woensdag 12 september 2012

Terechte vereenzelviging door belastingdienst van voetbalvereniging en stichting die spelers uitbetaalt



De feiten
Belanghebbende is een amateurvoetbalvereniging te Y. In 2002 is "Stichting A" (hierna de Stichting) opgericht. De Stichting heeft ten doel het bevorderen van de sportbeoefening bij belanghebbende. Tussen belanghebbende en de Stichting is hierover een overeenkomst gesloten. Een speler die bij belanghebbende in de A-selectie komt spelen, sluit een overeenkomst met belanghebbende en een overeenkomst met de Stichting.
De belastingdienst is van mening dat er loonbelasting moet worden ingehouden, daar is het belanghebbende niet mee eens. De rechtbank stelt de belastingdienst in het gelijk. Tegen die uitspraak stelt de vereniging beroep in.

Het geschil
Het geschil betreft het antwoord op de volgende vraag:
Is de naheffingsaanslag terecht opgelegd?

Stellingen en oordeel gerechtshof
Belanghebbende stelt dat tussen belanghebbende en de spelers geen dienstbetrekking bestaat.
Belanghebbende (de voetbalvereniging) is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.
Belanghebbende stelt primair, dat de naheffingsaanslag ten onrechte is opgelegd, omdat tussen belanghebbende en de spelers geen dienstbetrekking bestaat. Subsidiair stelt belanghebbende dat indien wel uitgegaan dient te worden van de aanwezigheid van een dienstbetrekking tussen de spelers en belanghebbende, de naheffingsaanslag niet had mogen worden opgelegd, omdat de spelers reeds aangifte hebben gedaan in de inkomstenbelasting. Op grond van artikel 7:610, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek wordt onder een arbeidsovereenkomst verstaan de overeenkomst, waarbij de ene partij, de werknemer, zich verbindt in dienst van de andere partij, de werkgever, tegen loon gedurende zekere tijd arbeid te verrichten. Er zijn drievoorwaarden waaraan moet zijn voldaan wil sprake zijn van een dergelijke arbeidsovereenkomst (vgl. HR 25 maart 2011, nr. 10/02146, LJN: BP3887, r.o. 3.3.3):
-er moet sprake zijn van een gezagsverhouding tussen werkgever en werknemer;
-de werknemer is verplicht tot het persoonlijk verrichten van arbeid gedurende een zekere tijd, en
-de werkgever heeft een verplichting tot het betalen van loon.

De rechtbank stelt voorop dat het op de weg van de inspecteur ligt om de feiten en omstandigheden te stellen - en bij betwisting aannemelijk te maken - die het oordeel rechtvaardigen dat sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen belanghebbende en de selectiespelers. Niet in geschil is dataan de hiervoor genoemde twee eerste voorwaarden is voldaan. Het geschil spitst zich toe op de derde voorwaarde.

Met betrekking tot de voorwaarde van verplichting tot het betalen van loon overweegt de rechtbank het volgende.

4.4.1. De spelers ontvangen van de Stichting een vergoeding die betrekking heeft op hun functioneren als voetbalspeler bij belanghebbende.

Er is sprake van vergaande verwevenheid tussen belanghebbende en de Stichting. Dat blijkt onder andere uit het volgende:
-de in 2.2vermelde doelstelling van de Stichting; deze is bepaald in een overeenkomst tussen belanghebbende en de Stichting;
-de Stichting kent ten minste drie bestuursleden, waarvan twee worden benoemd op bindende voordracht van belanghebbende;
-de voorzitter van de Stichting is de vader (Hof: bedoeld wordt: de zoon) van de voorzitter van belanghebbende;
-de penningmeester bij belanghebbende en de Stichting is dezelfde persoon; hij ondertekent de contracten met de spelers namens de stichting en namens de vereniging;
-het adres van de Stichting is het adres van de penningmeester;
-voor een statutenwijziging van de Stichting is vooraf schriftelijk toestemming nodig van belanghebbende;
-er is sprake van een fiscale eenheid voor de omzetbelasting tussen belanghebbende en de Stichting;
-de spelersbijdrage aan speler(s) wordt slechts uitbetaald na ontvangst van een declaratie betreffende die speler(s) die geaccordeerd is door/namens belanghebbende.

Uit de stukken en hetgeen ter zitting is opgemerkt leidt de rechtbank de volgende gang van zaken af. De technische commissie van belanghebbende is verantwoordelijk voor de samenstelling van de selectie en bepaalt of met een bepaalde (nieuwe) speler onderhandeld gaat worden. De onderhandelingen met een speler vinden plaats door een of meerdere werknemers van belanghebbende, vaak in het bijzijn van een bestuurslid. Tijdens deze onderhandelingen worden door de speler mondelinge afspraken met belanghebbende gemaakt. De rechtbank acht aannemelijk dat die afspraken ook betrekking hebben op de vergoeding voor de speler, in aanmerking genomen dat het - zo valt uit belanghebbendes verklaringen af te leiden - gebruikelijk is dat spelers van de A-selectie van een vereniging als belanghebbende worden betaald. Vervolgens wordt aan die afspraken uitvoering gegeven door het tegelijkertijd afsluiten van twee verschillende schriftelijke overeenkomsten,één met belanghebbende en één met de Stichting, die nauw met belanghebbende is verweven (zie 4.4.1).

4.4.4. Gelet ophetgeen onder 4.4.1. tot en met 4.4.3. is overwogen, in onderling verband bezien, acht de rechtbank aannemelijk dat steeds sprake is van (mondelinge) overeenkomsten tussen belanghebbende en de spelers die ook betrekking hebben op de door de Stichting uit te betalen spelersvergoeding, dat feitelijk op belanghebbende de verplichting rust tot het (doen) betalen van het loon (de spelersbijdrage) en dat belanghebbende daaraan ook door de spelers kan worden gehouden indien de Stichting in gebreke blijft. Derhalve is sprake van loon van belanghebbende. Het bestaan van de overeenkomst tussen de speler en de Stichting noch het gegeven dat de Stichting (en niet belanghebbende) uiteindelijk de spelersbijdrage betaalt, doen daaraan af. De overeenkomst tussen de speler en de Stichting is in wezen een overeenkomst die strekt tot uitvoering van de voornoemde mondelinge overeenkomst tussen belanghebbende en de speler.

4.4.5. Belanghebbende heeft nog aangevoerd dat de spelers en belanghebbende niet de bedoeling hebben gehad om een dienstbetrekking te laten ontstaan. Zo dit al het geval is leidt dat evenwel niet tot een andere conclusie. Immers, bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst moet worden getoetst of de inhoud van de rechtsverhouding voldoet aan de criteria die gelden voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst (vgl. HR 25 maart 2011, nr. 10/02146, LJN: BP3887, r.o. 3.3.2). Hetgeen partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond, is dan ook niet doorslaggevend.

4.4.6. Conclusie is dat tussen de spelers en belanghebbende sprake is van een dienstbetrekking en dat al hetgeen aan de spelers is betaald, inclusief de spelersbijdrage, behoort tot het uit die dienstbetrekking genoten loon.

4.2. Het Hof onderschrijft de overwegingen van de Rechtbank en maakt deze tot de zijne. Het Hof voegt daaraan het volgende toe.

Belanghebbende stelt dat er duidelijk sprake is van twee verschillende rechtpersonen
In hoger beroep klaagt belanghebbende er over dat de Rechtbank er ten onrechte van uit is gegaan, dat er feitelijk min of meer sprake is van een vereenzelviging van de Stichting en belanghebbende. Belanghebbende stelt dat zij en de Stichting duidelijk twee gescheiden rechtspersonen zijn met ieder een eigen doelstelling, ieder eigen besturen en ieder eigen financiële middelen. De Stichting vaart onafhankelijk van belanghebbende een eigen koers, waarbij de continuïteit van beleid en professionaliteit een andere dimensie hebben. Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende nog gesteld dat de Stichting met de financiële middelen mag doen "wat zij wil".

4.4. Het Hof kan belanghebbende in die stellingen niet volgen. De Rechtbank heeft tot uitdrukking gebracht dat - gelijk de Inspecteur ook stelt - de Stichting de vergoedingen aan de spelers betaalt vanwege het feit dat de spelers hun prestaties leveren aan belanghebbende en belanghebbende verschaft de Stichting hiervoor de financiële middelen. De Stichting heeft tot doel het bevorderen van de sportbeoefening bij belanghebbende, zij dient "al hetgeen bevorderlijk kan zijn tot het bereiken van vorenomschreven doel" te doen (vgl. 2.6 hiervoor). Twee van de leden van het bestuur van de Stichting worden bindend voorgedragen door belanghebbende, voor de statutenwijziging van de Stichting is een schriftelijke goedkeuring van belanghebbende vereist.
De spelers wonen de trainingen van belanghebbende bij, maken deel uit van de selectie van belanghebbende bij wedstrijden en behalen resultaten bij deze wedstrijden. Voor deze prestaties worden zij betaald door de Stichting met medeweten van belanghebbende (vgl. deovereenkomsten gesloten tussen de spelers en belanghebbende respectievelijk de Stichting, geciteerd in 2.2 van de uitspraak van de Rechtbank). Niet gebleken is dat de Stichting eigen financiële middelen heeft anders dan de door belanghebbende aan de Stichting contractueel overgedragen sponsorgelden. De Stichting dient jaarlijks deze sponsorgelden af te rekenen met belanghebbende (vgl. 2.10). Uit deze sponsorgelden worden de betalingen aan de spelers gedaan.
Al deze feiten en omstandigheden, in onderlingverband beschouwd, brengen het Hof tot de conclusie, dat feitelijk sprake is van een dienstbetrekking tussen belanghebbende en de spelers; het loon ter zake van deze dienstbetrekking wordt - namens belanghebbende althans met haar medeweten - door de Stichting aan de spelers uitbetaald. Dat de Stichting een aparte rechtspersoon is met eigen rechten en plichten doet aan het vorenoverwogene niet af.
Al hetgeen belanghebbende in hoger beroep overigens ter zake heeft gesteld, maken het oordeel van het Hof nietanders.
Het hoger beroep is in zo verre ongegrond.

Belanghebbende beroept zich op gelijkheidsbeginsel
Naar het oordeel van de rechtbank is het opleggen van de naheffingsaanslag ook niet in strijd met enig beginsel van behoorlijk bestuur. Belanghebbende is reeds in 2006 gewezen op de inhoudingsplicht en het door de briefwisseling met de belastingdienst in 2003 gewekte vertrouwen is daardoor voor de toekomst ongedaan gemaakt. Ook belanghebbendes beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt. Belanghebbende heeft naar het oordeel van de rechtbank tegenover de ontkenning van de inspecteur geen feiten en omstandigheden aannemelijk gemaakt waarop gebaseerd kan worden dat sprake is van (een vermoeden van) een van de juiste wetstoepassing afwijkend beleid of van onjuiste wetstoepassing bij andere verenigingen met het oogmerk tot begunstiging. Evenmin is gesteld of gebleken dat sprake is van het achterwege blijven van een juiste wetstoepassing in de meerderheid van de met belanghebbende vergelijkbare gevallen (meerderheidsregel).

4.6. Het Hof onderschrijft de overwegingen van de Rechtbank en maakt deze tot de zijne. Voor zover belanghebbende, ook in hoger beroep, beroep bedoelde te doen op het gelijkheidsbeginsel verwijzende naar de situatie bij andere clubs, faalt dit beroep reeds omdat belanghebbende ter zitting van het Hof heeft gesteld, dat de situatie bij andere clubs niet dezelfde is als bij belanghebbende. Voorts heeft de Inspecteur onweersproken gesteld dat andere clubs door de Belastingdienst actief worden benaderd, en dat deze clubs, voor zover zij ook met stichtingen werken, de vergoedingen ter zake van prestaties van spelers hoe dan ook met inhouding van de loonheffing uitbetalen, hetzij zelf, hetzij via die stichtingen. Reeds daarom is er geen sprake van vergelijkbare gevallen.

Belanghebbende stelt dat belastingdienst geen belang heeft
4.7. Voor zover belanghebbende stelt dat de Inspecteur de naheffingsaanslag ten onrechte heeft opgelegd bij gebrek aan belang, nu de spelers hun vergoedingen in de inkomstenbelasting aangeven, kan die stelling niet worden gevolgd. De Inspecteur heeft ter zitting van het Hof aangegeven, dat het belang van de heffing in de loonbelastingsfeer mede schuilt in de heffing van de premies voor de sociale verzekeringen.

Belanghebbende stelt dat de discussie te lang geduurd heeft
4.8. Ten slotte overweegt het Hof dat voor zover belanghebbende stelt, dat de discussie met de Inspecteur voor en na het opleggen van de naheffingsaanslag te lang heeft geduurd, het Hof die stelling verwerpt. De naheffingsaanslag is opgelegd nog geen vier maanden na het einde van het tijdvak en de bezwaarfase heeft minder dan een jaar geduurd, hetgeen naar het oordeel van het Hof niet buitensporig lang is gelet op de discussie, die tussen belanghebbende en de Inspecteur is ontstaan omtrent de duiding van de rechtsverhouding tussen de spelers en belanghebbende.

Uitspraak
verklaart het hoger beroep ongegrond;
- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank

De uitspraak staat HIER

Geen opmerkingen:

Een reactie posten