donderdag 20 april 2017

Royement jeugdlid wegens misdragingen ouders houdt geen stand bij arbitragecommissie KNVB



Actuele uitspraak gezien dit bericht van vandaag: "Voetbalclub RBC stuurt Jayden (7) weg omgedrag ouders". Onderstaande uitspraak gaat over gedragingen van ouders die m.i. minder ernstig zijn en waarbij er in onderstaand geval toch vrij plotseling het lid werd geroyeerd. Bovendien is het sowieso de vraag of een (jeugd)lid geroyeerd kan worden voor gedragingen van anderen (de ouders). Dat hangt af van de formulering in de statuten. In veel statuten staat de volgende formulering: 
Ontzetting uit het lidmaatschap kan alleen door de algemene vergadering worden uitgesproken, indien een lid in ernstige mate in strijd met de statuten, reglementen of besluiten van organen van de vereniging handelt of de vereniging op onredelijke wijze benadeelt.

De voorzieningenrechter in DEZE zaak zei daarover: "De statuten voorzien uitsluitend in de mogelijkheid een lid uit het lidmaatschap te ontzetten op grond van handelen van het lid zelf. De statuten voorzien niet in de mogelijkheid van een dergelijke ontzetting op grond van handelen van derden. " r.o. 4.9 en 4.10

Opgemerkt moet worden dat opzegging en royement juridisch niet hetzelfde zijn. Een lid kan geroyeerd worden als straf. Royement heeft een onterend karakter. Het is een tuchtrechtelijke maatregel waarbij, anders dan bij opzegging, procesrechtelijke grondbeginselen zoals strengere motiveringseisen, toepassen van hoor en wederhoor, inzage in stukken in acht moeten worden genomen. De totstandkoming en inhoud van het besluit tot royement worden daarom door de rechter streng beoordeeld.
Opzegging heeft daarentegen geen onterend karakter. Het is een beleidsmaatregel (dan wel ordemaatregel) waartoe vaak wordt besloten om in de vereniging een ordelijk verloop te waarborgen. De rechter toetst het besluit tot opzegging inhoudelijk slechts marginaal door zich af te vragen of redelijk oordelende mensen – gegeven de feiten en omstandigheden van het geval – tot eenzelfde besluit zouden zijn gekomen.

Zie HIER voor een heldere uiteenzetting van het verschil.
....................
De feiten
Noa Kiziltas is enkele jaren lid bij KHC en speelt thans in J-0 15-1.Noa Kiziltas is 13 jaar. Rond dit elftal hebben zich in het seizoen 2016/2017 enkele incidenten voorgedaan. Zo is het team betrokken geraakt bij een vechtpartij bij Voetbalvereniging DSV '61 in oktober 2016. Naar aanleiding van bedoelde vechtpartij heeft KHC een viertal spelers voor één week geschorst en een schriftelijke waarschuwing gegeven. Noa Kiziltas is destijds voor haar aandeel in dat incident niet door KHC geschorst of anderszins bestraft.
Verder is tijdens de competitiewedstrijd KHC 1 - WHC 1 sprake geweest van wat KHC noemt "een spuugincident". Daarbij zou Noa Kiziltas betrokken zijn geweest. De voorzitter van KHC heeft toen bewerkstelligd dat Noa ter plekke haar excuses heeft aangeboden aan de voorzitter van WHC. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft KHC een verklaring overgelegd van de voorzitter van WHC heer R. During. In die verklaring wordt overigens niet gerept van enig spuugincident maar van verbaal wangedrag. De voorzitter van WHC bevestigt dat "het meisje" haar excuses heeft aangeboden. De Arbitragecommissie houdt het er voor dat de voorzitter van WHC met "het meisje" doelt op Noa Kiziltas.
Op zaterdag 18 februari 2017 heeft de trainer van KHC J-0 15-1 in de eerste helft de wedstrijd tegen Swift J-0 15-1 doen beëindigen (staken) door na een in zijn visie onjuiste beslissing van de scheidsrechter het team van KHC van het veld te halen. Naar aanleiding van dit incident heeft het bestuur van KHC na afloop van de training van KHC J-0 15-1 op 20 februari 2017 met de trainer en het gehele elftal gesproken, teneinde te voorkomen dat dergelijke incidenten opnieuw zouden voorkomen. In dat gesprek heeft het bestuur ook bijzondere aandacht gegeven aan de wijze waarop Noa Kiziltas en drie andere spelers van het elftal zich hadden opgesteld.
Ondanks het feit dat het in eerste instantie een moeizaam gesprek was, heeft het bestuur na afloop van dat gesprek geconstateerd dat bij alle betrokkenen de bereidheid bestond het gedrag te verbeteren, zodat het team en de spelers verder konden. Diezelfde avond heeft mevrouw Van Bruggen en/of de heer Pander de navolgende berichten in de whats-app-groep van de ouders en begeleiders van het team geplaatst. De (minderjarige) spelers van het elftal maken geen deel uit van de (besloten) whats-app-groep. om 21.06 uur:"Nou hebben de heertjes weer hun zegje gedaan tegen de kinderen, altijd maar KHC c1 overal de schuld van geven. Maak je maar eens druk over andere zaken". Om 21.34 uur: "Beste Menno, ik doe het even centraal in deze app. Wellicht is het in jouw wereld normaal om met drie volwassen mannen 13 en 14 jarige pubers zo intens gemeen te bejegenen. Chapaue voordat alvast. Ze komen in de veronderstelling om over zaterdag te praten, hoe laag is het dan om Jani, Dennis, Paulos en Noa aan te vallen op hun gedrag? Gedrag wat jij bepaalt en doorspeelt aan het bestuur. Dat moet je natuurlijk zelf weten, jij bent immers verantwoordelijk voor je eigen gedrag als volwassen man. Nu snap ik prima hoe het systeem binnen groeperingen werkt en ook jou rol daarin. Zal ik het eens hebben over jou gedrag als volwassen man? Hoe je KHC spelerfjes afvalt naar de tegenpartij toe? Hoe je altijd maar weer olie op het vuur moet gooien? Ook al is het vuur allang uit. Wat je van mij vind mag je ten aller tijden vinden, hou dat ook dat ook bij mij. Heb je een probleem met Noa kom je bij Randalf (al snap ik wel dat je die niet benaderd) of bij mij. Dit is dan ook echt de laatst keer geweest dat jullie als bestuur zo tegen mijn dochter praten. Randalf zal a.s. maandag dan ook rustig een gesprek voeren bij KHC. Dat Noa maar op moet donderen en dat zij de klap zelf heeft uitgelokt in Doornspijk zegt heel veel over hoe jullie omgaan met kinderen van 13. Het was volwassener geweest om dat te zeggen in bijzijn van ouders! Maar wellicht is dat te eenvoudig gedacht van mij. Ik hoop van ganser harte dat je C1 een keer wil zien zoals ze zijn, een leuke drukke ietwat puberale groep jongelui die er altijd zijn, hard trainen en lol hebben met elkaar, ook buiten het veld. Het zou ze goed doen! En last but not least, gedraag je als een leider,vlag eens een keer, wees eens lief voor ze, steun ze en breng ze naar een hoger plan ipv ze altijd maar neer te sabbelen. En ja dit bericht mag je ook naar het bestuur, de kantine medewerker, de grasmaaier etc. sturen!"
Bij brief d.d. 21 maart 2017 heeft KHC de ouders en verzorgers van Noa Kiziltas bericht als volgt:
" Betreft: royement lidmaatschap.
Aan ouders/verzorgers van Noa Kiziltas,
Naar aanleiding van het staken van de wedstrijd Swift 0 15 1 – KHC 0 15-1, en de ernstige gevolgen daarvan voor onze voetbalvereniging. Is er een gesprek geweest tussen 0 15 1 van KHC en het bestuur/trainer en begeleiding. Tijdens dit gesprek werd geprobeerd om de toedracht boven tafel te krijgen. Echter het gesprek werd ernstig verstoord door een 4 tal spelers die telkens maar probeerden hun gelijk te halen, en lieten merken de ernst van de situatie niet in te zien. Deze spelers zijn in het verleden diverse keren aangesproken op hun gedragingen.
Toch hadden wij als bestuur op het eind van het gesprek de indruk dat een ieder zich zou willen verbeteren en dat we verder konden. Echter wat er maandagavond later is gebeurt, dat jullie als ouders door middel van allerlei whatsapp berichten ons als bestuur en begeleiding gaan lopen beschuldigen en bedreigen, gaat alle perken te buiten. Jullie hebben de ernst niet willen inzien. Ons besluit is dan ook dat jullie conform onze statuten en huishoudelijk reglement verwijderd worden uit onze vereniging. Wij ontzeggen jullie bij deze de toegang tot ons sportpark De Venen. Noa kan haar spullen inleveren bij mevr B. Pietersma wonende Dr Kolfflaan 76.
Over deze beslissing wensen wij niet meer in discussie te gaan, en is onherroepelijk.
 Bestuur KHC"
Bij brief d.d. 1 maart 2017 heeft mevrouw M. van Bruggen bezwaar gemaakt tegen het royement van Noa Kiziltas. In de brief is onder meer het navolgende opgenomen:
" U wijst erop dat dit lid volgens de statuten is geroyeerd en u daarmee haar doet kunnen verwijderen van uw vereniging. Echter heeft u de statuten niet gehanteerd en op geheel eigen wijze deze keuze gemaakt. U heeft geen hoor en wederhoor toegepast, u heeft N. Kiziltas geroyeerd omdat u zegt dat wij als ouders u als bestuur bedreigen en beschuldigen, ook dit is geenszins waar. U heeft N. Kiziltas nog nooit beschuldigd van diefstal, fraude, vernielingen, geweld etc., al deze zaken zijn gerechtigd om een royement uit te spreken. Sterker nog N. Kiziltas heeft van uw vereniging in de jaren van haar lidmaatschap geen enkele waarschuwing ontvangen omtrent welk gedrag dan ook. Tot 20-2-2017 was er ook geen enkel teken van deze beslissing, u schrijft immers ook dat u de indruk had dat er verbetering zou plaatsvinden bij de door u aangesproken kinderen, waaronder N. Kiziltas. De niet aangetekende royement verklaring van 21-2-2017 kan dan ook niet gaan over uw lid N. Kiziltas, u heeft deze immers niet meer gezien dan wel gesproken. U heeft zich wellicht beledigt gevoeld door een open app van ons ouders, maar dit lijkt niet juiste reden voor het royeren van een lid.
(...)
Ervan uitgaande dat u uw eigen statuten en regelementen hanteert, zien wij dan ook van harte de uitnodiging tegemoet voor deze algemene ledenvergadering, om de door u genomen onterechte beslissing te herzien.
(...)
Vanzelfsprekend zal ik u de gelegenheid geven om dit in bestuurlijk overleg te realiseren, ik zie dan ook graag voor maandag 6 maart
2017 uw antwoord tegemoet (...)"

Het bestuur van KHC heeft aan mevrouw Van Bruggen geantwoord dat het geen aanleiding ziet om het standpunt te wijzigen danwel de gesprekken te heropenen. Een algemene ledenvergadering is niet bijeengeroepen.
In de statuten van KHC is in artikel 10 onder meer het navolgende opgenomen:

"1.       Het lidmaatschap eindigt:
a. door de dood van het lid;
b. door opzegging door het lid;
c. door opzegging namens de vereniging;
d. door royement, als bedoeld in artikel 6 lid 4.

2.         Opzegging namens de vereniging geschiedt door het bestuur.
Opzegging namens de vereniging kan geschieden wanneer een lid heeft opgehouden aan de in deze statuten vermelde vereisten voor het lidmaatschap te voldoen, of wanneer hij zijn verplichtingen jegens de vereniging niet nakomt of wanneer van de vereniging redelijkerwijs niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren."

In artikel 6 is bepaald:
"1.a. In het algemeen zal strafbaar zijn zodanig handelen of nalaten dat in strijd is met de statuten, reglementen en/of besluiten van organen van de vereniging, of waardoor de belangen van de vereniging worden geschaad.
b. Tevens zal strafbaar zijn zodanig handelen of nalaten dat in strijd is met de spelregels, alsmede met de statuten, reglementen enlof besluiten van organen van de KNVB of waardoor de belangen van de KNVB of van de voetbalsport in het algemeen worden geschaad.
2.         Het bestuur is bevoegd om, ingeval van overtredingen als bedoeld in het eerste lid, de volgende straffen op te leggen:
a. berisping;
b. schorsing;
c. royement.

3.                     Een schorsing kan ten hoogste voor de duur van twee maanden worden opgelegd. Gedurende de periode dat een lid geschorst is, kunnen de aan het lidmaatschap verbonden rechten worden ontzegd.
4.         Royement kan alleen worden uitgesproken wanneer een lid in ernstige mate in strijd met de statuten, reglementen en/of besluiten van organen van de vereniging handelt, of de vereniging op onredelijke wijze benadeelt, dan wel na sommatie nalatig blijft zijn contributie te voldoen. Nadat het bestuur tot royement heeft besloten, wordt het betrokken lid ten spoedigste door middel van een aangetekend schrijven van het besluit met opgave van de reden(en) in kennis gesteld. De betrokkene is bevoegd binnen een maand na ontvangst van deze kennisgeving in beroep te gaan bij de algemene vergadering. Gedurende de beroepstermijn en hangende het beroep is het lid geschorst. Het besluit van de algemene
 vergadering tot royement zal moeten worden genomen met tenminste twee/derde van het aantal uitgebrachte stemmen."


Op 24 augustus 2016 heeft KHC aan Noa Kiziltas een herinnering gestuurd naar aanleiding van niet betaalde contributie in de periode maart tot en met juli 2016 ad in totaal € 60,50.
Op 8 november 2016 heeft KHC Noa Kiziltas een (tweede) herinnering gestuurd ten aanzien van niet betaalde contributie over de periode maart 2016 tot en met juli 2016, alsmede augustus en oktober 2016 ad € 85,50.
Op 16 februari 2017 heeft KHC een nadere aanmaning gestuurd, betrekking hebbend op de niet betaalde contributie van maart tot en met augustus 2016, alsmede oktober en november 2016 ad in totaal € 98,50. Noa Kiziltas heeft enkele betalingen verricht.

Oordeel arbitragecommissie
De Arbitragecommissie stelt voorop dat uit de statuten van KHC volgt dat alleen tot royement kan worden overgegaan indien het lid in ernstige mate in strijd met de statuten, reglementen en/of besluiten heeft gehandeld, dan wel de vereniging op onredelijke wijze heeft benadeeld. Tevens kan tot royement worden besloten indien het betreffende lid nalatig blijft - na sommatie - de contributie te voldoen.
Uit het bepaalde in artikel 2:35 BW volgt dat ontzetting (royement) alleen kan worden uitgesproken wanneer het lid in strijd met de statuten, reglementen of besluiten der vereniging handelt of de vereniging op onredelijke wijze benadeelt. Voorts is in bedoelde wettelijke bepaling geregeld dat de ontzetting (het royement) door het bestuur geschiedt, tenzij de statuten dit aan een ander orgaan opdragen. Voorts is in de wet bepaald dat het lid een beroepsmogelijkheid bij de ledenvergadering heeft tenzij de statuten anders bepalen.
In de statuten van KHC is bepaald dat indien het lid tijdig bezwaar maakt tegen de beslissing van het bestuur tot royement/ontzetting beroep van het lid op de algemene ledenvergadering openstaat.
Namens Noa Kiziltas is bij brief d.d. 1 maart 2017- en derhalve tijdig - bezwaar gemaakt tegen de beslissing tot royement/ontzetting.
Op grond van de wet en de statuten was het bestuur gehouden om binnen een redelijke termijn een algemene ledenvergadering uit te schrijven waarin over het door het bestuur genomen besluit en het namens Noa Kiziltas ingediende bezwaar door het hoogste orgaan van KHZ, de ledenvergadering, zou kunnen worden beslist.
Ter zitting is gebleken dat het bestuur geen ledenvergadering heeft uitgeschreven en niet het voornemen heeft dat te doen, ook niet nadat de Arbitragecommissie het bestuur had gewezen op de statutaire en wettelijke voorschriften.
In artikel 2:14 BW is bepaald is dat een besluit van een orgaan van een rechtspersoon dat in strijd is met de wet of de statuten nietig is, tenzij uit de wet iets anders voortvloeit.
Nu het bestuur, dat als een orgaan van de vereniging KHC geldt, in strijd met de statuten (en de wet) tot royement (ontzetting) heeft besloten zonder dat aan de ledenvergadering voor te leggen nadat tijdig bezwaar was gemaakt, is dit royementsbesluit nietig.
In zekere zin ten overvloede voegt de Arbitragecommissie daaraan het navolgende toe.
De Arbitragecommissie heeft begrip voor de soms moeilijke situatie waarin bestuursleden en overige vrijwilligers hun werkzaamheden voor voetbalverenigingen verrichten. Temeer nu het vinden van vrijwilligers niet altijd makkelijk is, kan de belasting die negatief gedrag van ouders en/of (jeugd)leden veroorzaken, veel negatieve energie kosten. Juist omdat veelal een kleine groep ouders/leden verantwoordelijk is voor een relatief groot aandeel daarin kan dat tot frustraties leiden.
De Arbitragecommissie wil aannemen dat het gedrag van mevrouw Van Bruggen en de heer Pander richting KHC en haar bestuur/vrijwilligers als negatief is ervaren en dat Noa in haar communicatie en gedrag wellicht niet altijd de gemakkelijkste is geweest.


Natuurlijk moet dit aanleiding zijn voor een gesprek, waarbij van ouders mag worden verlangd dat deze inzien dat een vereniging alleen maar kan bestaan door de inzet van vrijwilligers en dat terughoudende en ondersteunende communicatie van ouders een goed klimaat binnen de vereniging bevordert. Zulks laat echter onverlet dat de Arbitragecommissie in casu van mening is dat hetgeen in de brief d.d. 21 februari 2017 aan het royement van Noa Kiziltas ten grondslag is gelegd, ook gevoegd bij de door het bestuur genoemde eerdere incidenten, onvoldoende ernstig is om in redelijkheid tot royement te kunnen komen.
Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat Noa Kiziltas niet eerder door KHC is geschorst noch is aan haar eerder een andere sanctie opgelegd. Voorts is door het bestuur- ook ter zitting - verklaard dat na afloop van het gesprek met het elftal naar aanleiding van het staken van de wedstrijd tegen Swift J0-15 geen sancties zijn opgelegd, nu het bestuur van mening was dat de bij dat gesprek aanwezige personen, waaronder Noa Kiziltas, verbetering hadden beloofd.
Dat het bestuur vervolgens toch tot oplegging van de zwaarst denkbare sanctie aan alleen Noa Kiziltas is overgegaan, is, zoals zijdens KHC ook ter zitting is bevestigd, het gevolg van de whats-app-berichten van de heer Pander en mevrouw Van der Bruggen van 21 februari 2017. Hoewel het bestuur van KHC kan worden toegegeven dat verzending van dergelijke berichten beter achterwege had kunnen blijven, is de aard van de berichten naar het oordeel van de Arbitragecommissie niet zodanig dat dit, gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden, een royement van Noa Kiziltas rechtvaardigt.
Naar het oordeel van de Arbitragecommissie zou eerder voor de hand hebben gelegen dat de ouders zouden zijn aangesproken en dat met de ouders/verzorgers nadere (communicatie)afspraken zouden zijn gemaakt, maar de berichten van de ouders/verzorgers, in een besloten whats-app­ groep van ouders/verzorgers en begeleiders van het team, behoren naar het oordeel van de Arbitragecommissie niet tot royement van Noa Kiziltas te leiden.
De Arbitragecommissie wijst er nog op dat zowel de heer Pander als mevrouw Van Bruggen ter zitting hebben toegezegd dat zij - ongeacht de beslissing van de Arbitragecommissie - het sportterrein van KHC niet meer zullen betreden en dat zij geen negatief bericht meer over KHC in de whats-app­ groep van ouders/verzorgers en begeleiders van het elftal waarvan Noa deel uitmaakt zullen versturen. De Arbitragecommissie gaat ervan uit dat deze toezeggingen zullen worden nageleefd, net als dat de Arbitragecommissie ervan uitgaat dat Noa Kiziltas met het doorhalen van het royement het seizoen met haar huidige team gewoon zal kunnen afmaken en dat (het bestuur van) KHC haar daartoe ruimhartig de gelegenheid zal geven.
Met betrekking tot het na 21 februari 2017 opgevoerde punt van de contributie geldt dat het niet betalen van contributie aanleiding kan zijn het lidmaatschap op te zeggen. Dat moet dan gebeuren overeenkomstig de daarvoor in de statuten geregelde procedure. Voor een royement geldt - anders dan voor opzegging -dat bij bezwaar een beslissing van de algemene ledenvergadering nodig is.
Op basis van de voorliggende stukken sluit de Arbitragecommissie overigens niet uit dat thans sprake is van contributie achterstand. Mevrouw van Bruggen heeft ter zitting toegezegd haar administratie nogmaals te zullen controleren en de achterstallige contributie, zo daarvan inderdaad sprake is, te zullen betalen. Bedoelde achterstand is echter blijkens de brief d.d. 21 februari 2017 niet aan het royement ten grondslag gelegd, doch ook indien dat wel het geval zou zijn geweest, geldt dat royement- na tijdig bezwaar- alleen mogelijk is indien de algemene ledenvergadering, door het bestuur bijeengeroepen op een redelijke termijn na het bezwaar, met 2/3 van de aanwezige stemgerechtigden tot royement besluit. 
KHC heeft geen verweer gevoerd tegen de door Van Bruggen verzochte rectificatie op de website van KHC, zodat de Arbitragecommissie KHC daartoe zal veroordelen.
Nu KHC in overwegende mate in het ongelijk is gesteld, zal zij voorts worden veroordeeld tot voldoening van de kosten van de arbitrage. Voor zover in het verzoekschrift andere verzoeken liggen besloten, worden deze door de Arbitragecommissie afgewezen.

RECHTDOENDE ALS GOEDE MENSEN NAAR BILLIJKHEID

verklaart het besluit van het bestuur van KHC van 21 februari 2017 tot royement van Noa Kiziltas nietig.

maandag 17 april 2017

Arbitragecie KNVB: Beding in arbeidsovereenkomst met ongelijke opzeggingsmogelijkheid en zonder opzegtermijn is in strijd met de wet


De feiten
Van de Haar en Spakenburg zijn op of omstreeks 14 januari 2016 een arbeidsovereenkomst aangegaan, waarbij Van de Haar per 1 juli 2016 voor bepaalde tijd in dienst is getreden bij Spakenburg in de functie van hoofdtrainer/coach van de A-selectie van Spakenburg, zulks voor een periode van twee jaar en eindigend op 30 juni 2018.
 Van de arbeidsovereenkomst maakt onderdeel uit de navolgende bepalingen:
Artikel1.1.2
Indien werkgever deze arbeidsovereenkomst tussentijds wenst te beëindigen voor 1 april 2018, dient werkgever aan werknemer een bruto vergoeding te betalen van 3 bruto maandsalarissen. Bij de hier bedoelde tussentijdse opzegging geldt geen opzegtermijn.

 Artikel1.1.3.
Indien de werknemer deze arbeidsovereenkomst tussentijds wenst te beëindigen in verband met de overgang naar een Betaald Voetbal Organisatie (BVOO in binnen·of
buitenland, is werkgever bereid mee te werken aan een beëindiging met wederzijds goedvinden ter compensatie door die BVO van een bedrag aan de Stichting Voetbal Organisatie Spakenburg van € 25.000,00.

Op of omstreeks 7 januari 2017 is aan Van de Haar meegedeeld dat Spakenburg niet langer met Van de Haar als coach van het eerste elftal verder wilde en dat de wegen van partijen moesten scheiden.

Standpunt Van de Haar
Van de Haar legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat hij aan het begin van het seizoen 2016/2017 door Spakenburg is benaderd met het verzoek om met ingang van dat seizoen de functie van trainer/coach van haar eerste elftalselectie te vervullen en dat Spakenburg hem bij aanvang van zijn werkzaamheden opdrachten heeft meegegeven waaronder een meer strikte aanpak van de selectie. Ook werd hem gevraagd een door hem veelvuldig gebruikt spelconcept toe te passen, waarbij voor de uitvoering daarvan volgens Van de Haar de spelers dienden te beschikken over de daartoe noodzakelijke voetbalspecifieke prestatiebepalende factoren.
Spakenburg wilde met deze keus voor Van de Haar als trainer/coach bereiken dat in de selectie meer eenheid, wilskracht, initiatief en doorzettingsvermogen zou ontstaan. Volgens Van de Haar was het bestuur van Spakenburg ermee bekend dat de gevolgen van die keuze niet door alle spelers in dank zou worden afgenomen. Van de Haar merkt op dat het kunnen realiseren van de door het bestuur beschreven situatie gevolgen had voor zowel de sportieve prestaties alsook voor de functionele verhouding van Van de Haar met enkele spelers. Zeker in de eerste helft van het seizoen gaf dat bij spelers aanleiding tot onbegrip en ontevredenheid. Van de Haar heeft ook tijdens de eerste helft van het seizoen geconstateerd dat bij enkele spelers de noodzakelijke progressie ontbrak. Dat leidde tot consequenties voor de desbetreffende spelers en bij enkelen daarvan ontstond daarover onvrede. Die onvrede werd vervolgens middels diverse kanalen op voor Van de Haar onaangename manier geuit. Van de Haar stelt dat hij Spakenburg verzocht heeft daartegen op te treden, maar dat dit niet gebeurd is. Deze kritiek ondermijnde zijn geloofwaardigheid en hoewel hij het bestuur bij herhaling heeft verzocht om in te grijpen en de desbetreffende spelers te schorsen en/of te verwijderen, heeft het bestuur daaraan geen gevolg gegeven, met als gevolg een toenemende spanning tussen spelers en Van de Haar. Van de Haar heeft Spakenburg daarom voorgesteld een keuze te maken tussen hem of de desbetreffende spelers en om dat tijdens een trainingskamp in Marbella met die spelers te bespreken. Volgens Van de Haar heeft dat gesprek nimmer plaatsgevonden en heeft het bestuur tijdens het trainingskamp op 3 januari 2017 uitgesproken dat het bestuur vertrouwen had in zijn aanpak. Tijdens dit trainingskamp heeft, zo geeft Van de Haar aan, er ook onder de spelers een stemming plaatsgevonden, waarbij de spelers zouden hebben aangegeven niet met Van de Haar verder te willen. Ook na deze voor Van de Haar negatieve uitslag zou het bestuur aan Van de Haar echter te kennen hebben gegeven vertrouwen in hem te houden. Na terugkomst in Nederland heeft Spakenburg Van de Haar op
7 januari 2017 echter meegedeeld dat de met hem gesloten arbeidsovereenkomst zou worden opgezegd, waarbij niets is gemeld over de dag of datum waartegen de opzegging of beeindiging zou geschieden.
Er is geen toelichting gegeven op het besluit maar Spakenburg zou, middels berichten via de advocaat van Spakenburg hebben gemeld dat Spakenburg Van de Haar in het kader van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst de overeengekomen vergoeding van drie bruto maandsalarissen zou betalen. Van de Haar wijst erop dat de opzeggingsbepalingen die in de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd zijn opgenomen, in zijn opvatting nietig dan wel vernietigbaar zijn. De opzeggingsbepalingen zijn niet op gelijkwaardige wijze geformuleerd en bij opzegging door Spakenburg zou Spakenburg slechts € 9.000,00 hoeven te betalen en geen opzegtermijn in acht hoeven te nemen hetgeen volgens Van de Haar in strijd is met de wet.
Over een opzeggingsmogelijkheid door Van de Haar om andere reden dan een overgang naar een BVO tegen betaling aan Spakenburg van € 25.000,00 wordt in de arbeidsovereenkomst niet gerept. Daarom concludeert Van de Haar dat van een evenwichtige en voor beide partijen in gelijke mate geldende mogelijkheid van tussentijdse opzegging geen sprake is. Nu die evenwichtigheid ontbreekt, zijn de tussentijdse opzeggingsbepalingen nietig dan wel vernietigbaar zijn. Tenslotte wijst Van de Haar erop dat hij niet heeft ingestemd met de opzegging van de arbeidsovereenkomst, zodat de opzegging in strijd is met artikel 7:771 BW.
In dat kader maakt hij ook aanspraak op wedertewerkstelling. Subsidiair stelt Van de Haar dat als de Arbitragecommissie de opzegging in stand laat en de contractuele bepalingen omtrent tussentijdse opzegging nietig zijn c.q. worden vernietigd, de arbeidsovereenkomst eerder is opgezegd dan tussen partijen zou moeten gelden. Als gevolg daarvan is Spakenburg overeenkomstig lid 9 van artikel 7:672 BW een vergoeding verschuldigd die overeenkomt met het bedrag van het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou hebben geduurd.
Van de Haar combineert dit verzoek met een verzoek tot betaling van een billijke vergoeding. Dit omdat Spakenburg ondanks uitdrukkelijke berichten van Van de Haar heeft nagelaten op te treden in een situatie waarin ingrijpen noodzakelijk was. Spakenburg stelt hiertegenover dat zij geconfronteerd is met de uitkomst van een door de spelersgroep gehouden intern overleg, waaruit naar voren was gekomen dat deze groep nagenoeg volledig het vertrouwen in Van de Haar had verloren. Achttien van de tweeëntwintig selectiespelers zouden hebben aangegeven niet met Van de Haar verder te willen. Het bestuur van Spakenburg heeft dan ook op zaterdag 7 januari 2017 gebruik gemaakt van haar tussentijdse opzeggingsbevoegdheid, zoals opgenomen in artikel 1.1.2 van de arbeidsovereenkomst.

Standpunt Spakenburg
Spakenburg betwist dat Van de Haar speciale opdrachten zijn meegegeven toen hij werd gesteld als trainer/coach van het eerste selectie-elftal. Van de Haar had een grote vrijheid en was volledig vrij en autonoom bij de bepaling van de opstelling en tactiek van het eerste elftal. Ook was hij vrij om spelers zo nodig disciplinair te straffen en terug te zetten naar de B-selectie. Het bestuur van Spakenburg betwist dan ook uitdrukkelijk dat Van de Haar ooit heeft gevraagd of geëist dat het bestuur disciplinaire maatregelen tegen bepaalde spelers wilde nemen. Het is juist dat Spakenburg bij de indiensttreding van Van de Haar speerpunten heeft besproken zoals eenheid, wilskracht, initiatief en doorzettingsvermogen. De wijze waarop Van de Haar die speerpunten echter meende te kunnen realiseren riep bij vele spelers weerstand op. Als voorbeeld noemt Spakenburg:
0          het instellen van de "lul" van de week, de desbetreffende speler droeg dan die week het betreffende shirt;
0          trainingen laten doorlopen tot 22.15 uur, terwijl diverse spelers nog een behoorlijke reisafstand naar huis moesten overbruggen;
0          het publiekelijk afbranden van een talentvolle jeugdspeler;
0          spelers na een verloren uitwedstrijd bij thuiskomst nog een straftraining te geven.

Daardoor kwam er druk te staan op de relatie tussen Van de Haar en zijn spelersgroep. Na een halfjaar met Van de Haar te hebben gewerkt, heeft Spakenburg moeten concluderen dat het hem ontbreekt om draagvlak voor zijn wijze van trainen en coachen te creëren bij belangrijke groepen in en rond Spakenburg. Zijn verhouding met zowel de pers als met medewerkers van Spakenburg werd steeds krampachtiger. Van de Haar zocht steeds de confrontatie met ontevreden en gepasseerde spelers.
Op 3 januari 2017 tijdens het trainingskamp in Marbella heeft Spakenburg met Van de Haar over deze punten van kritiek gesproken. Naar de beleving van Spakenburg was dat een stevig onderhoud en heeft het bestuur tijdens dit gesprek aangegeven dat diverse punten zouden moeten worden verbeterd. Dat Van de Haar daaruit heeft afgeleid dat er onverminderd vertrouwen in hem bestond, komt voor zijn rekening. Spakenburg geeft aan dit gesprek anders beleefd te hebben.
Op 4 januari 2017 werd het bestuur op de hoogte gebracht dat tijdens een plenaire bijeenkomst 18 van de 22 spelers het vertrouwen in Van de Haar hadden opgezegd. Spakenburg heeft toen aan Van de Haar meegedeeld dat zij dit zou terugkoppelen naar de andere bestuursleden en de Raad van Advies en dat Van de Haar na terugkeer in Nederland over de uitkomst van dat overleg zou worden geïnformeerd. Na terugkeer in Nederland heeft bestuursoverleg plaatsgevonden en is de visie van de Raad van Advies meegewogen waarna het bestuur unaniem besloten heeft dat zij Van de Haar niet langer als trainer/coach van het eerste elftal kon handhaven, waarvan zij Van de Haar op de hoogte heeft gebracht. Spakenburg heeft vervolgens onder verwijzing naar artikel 1.1.2 van de arbeidsovereenkomst, de arbeidsovereenkomst met Van de Haar beëindigd.
Spakenburg stelt in dat kader dat Van de Haar de artikelen 1.1.2 en 1.1.3 van de arbeidsovereenkomst verkeerd uitlegt en dat partijen een tussentijdse opzeggingsbepaling in de arbeidsovereenkomst hebben opgenomen, zodanig dat door beide partijen de arbeidsovereenkomst tussentijds kon worden opgezegd/beëindigd. Als Spakenburg daartoe vóór 1 april 2018 zou overgaan, zou zij te allen tijde drie bruto maandsalarissen verschuldigd zijn, terwijl bij een tussentijdse opzegging/beëindiging door Van de Haar hij alleen dan
€ 25.000,00 aan Spakenburg verschuldigd zou zijn indien die opzegging verband zou houden met een overgang naar een BVO in binnen- of buitenland.           De instemming met de opzegging door Spakenburg is door Van de Haar op voorhand verleend, namelijk bij de totstandkoming van artikel 1.1.2 van de arbeidsovereenkomst, zodat Van de Haar geen beroep meer toekomt op het ontbreken daarvan.
Subsidiair echter, voor zover de Arbitragecommissie zou menen dat de schriftelijke instemming van Van de Haar niet op voorhand is verleend en dus ontbreekt, verzoekt Spakenburg de arbeidsovereenkomst te ontbinden op de g­ en of h-grond (7:669 lid 3 BW).
Naar de mening van Spakenburg is primair de arbeidsverhouding ernstig en duurzaam verstoord en is er sprake van een vertrouwensbreuk. Subsidiair meent Spakenburg een beroep te kunnen doen op de h-grond, omstandigheden die zodanig zijn dat van de werkgever niet in redelijkheid niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. De verhouding tussen nagenoeg de voltallige spelersgroep van Spakenburg en Van de Haar is gedurende de laatste weken van het dienstverband ernstig en duurzaam verstoord geraakt. In het kader van de h-grond verwijst Spakenburg naar de kamerstukken, waaruit zou blijken dat de regering onder deze grond tevens heeft gebracht de voetbaltrainer die niet goed presteert, maar wegens tegenvallende resultaten moet worden opgezegd en weigert in te stemmen met die opzegging.
Aangezien beide partijen vooraf met elkaar een vergoeding zijn overeengekomen van drie bruto maandsalarissen en aan de zijde van Spakenburg absoluut geen sprake is van een ernstig verwijtbaar handelen, is er geen ruimte voor de door Van de Haar verzochte aanvullende billijke vergoeding. Wel is Spakenburg bereid om de wettelijke opzegtermijn van één maand in acht te nemen, hoewel de arbeidsovereenkomst aangeeft dat er geen opzegtermijn in acht genomen behoeft te worden. Om die reden stelt Spakenburg bereid te zijn het salaris van Van de Haar door te betalen tot en met 28 februari 2017 onder betaling daarnaast van een vergoeding van drie bruto maandsalarissen. Omdat het verzoek tot ontbinding geen verband houdt met enig opzegverbod kan de Arbitragecommissie de arbeidsovereenkomst tussen partijen ontbinden.

Beoordeling van het geschil
De Arbitragecommissie beantwoordt de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen op of omstreeks 7 januari 2017 rechtsgeldig door Spakenburg is opgezegd ontkennend. Spakenburg heeft in dit kader gesteld dat zij op deze datum gebruik heeft gemaakt van de tussentijdse opzeggingsmogelijkheid zoals tussen partijen overeengekomen in de arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd, ingaande 1 juli 2016 en eindigende op 30 juni 2018.
Daarbij wijst Spakenburg op artikel1.1.2 van de arbeidsovereenkomst. Daarin staat dat indien de werkgever de arbeidsovereenkomst tussentijds wenst te beëindigen vóór 1 april 2018 de werkgever aan werknemer een bruto vergoeding moet betalen van drie bruto maandsalarissen, waarbij opgemerkt wordt dat bij de hier bedoelde tussentijdse opzegging geen opzegtermijn in acht te hoeven worden genomen.
Deze bepaling geeft alleen de werkgever een bevoegdheid de arbeidsovereenkomst tussentijds te beëindigen, weliswaar tegen betaling van drie maandsalarissen, maar zonder dat de werkgever een opzegtermijn in acht hoeft te nemen. Deze bepaling verdraagt zich niet met het bepaalde in de wet, meer in het bijzonder niet met het bepaalde in artikel 7:667 lid 3 BW. Een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd kan slechts tussentijds worden opgezegd indien voor ieder der partijen dat recht schriftelijk is overeengekomen. Dit uiteraard met inachtneming van een wettelijk toegestane opzegtermijn. Een opzegtermijn van nul (0) maanden zoals in artikel 1.1.2. van de arbeidsovereenkomst opgenomen is in strijd met de wet.
Weliswaar staat in de arbeidsovereenkomst in artikel1.1.3 te lezen dat indien de werknemer de arbeidsovereenkomst tussentijds wenst te beëindigen in verband met de overgang naar een betaald voetbalorganisatie in binnen- of buitenland, Spakenburg bereid is mee te werken aan zo een beëindiging maar alleen als ter compensatie een bedrag van € 25.000,00 aan Spakenburg wordt betaald. Deze geclausuleerde beëindigingsmogelijkheid is niet gelijk aan de beëindigingsmogelijkheid die Spakenburg voor haarzelf in artikel 1.1.2 van de arbeidsovereenkomst heeft bedongen. Dat deze bepaling aldus moet worden uitgelegd dat de werknemer altijd de arbeidsovereenkomst tussentijds kan beëindigen, maar alleen bij een overgang naar een betaald voetbalorganisatie € 25.000,00 verschuldigd is, is niet aannemelijk gemaakt. Het staat er niet en dat de werknemer deze bepaling zo heeft begrepen dat hij te allen tijde de arbeidsovereenkomst tussentijds kon beëindigen, is niet komen vast te staan. De tussentijdse opzeggingsbepalingen of beëindigingsbepalingen zoals door Spakenburg in de arbeidsovereenkomst opgenomen zijn dan ook vernietigbaar. Daarenboven ontbreekt de instemming van de werknemer met deze opzegging. Artikel 7:671 BW kent als uitgangspunt dat de werkgever de arbeidsovereenkomst alleen rechtsgeldig kan opzeggen met schriftelijke instemming van de werknemer. Dat één van de in dit artikel genoemde uitzonderingen van toepassing zijn, is gesteld noch gebleken. De stelling van Spakenburg dat de werknemer reeds bij het ondertekenen van deze arbeidsovereenkomst in januari 2016 op voorhand heeft ingestemd met een tussentijdse beëindiging met wederzijds goedvinden in januari 2017, verdraagt zich niet met de wettelijke regels omtrent opzegging van arbeidsovereenkomsten, meer in het bijzonder niet met artikel 7:671 BW. Deze instemming kan niet reeds op voorhand bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst worden gegeven. Terecht vordert Van de Haar dan ook vernietiging van de opzegging op 7 januari 2017. De Arbitragecommissie zal de opzegging vernietigen, wat met zich brengt dat de arbeidsovereenkomst nog steeds voortduurt en de werknemer recht heeft op doorbetaling van het salaris tot het moment dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is beëindigd.
De vraag of de vordering van de werknemer tot wedertewerkstelling moet worden toegewezen, beantwoordt de Arbitragecommissie bij de bespreking van de vordering in reconventie.
Nu de opzegging van de arbeidsovereenkomst door Spakenburg van de arbeidsovereenkomst met van de Haar op of omstreeks 7 januari zal worden vernietigd en de Arbitragecommissie ook de vordering van de Haar op dit punt zal toewijzen zal de Arbitragecommissie ingaan op het voorwaardelijk ingediende ontbindingsverzoek. Spakenburg heeft een voorwaardelijk ontbindingsverzoek ingediend, gestoeld op artikel 7:6691id 3 onder g (de verstoorde arbeidsverhouding) en/of h (andere omstandigheden zodanig dat van de werkgever in redelijkheid niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren). Hoewel de door Spakenburg gevolgde gang van zaken niet de schoonheidsprijs verdient, stelt de Arbitragecommissie wel vast dat de verhoudingen tussen partijen duurzaam en ernstig verstoord zijn geraakt en dat het laten voortduren van de arbeidsovereenkomst geen redelijk doel meer dient. Spakenburg heeft voldoende aannemelijk gemaakt dat het merendeel van de spelersselectie het vertrouwen in Van de Haar als coach heeft verloren. Van de Haar erkent dat ook met zoveel woorden maar geeft van het ontstaan van de spanningen tussen spelers en hem de schuld aan het bestuur dat niet zou hebben opgetreden tegen de spelers die voor onrust zorgden. Hoe dat komt en of Spakenburg hiervan een verwijt kan worden gemaakt omdat zij onvoldoende sturing heeft gegeven aan het proces, is in het kader van de beantwoording van de vraag of de arbeidsovereenkomst duurzaam en ernstig is verstoord, verder niet relevant. De Arbitragecommissie meent dan ook dat er redenen zijn om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden en spreekt haar voornemen uit om daartoe over te gaan met ingang van 1 april 2017, nu de Arbitragecommissie ervan uitgaat dat het een verzoek om ontbinding van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd betreft die niet tussentijds kon worden opgezegd. Ingevolge het negende lid van artikel 7:671b BW kan de Arbitragecommissie Van de Haar dan voorts een vergoeding toekennen tot ten hoogste het bedrag gelijk aan het in geld vastgestelde loon over de termijn dat de arbeidsovereenkomst geduurd zou hebben indien deze van rechtswege zou zijn geëindigd. De Arbitragecommissie stelt deze vergoeding ex aequo et bono op € 18.000,00 bruto, ervan uitgaande dat Spakenburg aan zijn financiële verplichtingen jegens Van de Haar uit hoofde van de arbeidsovereenkomst tot 1 april 2017 blijft voldoen.
Gelet op het voornemen de arbeidsovereenkomst per 1 april 2017 te ontbinden heeft Van de Haar onvoldoende belang bij zijn vordering tot weder te werkstelling terwijl bovendien de arbeidsverhoudingen zodanig verstoord lijken dat weder te werk stelling ook geen redelijk belang dient. Deze vordering wordt dan ook afgewezen.

Rechtdoende als goede personen naar billijkheid:
In conventie:
Vernietigt de opzegging van de arbeidsovereenkomst door Spakenburg gedaan op of omstreeks 7 januari 2017 en veroordeelt Spakenburg tot doorbetaling van het overeengekomen salaris vanaf deze datum tot de datum waarop de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd.
In reconventie:
Spreekt de Arbitragecommissie het voornemen uit om de arbeidsovereenkomst tussen partijen te ontbinden met ingang van 1 april 2017 onder toekenning van een vergoeding aan Van de Haar, te betalen door Spakenburg, van € 18.000,00 bruto.



De Stichting Sportbedrijf Dronten moet gemeente Dronten ruim 10.000 euro aan achterstallige huur betalen


De feiten
De stichting Sportbedrijf Dronten huurt sinds 2013 de grond onder het hoofdveld dat gebruikt wordt door voetbalclub ASV Dronten, waarop de stichting een kunstgrasveld heeft aangelegd. De huur over 2015 en 2016 is niet voldaan.Voetbalvereniging ASV Dronten wilde een kunstgrasveld op het hoofdveld. De gemeente wilde dit niet aanleggen. Wel was de gemeente bereid om dit te realiseren via een stichting. De besparing van het gemeentelijke onderhoud aan het natuurgrasveld over een periode van 30 jaar is als subsidie verstrekt aan ASV Dronten. De subsidie van ruim 200.000 euro is door ASV Dronten als lening ter beschikking gesteld van de stichting.
Volgens de stichting zijn de kosten van het kunstgrasveld ongeveer 500.000 euro. Naast de subsidie is er ongeveer 200.000 euro aan sponsorgelden opgehaald en zou een bedrag van bijna 90.000 euro gefinancierd worden met aftrek van omzetbelasting. Over die aftrek is een conflict ontstaan, omdat de Belastingdienst stelt dat de stichting dit bedrag niet mag aftrekken.

Standpunten van de partijen
De stichting heeft een beroep op dwaling gedaan. Ter onderbouwing van het beroep op dwaling heeft de stichting bij antwoord aangevoerd dat de Belastingdienst de constructie die partijen en ASV Dronten wensten, onmogelijk heeft gemaakt en aldus het veld weer aan de gemeente moet worden overgedragen, die dit dan zelf moet verhuren aan ASV Dronten. Volgens de stichting heeft de Belastingdienst opgedragen het veld aan de gemeente over te dragen en heeft de gemeente weet van deze opdracht.
De gemeente heeft betwist dat de Belastingdienst heeft opgedragen het veld aan de gemeente over te dragen. Deze betwisting slaagt, want in de vaststellingsovereenkomst is sprake van de wens van de stichting tot overdracht aan ASV Dronten. Voor zover ASV Dronten medewerking zou weigeren, zoals door de stichting is gesuggereerd maar niet onderbouwd, komt dat overigens voor risico van de stichting en niet van de gemeente, want de stichting heeft de vaststellingsovereenkomst met de Belastingdienst gesloten. Voor zover is gesteld dat de constructie is bedacht door de gemeente omdat de gemeente geen omzetbelasting kan aftrekken en zij dan meer subsidie had moeten verstrekken (onderdeel a van het eerste lid van artikel 6:228), is van belang dat de gemeente dit gemotiveerd heeft betwist. Namens de gemeente is gesteld dat ASV Dronten een kunstgrasveld wilde en dat de gemeente dat niet nodig vond, maar wel bereid was mee te werken aan de wens van ASV Dronten en de stichting. Uitdrukkelijk is ontkend dat de gemeente de constructie met de stichting heeft bedacht of voorgesteld; de fiscale constructie is volgens de gemeente gewenst door ASV Dronten en/of de stichting. De gemeente heeft uitdrukkelijk betwist dat de gemeente betrokken is geweest bij overleg met de Belastingdienst

Oordeel kantonrechter
Gezien deze gemotiveerde betwisting staat de stelling van de stichting dat de gemeente de fiscale constructie heeft bedacht, niet vast. Aangezien de stichting geen bewijsaanbod heeft gedaan, wordt aan bewijslevering niet toegekomen. De kantonrechter verwerpt het beroep op dwaling. Juridisch is deze zaak heel simpel: de stichting is huurder van de gemeente en zolang dat de situatie is, moet zij (jaarlijks) de overeengekomen huur betalen. De contractuele wederpartij heeft recht op nakoming van de overeengekomen verplichtingen. Daarom moet de hoofdsom worden toegewezen.


zondag 16 april 2017

Geen vernietiging opzeggingsbesluit bestuur vereniging door ernstige onjuiste beschuldigingen van lid


De feiten
Een lid van een watersportvereniging uit ernstige beschuldigingen aan het adres van het bestuur. Zo klaagt het lid over het feit dat de watermeter van het clubhuis verkeerd is aangesloten, zodat water ‘buiten de meter om’ wordt verbruikt en geen correcte zuiveringsheffing is opgelegd. Het lid klaagt hierover niet alleen bij het bestuur, maar hij stuurt dit ook per brief aan Brabant Water. Ook stuurt het lid een brief aan de FIOD. Hij beschuldigt in die brief (het bestuur van) De Amer van de volgende handelingen:
- er wordt water verbruikt buiten de watermeter om door middel van een zelf gemaakte aanboring op de waterleiding van Brabant Water;
- de inkoop en verkoop van drank, ijs, snoepgoed en etenswaren in het clubhuis van De Amer is al vele jaren onjuist opgenomen en er worden bonnen weggemoffeld of vernietigd waardoor er al vele jaren onjuiste aangiften worden gedaan;
- ingehuurd personeel wordt zwart betaald;
- er worden ligplaatsen zonder factuur of met onjuiste facturering verhuurd waarbij zwart wordt betaald aan de penningmeester.
Het bestuur zegt vervolgens het lidmaatschap op:
“In zijn vergadering d.d. 10 oktober 2013 heeft het bestuur unaniem besloten om uw lidmaatschap per heden op te zeggen, krachtens art. 6 lid 3 van de statuten (…)
Het bestuur is van oordeel dat het redelijkerwijze van de vereniging niet gevergd kan worden om uw lidmaatschap te laten voortduren vanwege uw handelswijze om WV De Amer bij collega-verenigingen en bij meerdere instanties in een kwaad daglicht te stellen.”.

Vordering lid
Het lid is het hier niet mee eens en wendt zich tot de rechter. Het lid vordert vernietiging van het opzeggingsbesluit, waarmee het lid uit het lidmaatschap van De Amer werd gezet. Het lid is van oordeel dat dit besluit in strijd met de redelijkheid en billijkheid op grond van art. 2:15 lid 1 sub b BW vernietigd dient te worden. Ook vordert het lid De Amer te veroordelen om hem in al zijn rechten als lid van De Amer te herstellen  In eerste instantie wordt het lid in het ongelijk gesteld en ook in hoger beroep is het gerechtshof van oordeel dat de opzegging van het lidmaatschap terecht is.

Overwegingen gerechtshof

Van alle beschuldigen staat alleen vast dat het waterverbruik niet juist is gemeten. Dat (het bestuur van) De Amer opzettelijk heeft bewerkstelligd dat het juiste waterverbruik niet werd gemeten, is niet komen vast te staan en feitelijk ook niet onderbouwd. Het lid heeft alle andere ernstige beschuldigingen op geen enkele manier concreet, feitelijk onderbouwd. Ook in de door het lid overgelegde brief van de havenmeester worden geen concrete feitelijke aanknopingspunten gegeven voor de door het lid geuite beschuldigingen. De havenmeester vermeldt in die brief geen enkel frauduleus feit en hij schrijft zelfs dat alles perfect liep en het kasgeld en de kasbonnen correct werden weergegeven. Bij gebreke aan enige concrete, feitelijke onderbouwing van de stelling dat (het bestuur van) De Amer in de woorden van het lid ernstig heeft gefraudeerd of gesjoemeld, komt het hof aan bewijslevering niet toe, daargelaten het antwoord op de vraag of het lid wel bewijs heeft aangeboden van feiten waaruit de beschuldigingen kunnen worden afgeleid. Kortom, het lid beschuldigt (het bestuur van) De Amer van meerdere frauduleuze handelingen, brengt die beschuldigingen ook naar buiten, maar niets daarvan wordt ook maar enigszins onderbouwd. Derhalve heeft het bestuur van De Amer in redelijkheid tot het besluit kunnen komen, dat redelijkerwijze niet meer van De Amer gevergd kon worden het lidmaatschap van het lid te laten voortduren. Dit besluit komt dan ook niet in aanmerking voor vernietiging op grond van art. 2:15 lid 1 aanhef en onder b BW. Daarvoor zijn de niet onderbouwde beschuldigingen te persoonlijk en te ernstig van aard, mede bezien in het licht van het feit dat De Amer een niet al te grote gezelligheids-sportvereniging is. De aard en ernst van die beschuldigingen mede bezien in het licht van de hiervoor geschetste concrete omstandigheden betekenen tevens dat het belang van het lid om lid te willen blijven van De Amer en het feit dat hij in het verleden nuttige bijdragen heeft geleverd niet tot een ander oordeel kunnen leiden.