woensdag 11 maart 2015

Vrouw valt van trap tribune in sporthal, bezitter niet aansprakelijk omdat de trap niet gebrekkig is


De feiten
De sporthal Vijf Meihal te Leiden (hierna: de sporthal) wordt geëxploiteerd door Sportbedrijf Leiden, dat een onderdeel van de gemeente is.
Mevrouw X en haar echtgenoot hebben op 12 februari 2012 een uitverkochte basketbalwedstrijd in de sporthal bezocht. Bij binnenkomst in de sporthal is Mevrouw X, die sportschoenen aan had, via een trap omhoog gelopen naar de dertiende rij op de tribune, waar zij en haar echtgenoot hun zitplaatsen hadden. Na afloop van de wedstrijd is Mevrouw X via een andere – gelijkvormige – trap de tribune af gelopen.
Van bovenaf bezien bestaat de trap vanaf rij 13 tot en met rij 8 steeds uit een trede van 42 centimeter diep gevolgd door een stuk tribune van 43 centimeter diep. Na het stuk tribune van rij 8 volgt trede 7 van 22 centimeter diep, gevolgd door een stuk tribune van 23 centimeter diep. Hierna zijn er twee treden (6 en 5) van elk 22,5 centimeter diep en vervolgens een looppad van ruim een meter diep. Daarna volgen weer een aantal rijen stoelen met steeds een trede van 42 centimeter diep en een stuk van 43 centimeter diep. Er zijn geen trapleuningen. Op onderstaande foto (links) en het bovenaanzicht (rechts) zijn de treden 5 tot en met 8 trede met cijfers gemarkeerd.

 
Mevrouw X is bij het afdalen van de tribune ter hoogte van trede 7 ten val gekomen, waarbij zij op het looppad (zie het bovenaanzicht hierboven) is terecht gekomen. Naast een blauw scheenbeen en een bloedneus heeft zij daarbij letsel opgelopen aan haar linker elleboog, te weten een radiuskopfractuur.
Omstreeks juni 2012 is de tribune in de sporthal aangepast, in die zin dat trede 7 is verlengd, er een extra trede is geplaatst bij het stuk tribune onder trede zeven, de kleur van de treden is gewijzigd van beige/grijs naar oranje en er op elke trede een antislipstrip is aangebracht.

Het geschil
Mevrouw X verzoekt – zakelijk weergegeven – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren voor recht dat de gemeente jegens Mevrouw X aansprakelijk is voor de door Mevrouw X geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van het ongeval van 12 februari 2012;

Oordeel kantonrechter
Mevrouw X heeft verschillende verklaringen afgelegd over de drukte op de trap ten tijde van het ongeval. Ter zitting heeft Mevrouw X gesteld dat zij na afloop van de wedstrijd heeft gewacht tot de ergste drukte voorbij was. Vervolgens is zij op een lege trap naar beneden gelopen, waarbij zij vrij zicht op de trap had. De eerste tien stappen waren afwisselend treden en stukken tribune met een diepte van 42 respectievelijk 43 cm. Bij de elfde stap stapte Mevrouw X alleen met haar hiel op de hiervoor genoemde trede 7 met een diepte van 22 cm. Omdat zij in een cadans liep en niet verwachtte en gezien had dat deze trede aanmerkelijk smaller was dan de voorgaande treden, is zij vervolgens voorover gevallen, aldus Mevrouw X. Op dat moment liep er niemand voor haar. Wel stond er naast de trap een vrouw die folders uitdeelde, waardoor Mevrouw X volgens eigen zeggen is afgeleid. Ook stonden er mensen naast de trap op het looppad, terwijl er in de zaal ook nog van alles gaande was, aldus nog steeds Mevrouw X .
Hoewel de gemeente c.s. de door Mevrouw X gestelde toedracht heeft betwist, is de kantonrechter van oordeel dat nadere bewijslevering achterwege kan blijven, omdat zelfs wanneer de kantonrechter veronderstellenderwijs uitgaat van de door Mevrouw X ter zitting gestelde gang van zaken, de kantonrechter het verzoek afwijst. De kantonrechter is namelijk van oordeel dat ten tijde van het ongeval geen sprake was van een gebrekkig opstal als bedoeld in artikel 6:174 BW. De kantonrechter overweegt daartoe als volgt.
Tussen partijen is niet in geschil dat de trap voldeed aan het Bouwbesluit. Niet kan met succes worden gesteld dat de trap door de afwijkende maten vanaf trede 7 en lager ten opzichte van de hoger gelegen treden tot en met tribune 13 niet voldeed aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mocht stellen. De rechtbank stelt voorop dat bij het beklimmen en afdalen van trappen van tribunes een extra oplettendheid en voorzichtigheid dient te worden betracht omdat het een feit van algemene bekendheid is dat de trappen van tribunes (of het nu gaat om sporthallen, stadions of concert- en theaterzalen) afwijken van een standaard trap en ook de afstand van de te nemen treden voortdurend kan wijzigen, al naar gelang de constructie van de tribune en de plaatsing van de stoelen. Die oplettendheid is ook geboden omdat in veel gevallen – zoals ook in het onderhavige geval – geen trapleuningen aanwezig zijn omdat de constructie van een tribune dat niet toelaat.
Weliswaar is voorstelbaar dat Mevrouw X , toen zij van de tribune afliep, op de eerste tien treden en stukken tribune van gelijke lengte een bepaalde cadans in haar loopritme ontwikkelde, zoals Mevrouw X heeft gesteld, maar dit ontslaat haar niet van de voornoemde oplettendheid. Weliswaar mocht zij er, zolang ze tussen de stoelen liep van uitgaan dat de treden even diep waren, maar op het moment dat de tribune feitelijk eindigt, diende zij erop bedacht te zijn dat de situatie kon wijzigen. Mevrouw X mocht er dan ook niet vanuit gaan dat de treden van de gehele trap dezelfde lengte zouden hebben en dat zij de gehele trap in dezelfde cadans kon aflopen. Trede 7 bevond zich op de overgang van de rijen met stoelen naar het looppad. Daarbij is van belang, zoals blijkt uit de foto onder rov. 2.3., dat Mevrouw X zelfs bij een normale oplettendheid in de door haar gestelde situatie waarin ze vrij zicht had en er geen mensen voor haar liepen, voor haar voldoende zichtbaar moet zijn geweest dat vanaf trede 7 de diepte van alle treden tot aan het looppad wijzigde, zeker gezien het grote verschil in diepte (een halvering van 42/43 naar 22 cm).
Het voorgaande maakt dat het Mevrouw X bij de door haar in de gegeven omstandigheden in acht te nemen oplettendheid had moeten opvallen dat de diepte van de treden vanaf trede 7 wijzigde. Voor zover Mevrouw X heeft aangevoerd dat zij is afgeleid door een vrouw die folders uitdeelde en omdat er in de zaal ook nog van alles gaande was, komt dit voor haar rekening en risico. Mevrouw X heeft erkend dat de vrouw die folders uitdeelde stond opgesteld op het looppad onderaan de trap, zodat zij eerst de trap met de nodige oplettendheid had kunnen afdalen alvorens de folder in ontvangst te nemen.
De omstandigheid dat de gemeente de tribune enkele maanden na het ongeval van Mevrouw X heeft aangepast, maakt wellicht dat de situatie thans veiliger is dan voorheen, maar hieruit kan niet de conclusie worden getrokken dat de tribune voorheen gebrekkig was. Voor zover Mevrouw X heeft gesteld dat in de nieuwe situatie de treden in een sterk van de tribune afwijkende kleur zijn geverfd, geldt dat ook in de oude situatie de kleur van de treden afweek van de kleur van de tribune, zoals uit de in het geding gebrachte foto’s blijkt. Daarmee had de gemeente voldaan aan haar – uit het ontbreken van een trapleuning voortvloeiende – verplichting om er voor te zorgen dat de vorm en afmeting van de verschillende treden, en daarmee de afwijking vanaf trede 7, voldoende kenbaar was voor bezoekers. Tot slot leidt de afwezigheid van antislipstroken in de oude situatie er niet toe dat de trap toen gebrekkig was, waarbij van belang is dat Mevrouw X niet heeft gesteld dat zij is uitgegleden, maar een misstap heeft gemaakt vanwege de diepte van trede 7, zodat causaal verband ontbreekt.

Het voorgaande leidt ertoe dat de gemeente niet op grond van de artikelen 6:174 en/of 6:162 BW aansprakelijk is voor het ongeval.

zondag 1 maart 2015

Nederlandse Wandelsport Bond informeert terecht rechtstreeks de leden van regionale bond over gevolgen van fusie


De Nederlandse Wandelsport Bond (NWB) is een nationale wandelsportbond. De Sticht Gooise Wandelsport Bond (SGWB) is, samen met andere regionale wandelsportbonden, lid van de NWB.
Wandelaars kunnen, al dan niet via lokale wandelsportorganisaties, lid worden van een regionale wandelsportbond. Zij kunnen er ook voor kiezen om (naast of in plaats van hun lidmaatschap bij een regionale wandelsportbond) rechtstreeks lid te worden van de NWB.
In de Akte van Statutenwijziging van de NWB van 29 december 2011 is het volgende bepaald:
“Artikel 3.
3. De NWB stelt zich ten doel het organiseren en het beoefenen van de wandelsport te bevorderen en alles te doen wat hiertoe kan leiden of bevorderlijk kan zijn, een en ander genomen in de ruimste zin van het woord.
(…).
Artikel 5.
LEDEN
5. De NWB kent als leden:
a. ereleden;
b. leden van verdienste;
c. bestuursleden;
d. regionale wandelsportbonden, hierna te noemen regionale bonden;
e. landelijke en/of regionale organisaties, hierna te noemen aangesloten organisaties;
f. rechtstreekse leden;
g. bijzondere leden.
Artikel 6.
DEFINITIES VAN DE LEDEN
(…).
6.4.
Een regionale bond is een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid die zich richt op een door de NWB vastgesteld geografisch omschreven gebied.
(…).
6.6.
Rechtstreekse leden zijn natuurlijke personen:
a. woonachtig in gebieden waar met inachtneming van het hiervoor in artikel 6.4 bepaalde geen regionale bond, aangesloten bij de NWB, vertegenwoordigd is;
b. buiten Nederland woonachtig (tenzij lid van een regionale bond); of
c. die hebben verklaard te kiezen voor het rechtstreekse lidmaatschap van de NWB.”

In artikel 3 van het Huishoudelijk reglement van de NWB is het volgende bepaald:
“VERPLICHTINGEN
3.1.
Regionale bonden zijn verplicht ter kennis van hun leden te brengen dat statuten, huishoudelijk reglement en andere reglementen, bepalingen en besluiten van de NWB op hen van toepassing zijn.
3.2.
Regionale bonden moeten (aanvullende) ledenopgaven met vermelding van de ingangsdatum en wat betreft de leden-natuurlijke personen de gegevens met betrekking tot de voornaam, de achternaam, het adres, de woonplaats met de postcode (de zo genaamde NAW-gegevens), het geslacht en de geboortedatum) uiterlijk op de door de NWB aan te geven data inzenden aan de NWB.
(…).”
Omdat de SGWB lid is van de NWB ontvangen wandelaars die (al dan niet via een lokale wandelsportorganisatie) lid zijn van de SGWB, het magazine ‘Wandelen’ en het landelijk wandelprogramma (hierna: LWP), dat wordt uitgegeven door de NWB en de Koninklijke Nederlandse Bond voor Lichamelijke Opvoeding-Wandelsportorganisatie Nederland (hierna: KNBLO-NL), de andere nationale wandelsportbond. In het LWP is informatie opgenomen over alle wandeltochten en evenementen van de NWB en de KNBLO-NL. Aangesloten wandelaars ontvangen korting op die wandeltochten en evenementen.
De NWB heeft het voornemen om, samen met de bij haar aangesloten regionale bonden die hier positief tegenover staan, op 1 januari 2015 te fuseren met de KNBLO-NL. De nieuwe bond zal de Koninklijke Wandel Bond Nederland (hierna: KWBN) gaan heten.
Anders dan de meeste andere regionale wandelbonden heeft de SGWB zich tegenstander van de fusie getoond. Een meerderheid van de aanwezige leden op de algemene ledenvergadering van de SGWB van 17 mei 2014 heeft gestemd voor een zelfstandig voortbestaan van de SGWB en opzegging van het lidmaatschap van de SGWB bij de NWB als de fusie tussen de NWB en de KNBLO-NL doorgang zal vinden.
Op 6 augustus 2014 hebben de NWB en de SGWB gezamenlijk vergaderd over de gevolgen van dit besluit van de SGWB. In de conceptnotulen van deze vergadering is het volgende vermeld:
“1. Opening
De voorzitters van beide besturen benadrukken nogmaals dat, in opdracht en in belang van beider verenigingen, zij alle openstaande punten op deze vergadering ‘netjes’ willen oplossen.
(…).
9Overstappende leden (individuele leden en verenigingen)
(…).
Op dit moment zijn er een aantal individuele leden die aan hebben gegeven dat zij lid willen worden van de NWB. Er zijn ook een aantal verenigingen die inmiddels lid zijn geworden van de NWB. (…). Het is aan de leden zelf om zich af te melden bij de SGWB. Men kan ook lid zijn van meerdere verenigingen (c.q. bonden). (…).”
In de conceptnotulen van de bestuursvergadering van de NWB van 8 oktober 2014 is het volgende vermeld:
“7. Voortgang fusieproces met KNBLO-NL
a. Voortgang proces
(…).
b. Afhandeling SGBW
Er is 1 ½ maand geleden een gesprek tussen het bestuur van de NWB en de SGWB geweest en daarin zijn afspraken gemaakt. Er zijn nog stukken volgens afspraak nagezonden. De stukken zijn aangeleverd omdat de SGWB deze nodig heeft om hun leden te informeren (…).
De SGWB heeft haar leden tot op heden niet geïnformeerd over de consequenties van de verzelfstandiging. NWB vind dat zij zelf uiteindelijk de leden wel moet informeren als zorgplicht indien de SGWB dit niet doet. NWB zal dan in november een mailing sturen naar de individuele leden.
(…).”
Bij brief van 18 november 2014 heeft de NWB het volgende laten weten aan leden van de SGWB:
“Zoals u wellicht heeft gehoord of gelezen heeft uw regionale bond de SGWB in haar ledenvergadering van 21 mei 2014 besloten om zelfstandig door te gaan en zich niet aan te sluiten bij de fusie van alle regiobonden, KNBLO-NL en de NWB. De nieuwe bond wordt per 1 januari KWBN (Koninklijke Wandel Bond Nederland). (…). Per 1 januari 2015 zal de SGWB door de beslissing van haar ledenvergadering niet langer onderdeel uitmaken van een landelijke wandelbond.
Voor u als lid van de SGWB zal dit helaas consequenties hebben. U ontvangt bijvoorbeeld niet meer zoals u gewend was het blad NWB wandelen, het Landelijk Wandelprogramma (LWP) en de korting bij de landelijke wandeltochten.
Als u wel het magazine, het LWP en de korting wenst te ontvangen dan kunt u nu rechtstreeks lid worden van de NWB. Indien u zich voor 1 december a.s. aanmeldt voor het lidmaatschap 2015 dan ontvangt u wel het LWP 2015 met daarin alle wandeltochten van KWBN van het jaar 2015, u krijgt in 2015 het magazine toegestuurd en u behoudt de korting bij de wandeltochten van de KWBN. (…).
Indien u wilt opzeggen voor het jaar 2015 bij de SGWB dan dient u uw lidmaatschap bij de SGWB vóór 1 december 2014 op te zeggen bij het secretariaat van de SGWB door een e-mail te sturen naar ledenadministratie@sgwb.nl. Beschikt u niet over e-mail dan volstaat een briefje. Dit kunt u aan het bondsbureau van de Nederlandse Wandelsport Bond richten. Het adres vindt u bovenaan deze brief. Wij zorgen er dan voor dat uw opzegging terecht komt bij de SGWB.
Om vervolgens lid te worden van de NWB kunt u uw aanmelding doen via onze website www.nwb-wandelen.nl/lid worden, of contact opnemen met het bondsbureau via e-mail info@nwb-wandelen.nl of tijdens kantooruren telefonisch via telefoonnummer 030-2319458. Nadat u overgestapt bent ontvangt u van ons weer wat u voorheen gewend was.
(…).”
Vorig jaar waren circa 9.000 wandelaars lid van de SGWB. Ongeveer 500 leden hebben na de ontvangst van voormelde brief hun lidmaatschap van de SGWB opgezegd.

De vordering
De SGWB heeft als belangrijkste vordering dat de voorzieningenrechter de NWB bij vonnis in kort geding zal veroordelen tot het betalen van € 5.000,00

De motivering van de SGWB
De SGWB heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat de NWB voor de verzending van de brief van 18 november 2014 onrechtmatig gebruik heeft gemaakt van de ledenbestanden van de SGWB, omdat die slechts tot haar beschikking staan om het magazine ‘NWB Wandelen’ te kunnen verspreiden en de leden van de SGWB van relevante informatie te kunnen voorzien, niet om hen te bewegen tot het opzeggen van hun lidmaatschap. Door de leden van de SGWB te bewegen tot het opzeggen van hun lidmaatschap heeft de NWB bovendien gehandeld in strijd met de tussen haar en de SGWB gemaakte afspraken, waaronder de afspraak om “niet in elkaars vijver te vissen”. Ook dat is onrechtmatig jegens de SGWB. De SGWB lijdt bovendien schade, omdat haar leden gehoor geven aan de oproep tot het opzeggen van hun lidmaatschap.

Verweer NWB
De NWB heeft verweer gevoerd. Dat verweer komt erop neer dat het bestuur van de SGWB haar leden, ondanks herhaald verzoek daartoe door de NWB, onvoldoende heeft geïnformeerd over de gevolgen van het besluit tot verzelfstandiging. Het laatste verzoek is op 9 november 2014 telefonisch geuit, aldus de NWB. De NWB heeft uiteengezet dat de leden van de SGWB, als lid van de NWB, na de fusie van rechtswege lid zullen zijn van de KWBN en dat zij derhalve contributie zullen moeten voldoen aan de KWBN. Daar staan dan alle voordelen van dit lidmaatschap (het magazine ‘Wandelen’, het LWP en de korting op wandeltochten en evenementen) tegenover. Maar de leden van de SGWB zullen na de verzelfstandiging van de SGWB ook aan de SGWB contributie moeten afdragen. Als zij niet overgaan tot opzegging van één van beide lidmaatschappen, zullen zij derhalve geconfronteerd worden met extra kosten. Nu betalen de leden van de SGWB namelijk slechts één jaarlijks contributiebedrag, dat door de SGWB en de NWB wordt verdeeld. Omdat de SGWB haar leden hierover – volgens de NWB ten onrechte – niet heeft geïnformeerd, heeft de NWB, met inachtneming van het bepaalde in artikel 3 van haar statuten, gemeend die noodzakelijke informatie zelf te moeten verstrekken aan de circa 850 SGWB-leden die geen lid zijn van een lokale wandelsportorganisatie en die dus geen informatie hebben ontvangen van een lokale wandelsportorganisatie. Alleen aan deze circa 850 leden van de SGWB heeft zij de brief van 18 november 2014 verzonden, aldus de NWB.
De NWB heeft voorts aangevoerd dat zij ingevolge artikel 3 van haar huishoudelijk reglement over de NAW-gegevens van deze 850 aangeschreven leden beschikt en dat zij deze gegevens daarom niet onrechtmatig heeft gebruikt. Ook heeft zij niet in strijd gehandeld met de gestelde tussen partijen gemaakte afspraak om niet “in elkaars vijver te vissen”, omdat een dergelijke afspraak, die ook niet in de conceptnotulen is vermeld, volgens haar niet is gemaakt. Zo’n afspraak zou volgens de NWB ook onzinnig zijn geweest, aangezien de aangeschreven leden immers ook lid zijn van de NWB. Tot slot heeft de NWB aangevoerd dat eventuele schade van de SGWB niet kan worden toegerekend aan de NWB.
De SGWB heeft in reactie op het verweer van de NWB naar voren gebracht dat zij haar leden wel degelijk, en bij herhaling, afdoende heeft geïnformeerd over de gevolgen van de fusie. Zo heeft zij haar leden in mei 2014 uitgenodigd voor een extra ledenvergadering, waar zij haar leden heeft laten weten dat zij na de verzelfstandiging het magazine ‘Wandelen’ en het LWP niet meer zouden ontvangen, en heeft zij hen laten weten dat de contributie in 2015 op het niveau van 2014 zal blijven. Ook in een extra vergadering op 4 november 2014 zijn de leden nog eens geïnformeerd, al heeft de focus toen gelegen op wat de SGWB haar leden na de verzelfstandiging zelf te bieden heeft. Hoewel de korting op LWP-activiteiten zal komen te vervallen, zullen de leden na de verzelfstandiging namelijk nog steeds wandelinformatie ontvangen, vergelijkbaar met het LWP, maar dan van de SGWB zelf. Dat heeft de SGWB hen op 4 november 2014 laten weten. Verder heeft zij haar leden bij die gelegenheid een presentatie gegeven over het strategisch plan. De opkomst op deze vergadering was beduidend hoger dan normaal, zeker 60 à 70 personen zijn hier naartoe gekomen. Desgevraagd heeft de SGWB gesteld niet te weten welke informatie de onder haar ressorterende lokale wandelsportorganisaties aan hun leden hebben verstrekt met betrekking tot de verzelfstandiging van de SGWB, maar dat is haars inziens niet van belang, aangezien zij deze leden zelf afdoende heeft geïnformeerd. De SGWB heeft erkend dat circa 850 van haar leden niet aangesloten zijn bij een lokale wandelsportorganisatie.

Oordeel voorzieningenrechter
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter had het primair op de weg van de SGWB zelf, de zich afscheidende bond, gelegen om haar leden tijdig voor te lichten over de precieze gevolgen daarvan. De voorzieningenrechter overweegt dat de SGWB niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij voldoende informatie heeft gegeven. Gesteld noch aannemelijk is immers geworden dat de door SGWB verstrekte informatie meer leden heeft bereikt dan de 60 à 70 die aanwezig zijn geweest op de ingelaste extra ledenvergaderingen van 17 mei en 4 november 2014. Dat is minder dan 1% van het totale ledental van de SGWB. Nu de SGWB in dit verband bovendien ter zitting heeft medegedeeld niet te weten of (en zo ja, hoe) de lokale wandelsportorganisaties hun leden hebben geïnformeerd, acht de voorzieningenrechter het niet voldoende aannemelijk dat het merendeel van de leden van de SGWB voldoende is geïnformeerd over de gevolgen die de verzelfstandiging van de SGWB voor hen zal hebben. Het vermoeden van onvoldoende informatieverstrekking door de SGWB op dit punt wordt versterkt door de omstandigheid dat circa 500 van de 850 leden die de brief van 18 november 2014 hebben ontvangen, hebben gereageerd met opzegging van hun lidmaatschap van de SGWB. Gelet op de inhoud van die brief acht de voorzieningenrechter het aannemelijk dat deze leden zich tot dat moment niet hadden gerealiseerd dat SGWB-leden vanaf 2015 geen recht meer zullen hebben op de korting op de wandeltochten en evenementen van de NWB/KNBLO-NL (KNWB), terwijl die korting, naar de voorzieningenrechter begrijpt, toch een wezenlijk element is van het lidmaatschap van een wandelvereniging of -bond.
Bij gebreke van voldoende tijdige voorlichting door de SGWB is het begrijpelijk dat de NWB heeft gemeend die informatie zelf te moeten verstrekken, in ieder geval aan die leden die niet kunnen zijn geïnformeerd door hun lokale wandelsportorganisatie. Dat geldt temeer nu de NWB onbetwist heeft aangevoerd dat artikel 3 van haar statuten daartoe noopt. Dat de NWB de bewuste brief heeft verzonden, kan haar dan ook niet worden tegengeworpen, zodat het gestelde onrechtmatig handelen niet kan worden aangenomen. Datzelfde geldt met betrekking tot het gebruik van de ledenbestanden van de SGWB. Ook dat kan de NWB niet worden tegengeworpen, nu voldoende aannemelijk is dat de leden van de SGWB ook gebonden zijn aan de statuten en reglementen van de NWB. Dat in de brief van 18 november 2014 niet is vermeld dat een lidmaatschap van zowel de SGWB als de fusiebond mogelijk is, terwijl partijen daarover wel overeenstemming hadden bereikt, maakt het voorgaande niet anders. Aldus moeten de vorderingen van SGWB worden afgewezen.


zaterdag 14 februari 2015

Geen arbeidsovereenkomst maar overeenkomst van opdracht met trainer, redelijk vergoeding voor beëindigen overeenkomst van opdracht = zes maanden salaris


De feiten
Van 't Westeinde is per 1 juli 2012 werkzaam bij Veensche Boys als trainer-coach van de selectie voor het eerste elftal. Zulks - in eerste instantie - op basis van een  arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Op uitdrukkelijk verzoek van Van 't Westeinde is per 1 juli 2013 tussen partijen afgesproken dat Van 't Westeinde de werkzaamheden via zijn vennootschap, Sportbytes B.V., zou gaan verrichten en die vennootschap daarvoor facturen aan Veensche Boys zou gaan verzenden. Voor het seizoen 2014/2015 is vervolgens overeengekomen dat 10 termijnen van € 1.300,-­ exclusief BTW  aan Veensche Boys zouden worden gefactureerd; bedoelde vennootschap in het seizoen 2014/2015 voorts tweemaal een evenement ten behoeve van Veensche Boys zou organiseren, waarvoor een factuur van totaal
€ 4.500,-- exclusief BTW zou worden ingediend en Van 't Westeinde een vrijwilligersvergoeding zou ontvangen van € 1.500,--. Voornoemde vennootschap heeft in het seizoen 2013/2014 ten titel van managementfee conform afspraak declaraties aan Veensche Boys verzonden welke allen zijn voldaan. De overeenkomst zou voortduren tot het einde van het seizoen 2014/2015.
In het najaar van 2013 heeft de heer Bouw, lid van de selectie van het eerste elftal van Veensche Boys en voorzitter van de technische commissie Veensche Boys, een affectieve relatie ontwikkeld met de echtgenote van de heer lesberts, de assistent­ trainer van het eerste elftal. Die relatie heeft binnen de vereniging voor de nodige commotie en in de verhouding tussen de heer lesberts en de heer Bouw voor de nodige spanning gezorgd. De heer Bouw heeft zich op enig moment  als speler teruggetrokken, maar opengelaten of hij op een later moment weer zou terugkeren.
Gelet op de bijzondere positie van de heer Bouw binnen de vereniging, heeft het bestuur van Veensche Boys Van 't Westeinde voor de zomerstop  in 2014 medegedeeld dat de mogelijkheid bestond dat de heer Bouw zich op enig moment weer bij de selectie zou aansluiten, zonder dat daarvoor  op dat moment enige concrete aanwijzing  was.
Op 15 juli 2014- na de start van de voorbereiding voor het nieuwe seizoen en na een half jaar niet spelenttrainen - heeft de heer Bouw  aan Van 't Westeinde aangegeven dat hij zich inderdaad wilde gaan aansluiten bij de selectie. Bekend was dat de heer lesberts daarmee zeer grote moeite had.
Van 't Westeinde heeft het bestuur van Veensche  Boys, gelet op de ontstane spanningen, om interventie gevraagd  en een bijdrage aan de oplossing  van de te moeizame - persoonlijke - verhoudingen.
Na de nodige ontwikkelingen heeft de heer Schouten, als voorzitter van Veensche Boys, Van 't Westeinde op 7 augustus 2014 gevraagd te overleggen. Bij die bespreking was ook de heer Bouw aanwezig. In die bespreking heeft de heer Bouw uiteindelijk  medegedeeld dat hij geen vertrouwen in Van 't Westeinde meer had en hij alle werkzaamheden, inclusief die van de technische  commissie  binnen Veensche Boys zou neerleggen. Daarop heeft hij de bespreking verlaten.
Op 8 augustus  2014 heeft de heer Schouten aan Van 't Westeinde-na bestuursoverleg - medegedeeld dat Van 't Westeinde geen trainer meer zou zijn van Veensche  Boys en binnen het bestuur was gekozen  ten faveure van de heer Bouw.
Bij brief d.d. 19 augustus  2014 heeft Veensche Boys Van 't Westeinde  bericht:

"Beste Wim,

Bij deze delen wij je mede dat per 15 augustus  2014 wij de samenwerking met jou als trainer-coach voor het 1e elftal bij de s.v. Veensche Boys beëindigen.
Uiteraard kan je tot 15 augustus 2014 de door jou gewerkte uren voor de vereniging declareren.
Reden van beëindiging: de grote verschillen van inzicht betreffende verantwoordelijkheden en bevoegdheden van vereniging en de trainer waardoor er een onwerkbare situatie is ontstaan.
Als er vragen zijn van jouw kant zijn m.b.t. de financiële afhandeling zijn wij bereid om op korte termijn een afspraak met jou te organiseren.
Wij danken je voor je inzet voor de vereniging en wensen je veel succes bij je verdere trainersloopbaan"

Bij brief d.d. 24 augustus 2014 heeft Van 't Westeinde geprotesteerd tegen de beëindiging van de samenwerking. In de periode daaraan voorafgaand (tussen 8 en 19 augustus 2014) heeft de heer Bouw Van 't Westeinde telefonisch gemeld dat hij bereid was als speler terug te treden als het bestuur van Veensche Boys het besluit om Van 't Westeinde te ontslaan zou hernemen.
Op 14 augustus 2014 heeft voorts de heer lesberts medegedeeld dat hij de heer Bouw (toch) in het eerste elftal zou kunnen gedogen. Zulks heeft er niet toe geleid dat het bestuur van Veensche Boys op haar oorspronkelijke beslissing d.d.
8 augustus 2014 is teruggekomen; zij heeft dat besluit geformaliseerd bij voormelde brief van 19 augustus 2014.

Kern van het geschil
Partijen verschillen van mening over de vraag of tussen hen een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht geldt en wat de gevolgen zijn van de opzegging van hun samenwerking door Veensche Boys per 15 augustus 2014.

Oordeel arbitragecommissie

Arbeidsovereenkomst of overeenkomst van opdracht?
Allereerst heeft de arbitragecommissie te oordelen over de vraag of tussen partijen is gecontracteerd op basis van een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst van opdracht. In dat kader overweegt de arbitragecommissie dat Van 't Westeinde desgevraagd ter zitting heeft medegedeeld dat zijn hoofdinkomen wordt verkregen door als zelfstandig adviseur binnen opdrachtgever/opdrachtnemer-relaties in de sportwereld vanuit zijn vennootschap Sportbytes B.V. actief te zijn. Langs die lijn adviseert en ondersteunt Van 't Westeinde onder meer gemeenten en sportbonden.
Het verzoek van Van 't Westeinde in 2013 om de verhouding met Veensche Boys langs dezelfde lijn in te richten, is naar het oordeel van de arbitragecommissie dan ook een expliciete en bewuste keuze van Van 't Westeinde (en Veensche  Boys) geweest. Partijen hebben sedertdien de bedoeling gehad op basis van een opdrachtnemer/opdrachtgever­ relatie de werkzaamheden te doen verrichten. Partijen hebben nadien hun arbeidsverhouding ook niet op een zodanige wijze feitelijk ingevuld, dat zulks tot een ander oordeel dient te leiden (vgl. HR 14november  1997, NJ 1998, 149; Groen/Schoevers).
Hierop stuiten de primaire en subsidiaire vordering  van Van 't Westeinde af.

Recht op naar redelijkheid vast te stellen deel loon?
Op voet van het bepaalde  in artikel 7:408 BW kan de opdrachtgever te allen tijde de overeenkomst opzeggen,  maar geldt op voet van het bepaalde  in artikel 7:411 BW dat indien de overeenkomst eindigt voordat de opdracht is volbracht of de tijd waarvoor  zij is verleend, is verstreken en de verschuldigdheid van het loon afhankelijk is van de volbrenging of van het verstrijken van die tijd, de opdrachtnemer recht heeft op een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon. De opdrachtnemer heeft, gelet op het bepaalde in het 2e lid van voornoemd artikel, slechts recht op het volle loon indien het einde van de overeenkomst aan de opdrachtgever is toe te rekenen en de betaling van het volle loon, gelet op alle omstandigheden van het geval, redelijk is.
Vaststaat  dat de opdracht tot 15 augustus 2014 heeft voortgeduurd en zijdens Van 't Westeinde/Sportbytes B.V. over de periode vanaf 1 juli 2014 nog geen facturen zijn verzonden. De arbitragecommissie verstaat, ook gelet op de opmerking daarover van de heer Van Leeuwen ter zitting, dat indien een correcte factuur over de periode tot 15 augustus 2014 wordt verzonden, Veensche Boys voor correcte betaling zal zorg dragen.
Derhalve dient de arbitragecommissie te beoordelen of het redelijk is dat aan Van 't Westeinde,  althans Sportbytes B.V., over de periode van 15 augustus 2014 tot 1 juli 2015 nog een vergoeding  toekomt. Bij de bepaling van de omvang van de vergoeding dient op grond van de wet onder meer rekening te worden gehouden met de besparingen die voor de opdrachtnemer uit de voortijdige  beëindiging voortvloeien  (in casu onder meer reiskosten)  en de vraag of de beëindiging aan Veensche Boys kan worden toegerekend. Daartoe overweegt  de arbitragecommissie als volgt.
Van 't Westeinde zag zich in de hiervoor geschetste omstandigheden geconfronteerd met aan de ene kant de gerechtvaardigde belangen en emoties van zijn assistent-trainer en aan de andere kant de belangen van de voor Veensche Boys belangrijke heer Bouw. Dat Van 't Westeinde het bestuur heeft verzocht ter zake actief te werken aan een oplossing, acht de arbitragecommissie in de aan de orde zijnde omstandigheden geraden.
Naar het oordeel van de arbitragecommissie heeft het bestuur, hoewel de arbitragecommissie begrip heeft voor de moeilijke situatie waarin zich ook het bestuur van Veensche Boys bevond, onvoldoende actief opgetreden en daarmee feitelijk de trainer verantwoordelijk gemaakt voor niet-voetbaltechnische aangelegenheden.
Dat het bestuur uiteindelijk- alles afwegende- heeft gekozen voor de heer Bouw, is in de gegeven omstandigheden wellicht niet onbegrijpelijk, maar een andere keuze zou evenzeer te rechtvaardigen zijn geweest. Door de consequenties van die keuze van Veensche Boys uitsluitend af te wentelen op Van 't Westeinde, met wie een overeenkomst was gesloten tot het einde van het seizoen 2014/2015, acht de arbitragecommissie- alle omstandigheden wegend - niet billijk. Van 't Westeinde heeft dan ook recht op een naar redelijkheid vast te stellen deel van het loon.
Het volle loon acht de arbitragecommissie echter niet billijk. De arbitragecommissie acht het redelijk dat, rekening houdend met nog het door Veensche Boys te betalen bedrag over de periode tot 15 augustus 2014 en alle omstandigheden van het geval, nog zes reguliere termijnen en derhalve een bedrag van € 7.800,-- (exclusief de eventueel verschuldigde omzetbelasting) door Sportbytes B.V. aan Veensche Boys kan worden gefactureerd. De arbitragecommissie acht billijk dat daarvoor de reguliere betalingstermijnen worden gehanteerd.

vrijdag 6 februari 2015

Beantwoording minister Asscher kamervragen: vallen bondstrainers en technisch directeuren onder ketenbepaling Wwz?

Redactie: duidelijk is dat voor contractspelers en trainer/coach in het betaald voetbal (als dat bij CAO wordt afgesproken) zijn vrijgesteld van de ketenregeling in de Wwz omdat die functies voldoen aan de gestelde voorwaarden en die zullen bij ministeriële regeling worden aangewezen.
Onduidelijk is of dat ook gaat gelden voor bondstrainers en technisch directeuren. In tegenstelling tot hetgeen sportwerkgever.nl meldt in "Uitzonderingketenbepaling voor technisch directeur en bondstrainer" 
geeft de minister daar geen antwoord op.


Vragen van de leden Van Veen en Anne Mulder (beiden VVD) aan de ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Sociale Zaken en Werkgelegenheid over het artikel ‘Meer nadelen dan voordelen’ (ingezonden 11 december 2014)

Vraag 1 Kent u het artikel “Meer nadelen dan voordelen”? ‘Meer nadelen dan voordelen’, De Maas Driehoek (9 december 2014).

Antwoord 1 Ja.

Vraag 2 Wat zijn de te verwachten effecten van de nieuwe Wet werk en zekerheid (Wwz) en de daaropvolgende ketenbepaling voor de amateursport?

Antwoord 2 De ketenbepaling regelt wanneer elkaar opvolgende tijdelijke contracten overgaan in een vast contract. In de huidige situatie is dat het geval bij meer dan drie elkaar opvolgende tijdelijke contracten of (bij een minder aantal) als een periode van drie jaar wordt overschreden. Tijdelijke contracten worden als opeenvolgend gezien als zij elkaar met een tussenpoos van drie maanden of minder opvolgen. Van deze tussenpoos kan bij cao onbeperkt worden afgeweken. Dat geldt ook voor het aantal contracten en de periode van drie jaar waarna een vast contract ontstaat. Het doel van de ketenbepaling is echter dat na verloop van tijd voor werknemers zekerheid ontstaat in de vorm van een vast contract. Omdat de huidige regeling te veel mogelijkheden biedt om werknemers structureel en langdurig in te schakelen op basis van tijdelijke contracten, is in het Sociaal Akkoord van 11 april 2013 afgesproken de ketenbepaling zodanig aan te passen dat deze haar doelstelling beter kan vervullen. Zo wordt de balans tussen vast en flexibel werk beter in evenwicht gebracht. In de Wwz wordt de ketenbepaling dan ook overeenkomstig de afspraken in het Sociaal Akkoord met ingang van 1 juli 2015 zo aangepast dat meer dan drie elkaar opvolgende tijdelijke contracten overgaan in een vast contract of (bij een minder aantal) als een periode van twee jaar wordt overschreden.
Tijdelijke contracten worden als opeenvolgend gezien als zij elkaar met een tussenpoos van zes maanden of minder opvolgen. Bij cao kan alleen nog worden afgeweken van de ketenbepaling als het uitzendovereenkomsten betreft, of als het werken met tijdelijke contracten gegeven de intrinsieke aard van de bedrijfsvoering noodzakelijk is, met dien verstande dat het aantal contracten ten hoogste kan worden gesteld op zes in een periode van vier jaar. Van de tussenpoos van zes maanden kan niet bij cao worden afgeweken.
Voor de beantwoording van de vraag of de ketenbepaling van toepassing is, dient ook te worden meegenomen of er sprake is van een arbeidsovereenkomst of van vrijwilligerswerk. Binnen de amateursport wordt immers veel gebruik gemaakt van onbetaalde krachten (of tegen een geringe vergoeding) waarop de ketenbepaling niet van toepassing is. Daar waar gewerkt wordt met betaalde krachten geldt ook voor de amateursport dat het langdurig en onvrijwillig inschakelen van werknemers op flexibele contracten door één en dezelfde werkgever, waar het in feite structurele werkzaamheden betreft, zoveel mogelijk moet worden teruggedrongen. De verwachting is dat dit ook in de amateursport zal leiden tot een toename van het aantal vaste contracten.

Vraag 3 Klopt het dat u een uitzondering maakt voor bijvoorbeeld de profvoetbalsector? Doet u dit op basis van de intrinsieke aard van de bedrijfsvoering, een oplossing die de Wwz mogelijk maakt? Deelt u de mening dat het bij de aard van de bedrijfsvoering niet uit maakt of het om professionele of amateursport gaat, maar dat het gaat om de sector als totaal? Zo nee, waarom niet? Zo ja, waarom maakt u dan verschil binnen de sportsector tussen amateur- en professionele sport?

Antwoord 3 Bij cao kan de ketenbepaling buiten toepassing worden verklaard voor functies die ik bij ministeriële regeling heb aangewezen. Deze functies dienen aan de volgende cumulatieve voorwaarden voldoen:
· Het is voor die functies in een bedrijfstak reeds bestendig gebruik om de arbeid uitsluitend te verrichten op grond van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd;
· Het is vanwege de intrinsieke aard van de bedrijfsvoering als van die functies noodzakelijk om de arbeid uitsluitend te verrichten op grond van arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd, niet zijnde uitzendovereenkomsten. Het betreft functies in een bedrijfstak waar onverkorte toepassing van de ketenbepaling tot onaanvaardbare consequenties zou leiden en het voortbestaan van de sector in het geding zou komen.
Het gaat dan om (functies binnen) bedrijfstakken waar om die reden uitsluitend met tijdelijke contracten kan worden gewerkt, waarvoor het gebruik van langjarige tijdelijke contracten ook geen oplossing kan vormen en waarvoor de gemaximeerde afwijkingsgrond, zoals hierboven omschreven, onvoldoende soelaas biedt. De functies van contractspeler en trainer/coach in het betaald voetbal voldoen aan de gestelde voorwaarden en zullen bij ministeriële regeling worden aangewezen.
 Dit is noodzakelijk omdat zonder deze uitzondering clubs binnen het betaald voetbal onvoldoende zekerheid hebben over het behoud van spelers en trainers. Wanneer door de ketenbepaling een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd ontstaat, zou de arbeidsovereenkomst op elk gewenst moment met inachtneming van een opzegtermijn van een maand kunnen worden opgezegd, zonder dat daar enige financiële compensatie voor de club tegenover zou staan. Dit brengt dus niet alleen sportieve schade toe aan clubs in het betaald voetbal, maar tast ook de huidige systematiek van vergoedingen aan die verschuldigd zijn bij spelerswisselingen waardoor het voortbestaan van de sector in het gedrang komt. Voor trainers geldt dat het technische beleid van een club vaak mede wordt bepaald door de trainer. Het zou dan ook niet alleen slecht zijn voor de continuïteit als een trainer van de een op de andere dag zijn arbeidsovereenkomst kan opzeggen, maar tevens tot ernstige financiële schade voor de club kunnen leiden (nieuwe trainer, met nieuwe wensen als het gaat om spelers). De uitzondering bij ministeriële regeling voor de functie van speler en trainer in het betaald voetbal is gestoeld op bovenstaande overwegingen (en derhalve op de intrinsieke aard van de bedrijfsvoering in het betaald voetbal). Wat betreft de amateursport zou ik een vergelijkbare toets doen ten aanzien van de consequenties voor de bedrijfsvoering, mocht een verzoek om uitzondering op de toepassing van de ketenbepaling gedaan worden (zie ook het antwoord op vraag vier).

Vraag 4 Wat heeft u met de eerdere signalen uit de sportwereld aangaande de Wwz gedaan, en wat heeft u gedaan om de onzekerheid en onrust bij de amateursport weg te nemen?

Antwoord 4 In gesprekken met de KNVB en NOC*NSF heb ik toegelicht wat de wijziging van de ketenbepaling precies inhoudt. Vervolgens hebben beide organisaties een verzoek ingediend om in aanmerking te komen voor de uitzondering als beschreven in antwoord 3. De KNVB heeft verzocht om een uitzondering voor de functies van contractspelers, trainers/coaches en (assistent)scheidsrechters in het Nederlandse profvoetbal. NOC*NSF heeft verzocht om een uitzondering voor de functies van bondstrainers en technisch directeuren. Wat betreft functies binnen de amateursport heeft NOC*NSF een dergelijk verzoek niet gedaan. Dit kan mede zijn oorzaak vinden in de omstandigheid dat sportverenigingen niet onder een cao vallen. Als vereiste is immers in de wet is opgenomen dat de ketenbepaling alleen bij cao buiten toepassing kan worden verklaard voor functies die ik bij ministeriële regeling heb aangewezen. Wellicht zal NOC*NSF een dergelijk verzoek in de toekomst nog doen, dat ik dan op zijn eigen merites zal beoordelen. Dit geldt ook voor de functie van bondstrainer en technisch directeur in de bedrijfstak sport en de functie van danser en acteur in de podiumkunsten. De zorgen die leven binnen de amateursport, zoals beschreven in het artikel ‘Meer nadelen dan voordelen’, zien op de wijziging van de ketenbepaling waardoor niet meer eindeloze reeksen van tijdelijke contracten kunnen worden aangegaan, of de zomerperiode als tussenpoos van drie maanden kan worden genomen zonder dat een vast contract ontstaat. Zoals ook voor andere bedrijfstakken geldt, doet de amateursport er goed aan zich te beraden op welke wijze de bedrijfsvoering kan worden aangepast om te komen tot een optimale inzet van personeel. Ook werkgevers in de sport kunnen gebruik maken van verschillende vormen van interne flexibiliteit om de zomerperiode opvangen, bijvoorbeeld door met roosters en werktijden een andere inzet van personeel te bevorderen. Over de mogelijkheden hiertoe ga ik het gesprek graag verder aan.

Vraag 5 Deelt u de mening dat er door de Wwz een reële kans is dat veel amateurverenigingen veel meer moeite moeten doen om aan personeel te komen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid maatregelen te nemen om dit tegen te gaan?


Antwoord 5 Vooralsnog verwacht ik niet dat amateursportverenigingen meer moeite zullen ondervinden bij het aantrekken van personeel. Ook onder de Wwz blijft de mogelijkheid bestaan van het aanbieden van drie tijdelijke contracten, zolang deze bij elkaar opgeteld niet langer duren dan een periode van twee jaar. Doordat de tussenpoos in de ketenbepaling wordt verlengd van drie naar zes maanden, bestaat de mogelijkheid dat de werknemer in die tussenliggende periode van zes maanden sneller bij een andere werkgever een baan vindt. Een werkgever zal zich eerder bezinnen om een goede werknemer te laten gaan, aangezien hij niet de zekerheid heeft dat de werknemer na de tussenpoos weer voor hem beschikbaar zal zijn. De verlenging van de tussenpoos zal er derhalve toe leiden dat meer vaste contracten worden aangegaan. 

dinsdag 27 januari 2015

Stadionverbod Jordania blijft van kracht

De heer Jordania, oud aandeelhouder en commissaris van Vitesse, heeft in maart 2014 van Vitesse een stadionverbod gekregen. Dit stadionverbod is opgelegd voor bedreigingen van onder andere de huidige algemeen directeur. Jordania vraagt om opheffing van het stadionverbod. De voorzieningenrechter heeft de vorderingen afgewezen; het stadionverbod voor Jordania blijft van kracht.

Jordania wil opheffing stadionverbod
Volgens Jordania bieden de KNVB-regels en de eigen huisregels van Vitesse juridisch geen grond voor het opleggen van het stadionverbod. Bovendien is volgens hem geen sprake geweest van serieuze bedreigingen.

Bedreigingen geen grapje
De voorzieningenrechter overweegt dat Vitesse aan haar gebruiksrechten van Gelredome en Papendal het recht kan ontlenen om Jordania de toegang te ontzeggen, los van de KNVB-regels en de eigen huisregels van Vitesse. Het staat voldoende vast dat wél sprake is geweest van bedreigingen. Die kunnen niet als grapjes worden afgedaan, zoals de advocaat van Jordania heeft betoogd. Ook als Jordania niet serieus van plan is geweest de bedreigingen uit te voeren, was dat voor de directeur van Vitesse niet duidelijk. Afgezien daarvan valt niet in te zien wat er grappig of humoristisch is aan het iemand in het vooruitzicht stellen van het toebrengen van pijn, ernstig lichamelijk letsel of dood.

Stadionverbod blijft van kracht
De hierboven genoemde bedreigingen zijn ontoelaatbaar, zeker van iemand die een positie heeft bekleed zoals Jordania en die daarom nog steeds een voorbeeldfunctie heeft. Vitesse heeft om deze redenen een stadionverbod kunnen opleggen. Dat Vitesse dit ook wenst te handhaven is begrijpelijk omdat Jordania, ondanks het stadionverbod en een taakstraf, in december 2014 opnieuw bedreigingen tegen de directeur heeft geuit.



maandag 26 januari 2015

Arbitragecommissie KNVB: Transferbedragen afgesproken tussen AZ en Sparta voor overgang Falkenburg en Viergever zijn bindend


De feiten
Sparta vordert € 50.000,00 van AZ. Sparta legt aan haar vordering ten grondslag dat zij op 5 mei 2010 overeenstemming heeft bereikt met AZ met betrekking tot de overgang van de spelers Falkenburg en Viergever.
Voor beide spelers is een aparte transferovereenkomst opgesteld, overeengekomen  en door partijen Sparta en AZ ondertekend. Voor speler Falkenburg is een afkoopsom overeengekomen  van € 750.000,00,. In artikel 3.1 van deze overeenkomst staat:

"Indien de Speler gedurende de looptijd van het dienstverband  tussen AZ en de Speler wordt overschreven naar een andere binnenlandse of buitenlandse betaald voetbal organisatie en terzake deze overschrijving  een (transfer)vergoeding wordt betaald aan AZ, heeft Sparta bovenop de (transfer)vergoeding als genoemd in artikel 2. 1 van deze overeenkomst  recht op een additionele vergoeding ter hoogte van 10% (zegge: tien procent) van de door AZ in dit kader gemaakte Netto Winst, zijnde de door AZ en de nieuwe club van de Speler
overeengekomen  initiële (transfer)vergoeding;
minus
de alsdan van toepassing zijnde solidariteitsbijdrage als bedoeld in de regelgeving van de KNVB en FIFA; en
de door AZ aan Sparta voor de Speler betaalde (transfer)vergoeding van
€ 750.000,00."

Voor de overgang van speler Viergever van Sparta naar AZ is tussen deze partijen een afkoopsom overeengekomen  van € 1.250.000,00. Artikel 3.1 van de overeenkomst tussen AZ en Sparta inzake Viergever is gelijkluidend aan die in de overeenkomst met betrekking tot Falkenburg.  Viergever is inmiddels overgegaan van AZ naar AFC Ajax. AZ en Ajax hebben met betrekking tot deze overgang overeenstemming bereikt over een afkoopwaarde van Viergever. Sparta heeft AZ op basis van de afspraken omtrent doorverkoop zoals vastgelegd in de transferovereenkomst van speler Viergever tussen AZ en Sparta een factuur gezonden.
AZ heeft voldaan aan de betalingsverplichtingen. Sparta geeft aan dat zij echter recht meent te hebben op betaling van een aanvullend bedrag van € 50.000,00. Sparta baseert haar vordering op het eerder tussen Sparta en Falkenburg gewezen vonnis van de arbitragecommissie van de KNVB en stelt dat de reele transfersom (afkoopwaarde van Viergever naar AZ) een bedrag moet zijn van € 750.000,00 nu de arbitragecommissie van de KNVB in de procedure tussen Sparta en Falkenburg een afkoopwaarde van Falkenburg heeft bepaald op € 1.250.000,00. Die uitspraak staat HIER. Als de transfersom van Viergever naar beneden gaat van € 1.250.000,00 naar € 750.000,00 dan wordt de winst die AZ gemaakt heeft met de transfer van Viergever groter. De winst die AZ gemaakt heeft is dan immers niet het bedrag dat Ajax betaald heeft minus € 1.250.000,00 maar minus € 750.000,00. Sparta meent recht te hebben op 10 % van die hogere winst.

Sparta wijst op een verklaring van de heer Brands, toenmalig technisch directeur van AZ, die heeft verklaard dat AZ op 15 april 2010 een all-in vergoeding heeft aangeboden voor de beide spelers van in totaal € 2.000.000,00. De heer Brands geeft ook aan dat Sparta dit bedrag naar alle redelijkheid kon verdelen over de beide spelers in verband met het aan de speler uit te betalen aandeel. Sparta heeft destijds gekozen bij het opmaken van de transferovereenkomsten voor een verdeling van € 750.000,00 voor Falkenburg en € 1.250.000,00 voor Viergever. Daarmee is AZ akkoord gegaan. AZ voert als verweer aan dat partijen op 14 juni 2010 een transferovereenkomst  hebben ondertekend ten aanzien van de transfer van Viergever van Sparta naar AZ. AZ wijst op artikel 3.1, de doorverkoopclausule tussen partijen. In deze overeenkomst wordt uitgegaan van een transfervergoeding van € 1.250.000,00  voor speler Viergever. AZ stelt dat zij in relatie tot Viergever aan al haar contractuele verplichtingen jegens Sparta voldaan heeft en niets meer aan Sparta verschuldigd is. Artikel 3.1 van de tussen Sparta en AZ afgesloten transferovereenkomst is naar het oordeel van AZ helder daar waar het gaat om de berekening van de hoogte van de vergoeding waarop Sparta recht heeft bij doorverkoop van Viergever. Nu de tekst van artikel 3.1 duidelijk is, kan AZ het verzoekschrift niet anders lezen dan dat Sparta de Arbitragecommissie verzoekt om de contractuele afspraak tussen Sparta en AZ terzijde te schuiven en daarmee in te grijpen in de rechtsverhouding tussen beide clubs. Daarvoor ziet AZ geen enkele juridische basis. Het betoog van Sparta dat de contractuele afspraak tussen Sparta en AZ terzijde kan worden gesteld door het genoemde arbitraal vonnis tussen Sparta en Falkenburg, wordt door AZ verworpen omdat er geen enkele band is tussen het arbitraal vonnis en de contractuele afspraken tussen AZ en Sparta met betrekking tot Viergever. Bovendien is het arbitraal vonnis slechts bindend voor de partijen bij die procedure. Nu AZ geen partij was in de procedure tussen Falkenburg en Sparta, is AZ op geen enkele wijze gebonden aan de inhoud van het vonnis. Daarbij merkt AZ nog op dat de Arbitragecommissie in het vonnis tussen Falkenburg en Sparta zich beperkt door op te merken dat niet valt uit te sluiten dat als uiteindelijke reële afkoopwaarde voor Viergever moet worden uitgegaan van een bedrag van € 750.000,00 zonder dat deze stelling ook maar op enige wijze nader wordt onderbouwd. Voor de berekening van het bedrag waarop Sparta recht heeft, is dit naar het oordeel van AZ irrelevant. AZ stelt tenslotte dat Sparta zelf een transferwaarde aan Viergever heeft toegekend die zij goed dunkte.

Oordeel arbitragecommissie
Sparta heeft gecontracteerd met AZ zoals zij wenste te contracteren en heeft met AZ afgesproken dat zijzelf, Sparta dus, in de relatie tussen AZ en Sparta een verdeling van de afkoopwaarde van beide spelers mocht vaststellen. Dat heeft Sparta gedaan en Sparta zelf heeft voor Falkenburg een afkoopwaarde van € 750.000,00 vastgesteld en voor Viergever van € 1.250.000,00. Er zijn bovendien twee afzonderlijke overeenkomsten opgesteld. Een voor de overgang van Falkenburg en een voor de overgang van Viergever van Sparta naar AZ. In de relatie tussen AZ en Sparta zijn deze bedragen dan ook bindend.
Sparta heeft subsidiair aangevoerd dat de eisen van de redelijk en billijkheid met zich mee zouden brengen dat ook in de relatie tussen Sparta en AZ de bedragen gelden die de arbitragecommissie in de procedure tussen Falkenburg en Sparta heeft vastgesteld.
De arbitragecommissie kan Sparta in dit betoog niet volgen. In wezen beroept Sparta zich op de aanvullende werking van de redelijkheid en billijkheid. De overwegingen die de arbitragecommissie in die procedure heeft gewijd aan de afkoopsom van Falkenburg hebben niet het doel een (andere) afkoopsom vast te stellen, maar tot doel een redelijke vergoeding vast te stellen, die Falkenburg bij overeenkomst met Sparta had bedongen bij overgang naar een andere Betaald Voetbal Organisatie. Die overwegingen doen niet af aan de vergoedingen die Sparta in relatie met AZ bij de overeenkomsten met Falkenburg en Viergever heeft bepaald. Dit temeer nu Sparta zelf de vrijheid had bedongen om de totale afkoop waardes te verdelen over de beide spelers. De meer subsidiaire grondslag, de ongerechtvaardigde verrijking is niet, althans onvoldoende door Sparta onderbouwd. Waarmee AZ is verrijkt en waardoor Sparta is verarmd heeft  Sparta niet inzichtelijk of aannemelijk gemaakt.
Dit leidt ertoe dat de vordering van Sparta dient te worden afgewezen en dat Sparta wordt veroordeeld in de kosten van de arbitrageprocedure, begroot aan de zijde van AZ op
nihil. De kosten van de KNVB worden begroot op € 950,00 en worden ten laste van Sparta

Redactie:
Een ietwat verbazingwekkende procedure die m.i. van te voren kansloos was voor Sparta. Er is hier sprake van een op het moment van het sluiten van de transferovereenkomst tussen AZ en Sparta een voor beide partijen onvoorzienbare toekomstige omstandigheid nl. dat Viergever voor veel geld naar Ajax zou gaan.

Als AZ akkoord was gegaan met een transfersom van € 500.000,-- voor Falkenberg en € 1.500.000,-- voor Viergever dan was de “winst” voor AZ en daarmee de 10% die afgedragen moest worden aan AZ nog kleiner geweest. De arbitragecommissie zegt terecht: als je andere afspraken had willen hebben had je die toen moeten maken. Nu heeft Sparta “pech”. Als niet Viergever, maar Falkenburg die transfer gemaakt zou hebben, dan had Sparta “geluk”gehad.

zaterdag 24 januari 2015

Sociaal en Cultureel Planbureau: Rapportage sport 2014

In de Rapportage sport 2014 presenteert het Sociaal en Cultureel Planbureau (scp) in nauwe samenwerking met diverse andere onderzoeksorganisaties de nieuwste gegevens op het gebied van sport. Een overzicht van maatschappelijke ontwikkelingen en van het sportbeleid gevoerd door overheden en de sportsector tussen 2008 en 2014 plaatst de gegevens in een kader.

Inhoud
Voorwoord 11
Samenvatting en conclusies 13
Annet Tiessen-Raaphorst (scp)
S.1 Kernindicatoren sport: stabiel tot lichte stijging 13
S.2 Maatschappelijk en beleidsmatige ontwikkelingen rondom de sport 17
S.3 Meedoen in Nederland – sporten en actief zijn 18
S.4 Vitaal Nederland – gezondheid en bewegen 20
S.5 Talentvol Nederland – topsportprestaties 21
S.6 Kaart van Nederland – sportinfrastructuur 21
S.7 Nederland in beeld – wedstrijdbezoek, media en economisch profijt 23
Noten 25

1 Inleiding 26
Annet Tiessen-Raaphorst (scp)
1.1 De stand van zaken in het sportlandschap anno 2014 26
1.2 Rapportages sport 26
1.3 Opzet Rapportage sport 2014 27
1.4 Gebruikte databestanden 28

2 Maatschappelijke ontwikkelingen 30
Remko van den Dool en Annet Tiessen-Raaphorst (scp)
2.1 De maatschappelijke context van sport 30
2.2 Demografische ontwikkelingen 30
2.3 Sociaaleconomische ontwikkelingen 33
2.4 Tijdsbesteding 37
2.5 Mediaconsumptie 38
2.6 Leefstijlkenmerken en gezondheid 39
2.7 Verschuiving van waarden en sociale veranderingen 42
2.8 Samenvatting 46
Noten 47

3 Sportbeleid 48
Koen Breedveld en Hugo van der Poel (Mulier Instituut)
3.1 Introductie 48
3.2 Spelers in het sportbeleidsnetwerk: doelstellingen en taakverdeling 48
3.2.1 Ministerie van vws, directie Sport 48
3.2.2 noc*nsf 51
3.2.3 Gemeenten 52
3.2.4 Olympisch Vuur 53
3.2.5 Overige spelers en ontwikkelingen in het sportbeleidsnetwerk 54
3.3 Beleidsthema’s 56
3.3.1 Sport en Bewegen in de Buurt 56
3.3.2 Veilig Sport Klimaat 57
3.3.3 Topsportklimaat 58
3.3.4 Topsportevenementen 59
3.3.5 Onderwijs en sport27 59
3.3.6 Gehandicaptensport 60
3.3.7 Kennisinfrastructuur 61
3.3.8 Wet- en regelgeving 62
3.3.9 Internationale ontwikkelingen 63
3.4 Conclusie 64
Noten 64

4 Sportdeelname 67
Annet Tiessen-Raaphorst en Remko van den Dool (scp)
4.1 Sportdeelname als doel van beleid 67
4.2 Deelname aan sport 68
4.3 Beoefening van diverse takken van sport 75
4.4 Organisatievorm van de sportbeoefening 78
4.5 Deelname aan training en wedstrijden 81
4.6 Conclusie 83
Noten 84

5 Sportfans: volgen van sport via media 85
Nathalie Sonck en Remko van den Dool (scp)
5.1 Fan van sport 85
5.2 Sport via media 86
5.3 Luisteren en kijken naar sport 89
5.4 Over sport lezen 94
5.5 Sport online volgen 96
5.6 Conclusie 100
Noten 100

6 Sportevenementen, -wedstrijden en hun mogelijke maatschappelijke
meerwaarde 101
Willem de Boer (Hogeschool van Arnhem en Nijmegen) en Remko van den
Dool (scp)
6.1 Inleiding 101
6.2 Bezoekers van sportwedstrijden en -evenementen 102
6.3 Deelnemers aan sportevenementen 109
6.4 Wat leveren sportevenementen op? 111
6.5 Conclusie 120
Noten 121

7 Sportinfrastructuur: organisaties, accommodaties en vrijwilligers 122
Rob Goossens, Andries Kuipers (cbs) en Remko van den Dool (scp)
7.1 Inleiding 122
7.2 De sportinfrastructuur 123
7.3 Sportbonden 125
7.4 Sportclubs 127
7.5 Fitnesscentra, sportscholen, zeil- en surfscholen en maneges 129
7.6 Sportaccommodaties 131
7.7 Vrijwilligerswerk 138
7.8 Samenvatting 140
Noten 141

8 Economie van de sport 143
Rob Goossens en Andries Kuipers (cbs)
8.1 Sport als bedrijfstak 143
8.2 Sport en de Nederlandse economie 143
8.3 Bestedingen van huishoudens aan sport 149
8.4 Overheidsuitgaven en -inkomsten met betrekking tot sport 151
8.5 Baten, lasten en werkzame personen particuliere sportaccommodaties 154
8.6 Baten, lasten en personeel sportclubs 159
8.7 Samenvatting 164
Noten 165

9 Sport, ruimte en tijd 166
Remco Hoekman, Karin Wezenberg-Hoenderkamp (Mulier Instituut)
en Remko van den Dool (scp)
9.1 Ruimte en tijd voor sport 166
9.2 Ruimtebeslag van de sport 167
9.3 Gebruik sportruimte 171
9.4 Afstanden tot en verplaatsingen naar sportvoorzieningen 174
9.5 De sport geklokt 179
9.6 Conclusie 182
Noten 184

10 Beweeg- en zitgedrag van sporters en resulterende sportblessures 185
Vincent Hildebrandt (tno), Wanda Wendel-Vos (rivm), Claire Bernaards
(tno), Huib Valkenberg (VeiligheidNL) en Jan-Willem Bruggink (cbs)
10.1 Risico’s en voordelen van te veel of te weinig bewegen 185
10.2 Beweeggedrag van sporters en niet-sporters 187
10.3 Zitgedrag van sporters en niet-sporters 191
10.4 Sportblessures 193
10.5 Conclusie 200
Noten 200

11 Sport en onderwijs 201
Jo Lucassen en Niels Reijgersberg (Mulier Instituut)
11.1 Veel aandacht voor mogelijkheden bewegingsonderwijs in beleid 201
11.2 Stand van zaken in het bewegingsonderwijs 203
11.2.1 Primair onderwijs 203
11.2.2 Voortgezet onderwijs 207
11.2.3 Middelbaar beroepsonderwijs 211
11.3 Samenwerking sport, onderwijs en gezondheidsbeleid 212
11.4 Impuls brede scholen, sport en cultuur 215
11.5 Schoolsport 217
11.6 Opleidingen voor sport en bewegingsonderwijs 218
11.7 Conclusie 221
Noten 222

12 Topsportbeleid in relatie tot prestaties 224
Bake Dijk (uu), Veerle de Bosscher (vub) en Maarten van Bottenburg (uu)
12.1 Olympische en Paralympische medailles in 2012 en 2014 224
12.2 Output: Nederlandse topsportprestaties 225
12.3 Input: investeringen in topsport 228
12.4 Throughput: het Nederlandse topsportbeleid in internationaal
perspectief 233
12.5 Focus in het Nederlandse topsportbeleid 243
12.6 Toekomstige keuzes in het Nederlandse topsportbeleid 246
Noten 247

13 Omgevingsfactoren bij sport en bewegen 249
Annet Tiessen-Raaphorst en Remko van den Dool (scp)
13.1 Een passend sport- en beweegaanbod in de buurt 249
13.2 Sport, bewegen en sportaanbod landelijk vergeleken 250
13.3 Verschillen in sport en bewegen naar leefbaarheid van de buurt 258
13.4 Belang van en waardering voor sport- en beweegmogelijkheden
in de buurt 260
13.5 Bereikbaarheid, toegankelijkheid en veiligheid van de sportruimte 265
13.6 Conclusie 266
Noten 267

14 Sport en (on)wenselijk gedrag 269
Nicolette Schipper-van Veldhoven (Hogeschool Windesheim/noc*nsf)
en Johan Steenbergen (Kennispraktijk)
14.1 20 jaar beleid en onderzoek op het terrein van (on)gewenst
gedrag in de sport 269
14.2 Incidentie van onwenselijk gedrag in de sport 270
14.3 Fair play op en rondom het veld 272
14.4 Rol van de trainer/coach in de sport 276
inhoud
14.5 Persoonlijke integriteit in de sport 277
14.6 (Pro)sociaal gedrag in de sport 279
14.7 Conclusie 283
Noten 283
Summary and conclusions 284
Bijlagen te vinden via www.scp.nl bij het desbetreffende rapport
Literatuur 297

Publicaties van het Sociaal en Cultureel Planbureau 312