maandag 12 maart 2012

Mountainbiker rijdt toeschouwer aan





De stichting Berg tot Berg organiseert een mountainbikewedstrijd in Arnhem. Een deelnemer is bij het afdalen van een trap in het parcours ten val gekomen en tegen een toeschouwerster aangebotst. De toeschouwster lijdt ten gevolge van dit ongeval schade en spreekt de mountainbiker en de organisator Berg tot Berg aan.
Onder verwijzing naar het de criteria uit het kelderluikarrest komt de rechtbank tot de conclusie dat de organisator aansprakelijk is op grond van een door de organisatie gepleegde onrechtmatige daad. De rechtbank is van oordeel dat de organisator van de mountainbikewedstrijd, gelet op alle omstandigheden van dit geval tekortgeschoten is in de zorg die van haar, jegens de toeschouwster kon worden gevergd.
Die omstandigheden waren:
-          De valpartijen, in het bijzonder bij het afdalen van de trap waren voorzienbaar voor             Berg tot Berg.
-          Er waren in het verleden wel meer meldingen van valpartijen bij de trap. Op de trap             wordt op snelheid gereden en daar kunnen deelnemers bij vallen en daarom stond er             ook een EHBO-team
-          Berg tot Berg heeft de toeschouwers niet met borden of folders tegen dit gevaar             gewaarschuwd. De veiligheidsmaatregelen voor het publiek hebben daarin bestaan dat       Berg tot Berg een afzetlint vlak langs de trap heeft doen plaatsen en medewerkers bij       de trap heeft geposteerd om het publiek zo nodig te manen achter dit lint te blijven.
De rechtbank komt tot de conclusie dat de aanrijding met de toeschouwster voor Berg tot Berg in die mate voorzienbaar was dat het onzorgvuldig is te achten, en wel zo onzorgvuldig dat het onrechtmatig is, dat Berg tot Berg de toeschouwster zo dicht op zo’n risicovol deel van het parcours heeft toegelaten. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het ongeval op eenvoudige wijze voorkomen had kunnen worden door het afzetlint niet pal naast de trap te plaatsen, maar op enige afstand daarvan. De mountainbiker zou dan, nadat hij de macht over het stuur had verloren, niet meteen in het publiek zijn beland.
Verder is van belang dat Berg tot Berg bekend is met de potentieel ernstige aard van het letsel van vallende deelnemers. Berg tot Berg had immers een arts paraat staan om gevallen deelnemers te behandelen. Gelet op haar bekendheid met de gevaren voor de deelnemers moet het voor Berg tot Berg ook voldoende voorzienbaar zijn geweest dat een botsing met het publiek ernstige gevolgen voor dat publiek zou kunnen hebben.
De mountainbiker acht de rechtbank niet aansprakelijk. Het ongeval vond volgens de rechtbank, plaats tijdens de wedstrijd waar de mountainbiker aan deel nam. Een wedstrijdsituatie wordt in het algemeen daardoor gekenmerkt dat de deelnemers in hun wedijver grotere risico’s nemen dan in het gewone maatschappelijke verkeer gebruikelijk is.
Daarbij is tevens van belang dat de aan de wedstrijd inherente risico’s, met name bij het afdalen van de trap, voor spektakel zorgen en dat daarin mede de aantrekkingskracht voor de toeschouwer is gelegen. De toeschouwster was om die reden ook bij de trap gaan kijken.
De toeschouwster mocht derhalve tot op zekere hoogte gevaarlijk gedrag van de mountainbiker verwachten. Het ongeval is niet te wijten aan zodanig risicovol rijgedrag van de mountainbiker dat de toeschouster daarop niet bedacht hoefde te zijn.

De uitspraak staat HIER

vrijdag 9 maart 2012

Schaalmodel NAC stadion is verveelvoudiging in zin auteurswet. inbreuk rechten architect.

LJN: BT2760, Rechtbank Arnhem , Datum: 27-09-2011

De feiten
BO.2 Architectuur is de architect van hetvoetbalstadion van NAC.
Zij zijn met Heijboer c.s. overeenkomst aangegaan:

- Licentiegever is auteursrechthebbende op het door hemgemaakte werk ter zake van het stadion.
- Licentiegever en Licentienemers zijn overeengekomen dathet een exclusieve licentie betreft, om schaalmodellen te vervaardigen en teverkopen.
Fanahave maakt inbreuk op de aan Heijboer c.s.toekomende intellectuele eigendomsrechten.

Het geschil
Fanahave wordt door Heijboer c.s. bevolen metonmiddellijke ingang na betekening van dit vonnis iedere auteursrechtelijkeinbreuk van het stadion te staken en gestaakt te houden. Verder wordt Fanahavegeboden om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis aan haar afnemers teverzoeken om het exemplaar van het schaalmodel aan haar af te geven en te latenvernietigen door Fanahave.
Fanahave maakt inbreuk op de aan BO.2 toekomende auteursrechten op het stadion,nu het miniatuurmodel een in miniatuurversie vervaardigde verveelvoudiging isvan het stadion. Bij een vergelijking van het stadion als auteursrechtelijkbeschermd werk en het miniatuurmodel als beweerdelijk inbreukmakend werk moetvolgens Heijboer c.s. worden vastgesteld dat het miniatuurmodel in zodanigemate auteursrechtelijk beschermde trekken van het stadion vertoont, dat detotaalindrukken die beide werken maken te weinig verschillen voor het oordeeldat het miniatuurmodel als een zelfstandig werk kan worden aangemerkt.

Dat in hetminiatuurmodel van Fanahave de wezenlijke kenmerken van het stadion zijnovergenomen ligt overigens ook voor de hand, omdat Fanahave juist een productop de markt heeft willen brengen dat een min of meer natuurgetrouwe weergave vormtvan het oorspronkelijke voetbalstadion. Immers, de voornaamste doelgroep vanhet miniatuurmodel zijn de NAC-supporters. Voor de hand ligt dat zij geenminiatuurmodel willen van een willekeurig voetbalstadion, maar dat van het RatVerlegh-stadion (het NAC-stadion), dat dus ook als zodanig herkenbaar moetzijn.

De beslissing
Het een en ander leidt tot de conclusie dat hetminiatuurmodel van Fanahave moet worden aangemerkt als een verveelvoudiging vanhet stadion, hetgeen een inbreuk oplevert op het overgedragen auteursrecht vanHeijboer c.s., voor die verveelvoudiging is geen toestemming gegeven.
De voorzieningenrechter beveeltFanahave met onmiddellijke ingang na betekening van dit vonnis iederauteursrechtelijke inbreuk ter zake van het stadion te staken en gestaakt tehouden en gebiedt Fanahave om aan haar afnemers te verzoeken om hun exemplaarvan het miniatuurmodel aan haar af te geven, om het voor eigen rekening tevernietigen.

De uitspraak staat HIER

School niet aansprakelijk voor ongeval tijdens gymnastiekles

LJN AY4382, Rechtbank Haarlem, datum:19-07-2006
De feiten
N. nam als brugklasser op de Da Vinci-school deel aan de gymnastiekles gegevendoor de docent lichamelijk opvoeding mevrouw P., die in dienst van Da Vinci is.
Tijdens deze gymnastiekles is N. bij het onderdeel hordelopen ten val gekomen, waarbijzij haar been op twee plaatsen heeft gebroken.
Da Vinci is door de rechtsbijstandverzekeraar van Z. (de vertegenwordiger vanN.) aansprakelijk gesteld voor schade tengevolge van het ongeval.

Het geschil
Z. vordert veroordeling van Da Vinci tot vergoeding van als gevolg van hetongeval te lijden schade. Het gaat hier om letsel dat is ontstaan in degymnastiekles onder leiding van een door Da Vinci aangestelde leerkracht,waarbij de te beantwoorden vraag is of de leerkracht bij het leiding geven istekortgeschoten in de zorg die van haar jegens de leerlingen van degymnastiekoefening kan worden gevergd.
P. over de genomen maatregelen:
Kinderen mogen niet meedoen als hun techniek onvoldoende is en evenmin als hunhouding niet goed is. In de klas van N. was dat niet aan de orde, de kinderendeden allemaal goed mee en de sfeer was goed. Tussen de banen waar deleerlingen liepen, waren vrije banen. Die ruimte tussen de hordebanen is nodigvoor de veiligheid. Ze mogen niet eerder lopen dan op het teken van P., dit uiteen oogpunt van veiligheid. Als een baan niet vrij is mag er nog niet gelopenworden.
N. kwam niet goed uit met haar passen. Wat je dan kunt doen is stoppen en om dehorde heenlopen (dit is ook een reden waarom er een baan naast vrij wordtgehouden) of doorgaan. Bij het doorgaan loop je of tegen de horde aan of jegaat toch springen en zet dan met het verkeerde been af. N. besloot door tegaan en te springen. Ze landde met haar voet op de horde en is omgeknakt. Haarbeen is daarbij op twee plaatsen gebroken.

De beslissing
Er wordt volgens een speciaal plan gewerkt. Er zijn maatregelen getroffenmet het oog op de veiligheid van de kinderen (o.a. lagere hordes metschuimrubber). Er zijn instructies ter voorkoming van ongevallen, zoals hetuitsluitend springen bij een vrije baan, die tevens de uitwijkmogelijkheid kanvormen in het geval een leerling bij een sprong niet goed uitkomt, en eenjuiste mate van concentratie bij de leerlingen.
Een en ander voert tezamen genomen tot de conclusie dat, in het licht van degenoemde inrichting van het gymnastiekonderwijs en de veiligheidsmaatregelendie P. heeft genomen, de kans op een ongeval niet zo groot was dat zij debewuste oefening niet had mogen laten uitvoeren. Da Vinci is derhalve nietaansprakelijk voor de schade die N. als gevolg van het ongeval heeft geledenwegens het ontbreken van een onrechtmatige gedraging van P..
Z. zal als de in het ongelijkgestelde partij in de proceskosten wordenveroordeeld.


De uitpsraak staat HIER

12 maanden gevangenisstraf voor afsteken vuurwerkbom in voetbalstadion



Binnensmokkelen in eenvoetbalstadion tijdens de voetbalwedstrijd Heracles-NEC van twee explosievevoorwerpen waarvan er één, een zogenaamde vuurwerkbom, tot ontploffing isgebracht. Medeplegen van opzettelijk een ontploffing teweegbrengen bewezenverklaard.

Straf: Verdachte wordtveroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien (18) maanden, waarvan zes (6)maandenvoorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

De uitspraak staat HIER

De telegraaf pikt het berichtook op. HIER.

Een eerder bericht overdeze zaak in dagblad Tubantia. HIER.



woensdag 7 maart 2012

Paard verongelukt in cross country wedstrijd. Zijn sportvereniging, bond en/of parcoursbouwer aansprakelijk?



Aanvulling 22 mei 2014:
http://www.marieketencate.nl/:


Een ruiter neemt, met zijn paard deel aan een crosscountry wedstrijd. Bij een cross country wedstrijd dienen door ruiter en paardvolgens een vooraf bepaalde route verschillende soorten hindernissen te wordengenomen zoals wallen, waterbak passages, greppels en constructies metboomstammen.

Bij de 21ste hindernis gaathet mis. Het paard zet niet goed af, waardoor het niet hoog genoeg van de grondkomt en het in aanraking komt met de hindernis. Als gevolg hiervan zijn ruiteren paard ten val gekomen, waarbij het paard zo ernstig gewond is geraakt dathet ter plaatse door de dierenarts geeuthaniseerd.

De hindernis was nietgoed opgebouwd. Bij de hindernis heeft het paard niet hoog genoeg gesprongen enis daardoor met de voorbenen tegen het dak van de boerderij-hindernisaangekomen. Omdat de boerderij niet verankerd was is de hindernis twee keergekanteld waarbij de hindernis een veilige landing voor het paard belemmerde.

De ruiter spreekt driepartijen aan tot betaling van schadevergoeding. Ten eerste de organisator,paarden- en ponysportvereniging "Princenhage", ten tweede deKoninklijke Hyppische Sportfederatie en tot slot de parcoursbouwer, de makervan de hindernis.

Princenhage stelt niet aansprakelijkte zijn op grond van een onrechtmatige daad. Princenhage is van mening dat devereniging geen enkel verwijt treft en dat Princenhage de wedstrijd heeft georganiseerdmet inachtneming van de toepasselijke reglementen en met de grootst mogelijkezorgvuldigheid.

De rechtbank is vanmening dat het hier niet gaat om aansprakelijkheid op grond van een onrechtmatigedaad, maar aansprakelijkheid op grond van het niet nakomen van de overeenkomsttussen Princenhage en de ruiter. De rechtbank stelt vast dat de ruiter zichvoor de, door Princenhage te organiseren wedstrijd, heeft ingeschreven metbehulp van een wedstrijdformulier, dat hij het verschuldigd inschrijfgeld heeftbetaald, dat hij akkoord is gegaan met de voorwaarden waaronder de wedstrijddoor Princenhage werd aangeboden

In de overeenkomst stondeen exoneratieclausule. De clausule luidde: “de wedstrijdgevende organisatie,noch ieder andere betrokkene bij de wedstrijd kan op enigerlei wijzeaansprakelijk en of verantwoordelijk worden gesteld omtrent schade in welkevorm dan ook aan personen, paarden en of materiaal. Zowel deelnemers alsbezoekers nemen deel en of zijn aanwezig op eigen risico.”

De ruiter meent, dat dezeclausule hem niet kan worden tegengeworpen op grond van maatstaven vanredelijkheid en billijkheid. De rechtbank is het met de ruiter eens. Princenhage is op grond van de overeenkomst gehouden om de ruiter een wedstrijd parcours aante bieden, dat voldort aan de veiligheidsregels. Wanneer het parcours hierin tekortschiet,zoals in dit geval, door handelen of nalaten van de parcoursbouwer is dit aanPrincenhage als organiserende vereniging toe te rekenen.

Het feit dat er geensprake was van opzet of roekeloosheid van Princenhage, dat de ruiter wist dater behoorlijke risico's aan deelname zaten en dat de ruiter op de hoogte wasvan de exoneratieclausule zijn voor de rechtbank niet doorslaggevend voorbeoordeling van de vraag of de clausule tussen partijen aansprakelijkheid in deweg staat. Anders ligt dat bij de verzekerbaarheid: vaststaat dat Princenhage (maarook de andere gedaagden) zich hebben verzekerd juist tegen het risico van ditsoort ongevallen. Gedaagden hebben dat gedaan omdat niet alleen het risico opeen ongeval groot is, maar ook omdat de schade in voorkomende gevallenaanzienlijk kan zijn. Nu zij juist met het oog op dit type schades deverzekeringsovereenkomst hebben gesloten ten behoeve van onder andere de ruitervalt niet in te zien, waarom Princenhage in redelijkheid nog een beroep opexoneratie toe zou moeten komen.

Princenhage is dusaansprakelijk voor de schade en het beroep op de exoneratieclausule gaat nietop.

De rechtbank acht ook deparcoursbouwer aansprakelijk. De parcoursbouwer verweert zich door te stellendat hij slechts werkte op verzoek van Princenhage, daar geen vergoeding voorkreeg en dat de technisch afgevaardigden hebben bevestigd dat de hindernis inorde was. Al deze argumenten overtuigen de rechtbank niet. Volgens de rechtbankvalt niet in te zien waarom de parcoursbouwer, als ontwerper en bouwer, van dehindernis niet aansprakelijk zou zijn, als vaststaat dat de schade het gevolg is van een of meer fouten aande hindernis.

De aansprakelijkheid vande Koninklijke Hyppische Sportfederatie wijst de rechtbank af. Feitelijk heeft deKoninklijke Hyppische Sportfederatie geen bemoeienis gehad bij de organisatievan de wedstrijd. Het enkele feit dat deze wedstrijd werd georganiseerd onderhaar auspiciën maakt haar immers nog geen mede organisator. De rechtbank vindtdan ook dat de Koninklijke Hyppische Sportfederatie niet aansprakelijk gesteldkan worden.

De rechtbank veroordeeltPrincenhage en de parcoursbouwer (nog) niet tot het betalen van schadevergoedingaan de ruiter. De rechtbank biedt Princenhage en de parcoursbouwer nog demogelijkheid om te bewijzen dat de schade ook zou zijn ontstaan als het parcourswel goed zou zijn opgebouwd.

De uitspraak staat HIER

maandag 5 maart 2012

Voor de paardenliefhebber: van hoefbevangenheid, laster, luchtzuiger en artrose

Hieronder vier vrijrecente uitspraken over de koop van een paard, waarbij de koper uiteindelijkniet blij was met de koop en zich tot de rechter wendde.

Datum uitspraak: 01-11-2011
Datum publicatie: 01-11-2011
Inhoudsindicatie:
Paard met hoefbevangenheid. Overeenkomst gesloten o.i.v. dwaling. Koper vordertvergoeding van het geleden nadeel (art. 6:230 lid 2 BW). Vordering toegewezen.


Datum uitspraak: 01-02-2012
Datum publicatie: 17-02-2012
Inhoudsindicatie:
Vervolg op LJN: BP 3414.non-conformiteit van een paard. Na deskundigenbericht oordeelt de rechtbank datde non-conformiteit wegens de artrose en/of vanwege het (na wijziging van degrondslag van de eis aangevoerde) niet aan de teugel kunnen lopen, niet iskomen vast te staan. De buitengerechtelijke ontbinding door eiseres heeft dusgeen effect gehad. Vorderingen afgewezen, ook op de (meer) subsidiairegrondslagen nu daaraan hetzelfde feitencomplex ten grondslag ligt en degestelde feiten niet zijn komen vast te staan.

Datum uitspraak: 18-01-2012
Datum publicatie: 10-02-2012
Inhoudsindicatie:
Door eiseres van gedaagde gekochte pony "zuigtlucht" en is daarmee gebrekkig. Er is op tijd geklaagd en er is geensprake van schending van een onderzoeksplicht door eiseres. De stelling vangedaagde dat vanwege de aard van de zaak, te weten een levend dier, hetwettelijke bewijsvermoeden zoals neergelegd in artikel 7:18 lid 2 BW niet zougelden, gaat gelet op de wetsgeschiedenis niet op. Bewijsopdracht aan gedaagdedat het gebrek niet aanwezig was ten tijde van de aflevering van de pony

Datum uitspraak: 14-12-2011
Datum publicatie:12-01-2012
Inhoudsindicatie:
Afwijzing vordering tot nakoming van koopovereenkomst metbetrekking tot paard. Onmogelijkheid tot afgifte paard doordat paard isverkocht en overgedragen aan een derde leidt tot wanprestatie en lost zichnoodgedwongen op in schadevergoeding. Reconventionele vordering tot stakinglasterpraktijken. Artikel 6:171 BW niet van toepassing op een in privé gegevenopdracht.