vrijdag 10 oktober 2014

Arbitragecie KNVB: Benaderen van één of enkele spelers door vertrekkende trainer onvoldoende voor ontslag op staande voet


De feiten
Tussen Harleman en IJsselstreek is een arbeidsovereenkomst gesloten voor de duur van 10 maanden, ingaande 1 augustus 2013 en derhalve eindigende op 31 mei 2014. Het salaris van Harleman bedroeg € 7.000,00 netto per jaar, uit te betalen in tien gelijke maandelijkse termijnen.
Ruim voor 1 januari 2014 werd tussen partijen duidelijk dat de arbeidsovereenkomst na 31 mei 2014 niet verder zou worden verlengd.
Eind februari 2014, begin maart 2014 vernam het bestuur van IJsselstreek-via via­ dat Harleman enkele spelers van het elftal dat hij training gaf, had benaderd om te komen voetballen bij de club waaraan hij met ingang van het seizoen 2014/2015 als trainer/coach zou zijn verbonden.
Harleman is door het bestuur van IJsselstreek uitgenodigd te verschijnen op 6 maart 2014. Het bestuur wenste Harleman alsdan te confronteren met uitingen van een viertal spelers die door Harleman zouden zijn benaderd. Harleman heeft het bestuur bericht dat hij op het door het bestuur aangegeven tijdstip was verhinderd.
Het bestuur heeft Harleman- zonder hem nader te horen- op 6 maart 2014 per e­ mail en een daarbij gevoegde brief van dezelfde datum medegedeeld dat deze op staande voet werd ontslagen.

Het geschil
Harleman  stelt dat het ontslag op staande voet dat hem door IJsselstreek op 6 maart 2014 is gegeven nietig is en dat IJsselstreek derhalve gehouden is het Harleman toekomende salaris ad € 2.100,00 netto over de periode met welke het contract nog zou doorlopen te voldoen. IJsselstreek stelt dat het gegeven ontslag op staande voet correct is.

Oordeel arbitragcommissie
Harleman heeft uitdrukkelijk betwist spelers te hebben benaderd. Gelet op over en weer overgelegde- en in sommige gevallen kennelijk weer ingetrokken ­ getuigenverklaringen heeft de arbitragecommissie, voordat aan een eventuele bewijsopdracht wordt toegekomen, eerst te beoordelen of de door IJsselstreek in de brief van 6 maart 2014 gestelde feiten in de gegeven  omstandigheden kan leiden tot een dringende  reden zoals bedoeld in artikel 7:678 BW.
Met IJsselstreek  meent de arbitragecommissie dat van een bezoldigd trainer in het amateurvoetbal mag worden verlangd dat deze tijdens het dienstverband geen spelers benadert met het verzoek om het lidmaatschap bij de werkgever te beëindigen en te gaan uitkomen voor een andere vereniging. Van een bezoldigd trainer mag worden verlangd dat deze in ieder geval tot het einde van de arbeidsovereenkomst zich erop richt de belangen van zijn werkgever te dienen. Van dit laatste is geen sprake in geval van het benaderen van spelers om (al dan niet na het seizoen) bij een andere vereniging te komen voetballen.
De arbitragecommissie acht evenwel, zoals door IJsselstreek wordt gesteld, het enkele benaderen van één of enkele spelers in zijn algemeenheid niet voldoende  voor het aannemen  van een dringende  reden. Van een dringende reden zal eerst sprake kunnen zijn indien de benadering  van spelers plaatsvindt onder bijzondere door de werkgever te stellen en, zo nodig, na uitdrukkelijke betwisting daarvan door de werknemer, te bewijzen bijkomende omstandigheden. Zulks wordt mede ingegeven  door het feit dat een ontslag op staande voet binnen het arbeidsrecht als ultimum remedium heeft te gelden.
Als bijkomende - in het individuele geval te beoordelen - omstandigheden zouden bijvoorbeeld kunnen gelden dat de spelers in het kader van het benaderen op enigerlei wijze onder druk zijn gezet of sancties in het vooruitzicht zijn gesteld door de trainer, dan wel dat het benaderen herhaaldelijk plaatsvindt. Hetzelfde geldt indien gesproken kan worden van een gerichte gecoördineerde actie van de trainer met of op verzoek van de nieuwe club. Ook kan meewegen of partijen ter zake contractuele afspraken hebben gemaakt. Voorts kan een rol spelen of de trainer eerder door de club is gewaarschuwd zich te onthouden van het benaderen van spelers dan wel met hen gedurende de contractperiode te overleggen over een mogelijke overstap.
In casu zijn door IJsselstreek  één of meer van voornoemde bijkomende omstandigheden niet, althans onvoldoende gesteld en is daarvan evenmin gebleken, terwijl ook geen andere omstandigheden zijn gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat het optreden van Harleman in de bewuste periode grond opleverde  voor het op 6 maart 2014 gegeven ontslag op staande voet  Dat maakt dat de handelwijze  van Harleman, zo deze inderdaad- zoals IJsselstreek stelt en door Harleman, daarnaar expliciet gevraagd tijdens de mondelinge behandeling, stellig is ontkend- de vier door IJsselstreek  gestelde spelers zou hebben benaderd, weliswaar verwijtbaar is maar deze handelwijze niet zodanig ernstig is dat zulks in casu ook als een objectief dringende reden voor ontslag heeft te gelden.
Het vorenstaande maakt dat de reconventionele vorderingen van IJsselstreek worden afgewezen en de vorderingen  van Harleman, behoudens ten aanzien van de wettelijke verhoging,  zullen worden toegewezen.
Ten aanzien van de gevorderde wettelijke verhoging oordeelt  de arbitragecommissie dat met het oog op de aan de orde zijnde omstandigheden matiging tot nihil billijk is te achten.

De arbitragecommissie verklaart voor recht dat het door IJsselstreek aangezegd ontslag op staande voet ten onrechte is gegeven en derhalve nietig is en veroordeelt  IJsselstreek  aan Harleman te betalen een bedrag van € 2.100,00 netto.

Geen opmerkingen:

Een reactie posten