maandag 17 april 2017

De Stichting Sportbedrijf Dronten moet gemeente Dronten ruim 10.000 euro aan achterstallige huur betalen


De feiten
De stichting Sportbedrijf Dronten huurt sinds 2013 de grond onder het hoofdveld dat gebruikt wordt door voetbalclub ASV Dronten, waarop de stichting een kunstgrasveld heeft aangelegd. De huur over 2015 en 2016 is niet voldaan.Voetbalvereniging ASV Dronten wilde een kunstgrasveld op het hoofdveld. De gemeente wilde dit niet aanleggen. Wel was de gemeente bereid om dit te realiseren via een stichting. De besparing van het gemeentelijke onderhoud aan het natuurgrasveld over een periode van 30 jaar is als subsidie verstrekt aan ASV Dronten. De subsidie van ruim 200.000 euro is door ASV Dronten als lening ter beschikking gesteld van de stichting.
Volgens de stichting zijn de kosten van het kunstgrasveld ongeveer 500.000 euro. Naast de subsidie is er ongeveer 200.000 euro aan sponsorgelden opgehaald en zou een bedrag van bijna 90.000 euro gefinancierd worden met aftrek van omzetbelasting. Over die aftrek is een conflict ontstaan, omdat de Belastingdienst stelt dat de stichting dit bedrag niet mag aftrekken.

Standpunten van de partijen
De stichting heeft een beroep op dwaling gedaan. Ter onderbouwing van het beroep op dwaling heeft de stichting bij antwoord aangevoerd dat de Belastingdienst de constructie die partijen en ASV Dronten wensten, onmogelijk heeft gemaakt en aldus het veld weer aan de gemeente moet worden overgedragen, die dit dan zelf moet verhuren aan ASV Dronten. Volgens de stichting heeft de Belastingdienst opgedragen het veld aan de gemeente over te dragen en heeft de gemeente weet van deze opdracht.
De gemeente heeft betwist dat de Belastingdienst heeft opgedragen het veld aan de gemeente over te dragen. Deze betwisting slaagt, want in de vaststellingsovereenkomst is sprake van de wens van de stichting tot overdracht aan ASV Dronten. Voor zover ASV Dronten medewerking zou weigeren, zoals door de stichting is gesuggereerd maar niet onderbouwd, komt dat overigens voor risico van de stichting en niet van de gemeente, want de stichting heeft de vaststellingsovereenkomst met de Belastingdienst gesloten. Voor zover is gesteld dat de constructie is bedacht door de gemeente omdat de gemeente geen omzetbelasting kan aftrekken en zij dan meer subsidie had moeten verstrekken (onderdeel a van het eerste lid van artikel 6:228), is van belang dat de gemeente dit gemotiveerd heeft betwist. Namens de gemeente is gesteld dat ASV Dronten een kunstgrasveld wilde en dat de gemeente dat niet nodig vond, maar wel bereid was mee te werken aan de wens van ASV Dronten en de stichting. Uitdrukkelijk is ontkend dat de gemeente de constructie met de stichting heeft bedacht of voorgesteld; de fiscale constructie is volgens de gemeente gewenst door ASV Dronten en/of de stichting. De gemeente heeft uitdrukkelijk betwist dat de gemeente betrokken is geweest bij overleg met de Belastingdienst

Oordeel kantonrechter
Gezien deze gemotiveerde betwisting staat de stelling van de stichting dat de gemeente de fiscale constructie heeft bedacht, niet vast. Aangezien de stichting geen bewijsaanbod heeft gedaan, wordt aan bewijslevering niet toegekomen. De kantonrechter verwerpt het beroep op dwaling. Juridisch is deze zaak heel simpel: de stichting is huurder van de gemeente en zolang dat de situatie is, moet zij (jaarlijks) de overeengekomen huur betalen. De contractuele wederpartij heeft recht op nakoming van de overeengekomen verplichtingen. Daarom moet de hoofdsom worden toegewezen.


zondag 16 april 2017

Geen vernietiging opzeggingsbesluit bestuur vereniging door ernstige onjuiste beschuldigingen van lid


De feiten
Een lid van een watersportvereniging uit ernstige beschuldigingen aan het adres van het bestuur. Zo klaagt het lid over het feit dat de watermeter van het clubhuis verkeerd is aangesloten, zodat water ‘buiten de meter om’ wordt verbruikt en geen correcte zuiveringsheffing is opgelegd. Het lid klaagt hierover niet alleen bij het bestuur, maar hij stuurt dit ook per brief aan Brabant Water. Ook stuurt het lid een brief aan de FIOD. Hij beschuldigt in die brief (het bestuur van) De Amer van de volgende handelingen:
- er wordt water verbruikt buiten de watermeter om door middel van een zelf gemaakte aanboring op de waterleiding van Brabant Water;
- de inkoop en verkoop van drank, ijs, snoepgoed en etenswaren in het clubhuis van De Amer is al vele jaren onjuist opgenomen en er worden bonnen weggemoffeld of vernietigd waardoor er al vele jaren onjuiste aangiften worden gedaan;
- ingehuurd personeel wordt zwart betaald;
- er worden ligplaatsen zonder factuur of met onjuiste facturering verhuurd waarbij zwart wordt betaald aan de penningmeester.
Het bestuur zegt vervolgens het lidmaatschap op:
“In zijn vergadering d.d. 10 oktober 2013 heeft het bestuur unaniem besloten om uw lidmaatschap per heden op te zeggen, krachtens art. 6 lid 3 van de statuten (…)
Het bestuur is van oordeel dat het redelijkerwijze van de vereniging niet gevergd kan worden om uw lidmaatschap te laten voortduren vanwege uw handelswijze om WV De Amer bij collega-verenigingen en bij meerdere instanties in een kwaad daglicht te stellen.”.

Vordering lid
Het lid is het hier niet mee eens en wendt zich tot de rechter. Het lid vordert vernietiging van het opzeggingsbesluit, waarmee het lid uit het lidmaatschap van De Amer werd gezet. Het lid is van oordeel dat dit besluit in strijd met de redelijkheid en billijkheid op grond van art. 2:15 lid 1 sub b BW vernietigd dient te worden. Ook vordert het lid De Amer te veroordelen om hem in al zijn rechten als lid van De Amer te herstellen  In eerste instantie wordt het lid in het ongelijk gesteld en ook in hoger beroep is het gerechtshof van oordeel dat de opzegging van het lidmaatschap terecht is.

Overwegingen gerechtshof

Van alle beschuldigen staat alleen vast dat het waterverbruik niet juist is gemeten. Dat (het bestuur van) De Amer opzettelijk heeft bewerkstelligd dat het juiste waterverbruik niet werd gemeten, is niet komen vast te staan en feitelijk ook niet onderbouwd. Het lid heeft alle andere ernstige beschuldigingen op geen enkele manier concreet, feitelijk onderbouwd. Ook in de door het lid overgelegde brief van de havenmeester worden geen concrete feitelijke aanknopingspunten gegeven voor de door het lid geuite beschuldigingen. De havenmeester vermeldt in die brief geen enkel frauduleus feit en hij schrijft zelfs dat alles perfect liep en het kasgeld en de kasbonnen correct werden weergegeven. Bij gebreke aan enige concrete, feitelijke onderbouwing van de stelling dat (het bestuur van) De Amer in de woorden van het lid ernstig heeft gefraudeerd of gesjoemeld, komt het hof aan bewijslevering niet toe, daargelaten het antwoord op de vraag of het lid wel bewijs heeft aangeboden van feiten waaruit de beschuldigingen kunnen worden afgeleid. Kortom, het lid beschuldigt (het bestuur van) De Amer van meerdere frauduleuze handelingen, brengt die beschuldigingen ook naar buiten, maar niets daarvan wordt ook maar enigszins onderbouwd. Derhalve heeft het bestuur van De Amer in redelijkheid tot het besluit kunnen komen, dat redelijkerwijze niet meer van De Amer gevergd kon worden het lidmaatschap van het lid te laten voortduren. Dit besluit komt dan ook niet in aanmerking voor vernietiging op grond van art. 2:15 lid 1 aanhef en onder b BW. Daarvoor zijn de niet onderbouwde beschuldigingen te persoonlijk en te ernstig van aard, mede bezien in het licht van het feit dat De Amer een niet al te grote gezelligheids-sportvereniging is. De aard en ernst van die beschuldigingen mede bezien in het licht van de hiervoor geschetste concrete omstandigheden betekenen tevens dat het belang van het lid om lid te willen blijven van De Amer en het feit dat hij in het verleden nuttige bijdragen heeft geleverd niet tot een ander oordeel kunnen leiden.

donderdag 23 maart 2017

Duw na afloop van ijsvoetbal, sport en spel situatie?



De feiten
Het voetbalteam waarvan zowel X als Y deel uitmaken, heeft een meerdaags uitstapje naar Düsseldorf georganiseerd dat is geëindigd met een wedstrijd ijsvoetbal op 5 september 2015 in het ijsstadion. X , onder meer eigenaar van een evenementenbureau, heeft het uitstapje mede georganiseerd. Bij het ijsvoetbalspel trekken de deelnemers grote plastic ballen (over het hoofd) aan. De plastic ballen creëren een beschermingsconstructie die ervoor zorgt dat spelers tegen elkaar aan kunnen duwen en stoten tijdens het spel. De plastic ballen bieden tevens valbescherming. Het doel van het spel is om de voetbal in het doel van de tegenstander te krijgen.
Nadat het ijsvoetbalspel op 5 september 2015 was geëindigd en het fluitsignaal van de scheidsrechter had geklonken, heeft X de plastic bal uitgetrokken om de ijsbaan via de ijshockeyspelersklapdeur te kunnen verlaten. Y , die de plastic bal op dat moment nog droeg, heeft X op dat moment bij wijze van grap in de rug geduwd als gevolg waarvan X ten val is gekomen en met zijn hoofd tegen de rand/boarding van de ijsbaan is gegleden. X is daarbij buiten westen geraakt. X heeft Y aansprakelijk gesteld voor de schade als gevolg van het ongeval.

Standpunt X
Uit de getuigenverklaringen blijkt dat Y bewust roekeloos heeft gehandeld na een spelsituatie. Het spel was afgelopen na een duidelijk fluitsignaal van de scheidsrechter en verscheidene personen hadden de plastic bal al uitgetrokken. Y heeft toen besloten, ook al was de uiteindelijke schade niet het beoogde gevolg, om X een forse duw te geven. Daarmee aanvaardde Y het aanmerkelijke risico dat het zou aflopen zoals prompt het geval werd: een zware hersenschudding met restgevolgen bij X . Uit de verschillende verklaringen over de toedracht van het ongeval blijkt dat er geen sprake was van een speels duwtje. Ook echter indien door Y geduwd zou zijn zonder dat hij daarbij een aanloop nam, is er sprake van aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad (6:162 BW). Het vermaak tijdens het ijsvoetbalspel had niets van doen met het gewraakte incident. Het effect van de duw was groot. Door de energie van het botsen met een opgeblazen bal stuiterde X weg. Hij werd gelanceerd door een verende bal die veel energie toevoegde. X is voorover gevallen en over het ijs met zijn hoofd tegen de onderrand van de boarding terecht gekomen.

Standpunt Y
IJsvoetbal is een spel met een wedstrijdelement. De gedraging van Y vond daarom plaats in een sport- en spelsituatie. Het beëindigen van de wedstrijd door de scheidsrechter betekent nog niet dat de sport- en spelsituatie is geëindigd. De enkele omstandigheid dat X – in tegenstelling tot Y , die nog aan het doorspelen was – zijn plastic bal had uitgetrokken om vervolgens naar de boarding te lopen, maakt nog niet dat hij zijn hoedanigheid van deelnemer aan het spel had verloren. Nu nog sprake was van een sport- en spelsituatie geldt bij de beoordeling van de aansprakelijkheid een verhoogde aansprakelijkheidsdrempel. Die drempel wordt volgens Y niet gehaald. De mate van waarschijnlijkheid dat X letsel zou oplopen als gevolg van de duw was niet zo groot, dat Y zich daarvan naar maatstaven van zorgvuldigheid had dienen te onthouden. Y beoogde niet X te laten vallen of hem letsel toe te brengen. Y ontkent dat sprake is geweest van een forse duw of het lanceren van X . Het betrof een speelse duw. Omdat er geen spelregels waren, kan hij de regels van het spel niet hebben overtreden.

Oordeel rechtbank
Aan de orde is de vraag of Y aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval van X op 5 september 2015. Uitgangspunt daarbij is dat niet reeds de enkele mogelijkheid van een ongeval, als verwezenlijking van aan een bepaald gedrag inherent gevaar, dat gedrag onrechtmatig doet zijn, maar dat zodanig gevaar scheppend gedrag slechts onrechtmatig is indien de mate van waarschijnlijkheid van een ongeval (het oplopen van letsel door een ander) als gevolg van dat gedrag zo groot is dat de dader zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat gedrag had moeten onthouden (vgl. o.m. Hoge Raad 9 december 1994, NJ 1996, 403 en Hoge Raad 28 maart 2003, NJ 2003, 718).
De vraag of aan dit criterium wordt voldaan, dient te worden beantwoord op grond van de specifieke omstandigheden van het geval. Bij de toetsing aan de hiervoor genoemde maatstaf dient betrokken te worden het gevaar dat partijen gezien de specifieke situatie over en weer redelijkerwijze van elkaar kunnen en moeten verwachten. Deze nuancering komt in de rechtspraak onder meer tot uiting in gevallen waarin de schadeveroorzakende gebeurtenis plaatsvindt binnen een sport- en/of spelsituatie. De vraag of een deelnemer aan een sport of spel onrechtmatig heeft gehandeld door een gedraging als gevolg waarvan een andere deelnemer letsel is toegebracht, wordt minder spoedig bevestigend beantwoord dan in het geval dat diezelfde gedraging buiten een sport- of spelsituatie heeft plaats gevonden. De reden daarvan is dat deelnemers aan een sport of spel in redelijkheid tot op zekere hoogte gevaarlijke, slecht gecoördineerde, verkeerde getimede of onvoldoende doordachte handelingen of gedragingen waartoe de activiteit uitlokt of die daarin besloten liggen, van elkaar moeten verwachten (vgl. o.m. Hoge Raad 28 juni 1991, NJ 1992, 622 en, nogmaals, Hoge Raad 28 maart 2003 NJ 2003, 718).
De rechtbank is met Y van oordeel dat de in voornoemde jurisprudentie benoemde verhoogde aansprakelijkheidsdrempel in dit geval van toepassing is. Deze verhoogde drempel om aansprakelijkheid te kunnen aannemen, houdt naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet op te gelden doordat het fluitsignaal van de scheidsrechter had geklonken en enkele deelnemers bezig waren het veld te verlaten om een volgende groep spelers de mogelijkheid te bieden het ijsvoetbalspel te spelen. Zowel X als Y bevonden zich ten tijde van het ongeval nog op het ijs.
In dit licht dient vervolgens met betrekking tot de aansprakelijkheid de vraag te worden beantwoord of de gedraging van Y op 5 september 2015 valt binnen een normale uitoefening van het ijsvoetbalspel. Dat is naar het oordeel van de rechtbank niet het geval. Het handelen van Y jegens X op 5 september 2015 was zodanig gevaarlijk en onzorgvuldig dat dit handelen als onrechtmatig moet worden aangemerkt (artikel 6:162 BW). Daarbij oordeelt de rechtbank met name de volgende vaststaande feiten en omstandigheden doorslaggevend:
- het fluitsignaal voor het einde van de wedstrijd had reeds geklonken en verschillende deelnemers waren bezig de ijsbaan te verlaten of hadden de ijsbaan reeds verlaten;
- X was bezig de ijsbaan te verlaten en nam geen deel meer aan het spel;
- X had de plastic bal reeds uitgetrokken en droeg geen bescherming meer, hetgeen voor Y kenbaar was;
- Y heeft X opzettelijk in de rug geduwd, hetgeen X niet aan heeft zien (kunnen) komen;
- Y droeg ten tijde van de duw wel nog de plastic bal, waarvan het extra verende effect op X Y gelet het eerder gespeelde spel bekend was.
Op grond van deze vaststaande feiten en omstandigheden was de mate van waarschijnlijkheid van een ongeval en het oplopen van letsel door X als gevolg van de duw naar het oordeel van de rechtbank zo groot dat Y zich daarvan naar maatstaven van zorgvuldigheid had moeten onthouden. De stelling van Y dat hij niet had hoeven verwachten dat X zou vallen, laat staan letsel oplopen, wordt door de rechtbank verworpen. In dat verband merkt de rechtbank op dat voldoende vast staat dat geen sprake is geweest van een speels duwtje. De verschillende getuigenverklaringen (productie 1 verzoekschrift) waarin onder meer wordt gesproken over: ‘met behoorlijke snelheid op X inbeukte’, ‘vol in zijn rug gelopen werd’ en ‘vol in zijn rug werd geraakt’ zijn naar het oordeel van de rechtbank onverenigbaar met deze door Y gebruikte kwalificatie. Dat de exacte snelheid van de duw niet vaststaat, zoals Y bij monde van zijn advocaat ter comparitie nog heeft opgemerkt, oordeelt de rechtbank mede gelet op het hiervoor genoemde criterium voor de aansprakelijkheidsvraag niet van belang. De rechtbank oordeelt evenmin van belang de stelling van Y dat er door het verhuurbedrijf van de ballen, [naam verhuurder] , of door anderen nauwelijks instructies waren gegeven of spelregels uiteen waren gezet. Nog daargelaten dat X deze stelling heeft betwist, heeft Y niet aangegeven welke specifieke instructies volgens hem hadden moeten worden gegeven en waarom het ongeval, als gevolg van een bewuste gedraging van Y , daardoor had kunnen worden voorkomen. Aan deze stelling gaat de rechtbank daarom voorbij. De rechtbank merkt tot slot nog op dat het oordeel omtrent de aansprakelijkheid wellicht anders had kunnen zijn geweest indien Y per ongeluk tegen X was aangebotst of indien Y niet had gezien dat X geen bescherming meer droeg, maar daarvan is in dit geval geen sprake geweest.
De conclusie van het voorgaande is dat Y aansprakelijk is voor de door X ten gevolge van het ongeval op 5 september 2015 te Düsseldorf geleden schade.

Geen eigen schuld slachtoffer
Bij de vraag of de volledige schade van X dient te worden vergoed, is van belang het beroep van Y op eigen schuld bij X (artikel 6:101 BW).
In dit verband heeft Y in de eerste plaats aangevoerd dat X de luchtbal al had uitgetrokken toen hij zich nog op het speelveld bevond terwijl er nog enkele deelnemers aan het doorspelen waren. X had, als organisator van het spel, een andere uitgang kunnen kiezen waar hij wel met de bal doorheen had gekund. X zou zich, door de bal op de ijsbaan uit te trekken, hebben blootgesteld aan risico’s waarmee hij bekend was omdat hij vaker ijsvoetbal had gespeeld.
In de tweede plaats heeft Y aangevoerd dat X als organisator zelf een spel heeft uitgezocht dat gericht is op baldadig gedrag. X heeft daarmee zelf de omstandigheden in het leven geroepen waaronder het ongeval kon gebeuren, door de setting en de sfeer te creëren. Vervolgens heeft hij op een onzorgvuldige manier de ijsbaan verlaten. Dat mag hem volgens Y op grond van artikel 6:101 BW aangerekend worden. Y meent dat door de toepassing van voornoemd wetsartikel de schade voor rekening van X dient te blijven.

De rechtbank verwerpt dit beroep op eigen schuld aan de zijde van X . Naar het oordeel van de rechtbank had X er redelijkerwijs geen rekening mee hoeven te houden dat hij, nadat het voor het einde van de wedstrijd was gefloten, hij zijn bal had uitgetrokken en zich richting de uitgang van de ijsbaan begaf, opzettelijk in de rug zou worden gelopen door een teamgenoot. Ondanks de door Y gestelde baldadige/jolige sfeer tijdens het uitstapje, kan van X als initiatiefnemer van het spel redelijkerwijs niet worden gevergd dat hij zodanige maatregelen treft dat de kans op baldadig gedrag volledig wordt uitgesloten. De stelling van X dat onder meer voor het ijsvoetbalspel is gekozen omdat de kans op ongelukken gelet op de beschermingsconstructie van de plastic bal daarbij klein was, oordeelt de rechtbank niet onbegrijpelijk. X heeft verder onweersproken gesteld dat het niet mogelijk was de ijsbaan door de spelersuitgang te verlaten met de bal om het lichaam. Door Y zijn verder onvoldoende feiten omtrent de situatie ter plaatse gesteld waaruit kan worden afgeleid dat X bij het verlaten van de ijsbaan zodanig afwijkende of weinig voor de hand liggende keuzes heeft gemaakt, dat zijn gedrag als onzorgvuldig moet worden aangemerkt. Evenmin is gesteld of gebleken dat X bij het verlaten van de ijsbaan zich anders heeft gedragen dan zijn teamgenoten. Naar het oordeel van de rechtbank kan Y bovendien ter afwering van een schadevergoedingsplicht voor een eigen opzettelijke gedraging die heeft geleid tot een ongeval, niet stellen dat het slachtoffer van die gedraging maar maatregelen had moeten te treffen om het ongeval te voorkomen.

donderdag 16 februari 2017

Gemeente mag huurovereenkomst sportvelden niet opzeggen; geen onvoorziene omstandigheden


Zie ook dit bericht:

De feiten
VV Stevensweert is een amateurvoetbalvereniging met volledige rechtsbevoegdheid, zetelende in het dorp Stevensweert. Zij telt 150 actieve leden.Tussen de toen nog zelfstandige gemeente Stevensweert en de voetbalvereniging is met ingang van 1 december 1990 een huurovereenkomst gesloten ten aanzien van het sportveldencomplex bestaande uit de sportterreinen, kleedlokalen en kantinegebouw, alles met aanhorigheden, ondergrond en infrastructuur, staande en gelegen aan de Nieuwendijk te Stevensweert. Het gehuurde betreft ruimte in de zin van 7:230a BW.
De huurovereenkomst was in eerste instantie aangegaan voor de duur van 25 jaar, derhalve tot en met 31 november 2015. De voetbalvereniging had de mogelijkheid tegen laatstgenoemde datum op te zeggen, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt. Thans kan de huurovereenkomst iedere vijf jaar door de huurder worden opgezegd, voor het eerst per 31 november 2020.
De gemeente heeft in 2009 een onderzoek laten verrichten naar de overcapaciteit wat betreft sportaccommodaties. In het opgestelde visie document ‘Clustering Buitensportaccomodaties’ zijn verschillende scenario’s uitgewerkt. Ondanks protest van de voetbalverenigingen in Stevensweert en Ohé en Laak heeft de gemeenteraad van de gemeente besloten de tweede optie uit het Visiedocument uit te voeren, waarbij het voetbal in Ohé en Laak zou komen. De gemeente heeft bij brief van 9 juni 2015 de huurovereenkomst met de voetbalvereniging opgezegd tegen 1 augustus 2016. De voetbalvereniging heeft niet ingestemd met de opzegging.
Op 29 september 2016 heeft de voetbalvereniging een verzoek ex artikel 7:230a BW ingediend strekkende tot verlenging van de ontruimingstermijn. Bij beschikking d.d. 23 december 2016 heeft de kantonrechter de termijn van ontruiming verlengd tot 1 augustus 2017, onder de voorwaarde dat onherroepelijk in de bodemprocedure komt vast te staan dat de huurovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd.

Vordering gemeente
De gemeente vordert voor recht te verklaren dat de tussen de gemeente en de voetbalvereniging bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het sportveldencomplex per 1 augustus 2016 komt te eindigen.

Oordeel van de kantonrechter
Vast staat dat het gehuurde onder de werkingssfeer van artikel 7:230a BW valt en dat er sprake is van een huurovereenkomst voor bepaalde tijd. Eveneens staat vast dat enkel de voetbalvereniging een opzeggingsbevoegdheid heeft.
Voor de beoordeling van dit geschil dient eerst vastgesteld te worden of de gemeente een opzeggingsbevoegdheid toekomt nu deze in de overeenkomst niet is opgenomen. Leidend in deze is nog steeds het beoordelingskader zoals dat door de Hoge Raad in 1988 ten aanzien van de opzegbaarheid van duurovereenkomsten voor bepaalde tijd in het arrest Mondia/Calanda (HR 21 oktober 1988, NJ 1990, 439) is neergelegd. In beginsel geldt dat deze overeenkomsten gedurende de bepaalde tijd niet opzegbaar zijn, tenzij
(i)        tussentijdse opzegging uitdrukkelijk is overeengekomen,
(ii)       de redelijkheid en billijkheid die krachtens artikel 6:248 BW altijd op tussen partijen gesloten overeenkomsten van toepassing is met zich mee brengt dat de overeenkomst voortijdig kan worden opgezegd, of
(iii)      er sprake is van onvoorziene omstandigheden zoals bedoeld in artikel 6:258 BW.
Zowel voor een voortijdige opzegging krachtens artikel 6:248 BW als krachtens artikel 6:258 BW geldt dat er sprake moet zijn van onvoorziene omstandigheden die van dusdanige aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst tot het overeengekomen tijdstip niet mag verwachten. Het moet hierbij gaan om niet in de overeenkomst verdisconteerde omstandigheden, die niet voor rekening van de opzeggende partij komen en die van zodanige ernst zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid instandhouding van de overeenkomst tot het overeengekomen tijdstip niet mag verwachten. Hierbij spelen een rol:
(i) de inhoud en aard van de overeenkomst,
(ii) aard en onderlinge verhouding van partijen en
(iii) de gewichtigheid van de belangen over en weer. Overigens zal er niet snel sprake zijn van onvoorziene omstandigheden die een voortijdige opzegging van een voor bepaalde tijd gesloten overeenkomst rechtvaardigen.
Toegepast op de onderhavige feiten moet de kantonrechter vaststellen dat deze niet voldoen aan met name het criterium dat er sprake moet zijn van onvoorziene omstandigheden die niet voor rekening van de gemeente komen. Met name waar sprake is van een gewijzigde visie ten aanzien van de sportlocaties in de gemeente Maasgouw kan de kantonrechter toch niet anders dan concluderen dat deze wijziging rechtstreeks afkomstig is van het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad, die voor dit besluit heeft gestemd. Ook de demografische ontwikkelingen zijn niet als onvoorzien aan te merken. Het is al zeer geruime tijd een punt van zorg dat de bevolking in een aantal landelijke regio’s, waaronder Midden en Zuid Limburg, krimpt. In de media, zowel regionaal als landelijk, wordt hier al geruime tijd aandacht aan besteed. Verder kan dit bij uitstek de gemeente bekend zijn nu zij direct de beschikking heeft over de toe/afname van de bevolkingsaantallen in haar kernen. Gelet hierop is van een onvoorziene omstandigheid geen sprake. De door de gemeente gewenste opzegging lijkt bovendien vooral ingegeven door financiële motieven, welke motieven niet onder de door de Hoge Raad geformuleerde criteria worden geschaard. Bovendien is de kantonrechter van oordeel dat de jaarlijkse kosten voor de instandhouding van het gehuurde, afgezet tegen de overige door de gemeente gereserveerde budgetten, bescheiden van aard zijn. Van overige feiten en omstandigheden die als onvoorzien moeten worden aangemerkt en dusdanig van aard zijn dat de voetbalvereniging naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid instandhouding van de overeenkomst niet mocht verwachten, is niet dan wel in onvoldoende mate gebleken.

Gelet op het voorgaande komt de gemeente daarom geen bevoegdheid tot opzegging toe. Dit brengt met zich dat de vorderingen van de gemeente worden afgewezen.

zaterdag 28 januari 2017

Tijdschrift voor Sport & Recht (TvS&R) 2016 nummer 3/4


Mr. dr. J. van Drongelen, dr. mr. S.F.H. Jellinghaus

Prof. mr. M. Olfers

Most events attract attention in a ‘sportive way’: who will win the title? Sometimes events attract negative attention and become a battlefield for campaigners, activists and politicians to highlight human rights concerns and human rights violations. In some occasions there is a call to boycott the event, or to (symbolic forms of) protest, like showing the rainbow flag as a symbol of Lesbian, Gay, Bisexual, Transgender (LGBT pride) in reaction to ‘anti-gay propaganda’ legislation in Russia during the Olympic Games in Sochi.
In recent years fundamental questions have been raised about the responsibility for human rights in bidding for and during sport events. Sports governing bodies experience more and more demands to set standards in rules, regulations, contracts and other instruments. The international community watches and acts like an independent supervisory body. In the end the question is who is responsible for what and what can be – effectively – done to safeguard human rights.
This article addresses some of the humanitarian challenges on sport events in greater length and gives an overview of the legal perspective (human rights and public and private rules and regulations) and of sport events and human rights violations. I will conclude the article with a short conclusion and some recommendations. 

Mr. C.A. Segaar, mr. T.A. Wilms

Op 7 augustus 2016 werd publiekelijk bekend dat Olympiër en turner Yuri van Gelder door NOC*NSF was uitgesloten van verdere deelname aan de Olympische Spelen in Rio de Janeiro en naar huis was gestuurd. Van Gelder had zich op 6 augustus 2016 geplaatst voor de Olympische turnfinale van 15 augustus 2016 op het toestel ringen. Volgens diverse media zou de uitsluiting het gevolg zijn van het drinken van alcohol en/of het zich tot laat in de nacht in het uitgaansleven van Rio de Janeiro begeven. Eenmaal teruggekeerd in Nederland nam Van Gelder een advocaat in de arm en besloot hij een kort geding te starten om alsnog deelname aan de Olympische ringenfinale af te dwingen. De voorzieningenrechter in de Rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, heeft de vorderingen van Van Gelder op 12 augustus 2016 afgewezen. In dit artikel wordt dit oordeel toegelicht en geanalyseerd vanuit het perspectief van het Nederlandse (proces)recht en het internationale sportrecht.

Mr. D. Sprecher

Voor mijn afstudeerscriptie analyseerde ik de UEFA Financial Fair Play-regelgeving vanuit juridisch en economisch perspectief. Die exercitie bracht mij in aanraking met ‘moral hazard’ in het betaald voetbal en met de ‘betaald-voetbal-paradox’.
Moral hazard zegeviert in het betaald voetbal wanneer voetbalclubs overeind worden gehouden met publiek geld (om sociale onrust te voorkomen) of privaat geld (om politieke en/of financiële motieven). Deze voetbalclubs zijn ‘too popular to fail’. Een hiermee samenhangend verschijnsel is de betaald-voetbal-paradox: veel voetbalclubs opereren onder financiële ratio’s waarmee zij in een ‘normale’ bedrijfstak allang failliet zouden zijn. Bestuurders van (populaire) voetbalclubs zijn zich bewust van het krachtenveld waarin ze opereren en nemen onverantwoorde risico’s wetende dat zij met de eer strijken bij sportief succes, terwijl de financiële gevolgen van wanbeleid niet voor hun rekening komen.
Dit laatste punt heeft bij mij altijd bevreemding gewekt. Dat een club niet failliet gaat, betekent niet dat er geen schade is: er is bijvoorbeeld imagoschade, vernietiging van waarde door een uitverkoop van spelers, en sportief verval met als gevolg een lagere klassering en dito lager prijzengeld. Natuurlijk moet niet elke keer als het misgaat, een bestuurder verantwoordelijk worden gesteld: het kan een keer tegenzitten. Maar naar mijn weten is in Nederland geen enkel voorbeeld te bedenken waar het is geprobeerd. Terwijl er toch genoeg clubs zijn gered, met publieke en private middelen, waarbij op de gevel van het stadion met zulke grote letters ‘WANBELEID’ stond gekalkt dat alle supporters dachten dat ze er een nieuwe hoofdsponsor bij hadden.
Er zijn overigens legio redenen te bedenken waarom bestuurders (van voetbalclubs die niet failliet zijn gegaan) niet aansprakelijk worden gesteld. Dat zal sowieso niet gebeuren als de bestuurder gewoon blijft zitten. Maar als er een bestuurswissel plaatsvindt kan het zijn dat de oude bestuurder een goede kennis is van de nieuwe bestuurder, of toch tenminste lid is van hetzelfde ‘old boys network’. Soms is er sprake van het scenario: ‘van een kale kip kun je niet plukken’ of is de voormalig bestuurder nog erg populair bij de achterban. Ook schept een succesvolle aansprakelijkstelling een precedent waar de nieuwe bestuurder op een later tijdstip zelf de dupe van kan worden.
Bij gebrek aan een geschikt praktijkvoorbeeld was mijn oorspronkelijke plan voor dit artikel om een puur theoretische beschouwing te geven over dit onderwerp. Maar, de oplettende lezer zal begrijpen dat ik volledig ben achterhaald door de actualiteit. FC Twente heeft op het moment van schrijven van dit artikel, op aandringen van de Gemeente Enschede, besloten de duimschroeven aan te draaien in de onderhandelingen met haar geldschieters, die tevens haar oud-bestuurders en commissarissen zijn, door ze aansprakelijk te stellen voor door haar geleden schade als gevolg van het door hen gevoerde beleid. In dit artikel beschouw ik of deze aansprakelijkstelling, zo die wordt doorgezet, kan leiden tot een vonnis waarin aansprakelijkheid wordt aangenomen en een veroordeling tot het betalen van schadevergoeding wordt uitgesproken.

Prof. mr. M. Olfers

Jurisprudentie
Mr. M.I. van Dijk


dinsdag 10 januari 2017

CAS Bulletin 2016/2: Jurisprudentieoverzicht belangrijke uitspraken Court of Arbitration for Sport (CAS)

The CAS 2016/2 can be found HERE






Articles et commentaires/Articles and Commentaries
Application of the 2015 WADA Code through the example of a recent CAS Award
(Sharapova v. ITF)
Despina Mavromati

Délais, notifications et autres prescriptions de forme importantes devant le TAS
Pauline Pellaux

Jurisprudence majeure/Leading Cases

CAS 2014/A/3536
Racing Club Asociación Civil v. Fédération Internationale de Football Association (FIFA)
5 May 2015

CAS 2015/A/3903
Club Samsunspor v. Fédération Internationale de Football Association (FIFA)
4 May 2015

CAS 2015/A/4162
Liga Deportiva Alajuelense v. Fédération Internationale de Football Associations (FIFA)
3 February 2016

TAS 2015/A/4178
Zohran Ludovic Bassong & RSC Anderlecht c. Fédération Internationale de Football
Association (FIFA)
2 février 2016

CAS 2015/A/4189
British Swimming, Adam Peaty, Francesca Halsall, Jemma Lowe and Chris Walker-Hebborn v. Fédération Internationale de Natation (FINA)
17 March 2016

CAS 2015/A/4208
Horse Sport Ireland (HIS) & Cian O’Connor v. Fédération Equestre Internationale (FEI)
15 July 2016 (operative part of 4 January 2016)

TAS 2015/A/4229
Fovu Club de Baham c. Canon Sportif de Yaoundé
1er juillet 2016

CAS 2015/A/4233
World Anti-Doping Agency (WADA) v. Martin Johnsrud Sundby & Fédération Internationale de Ski (FIS)
11 July 2016

CAS 2015/A/4279
David Martin Nakhid v. Fédération Internationale de Football Association (FIFA)
18 January 2016 (operative part of 14 December 2015)

CAS 2016/A/4439
Tomasz Hamerlak v. International Paralympic Committee (IPC)

4 July 2016

Arbitration CAS 2016/A/4643
Maria Sharapova v. International Tennis Federation (ITF)
30 September 2016

CAS 2016/O/4684
Russian Olympic Committee (ROC), Lyukman Adams et al. v. International Association of
Athletics Federations (IAAF)
10 October 2016 (operative part of 21 July 2016

CAS 2016/A/4745
Russian Paralympic Committee (RPC) v. International Paralympic Committee (IPC)
30 August 2016 (operative part of 23 August 2016)

Jugements du Tribunal Fédéral/Judgements of the Federal Tribunal

Judgement of the Swiss Federal Tribunal 4A_246/2014
15 July 2015
A. SA. (Appellant) v. B., C., et al. (Respondent)

Judgment of the Swiss Federal Tribunal 4A_222/2015
18 January 2016
X. (Appellant) v. United States Anti-Doping Agency (USADA) & World Anti-Doping
Agency (WADA) (Respondents)

Judgement of the Swiss Federal Tribunal 4A_510/2015
8 March 2016

X. (Appellant) v. Y. (Respondent)

donderdag 22 december 2016

Ook tentoonstellen van in Frankrijk gecoupeerde paarden is verboden

College van Beroep voor hetbedrijfsleven 22 december 2016, ECLI:NL:CBB:2016:400

Diverse media berichten over deze uitspraak: o.a. hier, hier en hier.
De feiten
De Koninklijke Vereniging Nederlandse Trekpaard en De Haflinger (hierna: KVTH) organiseert onder andere keuringen en tentoonstellingen van trekpaarden en Haflingers. Op 25 juni 2016 hebben toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) een controle uitgevoerd tijdens de ‘Zeeuwse dag van het Paard’. Het rapport van bevindingen dateert van 6 juli 2016. De toezichthouders hebben voor zover van belang het volgende geconstateerd:
“Vooraf aan deze inspectie ontvingen wij de benodigde informatie waaronder een catalogus inzake de 47e Zeeuwse dag van het paard. De keuring op de ZEEUWSE DAG VAN HET PAARD wordt georganiseerd door de K.V.T.H. Afdeling Zeeland.
(…)
Wij zagen dat meerdere aan de keuringen deelnemende paarden een gecoupeerde staart hadden.
Ook zagen wij bij aanvang van het middagprogramma, het concour enkelspan trekpaarden, dat meerdere deelnemende paarden een gecoupeerde staart hadden. (…)
(…)
Van de deelnemende paarden aan de keuringen en het concour hebben wij foto’s gemaakt. Op deze foto’s is zichtbaar welke genummerde paarden een gecoupeerde staart hebben. Tevens is zichtbaar welke voor de genummerde wagen aangespannen paarden een gecoupeerde staart hebben.
(…)”

Voorts hebben de toezichthouders, zoals blijkt uit het rapport van bevindingen van 26 juli 2016, het volgende geconstateerd:
“Dit rapport van bevindingen is opgesteld naar aanleiding van de controle tijdens “De dag van het Zeeuwse paard” op 25-06-2016 en de inspectie (…) in het kader van Welzijn algemeen (…)
Tijdens de controle is de chip van het paard Cylia (…) uitgelezen, (…). Het paard is gecoupeerd.
(…)
Verder wordt ons een kopie overhandigd van de verklaring m.b.t. het couperen van Cylia (…). Volgens de verklaring is het couperen in Frankrijk bij dierenarts [naam 2] gebeurd op ??/06/07.
(…)
Opmerking (…):
(…)
Cylia is in Frankrijk gecoupeerd, ik heb daar een verklaring van en die zal ik jullie tonen. (…)
Ik laat mijn paarden zonder medische noodzaak couperen. Ik vind een paard zonder staart mooier. We hebben een legale weg gevonden om dit te doen.
Ik rij zelf met mijn auto en paardentrailer naar Frankrijk. De ingreep gebeurd door de dierenarts in Frankrijk.
(…)”

Bij brief van 29 juli 2016 heeft de staatssecretaris van Economische Zaken (hierna: verweerder) aan de KVTH een schriftelijke waarschuwing gegeven. Volgens verweerder zijn op 25 juni 2016 paarden toegelaten tot de keuring die gecoupeerd zijn zonder dat daarvoor een medische noodzaak bestond. Daarmee staat volgens verweerder vast dat de Afdeling Zeeland van de KVTH artikel 2.16, vierde lid, van de Wet dieren heeft overtreden. Gelet op deze overtreding wordt een schriftelijke waarschuwing gegeven.
Op 18, 19 en 20 augustus 2016 hebben toezichthouders van de NVWA controles uitgevoerd tijdens de door de KVTH georganiseerde 59e Nationale Tentoonstelling 2016 voor Trekpaarden en Haflingers. Het rapport van bevindingen dateert van 5 september 2016. De toezichthouders hebben voor zover van belang het volgende geconstateerd:
“Wij zagen dat meerdere aan de keuringen deelnemende paarden een gecoupeerde staart hadden.
Ook zagen wij dat tijdens de dressuurwedstrijd trekpaarden, dat een van de deelnemende paarden een gecoupeerde staart had.
(…)”

Bij brief van 6 september 2016 heeft verweerder aan de KVTH het voornemen kenbaar gemaakt een last onder dwangsom op te leggen ter voorkoming van herhaling van overtreding van artikel 2.16, vierde lid, van de Wet dieren. Deze last zal tevens gelden voor alle afdelingen van de KVTH. Vastgesteld is dat de KVTH en haar afdeling Zeeland tijdens de evenementen op 25 juni 2016 en 18,19 en 20 augustus 2016 een groot aantal paarden met gecoupeerde staarten tot de keuring toelieten. Uit nader onderzoek is gebleken dat van een aantal paarden de staart gecoupeerd is in het buitenland zonder dat daarvoor een diergeneeskundige noodzaak bestond. Dit is volgens verweerder een overtreding van artikel 2.16, vierde lid, van de Wet dieren. Tegen dit voornemen heeft de KVTH een zienswijze ingediend.

Relevante wetsartikelen
De Gezondheids- en welzijnswet dieren (Gwwd) luidde tot 1 juli 2014 voor zover van belang als volgt:
“Afdeling 2. Lichamelijke ingrepen bij dieren
Artikel 40
1. Het is verboden een of meer lichamelijke ingrepen bij een dier te verrichten, waarbij een deel of delen van het lichaam wordt of worden verwijderd of beschadigd.
2. Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op:
(…)
b. ingrepen waarvoor een diergeneeskundige noodzaak bestaat;
(…).

Artikel 41
1. Het is verboden deel te nemen aan tentoonstellingen, keuringen of wedstrijden met dieren waarbij een bij artikel 40 verboden ingreep is verricht.
2. Het is verboden dieren waarbij een bij artikel 40 verboden ingreep is verricht, tot een tentoonstelling, keuring of wedstrijd toe te laten.
3. Het ten verkoop in voorraad hebben, ten verkoop aanbieden, verkopen en kopen van dieren waarbij een bij artikel 40 verboden ingreep is verricht, is verboden.”

De Wet dieren luidt voor zover van belang als volgt:
“Artikel 1.1 Begripsbepalingen
(…)
- lichamelijke ingreep: ingreep bij een dier, waarbij de natuurlijke samenhang van levende weefsels wordt verbroken, met inbegrip van het afnemen van bloed en het geven van injecties, en met uitzondering van het doden van een dier;
(…)
Artikel 1.3. Intrinsieke waarde
1. De intrinsieke waarde van het dier wordt erkend.
2. Onder erkenning van de intrinsieke waarde als bedoeld in het eerste lid wordt verstaan erkenning van de eigen waarde van dieren, zijnde wezens met gevoel. Bij het stellen van regels bij of krachtens deze wet, en het nemen van op die regels gebaseerde besluiten, wordt ten volle rekening gehouden met de gevolgen die deze regels of besluiten hebben voor deze intrinsieke waarde van het dier, onverminderd andere gerechtvaardigde belangen. Daarbij wordt er in elk geval in voorzien dat de inbreuk op de integriteit of het welzijn van dieren, verder dan redelijkerwijs noodzakelijk, wordt voorkomen en dat de zorg die de dieren redelijkerwijs behoeven is verzekerd.
3. Voor de toepassing van het tweede lid wordt tot de zorg die dieren redelijkerwijs behoeven in elk geval gerekend dat dieren zijn gevrijwaard van:
a. dorst, honger en onjuiste voeding;
b. fysiek en fysiologisch ongerief;
c. pijn, verwonding en ziektes;
d. angst en chronische stress;
e. beperking van hun natuurlijk gedrag;
voor zover zulks redelijkerwijs kan worden verlangd

Artikel 2.8. Diergeneeskundige handelingen
1. Het is verboden:
a. lichamelijke ingrepen te verrichten;
(…)
2 Het verbod, bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing ten aanzien van:
a. lichamelijke ingrepen waarvoor een diergeneeskundige noodzaak bestaat;
(…)

Artikel 2.16. Vertoning dieren
(…)
4. Het is verboden dieren waarbij een bij artikel 2.8 verboden lichamelijke ingreep is verricht, tot een tentoonstelling of keuring toe te laten.”

Rechtsvraag
Het College ziet zich gesteld voor de vraag of verweerder bij het bestreden besluit terecht heeft vastgesteld dat de KVTH artikel 2.16, vierde lid, van de Wet dieren heeft overtreden en derhalve bevoegd was terzake handhavend op te treden.

Oordeel College
Het College stelt vast dat het in artikel 2.16, vierde lid, van de Wet dieren genoemde tentoonstellings- en keuringsverbod verwijst naar de in artikel 2.8, eerste lid, onder a, van de Wet dieren genoemde verboden lichamelijke ingrepen. Zoals blijkt uit de Memorie van Toelichting strekt het verbod van artikel 2.16, vierde lid, van de Wet dieren tot ondersteuning van de handhaving van artikel 2.8, eerste lid, onder a, van de Wet dieren. De wetgever heeft in de Memorie van Toelichting verder nog opgemerkt dat de verboden van artikel 2.16 van de Wet dieren ook van toepassing zijn wanneer bij een dier in een ander land dan Nederland een op grond van artikel 2.8 van de Wet dieren illegale ingreep is verricht, mits de verrichte ingreep in het desbetreffende land ook verboden is. Hieruit leidt het College af dat de wetgever met de verwijzing naar artikel 2.8 van de Wet dieren niet heeft bedoeld om ook het tentoonstellings- en keuringsverbod van artikel 2.16, vierde lid, van de Wet dieren te beperken tot dieren waarbij de verboden lichamelijke ingrepen binnen de Nederlandse rechtsmacht zijn verricht, maar juist om aan dit verbod een zo wijd mogelijk toepassingsbereik te geven.
In het licht hiervan overweegt het College dat de wetgever met zijn verwijzing in de Memorie van Toelichting naar de uitzondering op grond van het gemeenschapsrecht voor dieren die een ingreep hebben ondergaan die in een andere EU-lidstaat is verricht en die naar het recht van die lidstaat is toegestaan, niet kan hebben bedoeld aan artikel 2.16, vierde lid, van de Wet dieren een strekking te geven die de mogelijkheid creëert het verbod te ontduiken. Ook aan de uitspraak van het College van 26 juni 2002 waaraan in de Memorie van Toelichting wordt gerefereerd kan een dergelijke uitleg niet worden toegekend. De uitleg die de KVTH aan artikel 2.16, vierde lid, van de Wet dieren geeft, inhoudende dat verweerder niet bevoegd is handhavend op te treden tegen het toelaten tot een keuring of tentoonstelling van paarden die zijn gecoupeerd in Frankrijk, waar deze ingreep niet is verboden, kan derhalve niet worden aanvaard voor zover het gaat om paarden waarvan duidelijk is dat zij enkel met het doel de verbodsbepaling van artikel 2.8, eerste lid, onder a, van de Wet dieren te ontduiken naar Frankrijk zijn gebracht om daar aan de door deze laatste bepaling in Nederland verboden lichamelijke ingreep te worden onderworpen. Het voorgaande is niet in strijd met het EU-recht. Hiertoe overweegt het College als volgt.
De KVTH betoogt dat verweerder het verbod van artikel 2.16, vierde lid, van de Wet dieren niet kan inroepen om te verhinderen dat paarden die zijn gecoupeerd in een land waar dit niet is verboden (zoals Frankrijk) worden toegelaten tot een keuring of een tentoonstelling in Nederland, omdat dat zou leiden tot een niet gerechtvaardigde beperking van het vrij verkeer van diensten in de zin van artikel 56 VWEU. Het Hof van Justitie van de EU (Hof) heeft na de uitspraak van het College van 26 juni 2002 geen andere uitleg gegeven aan de begrippen dwingende redenen van algemeen belang en openbare orde zoals bedoeld in de punten 40 en 41 van de considerans van de Dienstenrichtlijn waaruit kan worden afgeleid dat dit nu anders zou zijn.
Dierenwelzijn valt volgens de KVTH niet onder de begrippen dwingende redenen van algemeen belang en openbare orde, althans het couperen van de staart van een paard is geen duidelijk geval van een handeling waarbij het welzijn van het paard en zijn integriteit wordt geschaad en die moet worden beschouwd als een werkelijke en voldoende ernstige bedreiging van een fundamenteel belang van de samenleving. De staart van een trekpaard heeft als zodanig geen functie, is onhygiënisch, trekt juist insecten aan en kan de oorzaak zijn van infecties. Couperen van de staart is eenmalig en wordt door een dierenarts pijnloos en onder verdoving uitgevoerd. Couperen tast niet de kwaliteit van het leven van het paard aan. Het niet uitsluiten van gecoupeerde paarden op evenementen draagt niet bij aan het in stand houden van couperen. Het keuren van een paard staat geheel los van het al dan niet gecoupeerd zijn van de staart. Het doel van het tentoonstellingsverbod wordt niet bereikt en schiet zijn doel voorbij omdat de paarden waar het om gaat al zijn gecoupeerd. Het verbod is een onevenredig middel om het doel te bereiken. Verweerder zal zich dienen te richten tot de houders van paarden die het couperen (laten) uitvoeren. Met dit verbod worden bovendien ook niet gecoupeerde paarden getroffen. Het effectueren van het verbod leidt er immers toe dat de KVTH geen evenementen meer zal kunnen organiseren, aldus de KVTH.
Dit betoog van de KVTH moet worden verworpen.
Tussen partijen is niet in geschil dat het tentoonstellings- en keuringsverbod een beperking inhoudt van het vrij verkeer van diensten. Het vrij verkeer van diensten mag volgens vaste jurisprudentie van het Hof echter worden beperkt indien die beperking een met het Verdrag verenigbaar legitiem doel nastreeft en haar rechtvaardiging vindt in dwingende redenen van algemeen belang. De beperking moet voorts geschikt zijn ter bereiking van het ermee beoogde doel en mag niet verder gaan dan met het oog daarop noodzakelijk is (zaak C-76/90, Säger, van 24 juli 1991, ECLI:EU:C:1991:331, punt 15; en recent zaak C-98/14, Berlington Hungary, van 11 juni 2015, ECLI:EU:C:2015:386, punt 54 e.v.). Deze rechtspraak van het Hof is ook neergelegd in artikel 16 van de Dienstenrichtlijn. Bovendien kan een lidstaat, volgens vaste jurisprudentie van het Hof, er een gerechtvaardigd belang bij hebben te verhinderen dat de onderdanen van die lidstaat de krachtens het Verdrag geschapen mogelijkheden misbruiken om zich te onttrekken aan de werkingssfeer van hun nationale wetgeving (zaak 33/74, van Binsbergen, van 3 december 1974, ECLI:EU:C:1974:131, punt 13; zaak C-115/78, Knoors, van 7 februari 1979, ECLI:EU:C:1979:31, punt 25; en recent zaak C-475/12, UPC DTH, van 30 april 2014, ECLI:EU:C:2014:285, punt 76).
Zoals het Hof heeft overwogen is de bescherming van het dierenwelzijn een legitiem doel van algemeen belang waarvan het belang met name tot uitdrukking is gekomen in de vaststelling door de lidstaten van het aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gehechte protocol betreffende de bescherming en het welzijn van dieren (PB 1997, C 340, blz. 110) (zaak C-219/07, NRDL, van 19 juni 2008, ECLI:EU:C:2008:353). Ook de Dienstenrichtlijn noemt, in de punten 40 en 41 van de considerans, dierenwelzijn als dwingende reden van algemeen belang en vallend onder het begrip openbare orde.
Bij gebreke van een gemeenschappelijke regel onder het EU-recht zijn de lidstaten in beginsel vrij om de beleidsdoelstellingen op het gebied van het dierenwelzijn te bepalen en het gewenste beschermingsniveau binnen de nationale rechtsorde nauwkeurig te omlijnen (zaak C-131/93, Commissie v. Duitsland (zoetwaterkreeften), van 13 juli 1994, ECLI:EU:C:1994:290, punten 15 en 16; zie ook zaak C-98/14, Berlington Hungary, van 11 juni 2015, ECLI:EU:C:2015:386, punt 56). De Nederlandse wetgever heeft bepaald dat het couperen van de staart van een paard moet worden beschouwd als een verboden lichamelijke ingreep in de zin van artikel 2.8, eerste lid, van de Wet dieren. Hij heeft het dienstig geacht dit verbod te ondersteunen met een verbod van artikel 2.16, vierde lid, van de Wet dieren om dieren toe te laten tot keuringen en tentoonstellingen. Daarmee heeft de wetgever naar het oordeel van het College geen onredelijke invulling gegeven aan de hem toekomende beoordelingsruimte. Wat de KVTH betoogt over de zeer geringe mate waarin het couperen van de staart van een paard het welzijn van een paard beperkt, wat daar ook van zij, kan hieraan niet afdoen. Omdat, zoals verweerder opmerkt, het keuren en tentoonstellen van gecoupeerde paarden leidt tot profilering van deze dieren, wat tot gevolg kan hebben dat ook andere eigenaren van paarden hun dieren willen laten couperen, is het verbod van artikel 2.16, vierde lid, van de Wet dieren een geschikt middel om het coupeerverbod te ondersteunen. Het verbod gaat niet verder dan hetgeen noodzakelijk is, omdat het verbod enkel het tentoonstellen of keuren van paarden verbiedt die een verboden lichamelijke ingreep hebben ondergaan. Voor zover de KVTH zich beroept op de uitspraak van het College van 26 juni 2002, waar het College oordeelde dat het tentoonstellingsverbod niet noodzakelijk was met het oog op het welzijn of de gezondheid van dieren die rechtmatig zijn gecoupeerd, aangezien de ingreep bij deze dieren reeds had plaatsgevonden, oordeelt het College dat uit deze uitspraak, noch uit het EU-recht, een verplichting voortvloeit voor verweerder om een dier dat uitsluitend met de bedoeling het verbod van artikel 2.8, eerste lid, van de Wet dieren te ontduiken, met gebruikmaking van het vrij verkeer wordt overgebracht naar een andere EU-lidstaat waar dit verbod niet geldt, zoals bijvoorbeeld Frankrijk, om daar te worden onderworpen aan een in Nederland verboden lichamelijke ingreep, gelijk te stellen aan een dier dat aantoonbaar een band heeft met een andere EU-lidstaat en aldaar rechtmatig en niet in strijd met enig verbod is gecoupeerd.
Uit het controlerapport van de NVWA van 25 juni 2016 en uit hetgeen door partijen ter zitting is verklaard, volgt dat sommige eigenaren dan wel houders van paarden die hun dieren in Nederland laten keuren of tentoonstellen, hun paarden naar Frankrijk brengen met als enig doel om de paarden daar te laten couperen teneinde zich te onttrekken aan de nationale wetgeving, terwijl daarvoor geen medische noodzaak is. Bij de door verweerder op de keuringen van de KVTH aangetroffen paarden, is, gelet op de verklaringen van de houders en eigenaren, naar het oordeel van het College gebruik gemaakt van een dergelijke gelegenheidsconstructie.
Gelet op wat hiervoor is overwogen staat naar het oordeel van het College vast dat de overtreding van artikel 2.16, vierde lid, van de Wet dieren is begaan, en dat verweerder bevoegd was daar tegen op te treden. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder had behoren af te zien van handhavend optreden is naar het oordeel van het College geen sprake.