maandag 21 september 2015

Arbitagecie KNVB: onduidelijke afspraken liggen in risicosfeer van werkgever De Flamingo’s


De feiten
Kramer is begonnen bij De Flamingo's in het seizoen 2013/2014 en tussentijds is het contract voor één jaar verlengd, derhalve tot en met juni 2015, onder dezelfde condities als het seizoen 2013/2014. In januari 2015 is het contract wederom (mondeling)  verlengd met een seizoen onder dezelfde voorwaarden. Kramer stelt dat dit ook is gecommuniceerd door De Flamingo's, onder andere door plaatsing van berichten op de website van De Flamingo's dat de trainer voor één jaar had bijgetekend. Op de website staat in dit kader de navolgende tekst te lezen, hetgeen volgt uit productie 4 bij het verzoekschrift:
"Tijdens de nieuwjaarsreceptie meldde voorzitter  Paul Gijzen dat trainer Rogier Kramer van Zondag1 zijn contract weer voor een jaar heeft verlengd. Bestuur en spelersgroep laten weten nog steeds volledig achter Rogier te staan, ondanks  de stand op de ranglijst."

Op 30 april 2015 is tijdens een bijeenkomst die werd gehouden met huidige en mogelijke nieuwe spelers onrust ontstaan. Tijdens deze bijeenkomst zou het bestuur op een vraag uit het publiek wie het volgend seizoen de hoofdtrainer zou zijn, niet duidelijk hebben geantwoord.
Naar de Arbitragecommissie begrijpt, stelt Kramer dat hij tijdens deze bijeenkomst heeft ingegrepen en ten overstaan van de aanwezigen heeft gecommuniceerd dat hij ook het komend seizoen (2015/2016) de hoofdtrainer van het eerste elftal zou zijn en daarbij als enige verantwoordelijkheid zou dragen en ondersteuning zou genieten van de heer Piqué.
Op 28 juni 2015 heeft Kramer een brief van De Flamingo's ontvangen, waarin wordt meegedeeld dat zijn contract niet wordt verlengd en dat het salaris over de maanden april, mei en juni 2015 in de maand juli 2015 zou worden uitgekeerd.
Deze handelwijze acht Kramer niet juist en hij wijst in dit kader op artikel 2 lid 2 van de tussen partijen geldende arbeidsovereenkomst, waarin staat:

"Indien een van de partijen deze overeenkomst wenst te beëindigen, dient uiterlijk drie maanden voor de einddatum als genoemd in dit artikel onder lid 1, deze overeenkomst per aangetekend schrijven aan wederpartij te worden opgezegd. De datum van ter post bezorging  is doorslaggevend. Vindt geen opzegging plaats dan wordt deze overeenkomst geacht stilzwijgend met wederzijds goedvinden onder de zelfde voorwaarden voor de duur van een jaar te zijn verlengd."

Zakelijk weergegeven, stelt De Flamingo's hiertegenover dat het bestuur op 1 januari 2015 met Kramer heeft gesproken over de voortzetting van zijn contract als hoofdtrainer/coach. Bij dat gesprek waren namens het bestuur aanwezig de heer J. van Baar en de heer P. Gijzen, voorzitter van De Flamingo's.
De Flamingo's  stelt dat twee voorwaarden aan een verlenging zijn gesteld. In de eerste plaats zou Kramer zich extra gaan inzetten teneinde spelers voor het eerste team te organiseren voor het nieuwe seizoen. In de tweede plaats zou het bestuur zich inspannen teneinde voldoende financiële middelen te realiseren. Als één van deze voorwaarden niet gerealiseerd zou worden, zou de arbeidsovereenkomst op 30 juni 2015 eindigen. Zonder spelers was immers geen trainer nodig en zonder financiële middelen kon geen voortzetting plaatsvinden. Ook heeft het bestuur Kramer meegedeeld dat hij een groot risico nam als hij voor verlenging zou kiezen, omdat De Flamingo's de uitkomst van een arbitragezaak tegen Stadion Alkmaar Beheer moest afwachten. Kramer heeft met dit alles volledig ingestemd. Artikel 2 lid 2 van de arbeidsovereenkomst is naar het oordeel van De Flamingo's niet van toepassing, daar in het overleg tussen partijen in januari overeenstemming is bereikt dat einde seizoen de deadline zou zijn.
Het bestuur van De Flamingo's was ervan overtuigd dat de Arbitragecommissie van de KNVB haar claim inzake inkomstenderving van de kantine wegens het vertrek van AZ naar Zaandam zou honoreren en dat zij dus financiering zou vinden om de arbeidsovereenkomst met Kramer te verlengen. Deze claim is echter tegen alle verwachtingen in afgewezen.
Kramer was hiervan op de hoogte en is met deze voorwaarden akkoord gegaan. Dat blijkt uit zijn berichten van 4, 17, 19 en 24 juni 2015, waarin hij bij het bestuur van De Flamingo's informeert naar de stand van zaken in de arbitragezaak tegen Stadion Alkmaar Beheer.
Uit zijn bericht van 29 juni 2015, waarin Kramer aan de voorzitter van De Flamingo’s schrijft dat hij graag zijn trainerskleding zou komen ophalen die de spelers de afgelopen twee seizoenen in bruikleen hadden, volgt verder dat Kramer zich realiseerde dat de arbeidsovereenkomst op 1 juli 2015 zou eindigen.
Met betrekking tot de betalingen aan Kramer merkt De Flamingo's op dat de maanden april en mei 2015 door haar zijn voldaan, onder verwijzing naar een als productie bij verweerschrift 4 overgelegd bankafschrift, waaruit een tweetal betalingen van De Flamingo's aan Kramer blijkt, namelijk tweemaal € 541,67. De maand juni 2015 leverde voor De Flamingo's een probleem op, daar zij geen incasso van contributiegelden kon uitvoeren.
De Flamingo's stelt echter dat Kramer in juli 201een dubbele betaling van zijn vergoeding heeft ontvangen. Zij heeft Kramer schriftelijk meegedeeld dat zij dit zou verdisconteren met het te betalen salaris over juni 2015. De Flamingo's verwijst naar productie 5 bij verweerschrift, zijnde haar brief van 9 augustus 2015. Daarbij gevoegd zijn twee bankafschriften, beide voor de periode 25 juli 2014 tot 1 augustus 2014, waarop een tweetal betalingen aan Kramer vermeld van het juli-salaris 2014. Het bestuur neemt geen verantwoordelijkheid voor het retourneren van kleding, omdat zij aan Kramer heeft meegedeeld dat hij een en ander zelf mocht organiseren, maar dat hij dat op persoonlijke titel zou moeten doen. Ten onrechte stelt Kramer het bestuur verantwoordelijk voor het niet terug leveren van deze kleding.

De beoordeling van het geschil
Het geschil spitst zich toe op de vraag of de arbeidsovereenkomst is verlengd voor het seizoen 2015/2016. De Flamingo's betwist niet dat tijdens de bespreking op 1 januari 2015 met Kramer is overeengekomen dat Kramer zich zou inzetten voor het nieuwe seizoen en dat het bestuur zich zou inzetten om voldoende financiële middelen te realiseren.
Ook erkent De Flamingo's een bericht op de website te hebben geplaatst dat de arbeidsovereenkomst  met Kramer zou worden verlengd. De voorwaarden waaronder die verlenging zou plaatsvinden, zijn door De Flamingo's niet op schrift gesteld noch anderszins met Kramer gecommuniceerd. Partijen blijven ook ter zitting diametraal van mening verschillen over wat er nu in januari 2015 al dan niet is afgesproken. Naar het oordeel van
de Arbitragecommissie is hier duidelijk sprake van miscommunicatie. Maar wat daarvan zij, in ieder geval heeft De Flamingo's niet voldaan aan artikel 2 lid 2 van de tussen partijen gesloten overeenkomst, waarin uitdrukkelijk is geformuleerd dat als één van beide partijen de overeenkomst wenst te beëindigen, hij dat uiterlijk drie maanden vóór de einddatum per aangetekend schrijven aan de andere partij moet meedelen. De Flamingo's heeft evenmin een brief of een email aan Kramer gestuurd waarin het gesprek van 1 januari 2015 wordt bevestigd. Mede gelet op de inhoud van het contract ligt het risico voor het niet of niet goed vastleggen van al dan niet gemaakte afspraken bij De Flamingo's. Nu geen ander bewijs voorhanden is dan de elkaar tegensprekende verklaringen ligt de primaire vordering als hierna vermeld voor toewijzing gereed.
Niet goed valt in te zien waarom De Flamingo's geen gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid de arbeidsovereenkomst  op te zeggen tegen 1 juli 2015, al was het maar voorwaardelijk voor het geval de financiering niet rond zou komen of Kramer zijn eerste elftal niet rond zou krijgen. Het risico van dit nalaten te handelen ligt bij De Flamingo's.
Dit leidt ertoe dat de Arbitragecommissie van oordeel is dat de arbeidsovereenkomst nog steeds voortduurt en dat De Flamingo's gehouden is deze arbeidsovereenkomst te respecteren en het salaris uit te keren. De Arbitragecommissie zal De Flamingo's dan ook veroordelen om het salaris te betalen vanaf 1 juli 2015 tot aan de datum waarop de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig zal zijn beëindigd. Voor toewijzing van de gevorderde onkostenvergoeding bestaat onvoldoende reden nu niet gesteld of gebleken is dat Kramer onkosten heeft gemaakt of verder zal maken, behoudens indien De Flamingo's hem weer te werk zou stellen. Tegen de hoogte van het gevorderde salaris is geen verweer gevoerd zodat de Arbitragecommissie uitgaat van een salaris van € 600,50 bruto per maand.
Met betrekking tot de vorderingen van het salaris over de maanden april, mei en juni 2015 stelt de Arbitragecommissie vast dat De Flamingo's voldoende heeft aangetoond dat deze maanden al dan niet middels verrekening zijn voldaan. Die vorderingen worden afgewezen.
Gelet op de inmiddels ontstane verhouding tussen partijen, ligt toewijzing van de vordering om De Flamingo's te veroordelen om Kramer weer tot het werk toe te laten als hoofdtrainer, niet in de rede. Kramer heeft in dit kader ook onvoldoende gesteld waaruit zijn belang om te werk gesteld te worden zou blijken. Als De Flamingo's niet wenst dat Kramer werkzaamheden verricht, dan zal zij Kramer in ieder geval tot het moment waarop de arbeidsovereenkomst op een rechtsgeldige manier is beêindigd, moeten doorbetalen. Als zij Kramer wel te werk wil stellen, waartoe Kramer zegt nog steeds bereid te zijn, dan krijgt De Flamingo's in ieder geval nog werk naar loon.

Rechtdoende als goede personen naar billijkheid

Veroordeelt de arbitagecommissie De Flamingo's bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, om aan Kramer te voldoen het overeengekomen salaris ad € 600,50 bruto per maand vanaf 1 juli 2015 tot aan de datum waarop de arbeidsovereenkomst  rechtsgeldig zal zijn beëindigd.

Nu verkrijgbaar: tweede druk Inleiding sport en recht


In deze tweede druk is de tekst geactualiseerd en is er actuele jurisprudentie en wetgeving verwerkt. Tevens is een aantal oefenopgaven vervangen en toegevoegd. De invoering van de Wet werk en zekerheid (Wwz) maakte het herschrijven van het hoofdstuk over arbeidsrecht noodzakelijk.

De toegenomen juridisering van de samenleving in combinatie met de steeds grotere financiele  belangen is in de sport duidelijk zichtbaar. Ook is de maatschappelijke belangstelling voor sport in de afgelopen jaren toegenomen. Die trends leiden ertoe dat er bij sporters, sportverengingen, sportbonden en andere bij de sport betrokkenen een toegenomen behoefte is aan juridische advisering en relevante juridische informatie. De sport kent veel, maar vooral ook veel verschillende juridische aspecten. Te denken valt aan het arbeidsrecht, het verenigingsrecht, het aansprakelijkheidsrecht, image rights, maar ook voor de sport specifieke regelingen op het gebied van doping.

De auteur heeft er bewust voor gekozen de voor de sportprofessional meest relevante juridische onderdelen te behandelen. Het boek streeft er op geen enkele wijze naar om alle voor de sport relevante juridische onderwerpen te behandelen.

 Inleiding Sport en Recht is geschreven met als doel om op een toegankelijke manier een begin van inzicht te verschaffen in de juridische aspecten van de sport. Op de website www.inleidingsportenrecht.nl is aanvullende informatie te vinden. Lezers die op de hoogte willen blijven van de meest recente ontwikkelingen op het terrein van sport en recht kunnen terecht op de blog van de auteur: http://sportenrecht.blogspot.nl.

Het boek is onder andere te koop bij Arko Sports Media

donderdag 10 september 2015

Bestuur VV Young Boys aansprakelijk wegens onbehoorlijke taakvervulling art. 2:9 BW door frauduleuze boekhouding

Daar waar in een eerdere procedure twee oud bestuurders van V.V. Young Boys door een geslaagd beroep op artikel 1:88 lid 1 sub c BW hun borgstelling konden vernietigen, loopt het in deze procedure slechter voor ze af. De eerdere procedure werd aangespannen door een individuele geldverstrekker die de bestuurders aansprak op grond van de borgstellingsovereenkomst die de bestuurders waren aangegaan met de geldverstrekker voor de schulden van de vereniging. Die uitspraak is HIER te vinden.
De onderstaande procedure werd aangespannen door de curator wegens onrechtmatige benadeling van de schuldeisers door oud bestuurders van VV Young Boys.

......................................................


De vereniging met volledige rechtsbevoegdheid V.V. Young Boys (hierna: de vereniging) is een voetbalclub in [adres]. Zij is in 2004 ontstaan als opvolger van de voetbalvereniging HFC Spaarnestad. De vereniging begon in 2004 met één eerste heren senioren elftal in de zaterdagcompetitie van de KNVB, in de vijfde klasse. In het seizoen 2006/2007 of 2007/2008 is de vereniging begonnen met A1 en B1 junioren. In het seizoen 2009/2010 is de vereniging gestart met een elftal junioren C1, pupillen D1 en drie senioren heren elftallen op zondag. In 2010 bereikte het eerste heren senioren elftal de landelijke hoofdklasse.
Volgens het register van de Kamer van Koophandel zijn sinds 2004 de volgende personen statutair bestuurder geweest van de vereniging:

Naam
Functie
Datum in functie
Datum uit functie
[A.]
voorzitter
17 mei 2004
16 februari 2007
[gedaagde2]
secretaris
1 juli 2004
1 september 2009
[gedaagde4]
penningmeester
penningmeester
10 augustus 2004
21 oktober 2008
24 april 2006
1 september 2009
[gedaagde1]
voorzitter
16 februari 2007
7 januari 2011
[gedaagde5]
penningmeester
secretaris/penningmeester
23 februari 2007
7 januari 2011
15 oktober 2008
10 oktober 2011
[gedaagde3]
secretaris/penningmeester
voorzitter
1 april 2010
7 januari 2011
7 januari 2011
10 oktober 2011
[gedaagde6]
bestuurslid
27 juni 2008
1 oktober 2009

Op 25 september 2008 is de Stichting Topsport Young Boys opgericht, met het doel daarin de betaalde spelers en trainers van de vereniging administratief onder te brengen. Dat laatste is niet gebeurd.
Op 29 september 2010 is de belastingdienst een fiscaal boekenonderzoek gestart over de voetbalseizoenen 2005/2006 tot en met 2010/2011. De belastingdienst heeft in haar rapport van 29 februari 2012 (met betrekking tot loonbelasting) en haar concept-rapport van 22 maart 2012 (met betrekking tot omzetbelasting) geconstateerd dat de vereniging in de betreffende periode een onvolledige administratie heeft gevoerd, dat inkomsten uit kantine-exploitatie, sponsorbijdragen en verkoop van entreekaarten niet of nauwelijks werden bijgehouden en dat de vereniging nooit aangifte omzetbelasting en loonbelasting heeft gedaan. Daarop heeft de belastingdienst naheffingsaanslagen opgelegd tot een bedrag van € 101.427,00 (inclusief rente en boete) ter zake van omzetbelasting en van € 2.129.900,00 ter zake van loonbelasting. Tegen de aanslagen is bezwaar gemaakt. Met betrekking tot de naheffingsaanslag omzetbelasting heeft de belastingdienst bericht twee correcties te zullen aanbrengen ter grootte van in totaal € 2.394,00, de heffingsrente te beperken tot aan datum faillissement en de boete met 10% te zullen verminderen.
Er zijn door de belastingdienst nimmer aanslagen voor vennootschapsbelasting opgelegd.
Vanaf maart 2010 werden in de bestuurskamer van de vereniging pokeravonden gehouden. In de nacht van 5 op 6 oktober 2011 heeft de politie een inval gedaan in het pand van de vereniging en aldaar in de bestuurskamer dertien personen aangehouden, waaronder [gedaagde2] en [gedaagde7]. [gedaagde2] en [gedaagde7] zijn door het Openbaar Ministerie vervolgd voor het organiseren van de pokeravonden en het witwassen van de pokeropbrengsten. De rechtbank heeft [gedaagde2] onherroepelijk veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van zes maanden met een proeftijd van drie jaar en 240 uur taakstraf wegens het medeplegen van het organiseren van pokerwedstrijden bij de vereniging, het witwassen van de pokeropbrengsten en overtreding van de Opiumwet. [gedaagde7] is veroordeeld tot dertig maanden gevangenisstraf waarvan zes maanden voorwaardelijk wegens het organiseren van pokerwedstrijden, het medeplegen van gewoontewitwassen (pokeropbrengsten) en afpersing. [gedaagde7] heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis.
Op 8 oktober 2011 is het zittende bestuur in een bijzondere algemene ledenvergadering afgezet en is een interim bestuur benoemd. Op 30 maart 2012 heeft het interim bestuur het faillissement van de vereniging aangevraagd. Als oorzaak van de financiële problemen van de vereniging heeft het bestuur bij haar aanvraag tot faillietverklaring de volgende schriftelijke verklaring overgelegd:
“Oorzaak financiële problemen van Young Boys
In de nacht van 5 op 6 oktober is er een inval van de politie geweest in het clubhuis van Young Boys.
Er werd geconstateerd door de politie dat er regelmatig illegaal gegokt werd.
Hierna is in een openbare ledenvergadering het toen zittende bestuur afgezet en een nieuw bestuur interim gekozen door de leden.
Er resen grote problemen:
Het grootste gedeelte van de sponsors weigerden hun sponsorbijdrage te doen zodat het enige geld wat binnenkwam feitelijk de bar-omzet was.
Bezoekersaantallen liepen terug.
De motivatie bij een gedeelte (niet allen) van de voetballers was beneden peil.
De motivatie bij een gedeelte (niet allen) van de trainers was beneden peil
Op een gegeven moment moest er een busreis komen voor een team die ver weg moest spelen terwijl het geld daarvoor gewoon er niet was.
Op een gegeven moment konden wij onze crediteuren niet meer rustig houden en zijn wij helaas genoodzaakt het faillissement aan te vragen.”
Bij vonnis van 3 april 2012 van deze rechtbank is Young Boys in staat van faillissement verklaard. Mr. A.G. Moeijes is thans curator.

De vordering
Primair
De curator vordert primair voor recht te verklaren dat gedaagden sub 1 tot en met 7 uit hoofde van het bepaalde in artikel 2:50a BW juncto artikel 2:138 BW hoofdelijk aansprakelijk zijn voor het bedrag van de schulden van de gefailleerde vereniging V.V. Young Boys.

Subsidiair
De curator vordert voor recht te verklaren dat gedaagden sub 1 tot en met 7 jegens de gezamenlijke schuldeisers van de vereniging V.V. Young Boys onrechtmatig hebben gehandeld als in het lichaam van de dagvaarding is omschreven, en uit dien hoofde hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die als gevolg van dit onrechtmatig handelen bij de gezamenlijke schuldeisers is opgekomen;


De onderbouwing door de curator
Primaire vordering
De curator legt – beknopt weergegeven – primair het volgende aan zijn vordering ten grondslag:
a.      gedaagden 1 tot en met 6 zijn, in verschillende perioden, bestuursleden geweest van de vereniging;
b.     [gedaagde7] was feitelijk leidinggevende van de vereniging;
c.      de vereniging heeft sinds haar bestaan geen, althans een gebrekkige en onvolledige administratie bijgehouden van haar inkomsten uit de kantine-exploitatie, sponsorbijdragen en de verkoop van entreekaarten. Daarnaast heeft de vereniging nooit aangifte gedaan voor de omzetbelasting en nooit omzetbelasting afgedragen. Daartoe was de vereniging wel gehouden, omdat sprake is van een commerciële vereniging. Dit handelen is in strijd met artikel 2:10 Burgerlijk Wetboek (BW), artikel 52 Algemene Wet inzake Rijksbelastingen (AWR) en artikel 35 Wet op de Omzetbelasting 1968 (OB);
d.     gedaagden hebben voorts handelingen verricht (of toegestaan), waarvan elke redelijk handelend bestuurder zich zou hebben onthouden;
e.      met het onder c. en d. bedoelde handelen hebben gedaagden zich schuldig gemaakt aan onbehoorlijk bestuur;
f.      op grond van artikel 2:50a juncto 2:138 lid 1, lid 2, lid 3 en (ten aanzien van [gedaagde7]) lid 7 BW zijn gedaagden hoofdelijk aansprakelijk voor het bedrag van de schulden van de vereniging, voor zover deze schulden niet door vereffening van de baten kunnen worden voldaan.

Subsidiaire vordering
Subsidiair legt de curator aan zijn vordering ten grondslag dat gedaagden op de hiervoor onder c. en d. bedoelde wijze onrechtmatig hebben gehandeld jegens de gezamenlijke schuldeisers in de zin van artikel 6:162 BW juncto 2:9 BW, en dat de daaruit voortvloeiende schade gelijk te stellen is aan het faillissementstekort. De subsidiaire vordering onder 4 strekt tot het verkrijgen van een verklaring van recht dat gedaagden onrechtmatig hebben gehandeld jegens de gezamenlijke schuldeisers van de vereniging. Gelet op het feit dat het hier een kwestie van externe aansprakelijkheid betreft en de curator zich primair op het standpunt stelt dat gedaagden op grond van artikel 2:50 a BW juncto 2:138 BW aansprakelijk zijn voor de boedelschuld, begrijpt de rechtbank de grondslag van de vordering aldus dat de curator ook ten aanzien van de subsidiaire vorderingen sub 5 en 6 externe aansprakelijkheid als uitgangspunt heeft genomen. De rechtbank gaat er van uit dat ook van die vorderingen de grondslag derhalve artikel 6:162 BW is, waarbij de norm voor aansprakelijkheid wordt ingekleurd door het bepaalde in artikel 2:9 BW.

Oordeel van de rechtbank
Primaire vordering
De curator baseert zijn primaire vordering op de stelling dat in het onderhavige geval artikel 2:138 BW van toepassing is. Hij verwijst in dit kader naar artikel 2:50a BW dat bepaalt dat artikel 2:138 BW van toepassing is in geval van faillissement van een vereniging waarvan de statuten zijn opgenomen in een notariële akte en die aan de heffing van vennootschapsbelasting is onderworpen.
Naar het oordeel van de rechtbank had het op de weg van de curator gelegen zijn standpunt dat sprake is van een aan vennootschapsbelasting onderworpen vereniging, nader te onderbouwen. Nu hij dat heeft nagelaten, concludeert de rechtbank dat de curator niet aan zijn stelplicht heeft voldaan. De rechtbank verwerpt dan ook het beroep op artikel 2:50a BW juncto 2:138 BW, zonder dat plaats is voor bewijslevering.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de primaire grondslag van de vordering faalt.

Subsidiaire vordering
De curator legt aan deze vordering ten grondslag dat gedaagden onrechtmatig hebben gehandeld jegens de gezamenlijke schuldeisers van de vereniging door zodanig wanbeleid te plegen dat dit leidde tot een faillissement waarin sprake is van een faillissementstekort. Hij stelt dat gedaagden de gezamenlijke schuldeisers aldus benadeeld hebben en dat daarom sprake is van onrechtmatig handelen in de zin van artikel 6:162 BW juncto artikel 2:9 BW.

Juridisch kader
Bij de beoordeling van de subsidiaire vordering is in de eerste plaats van belang dat de curator gedaagden verwijt dat door hun toedoen de gezamenlijke schuldeisers zijn benadeeld, in die zin dat zij hun vorderingen niet (geheel) betaald zullen krijgen. Dit betreft externe bestuurdersaansprakelijkheid. Benadeling van een schuldeiser van een rechtspersoon door het onbetaald en onverhaald blijven van diens vordering kan grond zijn voor aansprakelijkheid van een bestuurder jegens die schuldeiser als die (i) namens de vennootschap heeft gehandeld dan wel (ii) heeft bewerkstelligd of toegelaten dat de vennootschap haar wettelijke of contractuele verplichtingen niet nakomt. In beide gevallen mag in het algemeen alleen dan worden aangenomen dat de bestuurder jegens de schuldeiser van de rechtspersoon onrechtmatig heeft gehandeld indien hem, mede gelet op zijn verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 BW, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. Als maatstaf geldt in de onder (i) bedoelde gevallen of de betrokken bestuurder bij het namens de vennootschap aangaan van verbintenissen wist of redelijkerwijze behoorde te begrijpen dat de rechtspersoon niet aan haar verplichtingen zou kunnen voldoen en geen verhaal zou bieden en in de onder (ii) bedoelde gevallen of het handelen of nalaten als bestuurder van de betrokken rechtspersoon ten opzichte van de schuldeiser in de gegeven omstandigheden zodanig onzorgvuldig is dat hem daarvan een ernstig persoonlijk verwijt kan worden gemaakt (HR 8 december 2006 (Ontvanger/Roelofsen), LJN:AZ0758).
Daarbij geldt als uitgangspunt de tekst van artikel 2:9 BW, zoals dat luidde voor 1 januari 2013 (verder: artikel 2:9 BW (oud)), ten tijde van de aan gedaagden verweten gedragingen. Deze tekst luidde: ‘Elke bestuurder is tegenover de rechtspersoon gehouden tot een behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak. Indien het een aangelegenheid betreft die tot de werkkring van twee of meer bestuurders behoort, is ieder van hen voor het geheel aansprakelijk ter zake van een tekortkoming, tenzij deze niet aan hem te wijten is en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen ervan af te wenden.’
Volgens vaste jurisprudentie is eerst sprake van een tekortkoming in de behoorlijke vervulling van de bestuurstaak als bedoeld in artikel 2:9 BW (oud), indien geen redelijk denkend bestuurder onder dezelfde omstandigheden zo gehandeld zou hebben als de in geding zijnde bestuurder. Of dat het geval is dient te worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Tot de in aanmerking te nemen omstandigheden behoren onder meer de aard van de door de rechtspersoon uitgeoefende activiteiten, de in het algemeen daaruit voortvloeiende risico’s, de taakverdeling binnen het bestuur, de gegevens waarover de bestuurder beschikte of behoorde te beschikken ten tijde van de aan hem verweten beslissingen of gedragingen, alsmede het inzicht en de zorgvuldigheid die mogen worden verwacht van een bestuurder die voor zijn taak berekend is en deze nauwgezet vervult.

Samenvatting omstandigheden
Gedaagden sub 1 tot en met 6 - algemeen
De curator verwijt gedaagden sub 1 tot en met 6 als bestuurder onder meer dat door hen geen ledenvergaderingen zijn gehouden en geen, althans geen deugdelijke administratie of boekhouding is bijgehouden. Dit wordt door gedaagden, met uitzondering van [gedaagde2], niet bestreden. [gedaagde2] voert tegen dit verwijt aan dat hij Hunting & Partners heeft opgedragen de financiële administratie alsnog op orde te brengen en dat hij zelf een boekhouding is gaan bijhouden, maar uit de rapporten van de Belastingdienst en het op 4 december 2014 tegen hem gewezen strafvonnis (ECLI:NL:RBNHO:2014:13118), waarnaar de curator ter comparitie heeft verwezen, blijkt dat geen sprake is geweest van een deugdelijke boekhouding: Hunting & Partners gaf zelf aan onvoldoende informatie te hebben en de door [gedaagde2] opgestelde boekhouding had (mede) tot doel pokerinkomsten wit te wassen. Dit verweer van [gedaagde2] faalt dan ook.
De curator verwijt gedaagden sub 1 tot en met 6 voorts dat, in strijd met de wettelijke verplichting daartoe, geen aangifte is gedaan ter zake van omzetbelasting over inkomsten uit de kantine, uit speelautomaten, uit entreegelden en uit sponsoring. Gedaagden bestrijden dit alleen ten aanzien van de gestelde verplichting om aangifte omzetbelasting te doen voor sponsorgelden. Zij stellen dat dit geen verplichting van de vereniging was, maar van de Stichting Top Sport Young Boys, waar de sponsorgelden binnen hadden moeten komen, dan wel van [gedaagde7], die de sponsorgelden (veelal) rechtstreeks heeft ontvangen. De rechtbank volgt dit verweer niet. Uit het concept-rapport van de Belastingdienst betreffende de omzetbelasting blijkt immers dat de vereniging zelf facturen voor sponsoring heeft gestuurd, waarop zelfs BTW in rekening is gebracht. Daarnaast bestond de Stichting Top Sport Young Boys nog niet ten tijde van de ondertekening van het sponsorcontract met Sports ’N Styles. Het verweer dat geen aangifteplicht bestond voor inkomsten uit sponsorgelden wordt dan ook als feitelijk onjuist verworpen.
De curator stelt ten slotte dat gedaagden onzorgvuldig hebben gehandeld in de uitoefening van hun bestuurstaak, door geen zorg te dragen voor aangifte ter zake van loonbelasting. Gedaagden sub 1 tot en met 6 bestrijden dat de vereniging inhoudingsplichtig was. Dit verweer slaagt. De belastingdienst gaat er blijkens het rapport van 29 februari 2012 betreffende loonbelasting primair van uit dat [gedaagde7] inhoudingsplichtige is ter zake van de loonbelasting. Jegens de belastingdienst neemt de curator het standpunt in dat dit uitgangspunt juist is. De curator heeft in de onderhavige procedure geen feiten en omstandigheden gesteld op grond waarvan de rechtbank tot de conclusie kan komen dat gedaagden sub 1 tot en met 6 desalniettemin aangifte loonbelasting hadden moeten doen.

Oordeel rechtbank
Gelet op het hiervoor overwogene kan worden vastgesteld dat het bestuur (in verschillende samenstelling) in elk geval heeft gehandeld in strijd met artikel 9, 12, 13, 14 en 16 van de statuten van de vereniging en met artikel 2:10, 2:41 en 2:48 BW, alsmede artikel 14 van de Wet op de Omzetbelasting 1968. De rechtbank stelt vast dat het bestuur van de vereniging gedurende vele jaren geen, dan wel een ondeugdelijke financiële administratie heeft gevoerd. De vereniging had leveranciers waaraan zij schulden had, maar door geen deugdelijke boekhouding te voeren, konden de rechten en verplichtingen van de vereniging niet eenvoudig vastgesteld worden. Hoewel de vereniging wellicht geen commerciële doelstelling had, had zij inkomsten uit onder meer de kantine en sponsorgelden, ten aanzien waarvan een bestuurder die op zijn taak berekend is en deze nauwgezet vervult, had kunnen weten dat belastingaangiften gedaan had moeten worden. Gedurende vele jaren is dit echter nagelaten, waardoor naheffingsaanslagen met boetes zijn opgelegd, hetgeen de gebrekkige financiële positie van de vereniging verder verslechterde. Door geen ledenvergaderingen te houden is een mogelijkheid tot controle aan de leden van de vergadering ontzegd. Vanaf maart 2010 heeft (een deel van) het bestuur van de vereniging illegale pokerinkomsten ingezet om schulden van de vereniging te betalen en een frauduleuze boekhouding gevoerd. Doordat het bestuur niet voorzag in een deugdelijk toezicht en controle op de boekhouding, bleef dit onopgemerkt, althans werd niet ingegrepen totdat de politie een inval deed in de vereniging. Deze schendingen zijn naar het oordeel van de rechtbank zodanig ernstig, dat geen redelijk denkend bestuurder zo gehandeld zou hebben als gedaagden. Daarbij is van belang dat de geschonden wettelijke regels, waaronder met name de schending van artikel 2:10 BW mede strekt ter bescherming van (potentiële) schuldeisers van de rechtspersoon. De rechtbank is dan ook van oordeel dat sprake is van een tekortkoming in de behoorlijke taakvervulling van de bestuurders in de zin van artikel 2:9 BW (oud).
Het meest verstrekkende verweer dat gedaagden vervolgens aanvoeren is, dat de gezamenlijke schuldeisers niet zijn benadeeld door hun handelen en daarnaast dat met de opbrengst van de pokeravonden schulden zijn afgelost, zodat de gezamenlijke schuldeisers daar beter van zijn geworden. Daarom zijn gedaagden hoe dan ook niet aansprakelijk jegens de gezamenlijke schuldeisers, wat er ook zij van de vraag of hen ter zake van de tekortkoming een ernstig verwijt treft, aldus gedaagden. Dit verweer faalt. Het feit dat de schulden van de vereniging opliepen en dat een naheffingsaanslag omzetbelasting is opgelegd, waar boetes deel van uit maakten, kan als een direct gevolg van het hiervoor bedoelde handelen worden gezien. Reeds hierdoor zijn de gezamenlijke schuldeisers benadeeld. Daarnaast hebben gedaagden niet bestreden dat de publiciteit rond de strafzaak er toe heeft geleid dat derden geen zaken meer wilden doen met de vereniging en dat de pokeravonden aldus het faillissement van de vereniging in de hand hebben gewerkt. De stelling dat de vereniging voordeel heeft gehad van de pokeravonden, volgt de rechtbank dan ook niet.

Vervolgens kijkt de rechtbank per gedaagde of hen met betrekking tot de onbehoorlijke taakvervulling een ernstig persoonlijk verwijt treft.

Geen hoofdelijke aansprakelijkheid
De curator heeft, onder verwijzing naar artikel 2:138 lid 3 BW, alleen ten aanzien van zijn primaire vordering toegelicht waarom hij een hoofdelijke veroordeling vordert. Waarom dat bij toewijzing van de subsidiaire vordering ook zo zou moeten zijn heeft hij niet (voldoende) toegelicht. Nu zij in verschillende bestuursperiodes hebben gehandeld en de aard van hun handelen - en daarmee mogelijk ook de mate waarin dat handelen heeft geleid tot de door de curator gestelde schade - uiteen loopt, ziet de rechtbank in de stellingen van de curator onvoldoende aanleiding om tot het oordeel te komen dat gedaagden in groepsverband hebben geopereerd en dat zij uit dien hoofde hoofdelijk aansprakelijk zouden zijn. De rechtbank wijst de subsidiaire vorderingen, daaronder begrepen de kostenveroordeling, dan ook af, voor zover deze betrekking hebben op hoofdelijkheid. Dit geldt naar zijn aard ook voor de subsidiaire vorderingen jegens gedaagden sub 1 en sub 6.

Eindoordeel rechtbank
Gedaagde sub 1 jegens de gezamenlijke schuldeisers van de vereniging onrechtmatig heeft gehandeld door verwijtbaar te kort te schieten in de behoorlijke vervulling van zijn bestuurstaak en gedaagde sub 1wordt dan ook veroordeeld tot betaling aan de curator van de schade die de gezamenlijke schuldeisers hebben geleden en nog zullen lijden ten gevolge van het onrechtmatig handelen.
Hetzelfde geldt voor gedaagde sub 3 en sub 7 die tijdens zijn bestuursperiode jegens de gezamenlijke schuldeisers van de vereniging onrechtmatig heeft gehandeld door geen, dan wel een ondeugdelijke financiële administratie te voeren, geen belastingaangiften te doen, geen ledenvergaderingen te houden, en vanaf maart 2010 illegale pokeravonden te organiseren en de daaruit voortvloeiende inkomsten op frauduleuze wijze in de boekhouding van de vereniging te verwerken en in te zetten om schulden van de vereniging te betalen.
Ook gedaagden sub 4, sub 5 en sub 6 die tijdens zijn bestuursperiode geen deugdelijke boekhouding voerden en geen belastingaangiftes deden zijn aansprakelijk voor de schade die de schuldeisers leiden.

zondag 6 september 2015

CAS Bulletin 2015/1: Jurisprudentieoverzicht belangrijke uitspraken Court of Arbitration for Sport (CAS)

The CAS 2015/1 can be found HERE

Previous publications:
The CAS Bulletin 2014/2 can be found HERE
The CAS Bulletin 2014/1 can be found HERE
The CAS Bulletin 2013/2 can be found HERE

Articles et commentaires/Articles and Commentaries
Expedited Procedures before the Court of Arbitration for Sport
Jeffrey G. Benz and William Sternheimer

The Arab Countries in the CAS Jurisprudence: a retrospective
Dr. Minas Khatchadourian

The Taking of Evidence before the CAS
Estelle de La Rochefoucauld

Res judicata in sports disputes and decisions rendered by sports federations in Switzerland
Despina Mavromati

Jurisprudence majeure/Leading Cases
CAS 2013/A/3373
International Association of Athletics Federations (IAAF) v. Turkish Athletics Federation
(TAF) and NevinYanit
6 March 2015

CAS 2013/A/3417
FC Metz v. NK Nafta Lendava
13 August 2014

CAS 2013/A/3419
Marítimo da Madeira – Futebol SAD v. Clube Atlético Mineiro
14 November 2014

CAS 2014/A/3486
MFK Dubnica v. FC Parma
2 February 2015

TAS 2014/A/3587
KRC Genk c. AS Monaco FC
18 décembre 2014

CAS 2014/A/3604
Ralfs Freibergs v. International Olympic Committee (IOC)
17 December 2014

CAS 2014/A/3611
Real Madrid FC v. Fédération Internationale de Football Association (FIFA)
27 February 2015

CAS 2014/A/3613
PAOK FC v. Hellenic Football Federation (HFF) & Panathinaikos FC
6 October 2014

CAS 2014/A/3628
Eskisehirspor Kulübü v. Union of European Football Association (UEFA)
2 September 2014 (operative part notified on 7 July 2014)

CAS 2014/A/3762
Fernando Santos v. Fédération Internationale de Football Association (FIFA)
23 March 2015

Jugements du Tribunal Fédéral/Judgements of the Federal Tribunal

Judgement of the Swiss Federal Tribunal 4A_304/2013
3 March 2014.
A. (Appellant) v. Z., FIFA, X. (Respondents)

Judgment of the Swiss Federal Tribunal 4A_362/2013
27 March 2014
(Appellant) v. The Football Federation of Ukraine (FFU, Respondent)

Arrêt du Tribunal fédéral 4A_374/2014
26 février 2015
Club A. (recourant) v. B. et C. (intimés)

Informations diverses/Miscellanous


Publications récentes relatives au TAS/Recent publications related to CAS


maandag 17 augustus 2015

Enie.nl in kort geding veroordeeld tot betaling van sponsorbijdrage van € 175.000,-- aan Team Corendon



De feiten
Pro Skating exploiteert een professionele schaatsploeg, onder de naam Team Corendon. Team Corendon bestaat uit een aantal (schaats)trainers en schaatsers (mannen en vrouwen). De schaatsers nemen, indien daarvoor gekwalificeerd, deel aan nationale schaatswedstrijden, zoals Nederlandse kampioenschappen (NK), en aan internationale schaatswedstrijden, zoals Wereldkampioenschappen (WK), wedstrijden in het kader van de World Cup (WC) en, in een Olympisch jaar, de Olympische Spelen (OS). Hoofdsponsor van Team Corendon is luchtvaartmaatschappij Corendon (hierna verder te noemen: Corendon).
Enie.nl is een onderneming die zich toelegt op de verkoop en installatie van zonnepanelen.
Op 28 oktober 2014 hebben Pro Skating en Enie.nl voor het schaatsseizoen 2014/2015 (1 oktober 2014 tot en met 30 april 2015) een co-sponsorovereenkomst gesloten.
Enie.nl tracht door middel van deze sponsorovereenkomst een orderportefeuille van ongeveer € 250.000,00 binnen te halen. Voor partijen is het duidelijk dat Team Corendon nimmer zonnepanelen (voor/namens) enie.nl zal verkopen. Team Corendon levert enkel leads aan en enie.nl dient vervolgens zelf te trachten hun zonnepanelen te verkopen.
Op 2 februari 2015 heeft Team Corendon de overeengekomen sponsorbijdrage van € 220.000,00 en de hierover verschuldigde omzetbelasting van € 46.200,00, in totaal dus een bedrag van € 266.200,00, gefactureerd aan Enie.nl. Team Corendon heeft Enie.nl verzocht de factuur uiterlijk 24 februari 2015 te voldoen, door overmaking van het factuurbedrag op het rekeningnummer van Pro Skating.
Op 21 april 2015 heeft Enie.nl een bedrag van € 75.000,00 voldaan aan Pro Skating. Op 23 april 2015 heeft Enie.nl de over dit bedrag verschuldigde omzetbelasting, een bedrag van € 15.750,00, voldaan aan Pro Skating. Het restant van de factuur, een bedrag van € 175.450 (inclusief omzetbelasting), heeft Enie.nl onbetaald gelaten.

De vordering
Pro Skating vordert dat Enie.nl wordt veroordeeld tot betaling van € 175.450,00.

Oordeel voorzieningenrechter
De voorzieningenrechter stelt bij de beoordeling voorop dat met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande in een veroordeling tot betaling van een geldsom, terughoudendheid op zijn plaats is en dienaangaande naar behoren feiten en omstandigheden moeten worden aangewezen die meebrengen dat een zodanige voorziening uit hoofde van onverwijlde spoed is geboden. Daarbij zal de rechter niet alleen moeten onderzoeken of de vordering van de eisende partij voldoende aannemelijk is, maar ook - kort gezegd - of een spoedeisend belang bestaat, terwijl hij bij de afweging van de belangen van de partijen mede (als één van de voor toewijsbaarheid in aanmerking te nemen factoren) het restitutierisico zal hebben te betrekken. Indien de gedaagde partij zich ter afwering van de vordering op een tegenvordering beroept, dient bij het onderzoek naar de aannemelijkheid van de vordering van de eisende partij ook de aannemelijkheid van de tegenvordering in aanmerking te worden genomen (zie onder andere Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13 augustus 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:5968).
De voorzieningenrechter voegt hier aan toe dat de aard van de procedure in kort geding geen ruimte biedt voor bewijsvoering door middel van het horen van getuigen.
Pro Skating heeft gesteld dat zij vanwege het niet voldoen van het (restant van het) verschuldigde sponsorbedrag in de financiële problemen is geraakt. Pro Skating genereert geen omzet en maakt geen winst. Pro Skating werkt met een exact sluitende begroting, waarbij de inkomsten volledig bestaan uit subsidies en sponsorgelden. Door het niet (volledig) hebben voldaan van de overeengekomen sponsorbijdrage is een gat in de begroting ontstaan, die er onder meer toe heeft geleid dat Pro Skating de door haar verschuldigde belasting niet tijdig heeft kunnen betalen, met als gevolg dat de Belastingdienst tweemaal aan boete heeft opgelegd, aldus Pro Skating. Met deze uiteenzetting heeft Pro Skating naar het oordeel van de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk gemaakt dat zij een spoedeisend belang heeft bij de door haar verzochte voorziening.
Enie.nl voert tot haar verweer aan dat Pro Skating haar contractuele verplichtingen jegens Enie.nl niet is nagekomen. Daartoe stelt Enie.nl dat Pro Skating in de sponsorovereenkomst aan Enie.nl een omzet van € 250.000,00 heeft gegarandeerd, maar dat Pro Skating deze garantie geen gestand heeft gedaan. Ook op andere punten is Pro Skating tekortgeschoten in de nakoming van contractuele verplichtingen jegens Enie.nl. Als gevolg van al deze tekortkomingen heeft Enie.nl schade geleden, die Enie.nl wenst te verrekenen met de vordering van Pro Skating, aldus Enie.nl. De voorzieningenrechter begrijpt dit verweer aldus dat Enie.nl van mening is dat zij na verrekening niets meer verschuldigd is aan Pro Skating.
Pro Skating bestrijdt dat zij aan Enie.nl een bepaalde omzet heeft gegarandeerd. Uiteraard is het de bedoeling van een sponsorovereenkomst dat de sponsornemer, in dit geval Enie.nl, haar naamsbekendheid en goodwill vergroot en daardoor indirect een hogere omzet hoopt te behalen. De sponsorgever, in dit geval Pro Skating, kan echter niet verantwoordelijk worden gehouden als de werkelijke omzet achterblijft bij de verwachtingen van de sponsornemer. Pro Skating heeft zich slechts verplicht tot het aandragen van zogenoemde "business-to-business leads", waarmee Enie.nl vervolgens aan de slag moest gaan. In zoverre heeft Pro Skating een inspanningsverplichting op zich genomen, waarvan zij zich voldoende heeft gekweten. Ook anderszins is van tekortkomingen in de nakoming van contractuele verplichtingen door Pro Skating jegens Enie.nl geen sprake, aldus Pro Skating.
De voorzieningenrechter overweegt dat voor de beantwoording van de vraag of partijen in de sponsorovereenkomst een omzetgarantie zijn overeengekomen, zoals Enie.nl stelt, het aankomt op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs uit hun verklaringen en gedragingen hebben mogen begrijpen en afleiden (HR 13 maart 1981, Haviltex, ECLI:NL:HR:1981:AG4158). In het licht van deze beoordelingsmaatstaf acht de voorzieningenrechter door Enie.nl niet aannemelijk gemaakt dat aan haar door Pro Skating een omzetgarantie is verleend. Daartoe overweegt de voorzieningenrechter dat de tekst van de sponsorovereenkomst daar niet op wijst. Er is door Enie.nl geen bepaling aangewezen, noch in de sponsorovereenkomst noch in de bijlagen, in het bijzonder bijlage V, waaruit zonder meer kan worden afgeleid dat Pro Skating een omzetgarantie heeft verstrekt. Integendeel, de formulering van bijlage V wijst er veeleer op dat, zoals Pro Skating heeft gesteld, er niet meer is overeengekomen dan een inspanningsverplichting om Enie.nl in contact te brengen met "leads", dat wil zeggen toegang te geven tot het zakelijk netwerk van Pro Skating. Bovendien heeft Enie.nl zelf gesteld dat "de tekst van de overeenkomst een vlag is die de lading niet dekt", waarmee zij uitdrukking geeft aan ook haar opvatting dat de bedoelde garantie in de tekst niet is te vinden. Hierbij heeft te gelden dat partijen professionele partijen zijn en dat zij over de tekst van de sponsorovereenkomst hebben onderhandeld. Voorshands moet derhalve worden aangenomen dat de tekst van de sponsorovereenkomst de bedoeling van partijen weergeeft. Hierbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de directeur van Enie.nl ter zitting een uitleg heeft gegeven van bijlage V van de sponsorovereenkomst, die aansluit bij de tekst van bijlage V. Bovendien is daarnaast geen andere toelichting gegeven over de inhoud van en de wijze waarop de omzetgarantie vorm zou moeten krijgen, tegen de achtergrond dat Enie.nl van Pro Skating niet verwachtte dat zij zelf zonnepanelen aan de man zou brengen, zoals zijdens Enie.nl ter zitting is betoogd. Bij zijn oordeel dat van een omzetgarantie geen sprake is, betrekt de voorzieningenrechter voorts dat de sponsorovereenkomst is overeengekomen voor een betrekkelijke korte periode, namelijk zeven maanden. De duur alsmede de aard van de sponsorovereenkomst verdragen zich niet met een, kennelijk in de visie van Enie.nl, in tijd ongeclausuleerde omzetgarantie.
Aan de door Enie.nl in het geding gebracht verklaring van [E] (blijkbaar een medewerker van Team Coredon red.) kent de voorzieningenrechter in het licht van de voorgaande overwegingen minder gewicht toe. Diens verklaring dat hij een omzetgarantie zou hebben toegezegd namens Team Corendon staat op zichzelf tegenover de betwisting van de zijde van Pro Skating. Daarnaast verdraagt de verklaring van [E] zich niet met de door  de algemeen directeur van Enie.nl ter zitting gegeven toelichting over de wijze waarop volgens Enie.nl invulling moest worden gegeven aan de gestelde garantie. Tegen deze achtergrond mist de verklaring van [E] een nadere inkleuring. Bovendien sluit de verklaring van [E] niet uit dat de 'omzetgarantie', zoals [E] die schetst, een inspanningsverplichting betreft, zoals Pro Skating stelt.
De overige door Enie.nl gestelde tekortkomingen aan de zijde van Pro Skating houden onder meer verband met een door Enie.nl gesteld 'volwaardig co-sponsorschap'. Dit co-sponsorschap hield een vergaande exposure van Enie.nl in, waaronder het opnemen van naam en logo op de schaatspakken bij alle belangrijke wedstrijden. Deze verplichting is Pro Skating niet nagekomen, aldus Enie.nl. De voorzieningenrechter verwerpt deze stelling. In bijlage II is duidelijk omschreven dat het logo van Enie.nl alleen wordt vermeld op schaatspakken die worden gebruikt bij een NK, hetgeen door Enie.nl niet voldoende gemotiveerd is betwist.
Een ander door Enie.nl aan het adres van Pro Skating gemaakt verwijt betreft de samenstelling van Team Corendon. De voorzieningenrechter wijst op randnummer 20 in de pleitnota van Enie.nl. Wat hier ook van zij, dat de samenstelling van Team Corendon gaandeweg het schaatsseizoen is gewijzigd en dat er daarom sprake is van een Pro Skating toe te rekenen tekortkoming is onvoldoende met feiten gestaafd.
Een ander verwijt betreft dat Pro Skating in strijd met artikel 5.19 met een ander, in zonne-energieproducten handelend bedrijf een samenwerking zou zijn aangegaan.
De voorzieningenrechter gaat voorbij aan deze stelling nu Enie.nl deze stelling niet heeft onderbouwd, zodat hij niet kan beoordelen of dit verwijt hout snijdt en zo ja, of Pro Skating deze tekortkoming kan worden toegerekend.
Enie.nl verwijt Pro Skating tenslotte, samengevat weergegeven, dat de door Enie.nl gewenste samenwerking met Corendon, de hoofdsponsor van Team Corendon, niet van de grond is gekomen. Op zich is juist dat deze samenwerking niet tot stand is gekomen. Op dit punt kan Pro Skating echter evenmin een toerekenbare tekortkoming worden verweten, nu niet is gesteld dat Pro Skating een verbintenis om deze samenwerking te realiseren op zich heeft genomen. Zoals hiervoor is overwogen, heeft Enie.nl gebruik mogen maken van het netwerk van Pro Skating, Team Corendon, en hun sponsoren. Langs die weg is Enie.nl ook in contact gekomen met Corendon. Er heeft begin februari 2015 een bijeenkomst plaatsgevonden tussen de algemeen directeur van Enie.nl en (vertegenwoordigers van) Corendon. De voorzieningenrechter wijst op de memo d.d. 12 februari 2015 (productie 5 Enie.nl, alsmede productie 6 bij de brief van 5 juni 2015 van Pro Skating). Omdat Enie.nl haar betalingsverplichtingen jegens Pro Skating niet is nagekomen, heeft Corendon besloten niet (verder) samen te werken met Enie.nl. Deze keuze van Corendon kan niet aan Pro Skating worden tegengeworpen. Weliswaar exploiteert Pro Skating een schaatsteam dat Corendon als hoofdsponsor heeft, maar Pro Skating en Corendon zijn twee van elkaar te onderscheiden ondernemingen.

Op grond van voorgaande overwegingen komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat de vordering van Pro Skating voldoende aannemelijk en ook in een eventuele bodemprocedure toewijsbaar is en dat de daartegen door Enie.nl gevoerde verweren geen stand houden. Gelet daarop komt aan de stelling van Enie.nl dat bij toewijzing van de vordering het risico van non-restitutie bestaat, welke stelling overigens door Enie.nl niet specifiek, aan de hand van concrete feiten en omstandigheden, is onderbouwd, geen zodanig gewicht toe dat op grond daarvan de gevraagde voorziening geweigerd zou moeten worden. Ook de afweging van andere belangen van partijen leidt niet tot dat oordeel, al was het maar omdat Enie.nl, los van de ter onderbouwing van de hiervoor reeds verworpen verweren aangevoerde feiten en omstandigheden, geen feiten en omstandigheden heeft gesteld die tot het oordeel zouden kunnen leiden dat de gevraagde voorziening geweigerd moet worden. De voorzieningenrechter komt dan ook tot de slotsom dat de gevorderde veroordeling van Enie.nl tot betaling van het restant van de factuur, ten bedrage van € 175.450,00, toewijsbaar is.

Adidas sucessfully oposes trademark registration of 1974 World Championship shirt Johan Cruyff



Inter S.a.r.l. registered the following trademark:


According to Adidas the registration of Inter S.a.r.l. is simuler to their earlier trademark CTM 003517588:

The grounds of refusal of Article 8(5) CTMR are only applicable when the following conditions are met:
1.         The signs must be either identical or similar.
The signs are similar (Two stripes versus three stripes)

2.         The opponent's trade mark i.e. the three stripes of Adidas must have a reputation. The reputation must also be prior to the filing of the contested trade mark; it must exist in the territory concerned and for the goods and/or services on which the opposition is based.
Based on survey held in several Member States of the European Union the Opposition Division concludes that there is no doubt that the earlier trade mark, consisting of the three-stripe device applied vertically on the sleeves of an upper garment, has a very high reputation in the European Union in relation to sports clothing. It is clear from the evidence that the earlier trade mark has been subject to long-standing and intensive use and is generally known in the relevant market, where it enjoys a consolidated position among the leading brands, as has been attested by diverse independent sources. In particular, the numerous surveys in various countries of the European Union, the various references in the press and the decisions of national courts all unequivocally show that the mark enjoys a very high degree of recognition among the relevant public.

3.         Encroachment upon reputation: the use of the contested trade mark would take unfair advantage of, or be detrimental to, the distinctive character or the repute of the earlier trade mark.
As seen above, the earlier mark has a reputation and the signs are similar to some extent. In order to establish that a later trade mark will encroach upon the reputation of an earlier mark, it is necessary to demonstrate that, given all the relevant factors, the relevant public will establish a link (or association) between the signs.
Possible relevant factors for the examination of a 'link' include:
•   the degree of similarity between the signs;
•  the nature of the goods and services, including the degree of similarity or dissimilarity between these goods or services, and the relevant public;
•   the strength of the earlier mark's reputation;
•  the degree of the earlier mark's distinctive character, whether inherent or acquired through use;
•  the existence of likelihood of confusion on the part of the public.

The signs have in common the fact that they consist of or feature stripes in relation to an upper garment. As the applicant argues, it must be taken into account that stripes are banal decorative elements in relation to clothing, which in most cases would be unlikely to bring the public to establish a link between signs with such a feature in common.
However, in the present case, the stripes in question are placed in the same position and in the same configuration, namely they are dark stripes running in parallel along the full length or almost the full length of the sleeves of the garments in question.
Furthermore, the fact that the contested mark contains two stripes whereas the earlier mark consists of three stripes does not constitute a significant difference (as might be the case if the difference in the number of stripes were bigger or if one of the marks involved only one stripe and the ether several stripes).
Finally, the very high reputation of the earlier mark is to be taken into account. The stronger the distinctive character of the earlier mark, whether inherent or acquired through the use which has been made of it, the more likely it is that, confronted with a later identical or similar mark, the relevant public will call that earlier mark to mind.

Use of the contested mark will fall under Article 8(5) CTMR when any of the following situations arise:
•   it takes unfair advantage of the distinctive character or the repute of the earlier mark;
•   it is detrimental to the repute of the earlier mark;
•   it is detrimental to the distinctive character of the earlier mark.

The opponent bases its claim on the following:
•          The opponent has invested heavily each year in advertising its products bearing the three-stripe mark.
•          The advertising has been to a great extent based on sponsorship in the field of sports. The image of the earlier mark is therefore closely linked to the world of sport.
•          Given that the trade mark applied for is a sports T-shirt, this image of the earlier mark would be transferred not only to the goods in Class 25 but also to the goods in Classes 14 and 21.
•          The reputation and quality image of the opponent's three-stripe mark could be transferred to the applicant's goods, considering the similarities between the opponent’s mark with a reputation and the contested mark. In consequence, these goods would attract attention purely due to the attractive force of the earlier mark with a reputation and the goodwill accumulated thanks to decades of investment.

Considering the very high reputation of the earlier mark for sports clothing, the Opposition Division has no doubt that the use of the contested sign would allow the applicant to benefit from the attractiveness of the earlier mark, if such use were to take place in relation to goods that were identical or similar to clothing or in relation to goods that might be available in models especially adapted for the practice of sports. This would include the goods in Class 25 and the watches and ether chronometric instruments in Class 14, as well as accessories for or parts of these goods.

Furthermore, nowadays, the markets for clothing and for jewellery/watches are very closely  linked  because  successful  designers  of  clothing  often  sell  fashion accessories such as watches and jewellery. Therefore, it is highly likely that the marketing of jewellery under the contested mark would also be made easier by the association of that mark with the earlier mark with a reputation.

In addition, it must be taken into account that the Court has established the principle that the more immediately and strongly the earlier mark is brought to mind by the later mark, the greater the likelihood that the current or future use of the later mark is taking unfair advantage of, or is detrimental to, the distinctive character or the repute of  the  earlier  mark  
In the present case, the contested trade mark evokes the earlier mark in an immediate and strong manner. This is the result of, on the one hand, the huge reputation of the earlier mark and, on the other hand, the peculiarities of the case, namely the fact that the contested mark consists of the shape of a sports T-shirt with stripes on the sleeves that the public will immediately perceive as a model of 'Adidas' T-shirt.

Considering the above, the Opposition Division is of the opinion that the contested trade mark may also take advantage of the high repute of the earlier mark when it is used in relation to goods that are very different from sports clothing, such as the contested goods in Class 21.

The applicant claimed that it was not until 2014 that the opponent wrote a letter asking Johan Cruytff's sportswear company to stop selling the T-shirt. lt submitted an article published by the Dutch football player in the newspaper De Telegraaf, in which Mr Cruyff refers to this 'cease and desist' letter and expresses his failure to understand the opponent's reaction to the filing of the T-shirt trade mark.

Finally, the applicant contended that the opponent (Adidas) had not in the past objected to clothing items and shoes bearing two stripes and, in support of its argument, it submitted a decision of the Presiding Judge of the District Court of The Hague, of
07/10/1971 ('Adidas/Ternbach'), in which the Presiding Judge established that the opponent had no objections to footwear bearing a design consisting of two parallel stripes.
In the present case, the contested trade mark evokes the earlier mark in an immediate and strong manner. This is the result of, on the one hand, the huge reputation of the earlier mark and, on the other hand, the peculiarities of the case, namely the fact that the contested mark consists of the shape of a sports T-shirt with stripes on the sleeves that the public will immediately perceive as a model of 'Adidas' T-shirt.
Therefore, the applicant's argument is manifold: in the first place, it considers that the fact that Adidas did not object to Mr Cruyff's wearing that particular T-shirt, either in the 1970s or since then (since it did not object either to the sale of this T-shirt on a website), must be held to constitute 'due cause' for use of such T-shirt in the contested trade mark. The second part of the argument is that the T-shirt shape of which the contested mark consists is well known and forms part and parcel of the image of Mr Cruyff and that his right to exploit freely his own image also constitutes due cause. The third reason why due cause should be established, in the applicant's opinion, is that Adidas has not implemented a strategy of enforcement in relation to ether trade marks for clothing involving two stripes.
In its final reply, the opponent argued that the events to which the applicant had referred were past events that took place in the 1970s, which had no bearing on the present case, which related to a trade mark application filed in 2012. It also contended that the German court's decision of 1971, submitted by the applicant, allowed no conclusion regarding the enforcement strategy of Adidas in the last 40 years and that, on the contrary, Adidas had indeed rigorously enforced its trademarks, including against marks involving two stripes on clothing, as shown by the evidence submitted to demonstrate the reputation of the marks on which the opposition was based.
In the view of the Opposition Division, the applicant's claim is not well founded.
The General Court has held that, in order to establish due cause, it is not use of the contested trade mark that is required but a reason justifying the use of that trade mark.
In the present case, the applicant's arguments refer not even to use of the contested trade mark but to use of a T-shirt by which the trade mark is inspired. Furthermore, the use of this T-shirt took place at a very specific event in 1974 and, even though the applicant refers to a website on which the T-shirt is sold, no copy of the website has been provided and no information has been given about when such sales started.
The fact that the T-shirt in question has been sold on a website without objections from the opponent does not mean that the marks at issue have coexisted or that the opponent has consented to the use of the contested trade mark. Consenting to the sale of a T-shirt is not tantamount to consenting to the use of a trade mark consisting of the shape of that T-shirt and even less to the registration of such a trade mark. The email of 24/01/2013 from the opponent’s History Management Department merely restates the reasons why the opponent did not object at that time to Johan Cruyff's not wearing an Adidas shirt and how this was made possible by the football regulations about team outfits at that time.
Events that took place during the 1974 Football World Cup in Germany are not relevant to the present case. The fact that a one-off arrangement was found between the opponent and Johan Cruyff for a specific occasion 40 years ago, namely the fact that Mr Cruyff wore a T-shirt with two stripes instead of three, cannot be interpreted as any form of due cause for the applicant to apply for the contested trade mark, either at that time or, much less, at the time of filing of the contested trade mark in 2012.
Likewise, a single court decision, dated in 1971, cannot be taken to reflect the opponent's enforcement strategy as a whole and in recent years.
The applicant's argument that it is entitled to use the T-shirt's shape because it forms part and parcel of Mr Cruytf's  image is not valid either for establishing due cause.
Considering the above, the Opposition Division is of the opinion that the contested trade mark may also take advantage of the high repute of the earlier mark when it is used in relation to goods that are very different from sports clothing, such as the contested goods in Class 21.

Binnenkort verschijnt tweede druk Inleiding Sport en Recht

In deze tweede druk is de tekst geactualiseerd en is er actuele jurisprudentie en wetgeving verwerkt. Tevens is een aantal oefenopgaven vervangen en toegevoegd. De invoering van de Wet werk en zekerheid (Wwz) maakte het herschrijven van het hoofdstuk over arbeidsrecht noodzakelijk.

De toegenomen juridisering van de samenleving in combinatie met de steeds grotere financiele  belangen is in de sport duidelijk zichtbaar. Ook is de maatschappelijke belangstelling voor sport in de afgelopen jaren toegenomen. Die trends leiden ertoe dat er bij sporters, sportverengingen, sportbonden en andere bij de sport betrokkenen een toegenomen behoefte is aan juridische advisering en relevante juridische informatie. De sport kent veel, maar vooral ook veel verschillende juridische aspecten. Te denken valt aan het arbeidsrecht, het verenigingsrecht, het aansprakelijkheidsrecht, image rights, maar ook voor de sport specifieke regelingen op het gebied van doping.

De auteur heeft er bewust voor gekozen de voor de sportprofessional meest relevante juridische onderdelen te behandelen. Het boek streeft er op geen enkele wijze naar om alle voor de sport relevante juridische onderwerpen te behandelen.

 Inleiding Sport en Recht is geschreven met als doel om op een toegankelijke manier een begin van inzicht te verschaffen in de juridische aspecten van de sport. Op de website www.inleidingsportenrecht.nl is aanvullende informatie te vinden. Lezers die op de hoogte willen blijven van de meest recente ontwikkelingen op het terrein van sport en recht kunnen terecht op de blog van de auteur: http://sportenrecht.blogspot.nl.

Het boek is onder andere te koop bij Arko Sports Media