordeel rechtbank
Als uitgangspunt geldt dat Judo Bond Nederland bevoegd is om beleid te maken
en bestaand beleid te wijzigen en dat de leden van Judo Bond Nederland door hun lidmaatschap daaraan gebonden zijn. De geldigheid van het besluit waarbij Judo Bond Nederland haar beleid heeft gewijzigd in die zin dat vanaf het najaar van 2016 op één CTO-locatie, namelijk Papendal, wordt getraind, gewoond en gestudeerd of gewerkt, wordt in dit kort geding niet ter discussie gesteld. Juul Franssen heeft niet het standpunt ingenomen dat dit besluit niet rechtsgeldig (nietig of vernietigbaar) is. Het wordt er daarom voor gehouden dat dit besluit rechtsgeldig is. Er kunnen echter omstandigheden zijn die maken dat Judo Bond Nederland dit besluit niet heeft kunnen nemen, omdat dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid onaanvaardbaar is en/of onrechtmatig tegenover Juul Franssen is. Hierna zal worden onderzocht of het aannemelijk is dat daarvan sprake is.
Vooropgesteld wordt dat tussen partijen ook een kernploegovereenkomst van kracht is, welke overeenkomst niet is opgezegd, en dat partijen gelet op hun onderlinge verhouding voortvloeiend uit deze overeenkomst en hetgeen overigens op grond van de bondstructuur tussen hen geldt, zich over en weer dienen te gedragen met inachtneming van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Dit betekent onder meer dat zij rekening dienen te houden met elkaars gerechtvaardigde belangen. Juul Franssen dient rekening te houden met het belang van Judo Bond Nederland om haar ambitie om met topjudo een top acht positie in de wereld te veroveren en te behouden door middel van het door haar uitgestippeld beleid te kunnen verwezenlijken. De Judo Bond Nederland heeft belang bij handhaving van het door haar gemaakte beleid en bij consequente toepassing daarvan. Als alleen naar individuele wensen wordt gekeken, valt er geen beleid te maken. Judo Bond Nederland dient daartegenover rekening te houden met het individuele belang van Juul Franssen om haar topsportcarrière in te richten op de manier waarop zij dat wil.
Het besluit van 20 december 2016 heeft voor Juul Franssen zeer ingrijpende gevolgen. Het besluit betekent de facto het einde van haar carrière als topsporter.
Het is voor haar gelet op het besluit onmogelijk om nog deel te nemen aan internationale toernooien. Aan internationale toernooien kan, dat staat tussen partijen vast, alleen worden deelgenomen wanneer (de technische staf van) Judo Bond Nederland de judoka afvaardigt en dat zal vanwege dit besluit niet meer gebeuren. Het is verder voldoende gebleken dat op dit moment ook niet mogelijkheid bestaat om aan internationale wedstrijden deel te nemen door uit te wijken naar het buitenland. Juul Franssen is op dit moment in haar gewichtsklasse de beste topjudoka van Nederland en staat zesde op de wereldranglijst. De stelling van Judo Bond Nederland dat Juul Franssen niet de nummer 1 van Nederland is, wordt als onvoldoende gemotiveerd onderbouwd gepasseerd. Juul Franssen is geen beginnende topjudoka meer. Zij heeft haar sporen al ruimschoots verdiend. Zo heeft zij zich gekwalificeerd voor de Olympische Spelen van 2016, is zij eind 2016 eerste geworden bij een in Abu Dhabi gehouden wedstrijd en staat zij op dit moment op de zesde plek van de wereldranglijst. Juul Franssen is op dit moment 27 jaar en zal niet meer jarenlang op topsportniveau de judosport beoefenen. Einddoel is volgens Juul Franssen om zich te kwalificeren voor de Olympische Spelen van 2020.
De Judo Bond Nederland heeft met twee andere judoka’s die zijn geselecteerd een maatwerkoplossing getroffen. Deze judoka’s hebben beiden een relatie in het buitenland, de één in Frankrijk en de ander in Italië. Met hen is onder meer overeengekomen, zo heeft
Judo Bond Nederland tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding verklaard, dat zij tot 1 september 2017 niet hoeven deel te nemen aan het fulltimeprogramma op de
CTO-locatie te Papendal. Judo Bond Nederland heeft geen steekhoudende argumenten aangevoerd waarom deze twee judoka’s anders zouden mogen worden behandeld dan Juul Franssen . Er is dan ook sprake van een ongelijke behandeling c.q. willekeur, nu van deze twee judoka’s pas per 1 september 2017 wordt verlangd dat zij deelnemen aan het fulltimeprogramma op de CTO-locatie te Papendal, terwijl van Juul Franssen wordt verlangd dat zij daaraan al eerder deelneemt.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat het vanwege de hiervoor genoemde omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat van Judo Bond Nederland kan worden verlangd dat zij een maatwerkoplossing, met Juul Franssen treft, in die zin dat ten gunste van Juul Franssen wordt afgeweken van het huidige beleid.
Het belang van Judo Bond Nederland om door middel van het door haar uitgestippelde beleid de top te bereiken en dat alle topsporters, onder wie Juul Franssen , zich aan dit door haar uitgestippelde beleid conformeren en gaan trainen, wonen en studeren of werken op de CTO-locatie te Papendal moet gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, gerelativeerd worden ten aanzien van Juul Franssen . Dit geldt temeer daar er sprake is van een beperkte periode, aangezien de inzet van Juul Franssen vooral gericht is op het kwalificatieproces richting de Olympische Spelen. De tussen partijen te treffen maatwerkoplossing is dus beperkt in tijd.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat Judo Bond Nederland het besluit van 20 december 2016 niet heeft kunnen nemen, omdat dit besluit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid onaanvaardbaar is en/of onrechtmatig tegenover Juul Franssen is. De vordering van Juul Franssen die ertoe strekt dat zij aan internationale wedstrijden mag deelnemen, zal in zoverre worden toegewezen dat het Judo Bond Nederland zal worden verboden om Juul Franssen van deelname aan internationale wedstrijden uit te sluiten op de grond dat zij zich niet (volledig) conformeert aan het vanaf 1 september 2016 geldende beleid dat door de door haar geselecteerde judoka’s een fulltimeprogramma moet worden gevolgd op de CTO-locatie te Papendal.

donderdag 20 april 2017

Royement jeugdlid wegens misdragingen ouders houdt geen stand bij arbitragecommissie KNVB



Actuele uitspraak gezien dit bericht van vandaag: "Voetbalclub RBC stuurt Jayden (7) weg omgedrag ouders". Onderstaande uitspraak gaat over gedragingen van ouders die m.i. minder ernstig zijn en waarbij er in onderstaand geval toch vrij plotseling het lid werd geroyeerd. Bovendien is het sowieso de vraag of een (jeugd)lid geroyeerd kan worden voor gedragingen van anderen (de ouders). Dat hangt af van de formulering in de statuten. In veel statuten staat de volgende formulering: 
Ontzetting uit het lidmaatschap kan alleen door de algemene vergadering worden uitgesproken, indien een lid in ernstige mate in strijd met de statuten, reglementen of besluiten van organen van de vereniging handelt of de vereniging op onredelijke wijze benadeelt.

De voorzieningenrechter in DEZE zaak zei daarover: "De statuten voorzien uitsluitend in de mogelijkheid een lid uit het lidmaatschap te ontzetten op grond van handelen van het lid zelf. De statuten voorzien niet in de mogelijkheid van een dergelijke ontzetting op grond van handelen van derden. " r.o. 4.9 en 4.10

Opgemerkt moet worden dat opzegging en royement juridisch niet hetzelfde zijn. Een lid kan geroyeerd worden als straf. Royement heeft een onterend karakter. Het is een tuchtrechtelijke maatregel waarbij, anders dan bij opzegging, procesrechtelijke grondbeginselen zoals strengere motiveringseisen, toepassen van hoor en wederhoor, inzage in stukken in acht moeten worden genomen. De totstandkoming en inhoud van het besluit tot royement worden daarom door de rechter streng beoordeeld.
Opzegging heeft daarentegen geen onterend karakter. Het is een beleidsmaatregel (dan wel ordemaatregel) waartoe vaak wordt besloten om in de vereniging een ordelijk verloop te waarborgen. De rechter toetst het besluit tot opzegging inhoudelijk slechts marginaal door zich af te vragen of redelijk oordelende mensen – gegeven de feiten en omstandigheden van het geval – tot eenzelfde besluit zouden zijn gekomen.

Zie HIER voor een heldere uiteenzetting van het verschil.
....................
De feiten
Noa Kiziltas is enkele jaren lid bij KHC en speelt thans in J-0 15-1.Noa Kiziltas is 13 jaar. Rond dit elftal hebben zich in het seizoen 2016/2017 enkele incidenten voorgedaan. Zo is het team betrokken geraakt bij een vechtpartij bij Voetbalvereniging DSV '61 in oktober 2016. Naar aanleiding van bedoelde vechtpartij heeft KHC een viertal spelers voor één week geschorst en een schriftelijke waarschuwing gegeven. Noa Kiziltas is destijds voor haar aandeel in dat incident niet door KHC geschorst of anderszins bestraft.
Verder is tijdens de competitiewedstrijd KHC 1 - WHC 1 sprake geweest van wat KHC noemt "een spuugincident". Daarbij zou Noa Kiziltas betrokken zijn geweest. De voorzitter van KHC heeft toen bewerkstelligd dat Noa ter plekke haar excuses heeft aangeboden aan de voorzitter van WHC. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft KHC een verklaring overgelegd van de voorzitter van WHC heer R. During. In die verklaring wordt overigens niet gerept van enig spuugincident maar van verbaal wangedrag. De voorzitter van WHC bevestigt dat "het meisje" haar excuses heeft aangeboden. De Arbitragecommissie houdt het er voor dat de voorzitter van WHC met "het meisje" doelt op Noa Kiziltas.
Op zaterdag 18 februari 2017 heeft de trainer van KHC J-0 15-1 in de eerste helft de wedstrijd tegen Swift J-0 15-1 doen beëindigen (staken) door na een in zijn visie onjuiste beslissing van de scheidsrechter het team van KHC van het veld te halen. Naar aanleiding van dit incident heeft het bestuur van KHC na afloop van de training van KHC J-0 15-1 op 20 februari 2017 met de trainer en het gehele elftal gesproken, teneinde te voorkomen dat dergelijke incidenten opnieuw zouden voorkomen. In dat gesprek heeft het bestuur ook bijzondere aandacht gegeven aan de wijze waarop Noa Kiziltas en drie andere spelers van het elftal zich hadden opgesteld.
Ondanks het feit dat het in eerste instantie een moeizaam gesprek was, heeft het bestuur na afloop van dat gesprek geconstateerd dat bij alle betrokkenen de bereidheid bestond het gedrag te verbeteren, zodat het team en de spelers verder konden. Diezelfde avond heeft mevrouw Van Bruggen en/of de heer Pander de navolgende berichten in de whats-app-groep van de ouders en begeleiders van het team geplaatst. De (minderjarige) spelers van het elftal maken geen deel uit van de (besloten) whats-app-groep. om 21.06 uur:"Nou hebben de heertjes weer hun zegje gedaan tegen de kinderen, altijd maar KHC c1 overal de schuld van geven. Maak je maar eens druk over andere zaken". Om 21.34 uur: "Beste Menno, ik doe het even centraal in deze app. Wellicht is het in jouw wereld normaal om met drie volwassen mannen 13 en 14 jarige pubers zo intens gemeen te bejegenen. Chapaue voordat alvast. Ze komen in de veronderstelling om over zaterdag te praten, hoe laag is het dan om Jani, Dennis, Paulos en Noa aan te vallen op hun gedrag? Gedrag wat jij bepaalt en doorspeelt aan het bestuur. Dat moet je natuurlijk zelf weten, jij bent immers verantwoordelijk voor je eigen gedrag als volwassen man. Nu snap ik prima hoe het systeem binnen groeperingen werkt en ook jou rol daarin. Zal ik het eens hebben over jou gedrag als volwassen man? Hoe je KHC spelerfjes afvalt naar de tegenpartij toe? Hoe je altijd maar weer olie op het vuur moet gooien? Ook al is het vuur allang uit. Wat je van mij vind mag je ten aller tijden vinden, hou dat ook dat ook bij mij. Heb je een probleem met Noa kom je bij Randalf (al snap ik wel dat je die niet benaderd) of bij mij. Dit is dan ook echt de laatst keer geweest dat jullie als bestuur zo tegen mijn dochter praten. Randalf zal a.s. maandag dan ook rustig een gesprek voeren bij KHC. Dat Noa maar op moet donderen en dat zij de klap zelf heeft uitgelokt in Doornspijk zegt heel veel over hoe jullie omgaan met kinderen van 13. Het was volwassener geweest om dat te zeggen in bijzijn van ouders! Maar wellicht is dat te eenvoudig gedacht van mij. Ik hoop van ganser harte dat je C1 een keer wil zien zoals ze zijn, een leuke drukke ietwat puberale groep jongelui die er altijd zijn, hard trainen en lol hebben met elkaar, ook buiten het veld. Het zou ze goed doen! En last but not least, gedraag je als een leider,vlag eens een keer, wees eens lief voor ze, steun ze en breng ze naar een hoger plan ipv ze altijd maar neer te sabbelen. En ja dit bericht mag je ook naar het bestuur, de kantine medewerker, de grasmaaier etc. sturen!"
Bij brief d.d. 21 maart 2017 heeft KHC de ouders en verzorgers van Noa Kiziltas bericht als volgt:
" Betreft: royement lidmaatschap.
Aan ouders/verzorgers van Noa Kiziltas,
Naar aanleiding van het staken van de wedstrijd Swift 0 15 1 – KHC 0 15-1, en de ernstige gevolgen daarvan voor onze voetbalvereniging. Is er een gesprek geweest tussen 0 15 1 van KHC en het bestuur/trainer en begeleiding. Tijdens dit gesprek werd geprobeerd om de toedracht boven tafel te krijgen. Echter het gesprek werd ernstig verstoord door een 4 tal spelers die telkens maar probeerden hun gelijk te halen, en lieten merken de ernst van de situatie niet in te zien. Deze spelers zijn in het verleden diverse keren aangesproken op hun gedragingen.
Toch hadden wij als bestuur op het eind van het gesprek de indruk dat een ieder zich zou willen verbeteren en dat we verder konden. Echter wat er maandagavond later is gebeurt, dat jullie als ouders door middel van allerlei whatsapp berichten ons als bestuur en begeleiding gaan lopen beschuldigen en bedreigen, gaat alle perken te buiten. Jullie hebben de ernst niet willen inzien. Ons besluit is dan ook dat jullie conform onze statuten en huishoudelijk reglement verwijderd worden uit onze vereniging. Wij ontzeggen jullie bij deze de toegang tot ons sportpark De Venen. Noa kan haar spullen inleveren bij mevr B. Pietersma wonende Dr Kolfflaan 76.
Over deze beslissing wensen wij niet meer in discussie te gaan, en is onherroepelijk.
 Bestuur KHC"
Bij brief d.d. 1 maart 2017 heeft mevrouw M. van Bruggen bezwaar gemaakt tegen het royement van Noa Kiziltas. In de brief is onder meer het navolgende opgenomen:
" U wijst erop dat dit lid volgens de statuten is geroyeerd en u daarmee haar doet kunnen verwijderen van uw vereniging. Echter heeft u de statuten niet gehanteerd en op geheel eigen wijze deze keuze gemaakt. U heeft geen hoor en wederhoor toegepast, u heeft N. Kiziltas geroyeerd omdat u zegt dat wij als ouders u als bestuur bedreigen en beschuldigen, ook dit is geenszins waar. U heeft N. Kiziltas nog nooit beschuldigd van diefstal, fraude, vernielingen, geweld etc., al deze zaken zijn gerechtigd om een royement uit te spreken. Sterker nog N. Kiziltas heeft van uw vereniging in de jaren van haar lidmaatschap geen enkele waarschuwing ontvangen omtrent welk gedrag dan ook. Tot 20-2-2017 was er ook geen enkel teken van deze beslissing, u schrijft immers ook dat u de indruk had dat er verbetering zou plaatsvinden bij de door u aangesproken kinderen, waaronder N. Kiziltas. De niet aangetekende royement verklaring van 21-2-2017 kan dan ook niet gaan over uw lid N. Kiziltas, u heeft deze immers niet meer gezien dan wel gesproken. U heeft zich wellicht beledigt gevoeld door een open app van ons ouders, maar dit lijkt niet juiste reden voor het royeren van een lid.
(...)
Ervan uitgaande dat u uw eigen statuten en regelementen hanteert, zien wij dan ook van harte de uitnodiging tegemoet voor deze algemene ledenvergadering, om de door u genomen onterechte beslissing te herzien.
(...)
Vanzelfsprekend zal ik u de gelegenheid geven om dit in bestuurlijk overleg te realiseren, ik zie dan ook graag voor maandag 6 maart
2017 uw antwoord tegemoet (...)"

Het bestuur van KHC heeft aan mevrouw Van Bruggen geantwoord dat het geen aanleiding ziet om het standpunt te wijzigen danwel de gesprekken te heropenen. Een algemene ledenvergadering is niet bijeengeroepen.
In de statuten van KHC is in artikel 10 onder meer het navolgende opgenomen:

"1.       Het lidmaatschap eindigt:
a. door de dood van het lid;
b. door opzegging door het lid;
c. door opzegging namens de vereniging;
d. door royement, als bedoeld in artikel 6 lid 4.

2.         Opzegging namens de vereniging geschiedt door het bestuur.
Opzegging namens de vereniging kan geschieden wanneer een lid heeft opgehouden aan de in deze statuten vermelde vereisten voor het lidmaatschap te voldoen, of wanneer hij zijn verplichtingen jegens de vereniging niet nakomt of wanneer van de vereniging redelijkerwijs niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren."

In artikel 6 is bepaald:
"1.a. In het algemeen zal strafbaar zijn zodanig handelen of nalaten dat in strijd is met de statuten, reglementen en/of besluiten van organen van de vereniging, of waardoor de belangen van de vereniging worden geschaad.
b. Tevens zal strafbaar zijn zodanig handelen of nalaten dat in strijd is met de spelregels, alsmede met de statuten, reglementen enlof besluiten van organen van de KNVB of waardoor de belangen van de KNVB of van de voetbalsport in het algemeen worden geschaad.
2.         Het bestuur is bevoegd om, ingeval van overtredingen als bedoeld in het eerste lid, de volgende straffen op te leggen:
a. berisping;
b. schorsing;
c. royement.

3.                     Een schorsing kan ten hoogste voor de duur van twee maanden worden opgelegd. Gedurende de periode dat een lid geschorst is, kunnen de aan het lidmaatschap verbonden rechten worden ontzegd.
4.         Royement kan alleen worden uitgesproken wanneer een lid in ernstige mate in strijd met de statuten, reglementen en/of besluiten van organen van de vereniging handelt, of de vereniging op onredelijke wijze benadeelt, dan wel na sommatie nalatig blijft zijn contributie te voldoen. Nadat het bestuur tot royement heeft besloten, wordt het betrokken lid ten spoedigste door middel van een aangetekend schrijven van het besluit met opgave van de reden(en) in kennis gesteld. De betrokkene is bevoegd binnen een maand na ontvangst van deze kennisgeving in beroep te gaan bij de algemene vergadering. Gedurende de beroepstermijn en hangende het beroep is het lid geschorst. Het besluit van de algemene
 vergadering tot royement zal moeten worden genomen met tenminste twee/derde van het aantal uitgebrachte stemmen."


Op 24 augustus 2016 heeft KHC aan Noa Kiziltas een herinnering gestuurd naar aanleiding van niet betaalde contributie in de periode maart tot en met juli 2016 ad in totaal € 60,50.
Op 8 november 2016 heeft KHC Noa Kiziltas een (tweede) herinnering gestuurd ten aanzien van niet betaalde contributie over de periode maart 2016 tot en met juli 2016, alsmede augustus en oktober 2016 ad € 85,50.
Op 16 februari 2017 heeft KHC een nadere aanmaning gestuurd, betrekking hebbend op de niet betaalde contributie van maart tot en met augustus 2016, alsmede oktober en november 2016 ad in totaal € 98,50. Noa Kiziltas heeft enkele betalingen verricht.

Oordeel arbitragecommissie
De Arbitragecommissie stelt voorop dat uit de statuten van KHC volgt dat alleen tot royement kan worden overgegaan indien het lid in ernstige mate in strijd met de statuten, reglementen en/of besluiten heeft gehandeld, dan wel de vereniging op onredelijke wijze heeft benadeeld. Tevens kan tot royement worden besloten indien het betreffende lid nalatig blijft - na sommatie - de contributie te voldoen.
Uit het bepaalde in artikel 2:35 BW volgt dat ontzetting (royement) alleen kan worden uitgesproken wanneer het lid in strijd met de statuten, reglementen of besluiten der vereniging handelt of de vereniging op onredelijke wijze benadeelt. Voorts is in bedoelde wettelijke bepaling geregeld dat de ontzetting (het royement) door het bestuur geschiedt, tenzij de statuten dit aan een ander orgaan opdragen. Voorts is in de wet bepaald dat het lid een beroepsmogelijkheid bij de ledenvergadering heeft tenzij de statuten anders bepalen.
In de statuten van KHC is bepaald dat indien het lid tijdig bezwaar maakt tegen de beslissing van het bestuur tot royement/ontzetting beroep van het lid op de algemene ledenvergadering openstaat.
Namens Noa Kiziltas is bij brief d.d. 1 maart 2017- en derhalve tijdig - bezwaar gemaakt tegen de beslissing tot royement/ontzetting.
Op grond van de wet en de statuten was het bestuur gehouden om binnen een redelijke termijn een algemene ledenvergadering uit te schrijven waarin over het door het bestuur genomen besluit en het namens Noa Kiziltas ingediende bezwaar door het hoogste orgaan van KHZ, de ledenvergadering, zou kunnen worden beslist.
Ter zitting is gebleken dat het bestuur geen ledenvergadering heeft uitgeschreven en niet het voornemen heeft dat te doen, ook niet nadat de Arbitragecommissie het bestuur had gewezen op de statutaire en wettelijke voorschriften.
In artikel 2:14 BW is bepaald is dat een besluit van een orgaan van een rechtspersoon dat in strijd is met de wet of de statuten nietig is, tenzij uit de wet iets anders voortvloeit.
Nu het bestuur, dat als een orgaan van de vereniging KHC geldt, in strijd met de statuten (en de wet) tot royement (ontzetting) heeft besloten zonder dat aan de ledenvergadering voor te leggen nadat tijdig bezwaar was gemaakt, is dit royementsbesluit nietig.
In zekere zin ten overvloede voegt de Arbitragecommissie daaraan het navolgende toe.
De Arbitragecommissie heeft begrip voor de soms moeilijke situatie waarin bestuursleden en overige vrijwilligers hun werkzaamheden voor voetbalverenigingen verrichten. Temeer nu het vinden van vrijwilligers niet altijd makkelijk is, kan de belasting die negatief gedrag van ouders en/of (jeugd)leden veroorzaken, veel negatieve energie kosten. Juist omdat veelal een kleine groep ouders/leden verantwoordelijk is voor een relatief groot aandeel daarin kan dat tot frustraties leiden.
De Arbitragecommissie wil aannemen dat het gedrag van mevrouw Van Bruggen en de heer Pander richting KHC en haar bestuur/vrijwilligers als negatief is ervaren en dat Noa in haar communicatie en gedrag wellicht niet altijd de gemakkelijkste is geweest.


Natuurlijk moet dit aanleiding zijn voor een gesprek, waarbij van ouders mag worden verlangd dat deze inzien dat een vereniging alleen maar kan bestaan door de inzet van vrijwilligers en dat terughoudende en ondersteunende communicatie van ouders een goed klimaat binnen de vereniging bevordert. Zulks laat echter onverlet dat de Arbitragecommissie in casu van mening is dat hetgeen in de brief d.d. 21 februari 2017 aan het royement van Noa Kiziltas ten grondslag is gelegd, ook gevoegd bij de door het bestuur genoemde eerdere incidenten, onvoldoende ernstig is om in redelijkheid tot royement te kunnen komen.
Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat Noa Kiziltas niet eerder door KHC is geschorst noch is aan haar eerder een andere sanctie opgelegd. Voorts is door het bestuur- ook ter zitting - verklaard dat na afloop van het gesprek met het elftal naar aanleiding van het staken van de wedstrijd tegen Swift J0-15 geen sancties zijn opgelegd, nu het bestuur van mening was dat de bij dat gesprek aanwezige personen, waaronder Noa Kiziltas, verbetering hadden beloofd.
Dat het bestuur vervolgens toch tot oplegging van de zwaarst denkbare sanctie aan alleen Noa Kiziltas is overgegaan, is, zoals zijdens KHC ook ter zitting is bevestigd, het gevolg van de whats-app-berichten van de heer Pander en mevrouw Van der Bruggen van 21 februari 2017. Hoewel het bestuur van KHC kan worden toegegeven dat verzending van dergelijke berichten beter achterwege had kunnen blijven, is de aard van de berichten naar het oordeel van de Arbitragecommissie niet zodanig dat dit, gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden, een royement van Noa Kiziltas rechtvaardigt.
Naar het oordeel van de Arbitragecommissie zou eerder voor de hand hebben gelegen dat de ouders zouden zijn aangesproken en dat met de ouders/verzorgers nadere (communicatie)afspraken zouden zijn gemaakt, maar de berichten van de ouders/verzorgers, in een besloten whats-app­ groep van ouders/verzorgers en begeleiders van het team, behoren naar het oordeel van de Arbitragecommissie niet tot royement van Noa Kiziltas te leiden.
De Arbitragecommissie wijst er nog op dat zowel de heer Pander als mevrouw Van Bruggen ter zitting hebben toegezegd dat zij - ongeacht de beslissing van de Arbitragecommissie - het sportterrein van KHC niet meer zullen betreden en dat zij geen negatief bericht meer over KHC in de whats-app­ groep van ouders/verzorgers en begeleiders van het elftal waarvan Noa deel uitmaakt zullen versturen. De Arbitragecommissie gaat ervan uit dat deze toezeggingen zullen worden nageleefd, net als dat de Arbitragecommissie ervan uitgaat dat Noa Kiziltas met het doorhalen van het royement het seizoen met haar huidige team gewoon zal kunnen afmaken en dat (het bestuur van) KHC haar daartoe ruimhartig de gelegenheid zal geven.
Met betrekking tot het na 21 februari 2017 opgevoerde punt van de contributie geldt dat het niet betalen van contributie aanleiding kan zijn het lidmaatschap op te zeggen. Dat moet dan gebeuren overeenkomstig de daarvoor in de statuten geregelde procedure. Voor een royement geldt - anders dan voor opzegging -dat bij bezwaar een beslissing van de algemene ledenvergadering nodig is.
Op basis van de voorliggende stukken sluit de Arbitragecommissie overigens niet uit dat thans sprake is van contributie achterstand. Mevrouw van Bruggen heeft ter zitting toegezegd haar administratie nogmaals te zullen controleren en de achterstallige contributie, zo daarvan inderdaad sprake is, te zullen betalen. Bedoelde achterstand is echter blijkens de brief d.d. 21 februari 2017 niet aan het royement ten grondslag gelegd, doch ook indien dat wel het geval zou zijn geweest, geldt dat royement- na tijdig bezwaar- alleen mogelijk is indien de algemene ledenvergadering, door het bestuur bijeengeroepen op een redelijke termijn na het bezwaar, met 2/3 van de aanwezige stemgerechtigden tot royement besluit. 
KHC heeft geen verweer gevoerd tegen de door Van Bruggen verzochte rectificatie op de website van KHC, zodat de Arbitragecommissie KHC daartoe zal veroordelen.
Nu KHC in overwegende mate in het ongelijk is gesteld, zal zij voorts worden veroordeeld tot voldoening van de kosten van de arbitrage. Voor zover in het verzoekschrift andere verzoeken liggen besloten, worden deze door de Arbitragecommissie afgewezen.

RECHTDOENDE ALS GOEDE MENSEN NAAR BILLIJKHEID

verklaart het besluit van het bestuur van KHC van 21 februari 2017 tot royement van Noa Kiziltas nietig.

maandag 17 april 2017

Arbitragecie KNVB: Beding in arbeidsovereenkomst met ongelijke opzeggingsmogelijkheid en zonder opzegtermijn is in strijd met de wet


De feiten
Van de Haar en Spakenburg zijn op of omstreeks 14 januari 2016 een arbeidsovereenkomst aangegaan, waarbij Van de Haar per 1 juli 2016 voor bepaalde tijd in dienst is getreden bij Spakenburg in de functie van hoofdtrainer/coach van de A-selectie van Spakenburg, zulks voor een periode van twee jaar en eindigend op 30 juni 2018.
 Van de arbeidsovereenkomst maakt onderdeel uit de navolgende bepalingen:
Artikel1.1.2
Indien werkgever deze arbeidsovereenkomst tussentijds wenst te beëindigen voor 1 april 2018, dient werkgever aan werknemer een bruto vergoeding te betalen van 3 bruto maandsalarissen. Bij de hier bedoelde tussentijdse opzegging geldt geen opzegtermijn.

 Artikel1.1.3.
Indien de werknemer deze arbeidsovereenkomst tussentijds wenst te beëindigen in verband met de overgang naar een Betaald Voetbal Organisatie (BVOO in binnen·of
buitenland, is werkgever bereid mee te werken aan een beëindiging met wederzijds goedvinden ter compensatie door die BVO van een bedrag aan de Stichting Voetbal Organisatie Spakenburg van € 25.000,00.

Op of omstreeks 7 januari 2017 is aan Van de Haar meegedeeld dat Spakenburg niet langer met Van de Haar als coach van het eerste elftal verder wilde en dat de wegen van partijen moesten scheiden.

Standpunt Van de Haar
Van de Haar legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat hij aan het begin van het seizoen 2016/2017 door Spakenburg is benaderd met het verzoek om met ingang van dat seizoen de functie van trainer/coach van haar eerste elftalselectie te vervullen en dat Spakenburg hem bij aanvang van zijn werkzaamheden opdrachten heeft meegegeven waaronder een meer strikte aanpak van de selectie. Ook werd hem gevraagd een door hem veelvuldig gebruikt spelconcept toe te passen, waarbij voor de uitvoering daarvan volgens Van de Haar de spelers dienden te beschikken over de daartoe noodzakelijke voetbalspecifieke prestatiebepalende factoren.
Spakenburg wilde met deze keus voor Van de Haar als trainer/coach bereiken dat in de selectie meer eenheid, wilskracht, initiatief en doorzettingsvermogen zou ontstaan. Volgens Van de Haar was het bestuur van Spakenburg ermee bekend dat de gevolgen van die keuze niet door alle spelers in dank zou worden afgenomen. Van de Haar merkt op dat het kunnen realiseren van de door het bestuur beschreven situatie gevolgen had voor zowel de sportieve prestaties alsook voor de functionele verhouding van Van de Haar met enkele spelers. Zeker in de eerste helft van het seizoen gaf dat bij spelers aanleiding tot onbegrip en ontevredenheid. Van de Haar heeft ook tijdens de eerste helft van het seizoen geconstateerd dat bij enkele spelers de noodzakelijke progressie ontbrak. Dat leidde tot consequenties voor de desbetreffende spelers en bij enkelen daarvan ontstond daarover onvrede. Die onvrede werd vervolgens middels diverse kanalen op voor Van de Haar onaangename manier geuit. Van de Haar stelt dat hij Spakenburg verzocht heeft daartegen op te treden, maar dat dit niet gebeurd is. Deze kritiek ondermijnde zijn geloofwaardigheid en hoewel hij het bestuur bij herhaling heeft verzocht om in te grijpen en de desbetreffende spelers te schorsen en/of te verwijderen, heeft het bestuur daaraan geen gevolg gegeven, met als gevolg een toenemende spanning tussen spelers en Van de Haar. Van de Haar heeft Spakenburg daarom voorgesteld een keuze te maken tussen hem of de desbetreffende spelers en om dat tijdens een trainingskamp in Marbella met die spelers te bespreken. Volgens Van de Haar heeft dat gesprek nimmer plaatsgevonden en heeft het bestuur tijdens het trainingskamp op 3 januari 2017 uitgesproken dat het bestuur vertrouwen had in zijn aanpak. Tijdens dit trainingskamp heeft, zo geeft Van de Haar aan, er ook onder de spelers een stemming plaatsgevonden, waarbij de spelers zouden hebben aangegeven niet met Van de Haar verder te willen. Ook na deze voor Van de Haar negatieve uitslag zou het bestuur aan Van de Haar echter te kennen hebben gegeven vertrouwen in hem te houden. Na terugkomst in Nederland heeft Spakenburg Van de Haar op
7 januari 2017 echter meegedeeld dat de met hem gesloten arbeidsovereenkomst zou worden opgezegd, waarbij niets is gemeld over de dag of datum waartegen de opzegging of beeindiging zou geschieden.
Er is geen toelichting gegeven op het besluit maar Spakenburg zou, middels berichten via de advocaat van Spakenburg hebben gemeld dat Spakenburg Van de Haar in het kader van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst de overeengekomen vergoeding van drie bruto maandsalarissen zou betalen. Van de Haar wijst erop dat de opzeggingsbepalingen die in de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zijn opgenomen, in zijn opvatting nietig dan wel vernietigbaar zijn. De opzeggingsbepalingen zijn niet op gelijkwaardige wijze geformuleerd en bij opzegging door Spakenburg zou Spakenburg slechts € 9.000,00 hoeven te betalen en geen opzegtermijn in acht hoeven te nemen hetgeen volgens Van de Haar in strijd is met de wet.
Over een opzeggingsmogelijkheid door Van de Haar om andere reden dan een overgang naar een BVO tegen betaling aan Spakenburg van € 25.000,00 wordt in de arbeidsovereenkomst niet gerept. Daarom concludeert Van de Haar dat van een evenwichtige en voor beide partijen in gelijke mate geldende mogelijkheid van tussentijdse opzegging geen sprake is. Nu die evenwichtigheid ontbreekt, zijn de tussentijdse opzeggingsbepalingen nietig dan wel vernietigbaar zijn. Tenslotte wijst Van de Haar erop dat hij niet heeft ingestemd met de opzegging van de arbeidsovereenkomst, zodat de opzegging in strijd is met artikel 7:771 BW.
In dat kader maakt hij ook aanspraak op wedertewerkstelling. Subsidiair stelt Van de Haar dat als de Arbitragecommissie de opzegging in stand laat en de contractuele bepalingen omtrent tussentijdse opzegging nietig zijn c.q. worden vernietigd, de arbeidsovereenkomst eerder is opgezegd dan tussen partijen zou moeten gelden. Als gevolg daarvan is Spakenburg overeenkomstig lid 9 van artikel 7:672 BW een vergoeding verschuldigd die overeenkomt met het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou hebben geduurd.
Van de Haar combineert dit verzoek met een verzoek tot betaling van een billijke vergoeding. Dit omdat Spakenburg ondanks uitdrukkelijke berichten van Van de Haar heeft nagelaten op te treden in een situatie waarin ingrijpen noodzakelijk was. Spakenburg stelt hiertegenover dat zij geconfronteerd is met de uitkomst van een door de spelersgroep gehouden intern overleg, waaruit naar voren was gekomen dat deze groep nagenoeg volledig het vertrouwen in Van de Haar had verloren. Achttien van de tweeëntwintig selectiespelers zouden hebben aangegeven niet met Van de Haar verder te willen. Het bestuur van Spakenburg heeft dan ook op zaterdag 7 januari 2017 gebruik gemaakt van haar tussentijdse opzeggingsbevoegdheid, zoals opgenomen in artikel 1.1.2 van de arbeidsovereenkomst.

Standpunt Spakenburg
Spakenburg betwist dat Van de Haar speciale opdrachten zijn meegegeven toen hij werd gesteld als trainer/coach van het eerste selectie-elftal. Van de Haar had een grote vrijheid en was volledig vrij en autonoom bij de bepaling van de opstelling en tactiek van het eerste elftal. Ook was hij vrij om spelers zo nodig disciplinair te straffen en terug te zetten naar de B-selectie. Het bestuur van Spakenburg betwist dan ook uitdrukkelijk dat Van de Haar ooit heeft gevraagd of geëist dat het bestuur disciplinaire maatregelen tegen bepaalde spelers wilde nemen. Het is juist dat Spakenburg bij de indiensttreding van Van de Haar speerpunten heeft besproken zoals eenheid, wilskracht, initiatief en doorzettingsvermogen. De wijze waarop Van de Haar die speerpunten echter meende te kunnen realiseren riep bij vele spelers weerstand op. Als voorbeeld noemt Spakenburg:
0          het instellen van de "lul" van de week, de desbetreffende speler droeg dan die week het betreffende shirt;
0          trainingen laten doorlopen tot 22.15 uur, terwijl diverse spelers nog een behoorlijke reisafstand naar huis moesten overbruggen;
0          het publiekelijk afbranden van een talentvolle jeugdspeler;
0          spelers na een verloren uitwedstrijd bij thuiskomst nog een straftraining te geven.

Daardoor kwam er druk te staan op de relatie tussen Van de Haar en zijn spelersgroep. Na een halfjaar met Van de Haar te hebben gewerkt, heeft Spakenburg moeten concluderen dat het hem ontbreekt om draagvlak voor zijn wijze van trainen en coachen te creëren bij belangrijke groepen in en rond Spakenburg. Zijn verhouding met zowel de pers als met medewerkers van Spakenburg werd steeds krampachtiger. Van de Haar zocht steeds de confrontatie met ontevreden en gepasseerde spelers.
Op 3 januari 2017 tijdens het trainingskamp in Marbella heeft Spakenburg met Van de Haar over deze punten van kritiek gesproken. Naar de beleving van Spakenburg was dat een stevig onderhoud en heeft het bestuur tijdens dit gesprek aangegeven dat diverse punten zouden moeten worden verbeterd. Dat Van de Haar daaruit heeft afgeleid dat er onverminderd vertrouwen in hem bestond, komt voor zijn rekening. Spakenburg geeft aan dit gesprek anders beleefd te hebben.
Op 4 januari 2017 werd het bestuur op de hoogte gebracht dat tijdens een plenaire bijeenkomst 18 van de 22 spelers het vertrouwen in Van de Haar hadden opgezegd. Spakenburg heeft toen aan Van de Haar meegedeeld dat zij dit zou terugkoppelen naar de andere bestuursleden en de Raad van Advies en dat Van de Haar na terugkeer in Nederland over de uitkomst van dat overleg zou worden geïnformeerd. Na terugkeer in Nederland heeft bestuursoverleg plaatsgevonden en is de visie van de Raad van Advies meegewogen waarna het bestuur unaniem besloten heeft dat zij Van de Haar niet langer als trainer/coach van het eerste elftal kon handhaven, waarvan zij Van de Haar op de hoogte heeft gebracht. Spakenburg heeft vervolgens onder verwijzing naar artikel 1.1.2 van de arbeidsovereenkomst, de arbeidsovereenkomst met Van de Haar beëindigd.
Spakenburg stelt in dat kader dat Van de Haar de artikelen 1.1.2 en 1.1.3 van de arbeidsovereenkomst verkeerd uitlegt en dat partijen een tussentijdse opzeggingsbepaling in de arbeidsovereenkomst hebben opgenomen, zodanig dat door beide partijen de arbeidsovereenkomst tussentijds kon worden opgezegd/beëindigd. Als Spakenburg daartoe vóór 1 april 2018 zou overgaan, zou zij te allen tijde drie bruto maandsalarissen verschuldigd zijn, terwijl bij een tussentijdse opzegging/beëindiging door Van de Haar hij alleen dan
€ 25.000,00 aan Spakenburg verschuldigd zou zijn indien die opzegging verband zou houden met een overgang naar een BVO in binnen- of buitenland.           De instemming met de opzegging door Spakenburg is door Van de Haar op voorhand verleend, namelijk bij de totstandkoming van artikel 1.1.2 van de arbeidsovereenkomst, zodat Van de Haar geen beroep meer toekomt op het ontbreken daarvan.
Subsidiair echter, voor zover de Arbitragecommissie zou menen dat de schriftelijke instemming van Van de Haar niet op voorhand is verleend en dus ontbreekt, verzoekt Spakenburg de arbeidsovereenkomst te ontbinden op de g­ en of h-grond (7:669 lid 3 BW).
Naar de mening van Spakenburg is primair de arbeidsverhouding ernstig en duurzaam verstoord en is er sprake van een vertrouwensbreuk. Subsidiair meent Spakenburg een beroep te kunnen doen op de h-grond, omstandigheden die zodanig zijn dat van de werkgever niet in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De verhouding tussen nagenoeg de voltallige spelersgroep van Spakenburg en Van de Haar is gedurende de laatste weken van het dienstverband ernstig en duurzaam verstoord geraakt. In het kader van de h-grond verwijst Spakenburg naar de kamerstukken, waaruit zou blijken dat de regering onder deze grond tevens heeft gebracht de voetbaltrainer die niet goed presteert, maar wegens tegenvallende resultaten moet worden opgezegd en weigert in te stemmen met die opzegging.
Aangezien beide partijen vooraf met elkaar een vergoeding zijn overeengekomen van drie bruto maandsalarissen en aan de zijde van Spakenburg absoluut geen sprake is van een ernstig verwijtbaar handelen, is er geen ruimte voor de door Van de Haar verzochte aanvullende billijke vergoeding. Wel is Spakenburg bereid om de wettelijke opzegtermijn van één maand in acht te nemen, hoewel de arbeidsovereenkomst aangeeft dat er geen opzegtermijn in acht genomen behoeft te worden. Om die reden stelt Spakenburg bereid te zijn het salaris van Van de Haar door te betalen tot en met 28 februari 2017 onder betaling daarnaast van een vergoeding van drie bruto maandsalarissen. Omdat het verzoek tot ontbinding geen verband houdt met enig opzegverbod kan de Arbitragecommissie de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbinden.

Beoordeling van het geschil
De Arbitragecommissie beantwoordt de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen op of omstreeks 7 januari 2017 rechtsgeldig door Spakenburg is opgezegd ontkennend. Spakenburg heeft in dit kader gesteld dat zij op deze datum gebruik heeft gemaakt van de tussentijdse opzeggingsmogelijkheid zoals tussen partijen overeengekomen in de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, ingaande 1 juli 2016 en eindigende op 30 juni 2018.
Daarbij wijst Spakenburg op artikel1.1.2 van de arbeidsovereenkomst. Daarin staat dat indien de werkgever de arbeidsovereenkomst tussentijds wenst te beëindigen vóór 1 april 2018 de werkgever aan werknemer een bruto vergoeding moet betalen van drie bruto maandsalarissen, waarbij opgemerkt wordt dat bij de hier bedoelde tussentijdse opzegging geen opzegtermijn in acht te hoeven worden genomen.
Deze bepaling geeft alleen de werkgever een bevoegdheid de arbeidsovereenkomst tussentijds te beëindigen, weliswaar tegen betaling van drie maandsalarissen, maar zonder dat de werkgever een opzegtermijn in acht hoeft te nemen. Deze bepaling verdraagt zich niet met het bepaalde in de wet, meer in het bijzonder niet met het bepaalde in artikel 7:667 lid 3 BW. Een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd kan slechts tussentijds worden opgezegd indien voor ieder der partijen dat recht schriftelijk is overeengekomen. Dit uiteraard met inachtneming van een wettelijk toegestane opzegtermijn. Een opzegtermijn van nul (0) maanden zoals in artikel 1.1.2. van de arbeidsovereenkomst opgenomen is in strijd met de wet.
Weliswaar staat in de arbeidsovereenkomst in artikel1.1.3 te lezen dat indien de werknemer de arbeidsovereenkomst tussentijds wenst te beëindigen in verband met de overgang naar een betaald voetbalorganisatie in binnen- of buitenland, Spakenburg bereid is mee te werken aan zo een beëindiging maar alleen als ter compensatie een bedrag van € 25.000,00 aan Spakenburg wordt betaald. Deze geclausuleerde beëindigingsmogelijkheid is niet gelijk aan de beëindigingsmogelijkheid die Spakenburg voor haarzelf in artikel 1.1.2 van de arbeidsovereenkomst heeft bedongen. Dat deze bepaling aldus moet worden uitgelegd dat de werknemer altijd de arbeidsovereenkomst tussentijds kan beëindigen, maar alleen bij een overgang naar een betaald voetbalorganisatie € 25.000,00 verschuldigd is, is niet aannemelijk gemaakt. Het staat er niet en dat de werknemer deze bepaling zo heeft begrepen dat hij te allen tijde de arbeidsovereenkomst tussentijds kon beëindigen, is niet komen vast te staan. De tussentijdse opzeggingsbepalingen of beëindigingsbepalingen zoals door Spakenburg in de arbeidsovereenkomst opgenomen zijn dan ook vernietigbaar. Daarenboven ontbreekt de instemming van de werknemer met deze opzegging. Artikel 7:671 BW kent als uitgangspunt dat de werkgever de arbeidsovereenkomst alleen rechtsgeldig kan opzeggen met schriftelijke instemming van de werknemer. Dat één van de in dit artikel genoemde uitzonderingen van toepassing zijn, is gesteld noch gebleken. De stelling van Spakenburg dat de werknemer reeds bij het ondertekenen van deze arbeidsovereenkomst in januari 2016 op voorhand heeft ingestemd met een tussentijdse beëindiging met wederzijds goedvinden in januari 2017, verdraagt zich niet met de wettelijke regels omtrent opzegging van arbeidsovereenkomsten, meer in het bijzonder niet met artikel 7:671 BW. Deze instemming kan niet reeds op voorhand bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst worden gegeven. Terecht vordert Van de Haar dan ook vernietiging van de opzegging op 7 januari 2017. De Arbitragecommissie zal de opzegging vernietigen, wat met zich brengt dat de arbeidsovereenkomst nog steeds voortduurt en de werknemer recht heeft op doorbetaling van het salaris tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd.
De vraag of de vordering van de werknemer tot wedertewerkstelling moet worden toegewezen, beantwoordt de Arbitragecommissie bij de bespreking van de vordering in reconventie.
Nu de opzegging van de arbeidsovereenkomst door Spakenburg van de arbeidsovereenkomst met van de Haar op of omstreeks 7 januari zal worden vernietigd en de Arbitragecommissie ook de vordering van de Haar op dit punt zal toewijzen zal de Arbitragecommissie ingaan op het voorwaardelijk ingediende ontbindingsverzoek. Spakenburg heeft een voorwaardelijk ontbindingsverzoek ingediend, gestoeld op artikel 7:6691id 3 onder g (de verstoorde arbeidsverhouding) en/of h (andere omstandigheden zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren). Hoewel de door Spakenburg gevolgde gang van zaken niet de schoonheidsprijs verdient, stelt de Arbitragecommissie wel vast dat de verhoudingen tussen partijen duurzaam en ernstig verstoord zijn geraakt en dat het laten voortduren van de arbeidsovereenkomst geen redelijk doel meer dient. Spakenburg heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat het merendeel van de spelersselectie het vertrouwen in Van de Haar als coach heeft verloren. Van de Haar erkent dat ook met zoveel woorden maar geeft van het ontstaan van de spanningen tussen spelers en hem de schuld aan het bestuur dat niet zou hebben opgetreden tegen de spelers die voor onrust zorgden. Hoe dat komt en of Spakenburg hiervan een verwijt kan worden gemaakt omdat zij onvoldoende sturing heeft gegeven aan het proces, is in het kader van de beantwoording van de vraag of de arbeidsovereenkomst duurzaam en ernstig is verstoord, verder niet relevant. De Arbitragecommissie meent dan ook dat er redenen zijn om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden en spreekt haar voornemen uit om daartoe over te gaan met ingang van 1 april 2017, nu de Arbitragecommissie ervan uitgaat dat het een verzoek om ontbinding van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd betreft die niet tussentijds kon worden opgezegd. Ingevolge het negende lid van artikel 7:671b BW kan de Arbitragecommissie Van de Haar dan voorts een vergoeding toekennen tot ten hoogste het bedrag gelijk aan het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst geduurd zou hebben indien deze van rechtswege zou zijn geëindigd. De Arbitragecommissie stelt deze vergoeding ex aequo et bono op € 18.000,00 bruto, ervan uitgaande dat Spakenburg aan zijn financiële verplichtingen jegens Van de Haar uit hoofde van de arbeidsovereenkomst tot 1 april 2017 blijft voldoen.
Gelet op het voornemen de arbeidsovereenkomst per 1 april 2017 te ontbinden heeft Van de Haar onvoldoende belang bij zijn vordering tot weder te werkstelling terwijl bovendien de arbeidsverhoudingen zodanig verstoord lijken dat weder te werk stelling ook geen redelijk belang dient. Deze vordering wordt dan ook afgewezen.

Rechtdoende als goede personen naar billijkheid:
In conventie:
Vernietigt de opzegging van de arbeidsovereenkomst door Spakenburg gedaan op of omstreeks 7 januari 2017 en veroordeelt Spakenburg tot doorbetaling van het overeengekomen salaris vanaf deze datum tot de datum waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd.
In reconventie:
Spreekt de Arbitragecommissie het voornemen uit om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden met ingang van 1 april 2017 onder toekenning van een vergoeding aan Van de Haar, te betalen door Spakenburg, van € 18.000,00 bruto.