vrijdag 10 april 2015

Geen dringende reden om marathon lopende zieke werknemer met knieklachten op staande voet te ontslaan

De volgende zaak is de bodemprocedure waar al een kort geding over geweest was. In het kort geding constateerde de kantonrechter dat, blijkens de op internet gepubliceerde individuele scorelijst, de werknemer in het afgelopen jaar -vanaf zijn ziekmelding en gedurende zijn re-integratieperiode- gemiddeld twee maal per maand heeft deelgenomen aan een hardloopwedstrijd van minimaal 10 kilometer (totaal 29), waaronder 6 halve marathons (21 km) en 2 hele marathons (42 km) met inbegrip van de marathon te Rotterdam.
Dat vond de kantonrechter wat veel voor een werknemer met o.a. knieklachten en oordeelde dat het ontslag op staande voet terecht was gegeven.

Die uitspraak staat HIER

Daar denkt de kantonrechter in de bodemprocedure anders over.
..................................................................................................................................

Rechtbank Noord-Nederland 18 december 2014,ECLI:NL:RBNNE:2014:6844

De werknemer (geboren 12 oktober 1957) is op 1 oktober 2007 in dienst getreden bij de werkgever in de functie van magazijnmedewerker/ hulpbezorger tegen een salaris van laatstelijk € 1.747,75 bruto per maand exclusief vakantiegeld en emolumenten.
De werkgever is een installatiebedrijf voor elektra-, gas-, water- en cv installaties voor particulier, woningbouw en utiliteitswerken.
Op het dienstverband is van toepassing de CAO Metaal en Techniek technisch installatiebedrijf.
De werknemer is sinds 8 maart 2012 arbeidsongeschikt.
In de toepasselijke cao staat onder meer het volgende vermeld.

GENEZING NIET BELEMMEREN
De werknemer dient zich tijdens zijn arbeidsongeschiktheid zodanig te gedragen, dat zijn genezing niet wordt belemmerd (bijvoorbeeld tijdig onder behandeling stellen van een huisarts).
Sanctie
Indien de bedrijfsarts vaststelt dat de werknemer zich in zodanige mate gedraagt of heeft gedragen dat de genezing in ernstige mate wordt belemmerd kan het salaris worden beperkt tot 70%, maar ten minste het wettelijk minimumloon.
(…)
INFORMATIE
Met inachtneming van de Arbowet dient een werkgever een gecertificeerde Arbodienst in te schakelen voor onder andere individuele ziekteverzuimbegeleiding en een arbeidsgezondheidsdeskundig spreekuur. Deze Arbodienst zal onder andere een bedrijfsarts of verzekeringsdeskundige in dienst hebben die de werkgever onder meer zal bijstaan met een werkhervattingsadvies en advisering omtrent verdere reïntegratiemogelijkheden.
De werknemer stelt, desgevraagd door de arts van de Arbodienst, die arts op de hoogte van de aard van de ziekte en verstrekt hem desgevraagd verdere informatie die noodzakelijk is voor het werkhervattingsadvies en de individuele ziekteverzuimbegeleiding. De Arbodienst mag niet zonder uitdrukkelijke toestemming van de werknemer gegevens van medische aard betreffende die werknemer, aan de werkgever verstrekken. De werknemer is voorts niet verplicht gegevens betreffende de aard van zijn ziekte aan de werkgever te verstrekken, tenzij er sprake is van zwangerschap.
De werkgever is verplicht een reïntegratieplan te maken. De werknemer is verplicht die informatie te verstrekken die de werkgever nodig heeft om het reïntegratieplan op te stellen.

Op 11 september 2012 is door de [bedrijfsarts] een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld. Op basis van deze FML is op 10 oktober 2012 door de arbeidsdeskundige van Elabo –[naam]- een advies uitgebracht met als conclusie dat de werknemer ongeschikt is voor het uitoefenen van zijn eigen werk, dat er onvoldoende tot weinig passend werk bij de eigen werkgever is en dat re-integratie tweede spoor geïndiceerd is. Met deze re-integratie tweede spoor, met als doel passend werk vinden bij een andere werkgever, is op 25 oktober 2012 een start gemaakt.
Op 23 januari 2013 bericht het UWV – naar aanleiding van een door de werkgever op 20 december 2012 aangevraagd deskundigenoordeel – dat de door de werkgever uitgevoerde re-integratie-inspanningen voldoende en adequaat zijn.
Op 3 juli 2013 heeft de werknemer een gesprek gehad met de heer [naam], mede-directeur van de werkgever. Van dit gesprek is door de werkgever voornoemd een verslag opgemaakt. Vervolgens is de werknemer uitgenodigd om op 4 juli 2013 wederom ten kantore van zijn werkgeefster te verschijnen. Tijdens dit gesprek is de werknemer op staande voet ontslagen omdat hij niet aan zijn re-integratieverplichtingen zou voldoen. Daarbij is aangekondigd dat een en ander nog schriftelijk zou worden vastgelegd.
Bij brief van 4 juli 2013 heeft de gemachtigde van de werkgever het ontslag op staande voet schriftelijk bevestigd en gemotiveerd. Kort samengevat is de werknemer op staande voet ontslagen wegens een dringende reden bestaande uit schending van de re-integratieverplichting en de mededelingsplicht. De werkgever heeft de werknemer met name verweten dat hij ondanks pogingen om hem te re-integreren heeft deelgenomen aan hardloopwedstrijden waaronder een marathon en aan zijn woning heeft gewerkt (waaronder het vervangen van dakgoten). Ook verwijt de werkgever aan de werknemer dat hij haar geen toestemming heeft gevraagd voor deelname aan hardloopwedstrijden en voor klusactiviteiten.
Op 5 juli 2013 heeft de werknemer schriftelijk geprotesteerd tegen zijn ontslag en de nietigheid daarvan ingeroepen.
Bij e-mailbericht van 6 juli 2013 schrijft [bedrijfsarts] aan de werkgever, bedrijfsarts:
Er is een verschil tussen 2 keer in de week ‘wat hardlopen’, zoals hij het mij heeft aangegeven en het in mijn aantekeningen staat, of ongeveer iedere 2 weken een marathon, of 20 of 10 kilometer in een behoorlijk tempo. Dat is een groot verschil en is absoluut niet met toestemming van mij. Totdat ik via Verzuimsupport circa 2 weken geleden op de hoogte werd gebracht van de mate van hardloopactiviteiten, was ik in de veronderstelling dat er sprake was van 2 keer in de week een stukje hardlopen, echter niet in dit tempo en in deze mate. Hij heeft mij nooit op de hoogte gebracht van de mate van sprotbeoefening zoals betrokkene kennelijke doet, want anders had dit onmiddellijk gevolgen gehad voor het door mij gegeven advies met betrekking tot de inzetbaarheid. Dit zal ik maandag ook met hem bespreken.
In hoeverre betrokkene als inzetbaar te beschouwen is, zal ik maandag aansluitend op het spreekuur formuleren en vastleggen. (…)
Op 7 juli 2013 heeft de werkgever onder andere aangegeven dat het geplande onderzoek op 8 juli 2013 geen doorgang zal vinden vanwege het ontslag op staande voet.
Op 9 juli 2013 heeft de werkgever aangegeven te persisteren bij het gegeven ontslag op staande voet.
Op 16 juli 2013 heeft de gemachtigde van de werknemer nogmaals geprotesteerd tegen het ontslag op staande voet. De werkgever wordt gesommeerd de re-integratie voort te zetten en het loon te voldoen. De werkgever is niet ingegaan op de verzoeken van de werknemer.
De werknemer heeft daarop een kort geding procedure opgestart. De werkgever heeft een voorwaardelijk ontbindingsverzoek ingediend. Bij vonnis van 20 september 2013 heeft de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen de vordering van de werknemer tot tewerkstelling in een passende functie dan wel voortzetting van het re-integratietraject tweede spoor en tot hervatting van de loonbetalingen afgewezen. Bij beschikking van dezelfde datum is het voorwaardelijk ontbindingsverzoek van de werkgever toegewezen. Het dienstverband is voorwaardelijk ontbonden per 1 oktober 2013 zonder vergoeding.

Rechtsvraag
De kern van het geschil betreft de vraag of het ontslag op staande voet rechtsgeldig is.

De beoordeling
Maatstaf bij de beoordeling is dat een werkgever ingevolge artikel 7:677 lid 1 BW juncto artikel 7:678 BW bevoegd is de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen wegens een dringende reden indien sprake is van een situatie die zo ernstig van aard is dat van de werkgever in redelijkheid niet verlangd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Bij de beoordeling of van een zodanige dringende reden sprake is moeten de omstandigheden van het geval in onderling verband en samenhang in aanmerking worden genomen, waaronder de persoonlijke omstandigheden van de werknemer.

Ontslag onverwijld gegeven?
De kantonrechter verwerpt allereerst de stelling van de werknemer dat het ontslag op staande voet niet onverwijld zou zijn gegeven. De werkgever heeft gesteld dat haar kort voor 3 juli 2013 was gebleken dat de werknemer op internet stond vermeld als actieve wedstrijdloper van diverse tochten en dat hij aan een marathon had deelgenomen. Daarnaast had hij eind juni 2013 geconstateerd dat de werknemer op een steiger werkzaamheden aan zijn woning verrichtte, waaronder het vervangen van dakgoten. Het ontslag is mondeling gegeven en schriftelijk door de werkgever bevestigd op 4 juli 2013. Aldus is het ontslag naar het oordeel van de kantonrechter onverwijld gegeven.

Dringende reden?
Teneinde de vraag te beantwoorden of de werknemer door deel te nemen aan hardloopwedstrijden en werkzaamheden te verrichten aan zijn woning zijn re-integratie heeft belemmerd, is naar het oordeel van de kantonrechter een medisch oordeel van een deskundige noodzakelijk. De werkgever heeft zonder overleg met de bedrijfsarts de conclusie getrokken dat de hardloopactiviteiten van de werknemer en de kluswerkzaamheden aan zijn woning zijn re-integratie hebben belemmerd en ertoe hebben geleid dat hij langer arbeidsongeschikt is gebleven. Het is aan het UWV of de bedrijfsarts om te beoordelen in welke mate een werknemer arbeidsongeschikt is en waartoe hij in staat is. Indien de bedrijfsarts had geoordeeld dat de werknemer deze activiteiten niet mocht verrichten en hij er desondanks mee zou zijn doorgegaan, was sprake van een wezenlijk andere situatie dan nu en was mogelijk wel sprake van grove veronachtzaming van op de werknemer rustende verplichtingen.
Gelet op het ingrijpende karakter van ontslag had het op de weg van de werkgever gelegen eerst in overleg te treden met de bedrijfsarts. De werkgever beschikte over geen enkel medisch oordeel c.q. bewijs dat de hardloopactiviteiten, dan wel de werkzaamheden rondom zijn woning aan de re-integratie van de werknemer in de weg stonden. Pas na een beoordeling door de bedrijfsarts had een eventuele sanctie kunnen volgen.
Als er al een verplichting voor de werknemer zou bestaan om zijn activiteiten bij de bedrijfsarts te melden, en hij, door dit na te laten, deze verplichting heeft geschonden, zou een dergelijke schending evenmin een grond opleveren voor een ontslag op staande voet. Het niet verstrekken van inlichtingen door de werknemer levert niet een dringende reden op in de zin van artikel 7:677 lid 1 BW, omdat blijkens de totstandkoming van deze wetsbepaling het de bedoeling van de wetgever is geweest daaraan slechts de sanctie van opschorting van het loon te verbinden. Van een dringende reden in de zin van voorgenoemd artikel kan bij de aanwezigheid van bijkomende omstandigheden wel sprake zijn (Hoge Raad 8 oktober 2004, LJN-nummer AO9549). Deze bijkomende omstandigheden zijn gesteld noch gebleken.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft zich gelet op het voorgaande geen dringende reden voorgedaan die een ontslag op staande voet rechtvaardigt.


donderdag 9 april 2015

VV Bennekom mag speler royeren als na interview plaatselijke krant

Rechtbank Gelderland3 april 2015, ECLI:NL:RBGEL:2015:2286

VV Bennekom, opgericht op 29 september 1954, is een voetbalclub voor amateurs en heeft ongeveer 1.165 leden. Het eerste elftal van VV Bennekom speelt in de zaterdagcompetitie van de landelijke hoofdklasse.
Speler X is in juni 2012 door VV Bennekom aangetrokken om de selectie van het eerste elftal te versterken. Speler X is in dat kader als lid overgeschreven naar VV Bennekom en op basis van een arbeidsovereenkomst bij VV Bennekom in dienst getreden in de functie van contractspeler met een contract tot 17 mei 2015. Speler X heeft op 20 september 2014 als speler en aanvoerder met het eerste elftal van VV Bennekom deelgenomen aan een voetbalwedstrijd tussen SV Huizen en VV Bennekom. Na afloop van die wedstrijd zijn er schermutselingen geweest tussen spelers van de beide voetbalverenigingen. De bij de wedstrijd betrokken scheidsrechter heeft in totaal zes spelers een rode kaart gegeven, te weten speler X en [naam]van VV Bennekom en [naam], [naam], [naam] en [naam] van SV Huizen.
De scheidsrechter heeft na de wedstrijd een wedstrijdformulier ingevuld en naar aanleiding daarvan is een tuchtzaak aanhangig gemaakt bij de Landelijke Tuchtcommissie Amateurvoetbal van de KNVB (hierna: de Tuchtcommissie).
Op 22 september 2014 heeft het bestuur van VV Bennekom speler X en [naam] meegedeeld dat zij vanwege hun betrokkenheid bij het voormelde incident met onmiddellijke ingang uit de selectie van het eerste elftal waren gezet en dat bovendien door het bestuur besloten was om hen te schorsen en te royeren als lid van VV Bennekom.

Bij uitspraak van 24 september 2014 heeft de Tuchtcommissie speler X met ingang van 1 oktober 2014 als lid van de KNVB geschorst voor de duur van achttien maanden. De Tuchtcommissie acht bewezen dat speler X zich schuldig heeft gemaakt aan:
“Het bij gelegenheid van de wedstrijd Huizen-Bennekom (…) na afloop van de wedstrijd onbehoorlijk gedragen door meerdere spelers, althans tenminste één speler van Huizen meerdere keren te hebben geslagen, althans tenminste één keer te hebben geslagen”.

Onder het kopje “strafmotivering” heeft de Tuchtcommissie overwogen:
“Naar het oordeel van de tuchtcommissie is er sprake van buitensporig fysiek geweld buiten een spelsituatie en waarbij geen sprake is van strijd om de bal, waardoor deze overtreding wordt aangemerkt als een individuele excessieve overtreding”.
De Commissie van Beroep heeft de onder 2.6 bedoelde uitspraak van de Tuchtcommissie bij uitspraak van 21 november 2014 bekrachtigd.
Bij vonnis in kort van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, d.d. 4 februari 2015 heeft de voorzieningenrechter op vordering van speler X onder andere beslist dat de hiervoor genoemde beslissingen van de Tuchtcommissie en de Commissie van Beroep worden geschorst, zulks in afwachting van een uitspraak door de rechter in een binnen veertien dagen na betekening van dat vonnis door speler X aanhangig te maken bodemprocedure. De voorzieningenrechter heeft daartoe onder meer overwogen:

“De Tuchtcommissie en de Commissie van Beroep hebben in hun uitspraken niet gemotiveerd waarom de (beweerdelijk) door speler X aan [naam] en [naam] gegeven klappen in dit geval kwalificeren als excessief. De commissies volstaan met het oordeel dat met het geven van een klap sprake is van buitensporig fysiek geweld buiten een spelsituatie, waarbij geen sprake is van strijd om de bal. Dit klemt omdat in artikel 25 van het reglement (Reglement Tuchtrechtspraak Amateurvoetbal 2014/2015; de voorzieningenrechter) onderscheid wordt gemaakt tussen overtredingen en excessieve overtredingen en voor beide categorieën een verschillende strafmaat wordt gehanteerd. Klappen zoals speler X deze volgens de KNVB aan [naam] en [naam] gegeven zou hebben, kwalificeren in beginsel als een overtreding tenzij sprake is van buitensporig gewelddadig handelen en daarmee van een excessieve overtreding.
(…)
De KNVB laat na (…) in dit kort geding een concrete toelichting te geven waarom de handelingen volgens haar voldoen aan artikel 25 lid 3 van het reglement en daarom als excessief kwalificeren. Weliswaar stelt zij dat dit het geval is, maar zij laat na deze stelling te schragen met feiten en omstandigheden. Dit klemt temeer omdat uit de verklaring van [naam] blijkt dat hij stelt niet geslagen te zijn door speler X (…)
Voorgaande brengt mee dat voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter de uitspraken van de Tuchtcommissie en de Commissie van beroep zal vernietigen (…)”.

De hiervoor bedoelde bodemprocedure heeft speler X inmiddels aanhangig gemaakt. Deze procedure loopt nog.

Kort na het laatstgenoemde vonnis heeft speler X een interview gegeven aan een lokale krant over het incident op 20 september 2014. Het interview is onder andere gepubliceerd in “Ede Stad” van 11 februari 2015. Daarin staat, voor zover van belang:
“In de ogen van de aanvoerder had het allemaal heel anders kunnen lopen. ‘Het opstootje had door snel ingrijpen van zowel de staf van Huizen als Bennekom gemakkelijk kunnen worden voorkomen. Maar trainer [naam] en toen nog bestuurslid technische zaken [naam] keken toevallig de andere kant op. Kennelijk wilden zij hun handen niet vuil maken’ (…).
speler X laat de gebeurtenissen in de volgende weken nog eens de revue passeren. ‘Daar heb ik de wolven in schaapskleren leren kennen. Er werd bij de club nauwelijks naar mijn verweer geluisterd. Bestuur en staf hadden maar één doel en dat was de vereniging Bennekom er zo goed mogelijk uit te laten komen (…). Ook de hulp tijdens de zittingen van de tuchtcommissie was minimaal. Neem alleen het feit dat dat de televisieopnamen die gemaakt waren, mislukt zijn. Er zou een batterijprobleem zijn geweest? Ik ben er van overtuigd dat er haarscherpe opnamen waren, maar dat men er belang bij had om die niet te laten zien’ (…)”.

De vordering
Speler X heeft vordert de schorsings- en royementsbesluiten van VV Bennekom d.d. 20 september 2014 te schorsen

Beoordeling rechter
Speler X heeft gesteld dat VV Bennekom hem op onjuiste gronden heeft geschorst en geroyeerd als lid van VV Bennekom. Hij heeft daarvoor aangevoerd dat hij na afloop van de wedstrijd tegen SV Huizen op 20 september 2014 geen geweld heeft gebruikt tegen spelers van SV Huizen. Daarom moet worden aangenomen dat het besluit in een bodemprocedure op grond van de artikelen 2:8 en 15 BW zal worden vernietigd.
VV Bennekom heeft dat gemotiveerd betwist.
De vraag is allereerst of speler X na afloop van de bedoelde wedstrijd geweld heeft gebruikt. Uit het hiervoor genoemde kort geding vonnis van 4 februari 2015 kan, anders dan speler X kennelijk meent, niet worden afgeleid dat hij toen geen geweld heeft gebruikt. De voorzieningenrechter heeft immers enkel geoordeeld dat de Tuchtcommissie en de Commissie van Beroep onvoldoende gemotiveerd hebben aangegeven dat speler X excessief geweld heeft gebruikt. Dat speler X in het geheel geen geweld zou hebben gebruikt volgt daaruit niet. Speler X heeft tijdens de zitting in het onderhavige kort geding echter gemotiveerd betwist dat hij heeft geslagen en hij kan dat volgens hem ook staven met getuigenverklaringen van onder andere (een) spelers(s) van SV Huizen. Dat laatste lijkt op voorhand niet onaannemelijk, omdat in het hiervoor bedoelde kort geding vonnis onder andere is overwogen dat uit de verklaring van [naam] (een van de spelers van SV Huizen die speler X zou hebben geslagen) blijkt dat hij stelt niet geslagen te zijn door speler X.
Bij het voorgaande komt nog dat de ter zitting aanwezige voorzitter van VV Bennekom,[naam], heeft verklaard dat hij als toeschouwer (hij was op dat moment nog geen voorzitter) aanwezig was bij de wedstrijd, dat hij de schermutselingen tussen de beide teams kort na afloop van de wedstrijd heeft gezien en dat hij daarbij niet heeft kunnen constateren dat speler X toen een of meer spelers van SV Huizen heeft geslagen.
Al het voorgaande leidt ertoe dat thans in het kader van dit geding niet met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat speler X na afloop van de wedstrijd geweld heeft gebruikt.
Dat heeft VV Bennekom dan ook niet, zo moet voorshands worden geoordeeld, aan het besluit ten grondslag kunnen leggen.
Uit de tijdens de zitting gegeven toelichting van speler X en [naam] over het incident kan wel worden afgeleid dat speler X zich in de na afloop van de wedstrijd ontstane vechtpartij heeft gemengd. Speler X heeft daarover verklaard dat hij, toen hij van het veld wilde lopen, zag dat een teamgenoot werd belaagd door vier spelers van Huizen, dat hij zag dat zijn teamgenoot werd geslagen, op de grond viel en vervolgens werd geschopt. Daarop heeft speler X besloten zijn teamgenoot te hulp te schieten door met duwen en trekken te proberen spelers van SV Huizen van zijn teamgenoot te verwijderen. De voorzitter heeft dat relaas van speler X onderschreven, en daarbij aangetekend dat hij de houding die speler X daarbij aannam als agressief en dreigend heeft ervaren. Volgens de voorzitter had speler X, als aanvoerder van het team, anders op de situatie moeten reageren door spelers op een niet agressieve wijze van de vechtpartij te verwijderen, bijvoorbeeld door een speler met beide armen om het lichaam weg te leiden van de vechtpartij. Speler X heeft zijnerzijds wel min of meer bevestigd dat hij een soort van vechthouding heeft aangenomen, maar zelf niet de indruk te hebben dat dat agressief en dreigend was.
Als de handelwijze van speler X zo is geweest als [naam] zegt, zou de conclusie gerechtvaardigd kunnen zijn dat speler X, hoewel hij niet heeft geslagen, tocht verkeerd heeft gehandeld door zich agressief/dreigend en dus niet de-escalerend, zoals het een aanvoerder betaamt, te gedragen. Een volledig beeld van hetgeen toen is voorgevallen ontbreekt echter. [naam] heeft ter zitting ook verklaard dat hij in de ontstane chaos maar “een fractie” van het gebeurde heeft gezien. Daarom kan thans niet met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat het gedrag van speler X toen zodanig is geweest dat dat de schorsing/het royement van speler X als lid van VV Bennekom rechtvaardigde. Dat zal nader moeten worden onderzocht in een eventueel aanhangig te maken bodemprocedure. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, ligt het voor de hand om aan te nemen dat het besluit van VV Bennekom om speler X als lid van de vereniging te schorsen en te royeren, onvoldoende steun vindt in de feiten. Desondanks kunnen de vorderingen van speler X niet worden toegewezen. Daarvoor zijn de volgende omstandigheden van belang.
Aangenomen moet worden dat de arbeidsovereenkomst tussen VV Bennekom en speler X nog tot 17 mei 2015 loopt, zoals VV Bennekom heeft gesteld. In die overeenkomst staat immers met zoveel woorden dat deze op die datum van rechtswege eindigt. Speler X heeft nog wel gesteld dat het hier gaat om een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, maar dat heeft hij, tegenover de betwisting door VV Bennekom en de duidelijke bewoordingen van de overeenkomst, niet nader toegelicht, zodat daaraan moet worden voorbijgegaan. Er moet dan ook van worden uitgegaan dat de overeenkomst, gerekend vanaf heden, nog slechts zes weken zal voortduren en dan zal zijn ontbonden, nu het er niet naar uitziet dat VV Bennekom genegen zal zijn tot voortzetting van de arbeidsrelatie met speler X. Van een bijzonder belang van speler X bij voortzetting van de overeenkomst gedurende die korte periode is niet gebleken. Speler X heeft slechts aangevoerd dat hij graag wil blijven voetballen. Dat is wel begrijpelijk, maar dat kan niet als een bijzonder belang worden beschouwd. Onder deze omstandigheden moet worden geoordeeld dat het belang van speler X bij toewijzing van de gevorderde schorsing en toelating tot de wedstrijden/trainingen betrekkelijk gering is.
Daartegenover staat het belang van VV Bennekom bij handhaving van de schorsing/het royement. Volgens VV Bennekom zijn de verhoudingen tussen partijen als gevolg van het door speler X gegeven en in een regionaal dagblad gepubliceerde interview zodanig verstoord, dat het onwenselijk is hem weer als lid/speler van de vereniging toe te laten.
Speler X heeft niet betwist dat hij tijdens het interview de uitspraken heeft gedaan zoals die in het hiervoor bedoelde krantenartikel staan. Uit dat artikel blijkt niet alleen dat speler X de hoofdtrainer en een bestuurslid van VV Bennekom in diskrediet heeft gebracht, maar ook dat hij de suggestie wekt dat het bestuur van VV Bennekom in de procedure voor de Tuchtcommissie en de Commissie van Beroep bepaalde bewijsmiddelen zou hebben achtergehouden. Dat dat laatste zo is, is niet komen vast te staan. Dat de verhoudingen tussen speler X en VV Bennekom thans, mede als gevolg van deze uitlatingen ernstig zijn verstoord, kan wel worden aangenomen en is door speler X ook onvoldoende gemotiveerd weersproken.

Deze beide belangen van partijen afwegend, moet worden geoordeeld dat het belang van VV Bennekom bij handhaving van het besluit zwaarder behoort te wegen dan het belang van speler X bij schorsing daarvan. Van VV Bennekom kan dan ook in redelijkheid niet worden gevergd speler X weer als lid/speler van haar vereniging toe te laten. De vorderingen van speler X moeten daarom worden afgewezen.

Huurder mag pony in zijn schuur houden. Pony is geen paard.


Een huurder van woonruimte heeft een pony in zijn schuur staan en de verhuurder, Wold en Waard, wil dat de pony weg gaat.Tijdens de descente heeft de kantonrechter geconstateerd dat huurder ten behoeve van de pony in de schuur achter zijn huis een goed onderhouden (afgescheiden) stalruimte heeft ingericht, waar, volgens huurder, de pony (hoofdzakelijk) des nachts verblijft.
Voorts heeft de kantonrechter tijdens de descente waargenomen dat de pony (met een schofthoogte van 76 cm) zich in een weiland op pakweg 200 meter van de woning bevond. huurder heeft dienaangaande desgevraagd te kennen gegeven dat de pony daar, behoudens bij ziekte in verband met hoefbevangenheid, doorgaans vertoeft.
De kantonrechter heeft tijdens de bezichtiging in de schuur geen ongedierte waargenomen. Ook van onwelriekende geuren is hem bij die gelegenheid niet gebleken.

De rechtsvraag
In de deze zaak gaat het onder meer om het antwoord op de vraag of huurder de pony houdt in strijd met de Algemene Huurvoorwaarden, dan wel of het houden van die pony op gespannen voet staat met goed huurderschap. De kantonrechter overweegt daaromtrent het volgende.

Overwegingen kantonrechter
In artikel 6.8 van de Algemene Huurvoorwaarden is bepaald dat het de huurder niet is toegestaan in het gehuurde andere dieren dan de gebruikelijke huisdieren te houden en in ieder geval geen paard, varken, geit, haan of ander vee.
Refererend aan voormeld artikel heeft Wold en Waard betoogd dat een pony moet worden vereenzelvigd met een paard, dan wel valt onder de categorie ander vee. huurder heeft die stelling gemotiveerd betwist.
Ter onderbouwing van haar stelling dat een pony een (klein) paard is, heeft Wold en Waard verwezen naar de omschrijving van het fenomeen pony in Van Dale, Wikipedia en het etymologisch woordenboek.
De kantonrechter acht de enkele verwijzing naar woordenboeken en een niet geautoriseerde encyclopedie door Wold en Waard mede in het licht van het verweer van huurder ontoereikend, nu in de (wetenschappelijke) literatuur geen eenduidigheid bestaat omtrent het verschil tussen een pony en een paard. Het had daarom op de weg van Wold en Waard gelegen om met kracht van argumenten te betogen welke school hier dient te worden aangehangen. Wold en Waard heeft dat echter nagelaten, zodat zij niet aan de op haar rustende stelplicht heeft voldaan.
 Verder overweegt de kantonrechter dat Wold en Waard de stelling als zou een pony onder de verzamelnaam vee vallen in het geheel niet onderbouwd. Ook dienaangaande is Wold en Waard derhalve te kort geschoten in haar stelplicht, te meer nu, zoals te doen gebruikelijk bij vee, niet is gebleken dat de onderhavige pony om economische redenen wordt gehouden.
Thans behoeft beantwoording de vraag of een pony kan worden aangemerkt als een ongebruikelijk huisdier als bedoeld in de Algemene Huurvoorwaarden. De kantonrechter overweegt ter zake als volgt
Om te beginnen heeft huurder één en andermaal onweersproken gesteld dat het in zijn directe woonomgeving bepaald niet ongebruikelijk is dat mensen in hun achtertuin een pony houden, zodat het ervoor moet worden gehouden dat zulks inderdaad het geval is. Dat het daarbij gaat om eigen woning bezitters, gelijk Wold en Waard tijdens de descente te kennen heeft gegeven, doet daaraan niet af.
Voorts verwijst de kantonrechter in dit kader naar de brief van de staatssecretaris van Economische Zaken van 28 januari 2015 aan de Tweede Kamer waarin wordt aangekondigd dat (vooralsnog) 100 zoogdieren, waaronder de waterbuffel, de schroefhoorngeit, het wrattenzwijn, de zebra, het paard en de pony, per 1 februari 2015 op de zogeheten huisdierenlijst worden geplaatst.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen komt de kantonrechter tot het oordeel dat een pony in de gegeven omstandigheden niet kan worden aangemerkt als een ongebruikelijk huisdier.
Ten slotte overweegt de kantonrechter dat Wold en Waard haar stelling dat het houden van de onderhavige pony overlast veroorzaakt aan de omgeving in de vorm van de aanwezigheid van insecten, muizen en stank onvoldoende handen en voeten heeft gegeven.
Zonder nadere toelichting van Wold en Waard, welke toelichting ontbreekt, valt niet in te zien dat bedoelde overlast een feit van algemene bekendheid is. Bovendien kan Wold en Waard niet volstaan met een enkele verwijzing naar een mondelinge, anonieme klacht van een vermeende buurtgenoot waar huurder zich niet tegen kan verweren. Nu ook de kantonrechter tijdens de descente geen (potentiële) bronnen van overlast heeft waargenomen, zullen de stellingen van Wold en Waard ter zake worden verworpen.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen worden de vorderingen van Wold en Waard afgewezen.

donderdag 19 maart 2015

NOS herziet afspraken FOX Sports, onderzoek CvdM loopt door

Op aandrang van het Commissariaat voor de Media (CvdM) heeft de NOS afspraken met Eredivisie Media en Marketing CV (EMM) over betaalzender FOX Sports aangepast. De NOS was eerder overeengekomen om vooruitlopend op de live wedstrijden van de Eredivisie een nieuw programma uit te zenden waarin verwezen zou worden naar live uitzendingen bij Fox Sports. Hoewel van een nieuw programma uiteindelijk geen sprake is geweest, is de afspraak hierover nu komen te vervallen. Daarnaast was vastgelegd dat voetbalanalisten met vermelding van hun afkomst van FOX Sports commentaar zouden geven in het NOS programma Studio Voetbal. Ook deze verplichting is nu ongedaan gemaakt.

In de ogen van het Commissariaat bood de NOS daarmee een platform voor de groei van de betaalzender Fox Sports waardoor voor de kijker niet transparant was dat commerciële beïnvloeding was beoogd. Om die reden legde het Commissariaat een last onder dwangsom op. Deze kon oplopen tot € 1 miljoen als de afspraken niet voor 18 maart zouden zijn aangepast.
De afspraken zijn nu naar genoegen van het Commissariaat aangepast. Hiermee is in ieder geval bereikt dat de NOS niet langer het dienstbaarheidsverbod overtreedt. Het brede onderzoek van het Commissariaat naar de activiteiten van de NOS rond het Eredivisievoetbal loopt nog door. Dat richt zich nu vooral op andere Mediawettelijke vereisten en is verbreed naar andere partijen, waaronder de STER. Afhankelijk van de uitkomsten daarvan kunnen nadere maatregelen volgen.


Het lopende onderzoek draagt bij aan de uitvoering van de prioriteiten van het Commissariaat voor de Media. Het Commissariaat ziet dit jaar in het bijzonder toe op de transparantie en onafhankelijkheid van media. Programma-aanbod van de publieke omroep moet op basis van eigen redactionele keuzes en onafhankelijk van commerciële invloeden tot stand komen.

woensdag 11 maart 2015

De non-conforme pony met zadeldwang en singelnijd




De feiten
De verkopers hebben eind 2011 op www.marktplaats.nl de pony Eindershof Carlos te koop aangeboden. In de advertentie is, voor zover van belang, vermeld:

Te koop super allround D-pony Einderhofs Carlos
(…)
Niveau:
Nationaal.
(…)
Beschrijving
(…)
Carlos is een lieve pony, die zeer geschikt is om veel van te leren. Het is een hoog geschoolde pony, hij kent alle kunstjes tot en met de wissels om de pas. Ook is hij allround, wat wil zeggen dat hij goed kan dressuren maar ook heel goed kan springen.
(…) Het is een pony die graag voor je aan het werk wil en hij houdt van wedstrijden.
(…)”
De koper was eind 2011 op zoek naar een brave wedstrijdpony voor zijn twaalfjarige dochter.
De koper heeft op 22 oktober 2011 de pony Eindershof Carlos gekocht van de verkopers voor een bedrag van € 6.000,-. In deze koopovereenkomst staat onder meer:
6.
(…)
Carlos is verkocht als een allround sportpony.
Verkoper verklaart kennis te hebben genomen van de hierboven omschreven bedoeling van de koper en verklaart dat het onder 1 beschreven dier (hof: Eindershof Carlos) hiervoor geschikt is.”
Eindershof Carlos is op 22 oktober 2011 aan de koper geleverd.
In eerste aanleg vorderde de koper, verkort weergegeven, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad voor recht te verklaren dat de koopovereenkomst is ontbonden dan wel deze alsnog te ontbinden en, subsidiair, voor recht te verklaren dat de koopovereenkomst is vernietigd dan wel deze alsnog te vernietigen.

Grondslag van de vordering
Op 24 oktober 2011 wilde de dochter van de koper voor de eerste keer op Eindershof Carlos gaan rijden. Hierbij is het echter vreselijk mis gegaan. Tijdens het opstappen steigerde Eindershof Carlos zonder enige aanleiding en heeft hij zichzelf geheel omgegooid. Hierbij is dochter van de koper onder de pony terecht gekomen, gelukkig zonder ernstig letsel. Ook bij het poetsen vertoonde Eindershof Carlos zeer onberekenbaar gedrag en steigerde hij veel.
Vervolgens heeft de koper de pony op 27 oktober 2011 door de dierenarts laten onderzoeken. Deze constateerde dat Eindershof Carlos bij algemeen palpatie van het lichaam zeer sensibel is alsook dat het dier tijdens het opzadelen extreem steigerde en zich bijna achterover liet vallen. Volgens de koper bevestigde de dierenarts verder dat dit gebrek reeds aanwezig moet zijn geweest op het moment van aankoop en dat het om levensgevaarlijk gedrag voor ruiter en/of begeleider gaat.
Daarnaast wees nader onderzoek door de koper in de tussentijd nog uit dat het door de verkopers genoemde niveau, nationaal, absoluut niet correct is. Tijdens de bezichtigingen van de pony voorafgaand aan de koop hebben de verkopers telkens benadrukt dat het een lieve en betrouwbare leerpony was, uitermate geschikt voor kinderen en een goede wedstrijdpony. De verkopers hebben geen melding van gebreken of gedragsproblemen van de pony gemaakt.
De koper stelt zich primair op het standpunt dat de pony niet voldoet aan de koopovereenkomst althans niet aan de verwachtingen die hij op grond daarvan van het dier kan en mag hebben. Er is dan ook sprake van non-conformiteit als bedoeld in artikel 7:17 lid 2 BW. de koper is gerechtigd op grond van artikel 6:265 lid 1 BW de overeenkomst te ontbinden en restitutie van het aankoopbedrag te vorderen. Subsidiair stelt hij zich op het standpunt dat de koopovereenkomst vernietigbaar is wegens dwaling.

Oordeel kantonrechter
In het vonnis waarvan beroep van 10 juli 2012 heeft de kantonrechter overwogen dat gelet op de tegengestelde standpunten van partijen hij het noodzakelijk acht om zich te laten adviseren door een ter zake deskundige en dat partijen ter comparitie ingestemd hebben met de benoeming van een deskundige. De kantonrechter heeft vervolgens de dierenarts S. Welschen tot deskundige benoemd en de deskundige opgedragen om de in dat vonnis geformuleerde vragen te beantwoorden. De kantonrechter heeft ook opgenomen dat bij de rijtechnische beoordeling rijstal Dijkerhoeve van de familie Dorssers zal worden ingeschakeld.
De deskundige heeft op 20 december 2012 een (definitief) rapport uitgebracht. Dit rapport is naast door Welschen voornoemd ondertekend door mw. S. Dorssers van stal Dijkerhoeve.
In het vonnis waarvan beroep van 10 juli 2013 heeft de kantonrechter overwogen dat de deskundige heeft geconcludeerd dat de pony een duidelijke gedragsafwijking, te weten zadeldwang gecombineerd met een lichte vorm van singelnijd, vertoont, dat deze gedragsafwijking volgens Welschen bij de verkopers bekend was en zij daarmee konden omgaan maar dit voor de dochter van de koper niet mogelijk is en ook risico’s meebrengt. De kantonrechter is van oordeel dat de gekochte pony, die bestemd was voor de twaalfjarige dochter van de koper, nu die is aangeboden als lieve en betrouwbare leerpony, geschikt voor kinderen, niet voldoet aan de eisen die de koper redelijkerwijs aan de pony mocht stellen. de koper heeft gelet hierop terecht de koopovereenkomst ontbonden, aldus de kantonrechter.
Op grond daarvan heeft de kantonrechter de primair gevorderde verklaring voor recht toegewezen. Ook heeft hij de vordering om de pony op te halen en weer in bezit te nemen en de veroordeling tot terugbetaling van de door de koper betaalde koopsom van € 6.000,- toegewezen. De gevorderde schadevergoeding is gedeeltelijk toegewezen. De gevorderde buitengerechtelijke kosten zijn afgewezen. De verkopers zijn als de ongelijk gesteld partij veroordeeld in de kosten van de procedure.

Verweer verkopers
De verkopers hebben in hoger beroep in totaal zes grieven aangevoerd. De belangrijkste grieven, grieven 3, 4 en 5, strekken ten betoge dat er geen sprake is van non-conformiteit. Grief 6 houdt in dat de geconstateerde afwijking van zo geringe betekenis is dat deze ontbinding van de koopovereenkomst niet rechtvaardigt.
Bij de beoordeling van de grieven 3, 4 en 5 stelt het hof het volgende voorop.
Op grond van het conformiteitsvereiste van artikel 7:17 lid 1 BW moet bij een koopovereenkomst de afgeleverde zaak aan de overeenkomst beantwoorden. Ingevolge artikel 7:17 lid 2 BW beantwoordt een zaak (in ieder geval) niet aan de overeenkomst indien zij mede gelet op de aard van de zaak en de mededelingen die de verkoper over de zaak heeft gedaan, niet de eigenschappen bezit die de koper op grond van de overeenkomst mocht verwachten. Voorts mag de koper verwachten dat de zaak de eigenschappen bezit die voor een normaal gebruik daarvan nodig zijn en waarvan hij de aanwezigheid niet behoefde te betwijfelen, alsmede de eigenschappen die nodig zijn voor een bijzonder gebruik dat bij de overeenkomst is voorzien.
Het is in dit geval aan de koper als koper om te stellen en bij voldoende betwisting te bewijzen dat niet voldaan is aan het conformiteitsvereiste.
Gesteld noch gebleken is dat de verkopers de pony hebben verkocht handelend in de uitoefening van een beroep of bedrijf, zodat het hof ervan uitgaat dat geen sprake is van een consumentenkoop. Het vermoeden van artikel 7:18 lid 2 BW mist dan ook toepassing.
In eerste aanleg heeft bewijslevering plaatsgevonden in de vorm van deskundigenbewijs. In het vonnis waarvan beroep van 10 juli 2012 heeft de kantonrechter als vraag 1 geformuleerd of de pony afwijkend gedrag vertoont. Blijkens het rapport heeft de deskundige deze vraag als volgt beantwoord:
“De pony vertoont zeker afwijkend gedrag, nl. tijdens het opzadelen van de pony stond hij erg onrustig en gespannen op de wasplaats. Tijdens het zadelen en singelen werd dit gedrag nog sterker. Een duidelijk aanwezige zadeldwang met een in lichte mate aanwezig singelnijd.”
In de conclusie van het rapport heeft de deskundige vervolgens opgenomen dat de pony een duidelijke gedragsafwijking, te weten zadeldwang gecombineerd met een lichte vorm van singelnijd, heeft, zoals de kantonrechter heeft overwogen.
In zoverre wordt het deskundigenrapport door de grieven niet, althans niet voldoende duidelijk, bestreden. In de toelichting op grief 4 hebben de verkopers het hof verzocht het deel van het deskundigenrapport buiten beschouwing te laten dat op de vragen 2 en 3 (en niet vraag 1) ziet. Voor zover de verkopers betwisten dat er sprake is van zadeldwang en singelnijd, hebben zij terzake geen althans onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld om daarin aanleiding te zien van de conclusie van het deskundigenrapport af te wijken.
Volgens de verkopers had moeten worden onderzocht of het gebrek het gevolg is van een karakterafwijking of van invloeden als ziekte en pijnlijkheid. Het hof volgt de verkopers daarin niet. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien waarom de oorzaak van het gebrek relevant is. Het gaat er immers om of de verkopers een gebrekkige pony aan de koper hebben geleverd.
Het hof komt de door de deskundige gebezigde motivering voor de conclusie overtuigend voor. Blijkens het rapport heeft Welschen op 29 oktober 2012 de pony zelf bekeken en onderzocht tijdens de voorbereiding (het poetsen), het zadelen en het aantrekken van de singel. Voorts vindt deze conclusie steun in het onderzoek van de dierenarts [dierenarts] op 27 oktober 2011. Ook is door de verkopers op zichzelf niet betwist dat het door de koper aangevoerde incident van de pony met dochter van de koper op 24 oktober 2011 zich heeft voorgedaan. Het hof zal de conclusie dat de pony de beschreven gedragsafwijking heeft daarom volgen.
Het hof is van oordeel dat de pony Eindershof Carlos gelet op deze gedragsafwijking, welke als een gebrek dient te worden aangemerkt, niet aan de door de koper en de verkopers aangegane koopovereenkomst beantwoordde. Daartoe overweegt het hof, in respons op de door de verkopers bij de grieven gevoerde verweren, verder als volgt.
De verkopers betwisten dat de pony dit gebrek had ten tijde van of vóór de koop/levering. Zij stellen dat het een door de koper zelf veroorzaakt karaktergebrek betreft, naar het hof begrijpt omdat de koper niet op de juiste wijze met Eindershof Carlos is omgegaan. Het hof overweegt dienaangaande het volgende. De koop/levering heeft plaatsgevonden op 22 oktober 2011 en reeds op 24 oktober 2011, de eerste keer dat dochter van de koper met de pony wilde gaan rijden, heeft het incident plaatsgevonden en drie dagen later, op 27 oktober 2011, heeft de dierenarts Eindershof Carlos onderzocht. Onbetwist is dat deze dierenarts toen al heeft geconstateerd dat de pony zeer sensibel is bij palpatie (voelen) van het lichaam en extreem steigerde tijdens het opzadelen. Het onderzoek van de deskundige van ongeveer een jaar later bevestigde het bestaan van het gebrek. Uit de opmerkingen van dierenarts en de deskundige valt af te leiden dat de pony dit reeds had ten tijde van of vóór de koop/levering, zij het gezien de bevindingen van de deskundige mogelijk minder manifest omdat er bij de verkopers een speciaal protocol was voor het zadelen van Eindershof Carlos zodat dat goed ging. Ook uit de stellingen van de verkopers blijkt dat er reeds voorafgaand aan de levering een ‘gebruiksaanwijzing’ voor de omgang met de pony nodig was. Tegenover al het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof de onderhavige betwisting onvoldoende gemotiveerd. Aan (nadere) bewijslevering komt het hof op dit punt daarom niet toe.
Voorts hebben de verkopers ten verwere naar voren gebracht dat zij voorafgaand aan de koop de koper hebben gewaarschuwd dat Eindershof Carlos een gevoelige sportpony met een gebruiksaanwijzing is en uitgebreide instructies hebben gegeven zodat het aansingelen en zadelen goed zouden gaan. Voorts hebben zij de koper de mogelijkheid gegeven de pony zelf door een dierenarts te laten keuren, de instructrice na de levering te laten helpen met de pony en de koop voor de duur van een week op proef te sluiten, maar de koper heeft dit geweigerd, aldus de verkopers Ook stellen de verkopers dat dochter van de koper tijdens het bezichtigen bij de omgang met de pony zonder problemen is begeleid, ook bij het opzadelen, aansingelen en opstijgen.
Ook indien dit alles juist zou zijn, hetgeen de koper overigens ten dele betwist zodat dit niet vaststaat, dan heeft naar het oordeel van het hof te gelden dat gelet op de gedragsafwijking Eindershof Carlos niet aan de koopovereenkomst beantwoordde. Daartoe overweegt het hof voorts het volgende. Duidelijk is dat de verkopers aan de koper niet hebben meegedeeld dat de pony een duidelijke gedragsafwijking, te weten zadeldwang gecombineerd met een lichte vorm van singelnijd, heeft. Die mededeling hoefde vanzelfsprekend niet letterlijk in deze woorden te worden gedaan, maar de verkopers hadden de koper voorafgaand aan of bij het sluiten van de koopovereenkomst in duidelijke bewoordingen moeten wijzen op de gedragsafwijking, te meer nu de pony in de advertentie is aangeprezen als ‘lieve pony, die zeer geschikt is om veel van te leren’. Het hof volgt de verkopers niet waar zij stellen dat met dit onderdeel van de advertentie duidelijk alleen wordt gedoeld op het gedrag tijdens het rijden en niet op het gedrag van de pony tijdens bijvoorbeeld het poetsen en zadelen. Dat sprake zou zijn van een duidelijke gedragsafwijking, heeft de koper ook redelijkerwijs niet hoeven begrijpen uit de gestelde mededelingen, en evenmin uit de advertentie op www.marktplaats.nl. Voorts was bij de verkopers bekend dat de pony was bestemd voor de dochter van de koper, de (destijds) twaalfjarige dochter van de koper. Genoegzaam is gebleken dat de gedragsafwijking een normaal gebruik van de pony door dochter van de koper in de weg stond. Ook op dit punt is bewijslevering niet aan de orde.
Het vorenstaande brengt mee dat de grieven 3, 4 en 5 (en de grieven 1 en 2 voor zover die een nadere toelichting geven bij deze grieven), falen.
Grief 6 faalt eveneens. Gelet op het ernstige gebrek, dat door de dierenarts als levensgevaarlijk voor ruiter en/of begeleider wordt bestempeld, terwijl ook de deskundige in haar rapport vermeldt dat er risico’s voor dochter van de koper zijn, in onderlinge verband en samenhang bezien met het incident dat reeds heeft plaatsgevonden, kan niet gezegd worden dat er sprake is van een tekortkoming die gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis de ontbinding van de koopovereenkomst niet rechtvaardigt. De rijtechnische kwaliteiten van de pony, die niet (langer) in geschil zijn, maken dat niet anders. De koper was derhalve gerechtigd om de koopovereenkomst te ontbinden.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de vonnissen waarvan beroep dienen te worden bekrachtigd. Dit betekent ook dat de terugbetalingsvordering van de verkopers niet toewijsbaar is. Als de in het ongelijk gestelde partij zullen de verkopers worden veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep.

De uitspraak

Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter

Vrouw valt van trap tribune in sporthal, bezitter niet aansprakelijk omdat de trap niet gebrekkig is


De feiten
De sporthal Vijf Meihal te Leiden (hierna: de sporthal) wordt geëxploiteerd door Sportbedrijf Leiden, dat een onderdeel van de gemeente is.
Mevrouw X en haar echtgenoot hebben op 12 februari 2012 een uitverkochte basketbalwedstrijd in de sporthal bezocht. Bij binnenkomst in de sporthal is Mevrouw X, die sportschoenen aan had, via een trap omhoog gelopen naar de dertiende rij op de tribune, waar zij en haar echtgenoot hun zitplaatsen hadden. Na afloop van de wedstrijd is Mevrouw X via een andere – gelijkvormige – trap de tribune af gelopen.
Van bovenaf bezien bestaat de trap vanaf rij 13 tot en met rij 8 steeds uit een trede van 42 centimeter diep gevolgd door een stuk tribune van 43 centimeter diep. Na het stuk tribune van rij 8 volgt trede 7 van 22 centimeter diep, gevolgd door een stuk tribune van 23 centimeter diep. Hierna zijn er twee treden (6 en 5) van elk 22,5 centimeter diep en vervolgens een looppad van ruim een meter diep. Daarna volgen weer een aantal rijen stoelen met steeds een trede van 42 centimeter diep en een stuk van 43 centimeter diep. Er zijn geen trapleuningen. Op onderstaande foto (links) en het bovenaanzicht (rechts) zijn de treden 5 tot en met 8 trede met cijfers gemarkeerd.

 
Mevrouw X is bij het afdalen van de tribune ter hoogte van trede 7 ten val gekomen, waarbij zij op het looppad (zie het bovenaanzicht hierboven) is terecht gekomen. Naast een blauw scheenbeen en een bloedneus heeft zij daarbij letsel opgelopen aan haar linker elleboog, te weten een radiuskopfractuur.
Omstreeks juni 2012 is de tribune in de sporthal aangepast, in die zin dat trede 7 is verlengd, er een extra trede is geplaatst bij het stuk tribune onder trede zeven, de kleur van de treden is gewijzigd van beige/grijs naar oranje en er op elke trede een antislipstrip is aangebracht.

Het geschil
Mevrouw X verzoekt – zakelijk weergegeven – voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren voor recht dat de gemeente jegens Mevrouw X aansprakelijk is voor de door Mevrouw X geleden en nog te lijden materiële en immateriële schade als gevolg van het ongeval van 12 februari 2012;

Oordeel kantonrechter
Mevrouw X heeft verschillende verklaringen afgelegd over de drukte op de trap ten tijde van het ongeval. Ter zitting heeft Mevrouw X gesteld dat zij na afloop van de wedstrijd heeft gewacht tot de ergste drukte voorbij was. Vervolgens is zij op een lege trap naar beneden gelopen, waarbij zij vrij zicht op de trap had. De eerste tien stappen waren afwisselend treden en stukken tribune met een diepte van 42 respectievelijk 43 cm. Bij de elfde stap stapte Mevrouw X alleen met haar hiel op de hiervoor genoemde trede 7 met een diepte van 22 cm. Omdat zij in een cadans liep en niet verwachtte en gezien had dat deze trede aanmerkelijk smaller was dan de voorgaande treden, is zij vervolgens voorover gevallen, aldus Mevrouw X. Op dat moment liep er niemand voor haar. Wel stond er naast de trap een vrouw die folders uitdeelde, waardoor Mevrouw X volgens eigen zeggen is afgeleid. Ook stonden er mensen naast de trap op het looppad, terwijl er in de zaal ook nog van alles gaande was, aldus nog steeds Mevrouw X .
Hoewel de gemeente c.s. de door Mevrouw X gestelde toedracht heeft betwist, is de kantonrechter van oordeel dat nadere bewijslevering achterwege kan blijven, omdat zelfs wanneer de kantonrechter veronderstellenderwijs uitgaat van de door Mevrouw X ter zitting gestelde gang van zaken, de kantonrechter het verzoek afwijst. De kantonrechter is namelijk van oordeel dat ten tijde van het ongeval geen sprake was van een gebrekkig opstal als bedoeld in artikel 6:174 BW. De kantonrechter overweegt daartoe als volgt.
Tussen partijen is niet in geschil dat de trap voldeed aan het Bouwbesluit. Niet kan met succes worden gesteld dat de trap door de afwijkende maten vanaf trede 7 en lager ten opzichte van de hoger gelegen treden tot en met tribune 13 niet voldeed aan de eisen die men daaraan in de gegeven omstandigheden mocht stellen. De rechtbank stelt voorop dat bij het beklimmen en afdalen van trappen van tribunes een extra oplettendheid en voorzichtigheid dient te worden betracht omdat het een feit van algemene bekendheid is dat de trappen van tribunes (of het nu gaat om sporthallen, stadions of concert- en theaterzalen) afwijken van een standaard trap en ook de afstand van de te nemen treden voortdurend kan wijzigen, al naar gelang de constructie van de tribune en de plaatsing van de stoelen. Die oplettendheid is ook geboden omdat in veel gevallen – zoals ook in het onderhavige geval – geen trapleuningen aanwezig zijn omdat de constructie van een tribune dat niet toelaat.
Weliswaar is voorstelbaar dat Mevrouw X , toen zij van de tribune afliep, op de eerste tien treden en stukken tribune van gelijke lengte een bepaalde cadans in haar loopritme ontwikkelde, zoals Mevrouw X heeft gesteld, maar dit ontslaat haar niet van de voornoemde oplettendheid. Weliswaar mocht zij er, zolang ze tussen de stoelen liep van uitgaan dat de treden even diep waren, maar op het moment dat de tribune feitelijk eindigt, diende zij erop bedacht te zijn dat de situatie kon wijzigen. Mevrouw X mocht er dan ook niet vanuit gaan dat de treden van de gehele trap dezelfde lengte zouden hebben en dat zij de gehele trap in dezelfde cadans kon aflopen. Trede 7 bevond zich op de overgang van de rijen met stoelen naar het looppad. Daarbij is van belang, zoals blijkt uit de foto onder rov. 2.3., dat Mevrouw X zelfs bij een normale oplettendheid in de door haar gestelde situatie waarin ze vrij zicht had en er geen mensen voor haar liepen, voor haar voldoende zichtbaar moet zijn geweest dat vanaf trede 7 de diepte van alle treden tot aan het looppad wijzigde, zeker gezien het grote verschil in diepte (een halvering van 42/43 naar 22 cm).
Het voorgaande maakt dat het Mevrouw X bij de door haar in de gegeven omstandigheden in acht te nemen oplettendheid had moeten opvallen dat de diepte van de treden vanaf trede 7 wijzigde. Voor zover Mevrouw X heeft aangevoerd dat zij is afgeleid door een vrouw die folders uitdeelde en omdat er in de zaal ook nog van alles gaande was, komt dit voor haar rekening en risico. Mevrouw X heeft erkend dat de vrouw die folders uitdeelde stond opgesteld op het looppad onderaan de trap, zodat zij eerst de trap met de nodige oplettendheid had kunnen afdalen alvorens de folder in ontvangst te nemen.
De omstandigheid dat de gemeente de tribune enkele maanden na het ongeval van Mevrouw X heeft aangepast, maakt wellicht dat de situatie thans veiliger is dan voorheen, maar hieruit kan niet de conclusie worden getrokken dat de tribune voorheen gebrekkig was. Voor zover Mevrouw X heeft gesteld dat in de nieuwe situatie de treden in een sterk van de tribune afwijkende kleur zijn geverfd, geldt dat ook in de oude situatie de kleur van de treden afweek van de kleur van de tribune, zoals uit de in het geding gebrachte foto’s blijkt. Daarmee had de gemeente voldaan aan haar – uit het ontbreken van een trapleuning voortvloeiende – verplichting om er voor te zorgen dat de vorm en afmeting van de verschillende treden, en daarmee de afwijking vanaf trede 7, voldoende kenbaar was voor bezoekers. Tot slot leidt de afwezigheid van antislipstroken in de oude situatie er niet toe dat de trap toen gebrekkig was, waarbij van belang is dat Mevrouw X niet heeft gesteld dat zij is uitgegleden, maar een misstap heeft gemaakt vanwege de diepte van trede 7, zodat causaal verband ontbreekt.

Het voorgaande leidt ertoe dat de gemeente niet op grond van de artikelen 6:174 en/of 6:162 BW aansprakelijk is voor het ongeval.

zondag 1 maart 2015

Nederlandse Wandelsport Bond informeert terecht rechtstreeks de leden van regionale bond over gevolgen van fusie


De Nederlandse Wandelsport Bond (NWB) is een nationale wandelsportbond. De Sticht Gooise Wandelsport Bond (SGWB) is, samen met andere regionale wandelsportbonden, lid van de NWB.
Wandelaars kunnen, al dan niet via lokale wandelsportorganisaties, lid worden van een regionale wandelsportbond. Zij kunnen er ook voor kiezen om (naast of in plaats van hun lidmaatschap bij een regionale wandelsportbond) rechtstreeks lid te worden van de NWB.
In de Akte van Statutenwijziging van de NWB van 29 december 2011 is het volgende bepaald:
Artikel 3.
3. De NWB stelt zich ten doel het organiseren en het beoefenen van de wandelsport te bevorderen en alles te doen wat hiertoe kan leiden of bevorderlijk kan zijn, een en ander genomen in de ruimste zin van het woord.
(…).
Artikel 5.
LEDEN
5. De NWB kent als leden:
a. ereleden;
b. leden van verdienste;
c. bestuursleden;
d. regionale wandelsportbonden, hierna te noemen regionale bonden;
e. landelijke en/of regionale organisaties, hierna te noemen aangesloten organisaties;
f. rechtstreekse leden;
g. bijzondere leden.
Artikel 6.
DEFINITIES VAN DE LEDEN
(…).
6.4.
Een regionale bond is een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid die zich richt op een door de NWB vastgesteld geografisch omschreven gebied.
(…).
6.6.
Rechtstreekse leden zijn natuurlijke personen:
a. woonachtig in gebieden waar met inachtneming van het hiervoor in artikel 6.4 bepaalde geen regionale bond, aangesloten bij de NWB, vertegenwoordigd is;
b. buiten Nederland woonachtig (tenzij lid van een regionale bond); of
c. die hebben verklaard te kiezen voor het rechtstreekse lidmaatschap van de NWB.

In artikel 3 van het Huishoudelijk reglement van de NWB is het volgende bepaald:
VERPLICHTINGEN
3.1.
Regionale bonden zijn verplicht ter kennis van hun leden te brengen dat statuten, huishoudelijk reglement en andere reglementen, bepalingen en besluiten van de NWB op hen van toepassing zijn.
3.2.
Regionale bonden moeten (aanvullende) ledenopgaven met vermelding van de ingangsdatum en wat betreft de leden-natuurlijke personen de gegevens met betrekking tot de voornaam, de achternaam, het adres, de woonplaats met de postcode (de zo genaamde NAW-gegevens), het geslacht en de geboortedatum) uiterlijk op de door de NWB aan te geven data inzenden aan de NWB.
(…).”
Omdat de SGWB lid is van de NWB ontvangen wandelaars die (al dan niet via een lokale wandelsportorganisatie) lid zijn van de SGWB, het magazine ‘Wandelen’ en het landelijk wandelprogramma (hierna: LWP), dat wordt uitgegeven door de NWB en de Koninklijke Nederlandse Bond voor Lichamelijke Opvoeding-Wandelsportorganisatie Nederland (hierna: KNBLO-NL), de andere nationale wandelsportbond. In het LWP is informatie opgenomen over alle wandeltochten en evenementen van de NWB en de KNBLO-NL. Aangesloten wandelaars ontvangen korting op die wandeltochten en evenementen.
De NWB heeft het voornemen om, samen met de bij haar aangesloten regionale bonden die hier positief tegenover staan, op 1 januari 2015 te fuseren met de KNBLO-NL. De nieuwe bond zal de Koninklijke Wandel Bond Nederland (hierna: KWBN) gaan heten.
Anders dan de meeste andere regionale wandelbonden heeft de SGWB zich tegenstander van de fusie getoond. Een meerderheid van de aanwezige leden op de algemene ledenvergadering van de SGWB van 17 mei 2014 heeft gestemd voor een zelfstandig voortbestaan van de SGWB en opzegging van het lidmaatschap van de SGWB bij de NWB als de fusie tussen de NWB en de KNBLO-NL doorgang zal vinden.
Op 6 augustus 2014 hebben de NWB en de SGWB gezamenlijk vergaderd over de gevolgen van dit besluit van de SGWB. In de conceptnotulen van deze vergadering is het volgende vermeld:
1. Opening
De voorzitters van beide besturen benadrukken nogmaals dat, in opdracht en in belang van beider verenigingen, zij alle openstaande punten op deze vergadering ‘netjes’ willen oplossen.
(…).
9Overstappende leden (individuele leden en verenigingen)
(…).
Op dit moment zijn er een aantal individuele leden die aan hebben gegeven dat zij lid willen worden van de NWB. Er zijn ook een aantal verenigingen die inmiddels lid zijn geworden van de NWB. (…). Het is aan de leden zelf om zich af te melden bij de SGWB. Men kan ook lid zijn van meerdere verenigingen (c.q. bonden). (…).
In de conceptnotulen van de bestuursvergadering van de NWB van 8 oktober 2014 is het volgende vermeld:
7. Voortgang fusieproces met KNBLO-NL
a. Voortgang proces
(…).
b. Afhandeling SGBW
Er is 1 ½ maand geleden een gesprek tussen het bestuur van de NWB en de SGWB geweest en daarin zijn afspraken gemaakt. Er zijn nog stukken volgens afspraak nagezonden. De stukken zijn aangeleverd omdat de SGWB deze nodig heeft om hun leden te informeren (…).
De SGWB heeft haar leden tot op heden niet geïnformeerd over de consequenties van de verzelfstandiging. NWB vind dat zij zelf uiteindelijk de leden wel moet informeren als zorgplicht indien de SGWB dit niet doet. NWB zal dan in november een mailing sturen naar de individuele leden.
(…).
Bij brief van 18 november 2014 heeft de NWB het volgende laten weten aan leden van de SGWB:
Zoals u wellicht heeft gehoord of gelezen heeft uw regionale bond de SGWB in haar ledenvergadering van 21 mei 2014 besloten om zelfstandig door te gaan en zich niet aan te sluiten bij de fusie van alle regiobonden, KNBLO-NL en de NWB. De nieuwe bond wordt per 1 januari KWBN (Koninklijke Wandel Bond Nederland). (…). Per 1 januari 2015 zal de SGWB door de beslissing van haar ledenvergadering niet langer onderdeel uitmaken van een landelijke wandelbond.
Voor u als lid van de SGWB zal dit helaas consequenties hebben. U ontvangt bijvoorbeeld niet meer zoals u gewend was het blad NWB wandelen, het Landelijk Wandelprogramma (LWP) en de korting bij de landelijke wandeltochten.
Als u wel het magazine, het LWP en de korting wenst te ontvangen dan kunt u nu rechtstreeks lid worden van de NWB. Indien u zich voor 1 december a.s. aanmeldt voor het lidmaatschap 2015 dan ontvangt u wel het LWP 2015 met daarin alle wandeltochten van KWBN van het jaar 2015, u krijgt in 2015 het magazine toegestuurd en u behoudt de korting bij de wandeltochten van de KWBN. (…).
Indien u wilt opzeggen voor het jaar 2015 bij de SGWB dan dient u uw lidmaatschap bij de SGWB vóór 1 december 2014 op te zeggen bij het secretariaat van de SGWB door een e-mail te sturen naar ledenadministratie@sgwb.nl. Beschikt u niet over e-mail dan volstaat een briefje. Dit kunt u aan het bondsbureau van de Nederlandse Wandelsport Bond richten. Het adres vindt u bovenaan deze brief. Wij zorgen er dan voor dat uw opzegging terecht komt bij de SGWB.
Om vervolgens lid te worden van de NWB kunt u uw aanmelding doen via onze website www.nwb-wandelen.nl/lid worden, of contact opnemen met het bondsbureau via e-mail info@nwb-wandelen.nl of tijdens kantooruren telefonisch via telefoonnummer 030-2319458. Nadat u overgestapt bent ontvangt u van ons weer wat u voorheen gewend was.
(…).
Vorig jaar waren circa 9.000 wandelaars lid van de SGWB. Ongeveer 500 leden hebben na de ontvangst van voormelde brief hun lidmaatschap van de SGWB opgezegd.

De vordering
De SGWB heeft als belangrijkste vordering dat de voorzieningenrechter de NWB bij vonnis in kort geding zal veroordelen tot het betalen van € 5.000,00

De motivering van de SGWB
De SGWB heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat de NWB voor de verzending van de brief van 18 november 2014 onrechtmatig gebruik heeft gemaakt van de ledenbestanden van de SGWB, omdat die slechts tot haar beschikking staan om het magazine ‘NWB Wandelen’ te kunnen verspreiden en de leden van de SGWB van relevante informatie te kunnen voorzien, niet om hen te bewegen tot het opzeggen van hun lidmaatschap. Door de leden van de SGWB te bewegen tot het opzeggen van hun lidmaatschap heeft de NWB bovendien gehandeld in strijd met de tussen haar en de SGWB gemaakte afspraken, waaronder de afspraak om “niet in elkaars vijver te vissen”. Ook dat is onrechtmatig jegens de SGWB. De SGWB lijdt bovendien schade, omdat haar leden gehoor geven aan de oproep tot het opzeggen van hun lidmaatschap.

Verweer NWB
De NWB heeft verweer gevoerd. Dat verweer komt erop neer dat het bestuur van de SGWB haar leden, ondanks herhaald verzoek daartoe door de NWB, onvoldoende heeft geïnformeerd over de gevolgen van het besluit tot verzelfstandiging. Het laatste verzoek is op 9 november 2014 telefonisch geuit, aldus de NWB. De NWB heeft uiteengezet dat de leden van de SGWB, als lid van de NWB, na de fusie van rechtswege lid zullen zijn van de KWBN en dat zij derhalve contributie zullen moeten voldoen aan de KWBN. Daar staan dan alle voordelen van dit lidmaatschap (het magazine ‘Wandelen’, het LWP en de korting op wandeltochten en evenementen) tegenover. Maar de leden van de SGWB zullen na de verzelfstandiging van de SGWB ook aan de SGWB contributie moeten afdragen. Als zij niet overgaan tot opzegging van één van beide lidmaatschappen, zullen zij derhalve geconfronteerd worden met extra kosten. Nu betalen de leden van de SGWB namelijk slechts één jaarlijks contributiebedrag, dat door de SGWB en de NWB wordt verdeeld. Omdat de SGWB haar leden hierover – volgens de NWB ten onrechte – niet heeft geïnformeerd, heeft de NWB, met inachtneming van het bepaalde in artikel 3 van haar statuten, gemeend die noodzakelijke informatie zelf te moeten verstrekken aan de circa 850 SGWB-leden die geen lid zijn van een lokale wandelsportorganisatie en die dus geen informatie hebben ontvangen van een lokale wandelsportorganisatie. Alleen aan deze circa 850 leden van de SGWB heeft zij de brief van 18 november 2014 verzonden, aldus de NWB.
De NWB heeft voorts aangevoerd dat zij ingevolge artikel 3 van haar huishoudelijk reglement over de NAW-gegevens van deze 850 aangeschreven leden beschikt en dat zij deze gegevens daarom niet onrechtmatig heeft gebruikt. Ook heeft zij niet in strijd gehandeld met de gestelde tussen partijen gemaakte afspraak om niet “in elkaars vijver te vissen”, omdat een dergelijke afspraak, die ook niet in de conceptnotulen is vermeld, volgens haar niet is gemaakt. Zo’n afspraak zou volgens de NWB ook onzinnig zijn geweest, aangezien de aangeschreven leden immers ook lid zijn van de NWB. Tot slot heeft de NWB aangevoerd dat eventuele schade van de SGWB niet kan worden toegerekend aan de NWB.
De SGWB heeft in reactie op het verweer van de NWB naar voren gebracht dat zij haar leden wel degelijk, en bij herhaling, afdoende heeft geïnformeerd over de gevolgen van de fusie. Zo heeft zij haar leden in mei 2014 uitgenodigd voor een extra ledenvergadering, waar zij haar leden heeft laten weten dat zij na de verzelfstandiging het magazine ‘Wandelen’ en het LWP niet meer zouden ontvangen, en heeft zij hen laten weten dat de contributie in 2015 op het niveau van 2014 zal blijven. Ook in een extra vergadering op 4 november 2014 zijn de leden nog eens geïnformeerd, al heeft de focus toen gelegen op wat de SGWB haar leden na de verzelfstandiging zelf te bieden heeft. Hoewel de korting op LWP-activiteiten zal komen te vervallen, zullen de leden na de verzelfstandiging namelijk nog steeds wandelinformatie ontvangen, vergelijkbaar met het LWP, maar dan van de SGWB zelf. Dat heeft de SGWB hen op 4 november 2014 laten weten. Verder heeft zij haar leden bij die gelegenheid een presentatie gegeven over het strategisch plan. De opkomst op deze vergadering was beduidend hoger dan normaal, zeker 60 à 70 personen zijn hier naartoe gekomen. Desgevraagd heeft de SGWB gesteld niet te weten welke informatie de onder haar ressorterende lokale wandelsportorganisaties aan hun leden hebben verstrekt met betrekking tot de verzelfstandiging van de SGWB, maar dat is haars inziens niet van belang, aangezien zij deze leden zelf afdoende heeft geïnformeerd. De SGWB heeft erkend dat circa 850 van haar leden niet aangesloten zijn bij een lokale wandelsportorganisatie.

Oordeel voorzieningenrechter
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter had het primair op de weg van de SGWB zelf, de zich afscheidende bond, gelegen om haar leden tijdig voor te lichten over de precieze gevolgen daarvan. De voorzieningenrechter overweegt dat de SGWB niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij voldoende informatie heeft gegeven. Gesteld noch aannemelijk is immers geworden dat de door SGWB verstrekte informatie meer leden heeft bereikt dan de 60 à 70 die aanwezig zijn geweest op de ingelaste extra ledenvergaderingen van 17 mei en 4 november 2014. Dat is minder dan 1% van het totale ledental van de SGWB. Nu de SGWB in dit verband bovendien ter zitting heeft medegedeeld niet te weten of (en zo ja, hoe) de lokale wandelsportorganisaties hun leden hebben geïnformeerd, acht de voorzieningenrechter het niet voldoende aannemelijk dat het merendeel van de leden van de SGWB voldoende is geïnformeerd over de gevolgen die de verzelfstandiging van de SGWB voor hen zal hebben. Het vermoeden van onvoldoende informatieverstrekking door de SGWB op dit punt wordt versterkt door de omstandigheid dat circa 500 van de 850 leden die de brief van 18 november 2014 hebben ontvangen, hebben gereageerd met opzegging van hun lidmaatschap van de SGWB. Gelet op de inhoud van die brief acht de voorzieningenrechter het aannemelijk dat deze leden zich tot dat moment niet hadden gerealiseerd dat SGWB-leden vanaf 2015 geen recht meer zullen hebben op de korting op de wandeltochten en evenementen van de NWB/KNBLO-NL (KNWB), terwijl die korting, naar de voorzieningenrechter begrijpt, toch een wezenlijk element is van het lidmaatschap van een wandelvereniging of -bond.
Bij gebreke van voldoende tijdige voorlichting door de SGWB is het begrijpelijk dat de NWB heeft gemeend die informatie zelf te moeten verstrekken, in ieder geval aan die leden die niet kunnen zijn geïnformeerd door hun lokale wandelsportorganisatie. Dat geldt temeer nu de NWB onbetwist heeft aangevoerd dat artikel 3 van haar statuten daartoe noopt. Dat de NWB de bewuste brief heeft verzonden, kan haar dan ook niet worden tegengeworpen, zodat het gestelde onrechtmatig handelen niet kan worden aangenomen. Datzelfde geldt met betrekking tot het gebruik van de ledenbestanden van de SGWB. Ook dat kan de NWB niet worden tegengeworpen, nu voldoende aannemelijk is dat de leden van de SGWB ook gebonden zijn aan de statuten en reglementen van de NWB. Dat in de brief van 18 november 2014 niet is vermeld dat een lidmaatschap van zowel de SGWB als de fusiebond mogelijk is, terwijl partijen daarover wel overeenstemming hadden bereikt, maakt het voorgaande niet anders. Aldus moeten de vorderingen van SGWB worden afgewezen.