maandag 17 april 2017

Arbitragecie KNVB: Beding in arbeidsovereenkomst met ongelijke opzeggingsmogelijkheid en zonder opzegtermijn is in strijd met de wet


De feiten
Van de Haar en Spakenburg zijn op of omstreeks 14 januari 2016 een arbeidsovereenkomst aangegaan, waarbij Van de Haar per 1 juli 2016 voor bepaalde tijd in dienst is getreden bij Spakenburg in de functie van hoofdtrainer/coach van de A-selectie van Spakenburg, zulks voor een periode van twee jaar en eindigend op 30 juni 2018.
 Van de arbeidsovereenkomst maakt onderdeel uit de navolgende bepalingen:
Artikel1.1.2
Indien werkgever deze arbeidsovereenkomst tussentijds wenst te beëindigen voor 1 april 2018, dient werkgever aan werknemer een bruto vergoeding te betalen van 3 bruto maandsalarissen. Bij de hier bedoelde tussentijdse opzegging geldt geen opzegtermijn.

 Artikel1.1.3.
Indien de werknemer deze arbeidsovereenkomst tussentijds wenst te beëindigen in verband met de overgang naar een Betaald Voetbal Organisatie (BVOO in binnen·of
buitenland, is werkgever bereid mee te werken aan een beëindiging met wederzijds goedvinden ter compensatie door die BVO van een bedrag aan de Stichting Voetbal Organisatie Spakenburg van € 25.000,00.

Op of omstreeks 7 januari 2017 is aan Van de Haar meegedeeld dat Spakenburg niet langer met Van de Haar als coach van het eerste elftal verder wilde en dat de wegen van partijen moesten scheiden.

Standpunt Van de Haar
Van de Haar legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat hij aan het begin van het seizoen 2016/2017 door Spakenburg is benaderd met het verzoek om met ingang van dat seizoen de functie van trainer/coach van haar eerste elftalselectie te vervullen en dat Spakenburg hem bij aanvang van zijn werkzaamheden opdrachten heeft meegegeven waaronder een meer strikte aanpak van de selectie. Ook werd hem gevraagd een door hem veelvuldig gebruikt spelconcept toe te passen, waarbij voor de uitvoering daarvan volgens Van de Haar de spelers dienden te beschikken over de daartoe noodzakelijke voetbalspecifieke prestatiebepalende factoren.
Spakenburg wilde met deze keus voor Van de Haar als trainer/coach bereiken dat in de selectie meer eenheid, wilskracht, initiatief en doorzettingsvermogen zou ontstaan. Volgens Van de Haar was het bestuur van Spakenburg ermee bekend dat de gevolgen van die keuze niet door alle spelers in dank zou worden afgenomen. Van de Haar merkt op dat het kunnen realiseren van de door het bestuur beschreven situatie gevolgen had voor zowel de sportieve prestaties alsook voor de functionele verhouding van Van de Haar met enkele spelers. Zeker in de eerste helft van het seizoen gaf dat bij spelers aanleiding tot onbegrip en ontevredenheid. Van de Haar heeft ook tijdens de eerste helft van het seizoen geconstateerd dat bij enkele spelers de noodzakelijke progressie ontbrak. Dat leidde tot consequenties voor de desbetreffende spelers en bij enkelen daarvan ontstond daarover onvrede. Die onvrede werd vervolgens middels diverse kanalen op voor Van de Haar onaangename manier geuit. Van de Haar stelt dat hij Spakenburg verzocht heeft daartegen op te treden, maar dat dit niet gebeurd is. Deze kritiek ondermijnde zijn geloofwaardigheid en hoewel hij het bestuur bij herhaling heeft verzocht om in te grijpen en de desbetreffende spelers te schorsen en/of te verwijderen, heeft het bestuur daaraan geen gevolg gegeven, met als gevolg een toenemende spanning tussen spelers en Van de Haar. Van de Haar heeft Spakenburg daarom voorgesteld een keuze te maken tussen hem of de desbetreffende spelers en om dat tijdens een trainingskamp in Marbella met die spelers te bespreken. Volgens Van de Haar heeft dat gesprek nimmer plaatsgevonden en heeft het bestuur tijdens het trainingskamp op 3 januari 2017 uitgesproken dat het bestuur vertrouwen had in zijn aanpak. Tijdens dit trainingskamp heeft, zo geeft Van de Haar aan, er ook onder de spelers een stemming plaatsgevonden, waarbij de spelers zouden hebben aangegeven niet met Van de Haar verder te willen. Ook na deze voor Van de Haar negatieve uitslag zou het bestuur aan Van de Haar echter te kennen hebben gegeven vertrouwen in hem te houden. Na terugkomst in Nederland heeft Spakenburg Van de Haar op
7 januari 2017 echter meegedeeld dat de met hem gesloten arbeidsovereenkomst zou worden opgezegd, waarbij niets is gemeld over de dag of datum waartegen de opzegging of beeindiging zou geschieden.
Er is geen toelichting gegeven op het besluit maar Spakenburg zou, middels berichten via de advocaat van Spakenburg hebben gemeld dat Spakenburg Van de Haar in het kader van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst de overeengekomen vergoeding van drie bruto maandsalarissen zou betalen. Van de Haar wijst erop dat de opzeggingsbepalingen die in de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zijn opgenomen, in zijn opvatting nietig dan wel vernietigbaar zijn. De opzeggingsbepalingen zijn niet op gelijkwaardige wijze geformuleerd en bij opzegging door Spakenburg zou Spakenburg slechts € 9.000,00 hoeven te betalen en geen opzegtermijn in acht hoeven te nemen hetgeen volgens Van de Haar in strijd is met de wet.
Over een opzeggingsmogelijkheid door Van de Haar om andere reden dan een overgang naar een BVO tegen betaling aan Spakenburg van € 25.000,00 wordt in de arbeidsovereenkomst niet gerept. Daarom concludeert Van de Haar dat van een evenwichtige en voor beide partijen in gelijke mate geldende mogelijkheid van tussentijdse opzegging geen sprake is. Nu die evenwichtigheid ontbreekt, zijn de tussentijdse opzeggingsbepalingen nietig dan wel vernietigbaar zijn. Tenslotte wijst Van de Haar erop dat hij niet heeft ingestemd met de opzegging van de arbeidsovereenkomst, zodat de opzegging in strijd is met artikel 7:771 BW.
In dat kader maakt hij ook aanspraak op wedertewerkstelling. Subsidiair stelt Van de Haar dat als de Arbitragecommissie de opzegging in stand laat en de contractuele bepalingen omtrent tussentijdse opzegging nietig zijn c.q. worden vernietigd, de arbeidsovereenkomst eerder is opgezegd dan tussen partijen zou moeten gelden. Als gevolg daarvan is Spakenburg overeenkomstig lid 9 van artikel 7:672 BW een vergoeding verschuldigd die overeenkomt met het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou hebben geduurd.
Van de Haar combineert dit verzoek met een verzoek tot betaling van een billijke vergoeding. Dit omdat Spakenburg ondanks uitdrukkelijke berichten van Van de Haar heeft nagelaten op te treden in een situatie waarin ingrijpen noodzakelijk was. Spakenburg stelt hiertegenover dat zij geconfronteerd is met de uitkomst van een door de spelersgroep gehouden intern overleg, waaruit naar voren was gekomen dat deze groep nagenoeg volledig het vertrouwen in Van de Haar had verloren. Achttien van de tweeëntwintig selectiespelers zouden hebben aangegeven niet met Van de Haar verder te willen. Het bestuur van Spakenburg heeft dan ook op zaterdag 7 januari 2017 gebruik gemaakt van haar tussentijdse opzeggingsbevoegdheid, zoals opgenomen in artikel 1.1.2 van de arbeidsovereenkomst.

Standpunt Spakenburg
Spakenburg betwist dat Van de Haar speciale opdrachten zijn meegegeven toen hij werd gesteld als trainer/coach van het eerste selectie-elftal. Van de Haar had een grote vrijheid en was volledig vrij en autonoom bij de bepaling van de opstelling en tactiek van het eerste elftal. Ook was hij vrij om spelers zo nodig disciplinair te straffen en terug te zetten naar de B-selectie. Het bestuur van Spakenburg betwist dan ook uitdrukkelijk dat Van de Haar ooit heeft gevraagd of geëist dat het bestuur disciplinaire maatregelen tegen bepaalde spelers wilde nemen. Het is juist dat Spakenburg bij de indiensttreding van Van de Haar speerpunten heeft besproken zoals eenheid, wilskracht, initiatief en doorzettingsvermogen. De wijze waarop Van de Haar die speerpunten echter meende te kunnen realiseren riep bij vele spelers weerstand op. Als voorbeeld noemt Spakenburg:
0          het instellen van de "lul" van de week, de desbetreffende speler droeg dan die week het betreffende shirt;
0          trainingen laten doorlopen tot 22.15 uur, terwijl diverse spelers nog een behoorlijke reisafstand naar huis moesten overbruggen;
0          het publiekelijk afbranden van een talentvolle jeugdspeler;
0          spelers na een verloren uitwedstrijd bij thuiskomst nog een straftraining te geven.

Daardoor kwam er druk te staan op de relatie tussen Van de Haar en zijn spelersgroep. Na een halfjaar met Van de Haar te hebben gewerkt, heeft Spakenburg moeten concluderen dat het hem ontbreekt om draagvlak voor zijn wijze van trainen en coachen te creëren bij belangrijke groepen in en rond Spakenburg. Zijn verhouding met zowel de pers als met medewerkers van Spakenburg werd steeds krampachtiger. Van de Haar zocht steeds de confrontatie met ontevreden en gepasseerde spelers.
Op 3 januari 2017 tijdens het trainingskamp in Marbella heeft Spakenburg met Van de Haar over deze punten van kritiek gesproken. Naar de beleving van Spakenburg was dat een stevig onderhoud en heeft het bestuur tijdens dit gesprek aangegeven dat diverse punten zouden moeten worden verbeterd. Dat Van de Haar daaruit heeft afgeleid dat er onverminderd vertrouwen in hem bestond, komt voor zijn rekening. Spakenburg geeft aan dit gesprek anders beleefd te hebben.
Op 4 januari 2017 werd het bestuur op de hoogte gebracht dat tijdens een plenaire bijeenkomst 18 van de 22 spelers het vertrouwen in Van de Haar hadden opgezegd. Spakenburg heeft toen aan Van de Haar meegedeeld dat zij dit zou terugkoppelen naar de andere bestuursleden en de Raad van Advies en dat Van de Haar na terugkeer in Nederland over de uitkomst van dat overleg zou worden geïnformeerd. Na terugkeer in Nederland heeft bestuursoverleg plaatsgevonden en is de visie van de Raad van Advies meegewogen waarna het bestuur unaniem besloten heeft dat zij Van de Haar niet langer als trainer/coach van het eerste elftal kon handhaven, waarvan zij Van de Haar op de hoogte heeft gebracht. Spakenburg heeft vervolgens onder verwijzing naar artikel 1.1.2 van de arbeidsovereenkomst, de arbeidsovereenkomst met Van de Haar beëindigd.
Spakenburg stelt in dat kader dat Van de Haar de artikelen 1.1.2 en 1.1.3 van de arbeidsovereenkomst verkeerd uitlegt en dat partijen een tussentijdse opzeggingsbepaling in de arbeidsovereenkomst hebben opgenomen, zodanig dat door beide partijen de arbeidsovereenkomst tussentijds kon worden opgezegd/beëindigd. Als Spakenburg daartoe vóór 1 april 2018 zou overgaan, zou zij te allen tijde drie bruto maandsalarissen verschuldigd zijn, terwijl bij een tussentijdse opzegging/beëindiging door Van de Haar hij alleen dan
€ 25.000,00 aan Spakenburg verschuldigd zou zijn indien die opzegging verband zou houden met een overgang naar een BVO in binnen- of buitenland.           De instemming met de opzegging door Spakenburg is door Van de Haar op voorhand verleend, namelijk bij de totstandkoming van artikel 1.1.2 van de arbeidsovereenkomst, zodat Van de Haar geen beroep meer toekomt op het ontbreken daarvan.
Subsidiair echter, voor zover de Arbitragecommissie zou menen dat de schriftelijke instemming van Van de Haar niet op voorhand is verleend en dus ontbreekt, verzoekt Spakenburg de arbeidsovereenkomst te ontbinden op de g­ en of h-grond (7:669 lid 3 BW).
Naar de mening van Spakenburg is primair de arbeidsverhouding ernstig en duurzaam verstoord en is er sprake van een vertrouwensbreuk. Subsidiair meent Spakenburg een beroep te kunnen doen op de h-grond, omstandigheden die zodanig zijn dat van de werkgever niet in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De verhouding tussen nagenoeg de voltallige spelersgroep van Spakenburg en Van de Haar is gedurende de laatste weken van het dienstverband ernstig en duurzaam verstoord geraakt. In het kader van de h-grond verwijst Spakenburg naar de kamerstukken, waaruit zou blijken dat de regering onder deze grond tevens heeft gebracht de voetbaltrainer die niet goed presteert, maar wegens tegenvallende resultaten moet worden opgezegd en weigert in te stemmen met die opzegging.
Aangezien beide partijen vooraf met elkaar een vergoeding zijn overeengekomen van drie bruto maandsalarissen en aan de zijde van Spakenburg absoluut geen sprake is van een ernstig verwijtbaar handelen, is er geen ruimte voor de door Van de Haar verzochte aanvullende billijke vergoeding. Wel is Spakenburg bereid om de wettelijke opzegtermijn van één maand in acht te nemen, hoewel de arbeidsovereenkomst aangeeft dat er geen opzegtermijn in acht genomen behoeft te worden. Om die reden stelt Spakenburg bereid te zijn het salaris van Van de Haar door te betalen tot en met 28 februari 2017 onder betaling daarnaast van een vergoeding van drie bruto maandsalarissen. Omdat het verzoek tot ontbinding geen verband houdt met enig opzegverbod kan de Arbitragecommissie de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbinden.

Beoordeling van het geschil
De Arbitragecommissie beantwoordt de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen op of omstreeks 7 januari 2017 rechtsgeldig door Spakenburg is opgezegd ontkennend. Spakenburg heeft in dit kader gesteld dat zij op deze datum gebruik heeft gemaakt van de tussentijdse opzeggingsmogelijkheid zoals tussen partijen overeengekomen in de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, ingaande 1 juli 2016 en eindigende op 30 juni 2018.
Daarbij wijst Spakenburg op artikel1.1.2 van de arbeidsovereenkomst. Daarin staat dat indien de werkgever de arbeidsovereenkomst tussentijds wenst te beëindigen vóór 1 april 2018 de werkgever aan werknemer een bruto vergoeding moet betalen van drie bruto maandsalarissen, waarbij opgemerkt wordt dat bij de hier bedoelde tussentijdse opzegging geen opzegtermijn in acht te hoeven worden genomen.
Deze bepaling geeft alleen de werkgever een bevoegdheid de arbeidsovereenkomst tussentijds te beëindigen, weliswaar tegen betaling van drie maandsalarissen, maar zonder dat de werkgever een opzegtermijn in acht hoeft te nemen. Deze bepaling verdraagt zich niet met het bepaalde in de wet, meer in het bijzonder niet met het bepaalde in artikel 7:667 lid 3 BW. Een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd kan slechts tussentijds worden opgezegd indien voor ieder der partijen dat recht schriftelijk is overeengekomen. Dit uiteraard met inachtneming van een wettelijk toegestane opzegtermijn. Een opzegtermijn van nul (0) maanden zoals in artikel 1.1.2. van de arbeidsovereenkomst opgenomen is in strijd met de wet.
Weliswaar staat in de arbeidsovereenkomst in artikel1.1.3 te lezen dat indien de werknemer de arbeidsovereenkomst tussentijds wenst te beëindigen in verband met de overgang naar een betaald voetbalorganisatie in binnen- of buitenland, Spakenburg bereid is mee te werken aan zo een beëindiging maar alleen als ter compensatie een bedrag van € 25.000,00 aan Spakenburg wordt betaald. Deze geclausuleerde beëindigingsmogelijkheid is niet gelijk aan de beëindigingsmogelijkheid die Spakenburg voor haarzelf in artikel 1.1.2 van de arbeidsovereenkomst heeft bedongen. Dat deze bepaling aldus moet worden uitgelegd dat de werknemer altijd de arbeidsovereenkomst tussentijds kan beëindigen, maar alleen bij een overgang naar een betaald voetbalorganisatie € 25.000,00 verschuldigd is, is niet aannemelijk gemaakt. Het staat er niet en dat de werknemer deze bepaling zo heeft begrepen dat hij te allen tijde de arbeidsovereenkomst tussentijds kon beëindigen, is niet komen vast te staan. De tussentijdse opzeggingsbepalingen of beëindigingsbepalingen zoals door Spakenburg in de arbeidsovereenkomst opgenomen zijn dan ook vernietigbaar. Daarenboven ontbreekt de instemming van de werknemer met deze opzegging. Artikel 7:671 BW kent als uitgangspunt dat de werkgever de arbeidsovereenkomst alleen rechtsgeldig kan opzeggen met schriftelijke instemming van de werknemer. Dat één van de in dit artikel genoemde uitzonderingen van toepassing zijn, is gesteld noch gebleken. De stelling van Spakenburg dat de werknemer reeds bij het ondertekenen van deze arbeidsovereenkomst in januari 2016 op voorhand heeft ingestemd met een tussentijdse beëindiging met wederzijds goedvinden in januari 2017, verdraagt zich niet met de wettelijke regels omtrent opzegging van arbeidsovereenkomsten, meer in het bijzonder niet met artikel 7:671 BW. Deze instemming kan niet reeds op voorhand bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst worden gegeven. Terecht vordert Van de Haar dan ook vernietiging van de opzegging op 7 januari 2017. De Arbitragecommissie zal de opzegging vernietigen, wat met zich brengt dat de arbeidsovereenkomst nog steeds voortduurt en de werknemer recht heeft op doorbetaling van het salaris tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd.
De vraag of de vordering van de werknemer tot wedertewerkstelling moet worden toegewezen, beantwoordt de Arbitragecommissie bij de bespreking van de vordering in reconventie.
Nu de opzegging van de arbeidsovereenkomst door Spakenburg van de arbeidsovereenkomst met van de Haar op of omstreeks 7 januari zal worden vernietigd en de Arbitragecommissie ook de vordering van de Haar op dit punt zal toewijzen zal de Arbitragecommissie ingaan op het voorwaardelijk ingediende ontbindingsverzoek. Spakenburg heeft een voorwaardelijk ontbindingsverzoek ingediend, gestoeld op artikel 7:6691id 3 onder g (de verstoorde arbeidsverhouding) en/of h (andere omstandigheden zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren). Hoewel de door Spakenburg gevolgde gang van zaken niet de schoonheidsprijs verdient, stelt de Arbitragecommissie wel vast dat de verhoudingen tussen partijen duurzaam en ernstig verstoord zijn geraakt en dat het laten voortduren van de arbeidsovereenkomst geen redelijk doel meer dient. Spakenburg heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat het merendeel van de spelersselectie het vertrouwen in Van de Haar als coach heeft verloren. Van de Haar erkent dat ook met zoveel woorden maar geeft van het ontstaan van de spanningen tussen spelers en hem de schuld aan het bestuur dat niet zou hebben opgetreden tegen de spelers die voor onrust zorgden. Hoe dat komt en of Spakenburg hiervan een verwijt kan worden gemaakt omdat zij onvoldoende sturing heeft gegeven aan het proces, is in het kader van de beantwoording van de vraag of de arbeidsovereenkomst duurzaam en ernstig is verstoord, verder niet relevant. De Arbitragecommissie meent dan ook dat er redenen zijn om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden en spreekt haar voornemen uit om daartoe over te gaan met ingang van 1 april 2017, nu de Arbitragecommissie ervan uitgaat dat het een verzoek om ontbinding van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd betreft die niet tussentijds kon worden opgezegd. Ingevolge het negende lid van artikel 7:671b BW kan de Arbitragecommissie Van de Haar dan voorts een vergoeding toekennen tot ten hoogste het bedrag gelijk aan het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst geduurd zou hebben indien deze van rechtswege zou zijn geëindigd. De Arbitragecommissie stelt deze vergoeding ex aequo et bono op € 18.000,00 bruto, ervan uitgaande dat Spakenburg aan zijn financiële verplichtingen jegens Van de Haar uit hoofde van de arbeidsovereenkomst tot 1 april 2017 blijft voldoen.
Gelet op het voornemen de arbeidsovereenkomst per 1 april 2017 te ontbinden heeft Van de Haar onvoldoende belang bij zijn vordering tot weder te werkstelling terwijl bovendien de arbeidsverhoudingen zodanig verstoord lijken dat weder te werk stelling ook geen redelijk belang dient. Deze vordering wordt dan ook afgewezen.

Rechtdoende als goede personen naar billijkheid:
In conventie:
Vernietigt de opzegging van de arbeidsovereenkomst door Spakenburg gedaan op of omstreeks 7 januari 2017 en veroordeelt Spakenburg tot doorbetaling van het overeengekomen salaris vanaf deze datum tot de datum waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd.
In reconventie:
Spreekt de Arbitragecommissie het voornemen uit om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden met ingang van 1 april 2017 onder toekenning van een vergoeding aan Van de Haar, te betalen door Spakenburg, van € 18.000,00 bruto.



De Stichting Sportbedrijf Dronten moet gemeente Dronten ruim 10.000 euro aan achterstallige huur betalen


De feiten
De stichting Sportbedrijf Dronten huurt sinds 2013 de grond onder het hoofdveld dat gebruikt wordt door voetbalclub ASV Dronten, waarop de stichting een kunstgrasveld heeft aangelegd. De huur over 2015 en 2016 is niet voldaan.Voetbalvereniging ASV Dronten wilde een kunstgrasveld op het hoofdveld. De gemeente wilde dit niet aanleggen. Wel was de gemeente bereid om dit te realiseren via een stichting. De besparing van het gemeentelijke onderhoud aan het natuurgrasveld over een periode van 30 jaar is als subsidie verstrekt aan ASV Dronten. De subsidie van ruim 200.000 euro is door ASV Dronten als lening ter beschikking gesteld van de stichting.
Volgens de stichting zijn de kosten van het kunstgrasveld ongeveer 500.000 euro. Naast de subsidie is er ongeveer 200.000 euro aan sponsorgelden opgehaald en zou een bedrag van bijna 90.000 euro gefinancierd worden met aftrek van omzetbelasting. Over die aftrek is een conflict ontstaan, omdat de Belastingdienst stelt dat de stichting dit bedrag niet mag aftrekken.

Standpunten van de partijen
De stichting heeft een beroep op dwaling gedaan. Ter onderbouwing van het beroep op dwaling heeft de stichting bij antwoord aangevoerd dat de Belastingdienst de constructie die partijen en ASV Dronten wensten, onmogelijk heeft gemaakt en aldus het veld weer aan de gemeente moet worden overgedragen, die dit dan zelf moet verhuren aan ASV Dronten. Volgens de stichting heeft de Belastingdienst opgedragen het veld aan de gemeente over te dragen en heeft de gemeente weet van deze opdracht.
De gemeente heeft betwist dat de Belastingdienst heeft opgedragen het veld aan de gemeente over te dragen. Deze betwisting slaagt, want in de vaststellingsovereenkomst is sprake van de wens van de stichting tot overdracht aan ASV Dronten. Voor zover ASV Dronten medewerking zou weigeren, zoals door de stichting is gesuggereerd maar niet onderbouwd, komt dat overigens voor risico van de stichting en niet van de gemeente, want de stichting heeft de vaststellingsovereenkomst met de Belastingdienst gesloten. Voor zover is gesteld dat de constructie is bedacht door de gemeente omdat de gemeente geen omzetbelasting kan aftrekken en zij dan meer subsidie had moeten verstrekken (onderdeel a van het eerste lid van artikel 6:228), is van belang dat de gemeente dit gemotiveerd heeft betwist. Namens de gemeente is gesteld dat ASV Dronten een kunstgrasveld wilde en dat de gemeente dat niet nodig vond, maar wel bereid was mee te werken aan de wens van ASV Dronten en de stichting. Uitdrukkelijk is ontkend dat de gemeente de constructie met de stichting heeft bedacht of voorgesteld; de fiscale constructie is volgens de gemeente gewenst door ASV Dronten en/of de stichting. De gemeente heeft uitdrukkelijk betwist dat de gemeente betrokken is geweest bij overleg met de Belastingdienst

Oordeel kantonrechter
Gezien deze gemotiveerde betwisting staat de stelling van de stichting dat de gemeente de fiscale constructie heeft bedacht, niet vast. Aangezien de stichting geen bewijsaanbod heeft gedaan, wordt aan bewijslevering niet toegekomen. De kantonrechter verwerpt het beroep op dwaling. Juridisch is deze zaak heel simpel: de stichting is huurder van de gemeente en zolang dat de situatie is, moet zij (jaarlijks) de overeengekomen huur betalen. De contractuele wederpartij heeft recht op nakoming van de overeengekomen verplichtingen. Daarom moet de hoofdsom worden toegewezen.


zondag 16 april 2017

Geen vernietiging opzeggingsbesluit bestuur vereniging door ernstige onjuiste beschuldigingen van lid


De feiten
Een lid van een watersportvereniging uit ernstige beschuldigingen aan het adres van het bestuur. Zo klaagt het lid over het feit dat de watermeter van het clubhuis verkeerd is aangesloten, zodat water ‘buiten de meter om’ wordt verbruikt en geen correcte zuiveringsheffing is opgelegd. Het lid klaagt hierover niet alleen bij het bestuur, maar hij stuurt dit ook per brief aan Brabant Water. Ook stuurt het lid een brief aan de FIOD. Hij beschuldigt in die brief (het bestuur van) De Amer van de volgende handelingen:
- er wordt water verbruikt buiten de watermeter om door middel van een zelf gemaakte aanboring op de waterleiding van Brabant Water;
- de inkoop en verkoop van drank, ijs, snoepgoed en etenswaren in het clubhuis van De Amer is al vele jaren onjuist opgenomen en er worden bonnen weggemoffeld of vernietigd waardoor er al vele jaren onjuiste aangiften worden gedaan;
- ingehuurd personeel wordt zwart betaald;
- er worden ligplaatsen zonder factuur of met onjuiste facturering verhuurd waarbij zwart wordt betaald aan de penningmeester.
Het bestuur zegt vervolgens het lidmaatschap op:
“In zijn vergadering d.d. 10 oktober 2013 heeft het bestuur unaniem besloten om uw lidmaatschap per heden op te zeggen, krachtens art. 6 lid 3 van de statuten (…)
Het bestuur is van oordeel dat het redelijkerwijze van de vereniging niet gevergd kan worden om uw lidmaatschap te laten voortduren vanwege uw handelswijze om WV De Amer bij collega-verenigingen en bij meerdere instanties in een kwaad daglicht te stellen.”.

Vordering lid
Het lid is het hier niet mee eens en wendt zich tot de rechter. Het lid vordert vernietiging van het opzeggingsbesluit, waarmee het lid uit het lidmaatschap van De Amer werd gezet. Het lid is van oordeel dat dit besluit in strijd met de redelijkheid en billijkheid op grond van art. 2:15 lid 1 sub b BW vernietigd dient te worden. Ook vordert het lid De Amer te veroordelen om hem in al zijn rechten als lid van De Amer te herstellen  In eerste instantie wordt het lid in het ongelijk gesteld en ook in hoger beroep is het gerechtshof van oordeel dat de opzegging van het lidmaatschap terecht is.

Overwegingen gerechtshof

Van alle beschuldigen staat alleen vast dat het waterverbruik niet juist is gemeten. Dat (het bestuur van) De Amer opzettelijk heeft bewerkstelligd dat het juiste waterverbruik niet werd gemeten, is niet komen vast te staan en feitelijk ook niet onderbouwd. Het lid heeft alle andere ernstige beschuldigingen op geen enkele manier concreet, feitelijk onderbouwd. Ook in de door het lid overgelegde brief van de havenmeester worden geen concrete feitelijke aanknopingspunten gegeven voor de door het lid geuite beschuldigingen. De havenmeester vermeldt in die brief geen enkel frauduleus feit en hij schrijft zelfs dat alles perfect liep en het kasgeld en de kasbonnen correct werden weergegeven. Bij gebreke aan enige concrete, feitelijke onderbouwing van de stelling dat (het bestuur van) De Amer in de woorden van het lid ernstig heeft gefraudeerd of gesjoemeld, komt het hof aan bewijslevering niet toe, daargelaten het antwoord op de vraag of het lid wel bewijs heeft aangeboden van feiten waaruit de beschuldigingen kunnen worden afgeleid. Kortom, het lid beschuldigt (het bestuur van) De Amer van meerdere frauduleuze handelingen, brengt die beschuldigingen ook naar buiten, maar niets daarvan wordt ook maar enigszins onderbouwd. Derhalve heeft het bestuur van De Amer in redelijkheid tot het besluit kunnen komen, dat redelijkerwijze niet meer van De Amer gevergd kon worden het lidmaatschap van het lid te laten voortduren. Dit besluit komt dan ook niet in aanmerking voor vernietiging op grond van art. 2:15 lid 1 aanhef en onder b BW. Daarvoor zijn de niet onderbouwde beschuldigingen te persoonlijk en te ernstig van aard, mede bezien in het licht van het feit dat De Amer een niet al te grote gezelligheids-sportvereniging is. De aard en ernst van die beschuldigingen mede bezien in het licht van de hiervoor geschetste concrete omstandigheden betekenen tevens dat het belang van het lid om lid te willen blijven van De Amer en het feit dat hij in het verleden nuttige bijdragen heeft geleverd niet tot een ander oordeel kunnen leiden.

donderdag 23 maart 2017

Duw na afloop van ijsvoetbal, sport en spel situatie?



De feiten
Het voetbalteam waarvan zowel X als Y deel uitmaken, heeft een meerdaags uitstapje naar Düsseldorf georganiseerd dat is geëindigd met een wedstrijd ijsvoetbal op 5 september 2015 in het ijsstadion. X , onder meer eigenaar van een evenementenbureau, heeft het uitstapje mede georganiseerd. Bij het ijsvoetbalspel trekken de deelnemers grote plastic ballen (over het hoofd) aan. De plastic ballen creëren een beschermingsconstructie die ervoor zorgt dat spelers tegen elkaar aan kunnen duwen en stoten tijdens het spel. De plastic ballen bieden tevens valbescherming. Het doel van het spel is om de voetbal in het doel van de tegenstander te krijgen.
Nadat het ijsvoetbalspel op 5 september 2015 was geëindigd en het fluitsignaal van de scheidsrechter had geklonken, heeft X de plastic bal uitgetrokken om de ijsbaan via de ijshockeyspelersklapdeur te kunnen verlaten. Y , die de plastic bal op dat moment nog droeg, heeft X op dat moment bij wijze van grap in de rug geduwd als gevolg waarvan X ten val is gekomen en met zijn hoofd tegen de rand/boarding van de ijsbaan is gegleden. X is daarbij buiten westen geraakt. X heeft Y aansprakelijk gesteld voor de schade als gevolg van het ongeval.

Standpunt X
Uit de getuigenverklaringen blijkt dat Y bewust roekeloos heeft gehandeld na een spelsituatie. Het spel was afgelopen na een duidelijk fluitsignaal van de scheidsrechter en verscheidene personen hadden de plastic bal al uitgetrokken. Y heeft toen besloten, ook al was de uiteindelijke schade niet het beoogde gevolg, om X een forse duw te geven. Daarmee aanvaardde Y het aanmerkelijke risico dat het zou aflopen zoals prompt het geval werd: een zware hersenschudding met restgevolgen bij X . Uit de verschillende verklaringen over de toedracht van het ongeval blijkt dat er geen sprake was van een speels duwtje. Ook echter indien door Y geduwd zou zijn zonder dat hij daarbij een aanloop nam, is er sprake van aansprakelijkheid op grond van onrechtmatige daad (6:162 BW). Het vermaak tijdens het ijsvoetbalspel had niets van doen met het gewraakte incident. Het effect van de duw was groot. Door de energie van het botsen met een opgeblazen bal stuiterde X weg. Hij werd gelanceerd door een verende bal die veel energie toevoegde. X is voorover gevallen en over het ijs met zijn hoofd tegen de onderrand van de boarding terecht gekomen.

Standpunt Y
IJsvoetbal is een spel met een wedstrijdelement. De gedraging van Y vond daarom plaats in een sport- en spelsituatie. Het beëindigen van de wedstrijd door de scheidsrechter betekent nog niet dat de sport- en spelsituatie is geëindigd. De enkele omstandigheid dat X – in tegenstelling tot Y , die nog aan het doorspelen was – zijn plastic bal had uitgetrokken om vervolgens naar de boarding te lopen, maakt nog niet dat hij zijn hoedanigheid van deelnemer aan het spel had verloren. Nu nog sprake was van een sport- en spelsituatie geldt bij de beoordeling van de aansprakelijkheid een verhoogde aansprakelijkheidsdrempel. Die drempel wordt volgens Y niet gehaald. De mate van waarschijnlijkheid dat X letsel zou oplopen als gevolg van de duw was niet zo groot, dat Y zich daarvan naar maatstaven van zorgvuldigheid had dienen te onthouden. Y beoogde niet X te laten vallen of hem letsel toe te brengen. Y ontkent dat sprake is geweest van een forse duw of het lanceren van X . Het betrof een speelse duw. Omdat er geen spelregels waren, kan hij de regels van het spel niet hebben overtreden.

Oordeel rechtbank
Aan de orde is de vraag of Y aansprakelijk is voor de gevolgen van het ongeval van X op 5 september 2015. Uitgangspunt daarbij is dat niet reeds de enkele mogelijkheid van een ongeval, als verwezenlijking van aan een bepaald gedrag inherent gevaar, dat gedrag onrechtmatig doet zijn, maar dat zodanig gevaar scheppend gedrag slechts onrechtmatig is indien de mate van waarschijnlijkheid van een ongeval (het oplopen van letsel door een ander) als gevolg van dat gedrag zo groot is dat de dader zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat gedrag had moeten onthouden (vgl. o.m. Hoge Raad 9 december 1994, NJ 1996, 403 en Hoge Raad 28 maart 2003, NJ 2003, 718).
De vraag of aan dit criterium wordt voldaan, dient te worden beantwoord op grond van de specifieke omstandigheden van het geval. Bij de toetsing aan de hiervoor genoemde maatstaf dient betrokken te worden het gevaar dat partijen gezien de specifieke situatie over en weer redelijkerwijze van elkaar kunnen en moeten verwachten. Deze nuancering komt in de rechtspraak onder meer tot uiting in gevallen waarin de schadeveroorzakende gebeurtenis plaatsvindt binnen een sport- en/of spelsituatie. De vraag of een deelnemer aan een sport of spel onrechtmatig heeft gehandeld door een gedraging als gevolg waarvan een andere deelnemer letsel is toegebracht, wordt minder spoedig bevestigend beantwoord dan in het geval dat diezelfde gedraging buiten een sport- of spelsituatie heeft plaats gevonden. De reden daarvan is dat deelnemers aan een sport of spel in redelijkheid tot op zekere hoogte gevaarlijke, slecht gecoördineerde, verkeerde getimede of onvoldoende doordachte handelingen of gedragingen waartoe de activiteit uitlokt of die daarin besloten liggen, van elkaar moeten verwachten (vgl. o.m. Hoge Raad 28 juni 1991, NJ 1992, 622 en, nogmaals, Hoge Raad 28 maart 2003 NJ 2003, 718).
De rechtbank is met Y van oordeel dat de in voornoemde jurisprudentie benoemde verhoogde aansprakelijkheidsdrempel in dit geval van toepassing is. Deze verhoogde drempel om aansprakelijkheid te kunnen aannemen, houdt naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet op te gelden doordat het fluitsignaal van de scheidsrechter had geklonken en enkele deelnemers bezig waren het veld te verlaten om een volgende groep spelers de mogelijkheid te bieden het ijsvoetbalspel te spelen. Zowel X als Y bevonden zich ten tijde van het ongeval nog op het ijs.
In dit licht dient vervolgens met betrekking tot de aansprakelijkheid de vraag te worden beantwoord of de gedraging van Y op 5 september 2015 valt binnen een normale uitoefening van het ijsvoetbalspel. Dat is naar het oordeel van de rechtbank niet het geval. Het handelen van Y jegens X op 5 september 2015 was zodanig gevaarlijk en onzorgvuldig dat dit handelen als onrechtmatig moet worden aangemerkt (artikel 6:162 BW). Daarbij oordeelt de rechtbank met name de volgende vaststaande feiten en omstandigheden doorslaggevend:
- het fluitsignaal voor het einde van de wedstrijd had reeds geklonken en verschillende deelnemers waren bezig de ijsbaan te verlaten of hadden de ijsbaan reeds verlaten;
- X was bezig de ijsbaan te verlaten en nam geen deel meer aan het spel;
- X had de plastic bal reeds uitgetrokken en droeg geen bescherming meer, hetgeen voor Y kenbaar was;
- Y heeft X opzettelijk in de rug geduwd, hetgeen X niet aan heeft zien (kunnen) komen;
- Y droeg ten tijde van de duw wel nog de plastic bal, waarvan het extra verende effect op X Y gelet het eerder gespeelde spel bekend was.
Op grond van deze vaststaande feiten en omstandigheden was de mate van waarschijnlijkheid van een ongeval en het oplopen van letsel door X als gevolg van de duw naar het oordeel van de rechtbank zo groot dat Y zich daarvan naar maatstaven van zorgvuldigheid had moeten onthouden. De stelling van Y dat hij niet had hoeven verwachten dat X zou vallen, laat staan letsel oplopen, wordt door de rechtbank verworpen. In dat verband merkt de rechtbank op dat voldoende vast staat dat geen sprake is geweest van een speels duwtje. De verschillende getuigenverklaringen (productie 1 verzoekschrift) waarin onder meer wordt gesproken over: ‘met behoorlijke snelheid op X inbeukte’, ‘vol in zijn rug gelopen werd’ en ‘vol in zijn rug werd geraakt’ zijn naar het oordeel van de rechtbank onverenigbaar met deze door Y gebruikte kwalificatie. Dat de exacte snelheid van de duw niet vaststaat, zoals Y bij monde van zijn advocaat ter comparitie nog heeft opgemerkt, oordeelt de rechtbank mede gelet op het hiervoor genoemde criterium voor de aansprakelijkheidsvraag niet van belang. De rechtbank oordeelt evenmin van belang de stelling van Y dat er door het verhuurbedrijf van de ballen, [naam verhuurder] , of door anderen nauwelijks instructies waren gegeven of spelregels uiteen waren gezet. Nog daargelaten dat X deze stelling heeft betwist, heeft Y niet aangegeven welke specifieke instructies volgens hem hadden moeten worden gegeven en waarom het ongeval, als gevolg van een bewuste gedraging van Y , daardoor had kunnen worden voorkomen. Aan deze stelling gaat de rechtbank daarom voorbij. De rechtbank merkt tot slot nog op dat het oordeel omtrent de aansprakelijkheid wellicht anders had kunnen zijn geweest indien Y per ongeluk tegen X was aangebotst of indien Y niet had gezien dat X geen bescherming meer droeg, maar daarvan is in dit geval geen sprake geweest.
De conclusie van het voorgaande is dat Y aansprakelijk is voor de door X ten gevolge van het ongeval op 5 september 2015 te Düsseldorf geleden schade.

Geen eigen schuld slachtoffer
Bij de vraag of de volledige schade van X dient te worden vergoed, is van belang het beroep van Y op eigen schuld bij X (artikel 6:101 BW).
In dit verband heeft Y in de eerste plaats aangevoerd dat X de luchtbal al had uitgetrokken toen hij zich nog op het speelveld bevond terwijl er nog enkele deelnemers aan het doorspelen waren. X had, als organisator van het spel, een andere uitgang kunnen kiezen waar hij wel met de bal doorheen had gekund. X zou zich, door de bal op de ijsbaan uit te trekken, hebben blootgesteld aan risico’s waarmee hij bekend was omdat hij vaker ijsvoetbal had gespeeld.
In de tweede plaats heeft Y aangevoerd dat X als organisator zelf een spel heeft uitgezocht dat gericht is op baldadig gedrag. X heeft daarmee zelf de omstandigheden in het leven geroepen waaronder het ongeval kon gebeuren, door de setting en de sfeer te creëren. Vervolgens heeft hij op een onzorgvuldige manier de ijsbaan verlaten. Dat mag hem volgens Y op grond van artikel 6:101 BW aangerekend worden. Y meent dat door de toepassing van voornoemd wetsartikel de schade voor rekening van X dient te blijven.

De rechtbank verwerpt dit beroep op eigen schuld aan de zijde van X . Naar het oordeel van de rechtbank had X er redelijkerwijs geen rekening mee hoeven te houden dat hij, nadat het voor het einde van de wedstrijd was gefloten, hij zijn bal had uitgetrokken en zich richting de uitgang van de ijsbaan begaf, opzettelijk in de rug zou worden gelopen door een teamgenoot. Ondanks de door Y gestelde baldadige/jolige sfeer tijdens het uitstapje, kan van X als initiatiefnemer van het spel redelijkerwijs niet worden gevergd dat hij zodanige maatregelen treft dat de kans op baldadig gedrag volledig wordt uitgesloten. De stelling van X dat onder meer voor het ijsvoetbalspel is gekozen omdat de kans op ongelukken gelet op de beschermingsconstructie van de plastic bal daarbij klein was, oordeelt de rechtbank niet onbegrijpelijk. X heeft verder onweersproken gesteld dat het niet mogelijk was de ijsbaan door de spelersuitgang te verlaten met de bal om het lichaam. Door Y zijn verder onvoldoende feiten omtrent de situatie ter plaatse gesteld waaruit kan worden afgeleid dat X bij het verlaten van de ijsbaan zodanig afwijkende of weinig voor de hand liggende keuzes heeft gemaakt, dat zijn gedrag als onzorgvuldig moet worden aangemerkt. Evenmin is gesteld of gebleken dat X bij het verlaten van de ijsbaan zich anders heeft gedragen dan zijn teamgenoten. Naar het oordeel van de rechtbank kan Y bovendien ter afwering van een schadevergoedingsplicht voor een eigen opzettelijke gedraging die heeft geleid tot een ongeval, niet stellen dat het slachtoffer van die gedraging maar maatregelen had moeten te treffen om het ongeval te voorkomen.

donderdag 16 februari 2017

Gemeente mag huurovereenkomst sportvelden niet opzeggen; geen onvoorziene omstandigheden


Zie ook dit bericht:

De feiten
VV Stevensweert is een amateurvoetbalvereniging met volledige rechtsbevoegdheid, zetelende in het dorp Stevensweert. Zij telt 150 actieve leden.Tussen de toen nog zelfstandige gemeente Stevensweert en de voetbalvereniging is met ingang van 1 december 1990 een huurovereenkomst gesloten ten aanzien van het sportveldencomplex bestaande uit de sportterreinen, kleedlokalen en kantinegebouw, alles met aanhorigheden, ondergrond en infrastructuur, staande en gelegen aan de Nieuwendijk te Stevensweert. Het gehuurde betreft ruimte in de zin van 7:230a BW.
De huurovereenkomst was in eerste instantie aangegaan voor de duur van 25 jaar, derhalve tot en met 31 november 2015. De voetbalvereniging had de mogelijkheid tegen laatstgenoemde datum op te zeggen, maar heeft daarvan geen gebruik gemaakt. Thans kan de huurovereenkomst iedere vijf jaar door de huurder worden opgezegd, voor het eerst per 31 november 2020.
De gemeente heeft in 2009 een onderzoek laten verrichten naar de overcapaciteit wat betreft sportaccommodaties. In het opgestelde visie document ‘Clustering Buitensportaccomodaties’ zijn verschillende scenario’s uitgewerkt. Ondanks protest van de voetbalverenigingen in Stevensweert en Ohé en Laak heeft de gemeenteraad van de gemeente besloten de tweede optie uit het Visiedocument uit te voeren, waarbij het voetbal in Ohé en Laak zou komen. De gemeente heeft bij brief van 9 juni 2015 de huurovereenkomst met de voetbalvereniging opgezegd tegen 1 augustus 2016. De voetbalvereniging heeft niet ingestemd met de opzegging.
Op 29 september 2016 heeft de voetbalvereniging een verzoek ex artikel 7:230a BW ingediend strekkende tot verlenging van de ontruimingstermijn. Bij beschikking d.d. 23 december 2016 heeft de kantonrechter de termijn van ontruiming verlengd tot 1 augustus 2017, onder de voorwaarde dat onherroepelijk in de bodemprocedure komt vast te staan dat de huurovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig is geëindigd.

Vordering gemeente
De gemeente vordert voor recht te verklaren dat de tussen de gemeente en de voetbalvereniging bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het sportveldencomplex per 1 augustus 2016 komt te eindigen.

Oordeel van de kantonrechter
Vast staat dat het gehuurde onder de werkingssfeer van artikel 7:230a BW valt en dat er sprake is van een huurovereenkomst voor bepaalde tijd. Eveneens staat vast dat enkel de voetbalvereniging een opzeggingsbevoegdheid heeft.
Voor de beoordeling van dit geschil dient eerst vastgesteld te worden of de gemeente een opzeggingsbevoegdheid toekomt nu deze in de overeenkomst niet is opgenomen. Leidend in deze is nog steeds het beoordelingskader zoals dat door de Hoge Raad in 1988 ten aanzien van de opzegbaarheid van duurovereenkomsten voor bepaalde tijd in het arrest Mondia/Calanda (HR 21 oktober 1988, NJ 1990, 439) is neergelegd. In beginsel geldt dat deze overeenkomsten gedurende de bepaalde tijd niet opzegbaar zijn, tenzij
(i)        tussentijdse opzegging uitdrukkelijk is overeengekomen,
(ii)       de redelijkheid en billijkheid die krachtens artikel 6:248 BW altijd op tussen partijen gesloten overeenkomsten van toepassing is met zich mee brengt dat de overeenkomst voortijdig kan worden opgezegd, of
(iii)      er sprake is van onvoorziene omstandigheden zoals bedoeld in artikel 6:258 BW.
Zowel voor een voortijdige opzegging krachtens artikel 6:248 BW als krachtens artikel 6:258 BW geldt dat er sprake moet zijn van onvoorziene omstandigheden die van dusdanige aard zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst tot het overeengekomen tijdstip niet mag verwachten. Het moet hierbij gaan om niet in de overeenkomst verdisconteerde omstandigheden, die niet voor rekening van de opzeggende partij komen en die van zodanige ernst zijn dat de wederpartij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid instandhouding van de overeenkomst tot het overeengekomen tijdstip niet mag verwachten. Hierbij spelen een rol:
(i) de inhoud en aard van de overeenkomst,
(ii) aard en onderlinge verhouding van partijen en
(iii) de gewichtigheid van de belangen over en weer. Overigens zal er niet snel sprake zijn van onvoorziene omstandigheden die een voortijdige opzegging van een voor bepaalde tijd gesloten overeenkomst rechtvaardigen.
Toegepast op de onderhavige feiten moet de kantonrechter vaststellen dat deze niet voldoen aan met name het criterium dat er sprake moet zijn van onvoorziene omstandigheden die niet voor rekening van de gemeente komen. Met name waar sprake is van een gewijzigde visie ten aanzien van de sportlocaties in de gemeente Maasgouw kan de kantonrechter toch niet anders dan concluderen dat deze wijziging rechtstreeks afkomstig is van het college van burgemeester en wethouders en de gemeenteraad, die voor dit besluit heeft gestemd. Ook de demografische ontwikkelingen zijn niet als onvoorzien aan te merken. Het is al zeer geruime tijd een punt van zorg dat de bevolking in een aantal landelijke regio’s, waaronder Midden en Zuid Limburg, krimpt. In de media, zowel regionaal als landelijk, wordt hier al geruime tijd aandacht aan besteed. Verder kan dit bij uitstek de gemeente bekend zijn nu zij direct de beschikking heeft over de toe/afname van de bevolkingsaantallen in haar kernen. Gelet hierop is van een onvoorziene omstandigheid geen sprake. De door de gemeente gewenste opzegging lijkt bovendien vooral ingegeven door financiële motieven, welke motieven niet onder de door de Hoge Raad geformuleerde criteria worden geschaard. Bovendien is de kantonrechter van oordeel dat de jaarlijkse kosten voor de instandhouding van het gehuurde, afgezet tegen de overige door de gemeente gereserveerde budgetten, bescheiden van aard zijn. Van overige feiten en omstandigheden die als onvoorzien moeten worden aangemerkt en dusdanig van aard zijn dat de voetbalvereniging naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid instandhouding van de overeenkomst niet mocht verwachten, is niet dan wel in onvoldoende mate gebleken.

Gelet op het voorgaande komt de gemeente daarom geen bevoegdheid tot opzegging toe. Dit brengt met zich dat de vorderingen van de gemeente worden afgewezen.

zaterdag 28 januari 2017

Tijdschrift voor Sport & Recht (TvS&R) 2016 nummer 3/4


Mr. dr. J. van Drongelen, dr. mr. S.F.H. Jellinghaus

Prof. mr. M. Olfers

Most events attract attention in a ‘sportive way’: who will win the title? Sometimes events attract negative attention and become a battlefield for campaigners, activists and politicians to highlight human rights concerns and human rights violations. In some occasions there is a call to boycott the event, or to (symbolic forms of) protest, like showing the rainbow flag as a symbol of Lesbian, Gay, Bisexual, Transgender (LGBT pride) in reaction to ‘anti-gay propaganda’ legislation in Russia during the Olympic Games in Sochi.
In recent years fundamental questions have been raised about the responsibility for human rights in bidding for and during sport events. Sports governing bodies experience more and more demands to set standards in rules, regulations, contracts and other instruments. The international community watches and acts like an independent supervisory body. In the end the question is who is responsible for what and what can be – effectively – done to safeguard human rights.
This article addresses some of the humanitarian challenges on sport events in greater length and gives an overview of the legal perspective (human rights and public and private rules and regulations) and of sport events and human rights violations. I will conclude the article with a short conclusion and some recommendations. 

Mr. C.A. Segaar, mr. T.A. Wilms

Op 7 augustus 2016 werd publiekelijk bekend dat Olympiër en turner Yuri van Gelder door NOC*NSF was uitgesloten van verdere deelname aan de Olympische Spelen in Rio de Janeiro en naar huis was gestuurd. Van Gelder had zich op 6 augustus 2016 geplaatst voor de Olympische turnfinale van 15 augustus 2016 op het toestel ringen. Volgens diverse media zou de uitsluiting het gevolg zijn van het drinken van alcohol en/of het zich tot laat in de nacht in het uitgaansleven van Rio de Janeiro begeven. Eenmaal teruggekeerd in Nederland nam Van Gelder een advocaat in de arm en besloot hij een kort geding te starten om alsnog deelname aan de Olympische ringenfinale af te dwingen. De voorzieningenrechter in de Rechtbank Gelderland, zittingsplaats Arnhem, heeft de vorderingen van Van Gelder op 12 augustus 2016 afgewezen. In dit artikel wordt dit oordeel toegelicht en geanalyseerd vanuit het perspectief van het Nederlandse (proces)recht en het internationale sportrecht.

Mr. D. Sprecher

Voor mijn afstudeerscriptie analyseerde ik de UEFA Financial Fair Play-regelgeving vanuit juridisch en economisch perspectief. Die exercitie bracht mij in aanraking met ‘moral hazard’ in het betaald voetbal en met de ‘betaald-voetbal-paradox’.
Moral hazard zegeviert in het betaald voetbal wanneer voetbalclubs overeind worden gehouden met publiek geld (om sociale onrust te voorkomen) of privaat geld (om politieke en/of financiële motieven). Deze voetbalclubs zijn ‘too popular to fail’. Een hiermee samenhangend verschijnsel is de betaald-voetbal-paradox: veel voetbalclubs opereren onder financiële ratio’s waarmee zij in een ‘normale’ bedrijfstak allang failliet zouden zijn. Bestuurders van (populaire) voetbalclubs zijn zich bewust van het krachtenveld waarin ze opereren en nemen onverantwoorde risico’s wetende dat zij met de eer strijken bij sportief succes, terwijl de financiële gevolgen van wanbeleid niet voor hun rekening komen.
Dit laatste punt heeft bij mij altijd bevreemding gewekt. Dat een club niet failliet gaat, betekent niet dat er geen schade is: er is bijvoorbeeld imagoschade, vernietiging van waarde door een uitverkoop van spelers, en sportief verval met als gevolg een lagere klassering en dito lager prijzengeld. Natuurlijk moet niet elke keer als het misgaat, een bestuurder verantwoordelijk worden gesteld: het kan een keer tegenzitten. Maar naar mijn weten is in Nederland geen enkel voorbeeld te bedenken waar het is geprobeerd. Terwijl er toch genoeg clubs zijn gered, met publieke en private middelen, waarbij op de gevel van het stadion met zulke grote letters ‘WANBELEID’ stond gekalkt dat alle supporters dachten dat ze er een nieuwe hoofdsponsor bij hadden.
Er zijn overigens legio redenen te bedenken waarom bestuurders (van voetbalclubs die niet failliet zijn gegaan) niet aansprakelijk worden gesteld. Dat zal sowieso niet gebeuren als de bestuurder gewoon blijft zitten. Maar als er een bestuurswissel plaatsvindt kan het zijn dat de oude bestuurder een goede kennis is van de nieuwe bestuurder, of toch tenminste lid is van hetzelfde ‘old boys network’. Soms is er sprake van het scenario: ‘van een kale kip kun je niet plukken’ of is de voormalig bestuurder nog erg populair bij de achterban. Ook schept een succesvolle aansprakelijkstelling een precedent waar de nieuwe bestuurder op een later tijdstip zelf de dupe van kan worden.
Bij gebrek aan een geschikt praktijkvoorbeeld was mijn oorspronkelijke plan voor dit artikel om een puur theoretische beschouwing te geven over dit onderwerp. Maar, de oplettende lezer zal begrijpen dat ik volledig ben achterhaald door de actualiteit. FC Twente heeft op het moment van schrijven van dit artikel, op aandringen van de Gemeente Enschede, besloten de duimschroeven aan te draaien in de onderhandelingen met haar geldschieters, die tevens haar oud-bestuurders en commissarissen zijn, door ze aansprakelijk te stellen voor door haar geleden schade als gevolg van het door hen gevoerde beleid. In dit artikel beschouw ik of deze aansprakelijkstelling, zo die wordt doorgezet, kan leiden tot een vonnis waarin aansprakelijkheid wordt aangenomen en een veroordeling tot het betalen van schadevergoeding wordt uitgesproken.

Prof. mr. M. Olfers

Jurisprudentie
Mr. M.I. van Dijk


dinsdag 10 januari 2017

CAS Bulletin 2016/2: Jurisprudentieoverzicht belangrijke uitspraken Court of Arbitration for Sport (CAS)

The CAS 2016/2 can be found HERE






Articles et commentaires/Articles and Commentaries
Application of the 2015 WADA Code through the example of a recent CAS Award
(Sharapova v. ITF)
Despina Mavromati

Délais, notifications et autres prescriptions de forme importantes devant le TAS
Pauline Pellaux

Jurisprudence majeure/Leading Cases

CAS 2014/A/3536
Racing Club Asociación Civil v. Fédération Internationale de Football Association (FIFA)
5 May 2015

CAS 2015/A/3903
Club Samsunspor v. Fédération Internationale de Football Association (FIFA)
4 May 2015

CAS 2015/A/4162
Liga Deportiva Alajuelense v. Fédération Internationale de Football Associations (FIFA)
3 February 2016

TAS 2015/A/4178
Zohran Ludovic Bassong & RSC Anderlecht c. Fédération Internationale de Football
Association (FIFA)
2 février 2016

CAS 2015/A/4189
British Swimming, Adam Peaty, Francesca Halsall, Jemma Lowe and Chris Walker-Hebborn v. Fédération Internationale de Natation (FINA)
17 March 2016

CAS 2015/A/4208
Horse Sport Ireland (HIS) & Cian O’Connor v. Fédération Equestre Internationale (FEI)
15 July 2016 (operative part of 4 January 2016)

TAS 2015/A/4229
Fovu Club de Baham c. Canon Sportif de Yaoundé
1er juillet 2016

CAS 2015/A/4233
World Anti-Doping Agency (WADA) v. Martin Johnsrud Sundby & Fédération Internationale de Ski (FIS)
11 July 2016

CAS 2015/A/4279
David Martin Nakhid v. Fédération Internationale de Football Association (FIFA)
18 January 2016 (operative part of 14 December 2015)

CAS 2016/A/4439
Tomasz Hamerlak v. International Paralympic Committee (IPC)

4 July 2016

Arbitration CAS 2016/A/4643
Maria Sharapova v. International Tennis Federation (ITF)
30 September 2016

CAS 2016/O/4684
Russian Olympic Committee (ROC), Lyukman Adams et al. v. International Association of
Athletics Federations (IAAF)
10 October 2016 (operative part of 21 July 2016

CAS 2016/A/4745
Russian Paralympic Committee (RPC) v. International Paralympic Committee (IPC)
30 August 2016 (operative part of 23 August 2016)

Jugements du Tribunal Fédéral/Judgements of the Federal Tribunal

Judgement of the Swiss Federal Tribunal 4A_246/2014
15 July 2015
A. SA. (Appellant) v. B., C., et al. (Respondent)

Judgment of the Swiss Federal Tribunal 4A_222/2015
18 January 2016
X. (Appellant) v. United States Anti-Doping Agency (USADA) & World Anti-Doping
Agency (WADA) (Respondents)

Judgement of the Swiss Federal Tribunal 4A_510/2015
8 March 2016

X. (Appellant) v. Y. (Respondent)