vrijdag 6 juli 2012

CAS: Financial fair play, appeal Besiktas JK dismissed


The Court of Arbitration for Sport (CAS) has rendered its decision in the procedure involving the Turkish club Besiktas JK and UEFA. The CAS has confirmed the sanctions imposed by the UEFA Appeals Body on 30 May 2012:

-    Besiktas JK is excluded from the next two UEFA club competitions for which it qualifies in the next five seasons;
-    The exclusion for the second competition is suspended for a probationary period of five years;
-    Besiktas  JK  is  fined  EUR  200’000,  of  which  EUR  100’000  is  suspended  for  a probationary period of five years.

Besiktas JK qualified for the 2011/12 UEFA Europa League and obtained a licence to participate in that club competition from the Turkish Football Federation (TFF). On 15 July 2011, the TFF submitted monitoring information to the UEFA Club Financial Control Panel based on the figures provided by Besiktas JK. Such information revealed the existence of overdue payables of several million Euros in total (transfer activities and salaries/social charges/taxes). The overdue payables already amounted to millions on 31 March 2011 when the licence was granted.

On 19 April 2012, the UEFA Disciplinary Inspector concluded that Besiktas JK had violated the UEFA Club Licensing and Financial Fair Play Regulations and referred the case to the UEFA Control and Disciplinary Body, which on 11 May 2012 imposed a fine of EUR 600’000 on Besiktas  JK  and  an  exclusion  from  two  UEFA  club  competition,  but  suspended  for  a probationary period. On 30 May 2012, the UEFA Appeals Body confirmed the exclusion of Besiktas JK but reduced the fine to EUR 200’000 and imposed a probationary period on the fine. On 15 June 2012, Besiktas JK filed an appeal against the UEFA Appeals Body’s decision at the CAS. In agreement with the parties, the CAS conducted an expedited procedure and heard the parties at a hearing held in Lausanne on 5 July 2012.

The CAS will issue the full award, with the grounds, in a few weeks.

This ruling confirms the previous CAS jurisprudence in relation to the UEFA Licensing and Financial Fair Play Regulations established in the case of the Hungarian club Györi ETO (exclusion from UEFA club competitions for the seasons 2011/12, 2012/13 and 2013/14, the last being suspended for a probationary period).

Source: CAS

Sporters betwisten Olympische selectie vaker voor rechter



In de aanloop naar de aanstaande Olympische Spelen in Londen probeerde een aantal sporters via de rechter een Olympisch ticket af te dwingen. De turn(st)ers Wyomi Masela, Céline van Gelder en Jeffrey Wammes stapten naar de rechter, evenals de marathonloopster Miranda Boonstra en mountainebikester Lieke Klaus.
Geert Slot, hoofd corporate communicatie van sportkoepel NOC*NSF, zegt dat het nog steeds om een klein aantal gaat, maar dat er voor de aankomende Spelen inderdaad vaker een gang naar de rechter werd gemaakt dan bij voorgaande edities. “Of het een nieuwe trend is gaan we over 2 jaar voor Sochi en 4 jaar voor Rio de Janeiro wel merken.”

Belangen
De sportieve en commerciële belangen nemen in veel sporten toe en daarmee ook de inzet van juridische wapens, analyseert onderzoeker Ben van Rompuy, senior onderzoeker Internationaal en Europees Sportrecht bij het T.M.C. Asser Instituut. “Er is onder sporters een grotere bewustwording, ze leggen zich niet zomaar neer bij beslissingen van hogerhand. Ze zijn ook eerder bereid hun rechten af te dwingen.”

Limieten
Een gang naar de rechter is vaker niet succesvol dan wel, constateert Van Rompuy. Marathonloopster Miranda Boonstra en mountainbikester Lieke Klaus probeerden via een kort geding Olympische kwalificatie te bereiken. Dat lukte niet. Terecht, vindt Van Rompuy. “Dit soort zaken doet een beroep op redelijkheid en billijkheid. Maar het gaat vaak om duidelijk vastgestelde Olympische limieten. Als je die door de vingers ziet, staan er zó vijf andere sporters voor de rechter. Dan open je de doos van Pandora.” Zelfs bij de luttele 8 seconden die Miranda Boonstra tekort kwam op de marathon van ruim 42 kilometer? “Ja”, zegt Van Rompuy. “Je kunt niet toegeven omdat het zo’n toffe dame is.”

Kort geding
Turner Jeffrey Wammes won in maart dit jaar wel het kort geding dat hij tegen de nationale turnbond had aangespannen. De bond had vlak daarvoor Epke Zonderland aangewezen voor deelname aan de OS. Te voorbarig, oordeelde de rechter. De bond moest nog een aantal extra wedstrijden afwachten voor een definitieve keuze werd gemaakt. Wammes profiteerde uiteindelijk niet van de nieuwe kans: hij presteerde duidelijk minder dan zijn concurrent. Ook turnster Céline van Gerner spande een kort geding aan tegen de turnbond toen deze Wyomi Masela aanwees voor de Olympische Spelen. Van Gerner maakte wél gebruik van haar juridisch afgedwongen herkansing: half juni werd zij door de turnbond officieel aangewezen voor de Spelen.

Hogere regel
Het positieve vonnis voor beide turners kan Van Rompuy goed volgen. “Het bijzondere aan deze zaken is dat het gaat om een competitie tussen twee genomineerden. Bovendien was er sprake van een inconsistentie tussen de interne selectieprocedure van de sportbond en de kwalificatieprocedure voorgeschreven door NOC*NSF. De rechters hebben voorrang gegeven aan de ‘hogere’ regel dat concurrerende sporters zich kunnen bewijzen tijdens een langere periode van wedstrijden.” Voor dit soort oordelen zijn reguliere rechters voldoende toegerust, vindt Van Rompuy. “Het sportelement is in de meeste rechtszaken een bijkomstigheid. In de kern gaat het om het respecteren van de regels. Sporters zijn emotioneel betrokken, rechters toetsen de correcte toepassing van reglementen.”
De Olympische Spelen beginnen op 27 juli.

Modelgaranties overheid voor grote internationale sportevenementen


Internationale (topsport)evenementen zijn populair bij Nederlanders. Het is bekend dat deze evenementen behalve een ruime publieke belangstelling ook maatschappelijke en economische voordelen kunnen opleveren. Verder heeft Nederland de ambitie om te behoren tot de beste 10 topsport landen van de wereld. Voor het realiseren van deze Top 10 ambitie en het opbouwen van een track record, is het opdoen van ervaringen met de organisatie van grote internationale (top)sportevenementen belangrijk. Nederland wil daartoe zelf een podium bieden aan de internationale sportwereld en de eigen topsporters. De topsporters kunnen dan ook in Nederland excelleren en niet alleen op buitenlandse toernooien en evenementen. Daarom is het belangrijk om internationale (top)sportevenementen in ons eigen land te organiseren.

Vragen om garanties.
Geconstateerd kan worden dat in toenemende mate internationale sportfederaties bij het maken van hun keuze voor de toewijzing van hun topsportevenementen bepaalde garanties van nationale overheden vragen. In Nederland hebben we hier recent ervaring mee opgedaan bij de Bid voor het WK voetbal 2018 (FIFA) en bij de toewijzing van de finale van de Euroleague van 2013 (UEFA). De vraag om garanties kan betrekking hebben op de fase die aan de toewijzing van een evenement vooraf gaat (bidfase), maar ook in de fase daarna (daadwerkelijke organisatie). Een centrale rol voor de organisatie van een evenement is in de regel weggelegd voor een lokaal organisatiecomité, meestal op initiatief van de betreffende sportbond.

Voor wie zijn de garanties bedoeld?
Op basis van de ervaringen tot nu toe heeft de Nederlandse Rijksoverheid daarom gemeend voor internationale sportfederaties, lokale organisatiecomités en andere geïnteresseerden een model van garanties te moeten opstellen. Het gaat daarbij om een model, waarin is weergegeven welke facetten van het Nederlandse beleid van belang zijn voor de organisatie van evenementen en mogelijk daarvoor te geven garanties. Het rijk wil daarmee anticiperen op mogelijke vragen, waardoor lokale organisatie comités, de betrokken sportbonden en hun internationale federaties sneller kunnen weten waar men aan toe is. De overheid op zijn beurt kan hiermee ook sneller en makkelijker inspelen op en het gesprek aangaan over wensen op het gebied van garanties.
Waarom modelgaranties?
Zoals gezegd gaat het om modelgaranties die dus als doel hebben organisatoren van sportevenementen vooraf te informeren over de mogelijkheden van het rijk op het vlak van garanties. Deze zullen dan standaard beschikbaar zijn voor sportfederaties die overwegen een internationaal evenement te organiseren en daarbij overheidsgaranties vragen. Omdat niet door alle organisatoren dezelfde garanties gevraagd worden is gekozen voor een model, dat – zo is de verwachting – nader toegespitst kan worden op het evenement waarover het in een specifiek geval gaat. Daarbij zal altijd bezien kunnen worden of er zaken zijn, die specifieke aandacht behoeven vanwege bijzondere omstandigheden, samenhangend met de tak van sport dan wel het soort evenement. Maatwerk zal tot de mogelijkheden blijven behoren.
Waarop hebben de garanties betrekking?
De ervaringen tot nu hebben geleid tot het inzicht dat de garanties die internationale organisaties van de rijksoverheid vragen betrekking hebben op een zevental terreinen van wet en regelgeving. Ieder terrein wordt verderop in een apart hoofdstuk uitgewerkt en geeft de laatste stand van de wet- en regelgeving daarvan weer. Daarbij is het zo, dat terreinen waarop de garanties betrekking hebben aanzienlijk verschillen naar de mate van complexiteit en gedetailleerdheid van de betreffende wet en regelgeving. Deze verschillen uiten zich ook in de formuleringen van de
garanties. Zo zullen, bijvoorbeeld, garanties op het gebied van de belastingen vanwege de complexere materie nogal verschillen van die op het gebied van tewerkstellingsvergunningen en visa. Jaarlijks zal bezien worden of de modelgaranties aangepast moeten worden naar aanleiding van nieuwe en/of aangepaste wet en regelgeving. Daardoor behoudt dit model zijn actualiteit.

De garanties nader beschreven.
Alvorens hieronder op de zeven garanties in te gaan, zal in het kort aandacht worden geschonken aan het algemene juridische kader, zoals dat in Nederland geldt. Daarin zal onder andere de relatie tussen de overheidslagen aan bod komen. Bij de organisatie van evenementen is dat een zeer belangrijke factor in verband met de verdeling van bevoegdheden en verantwoordelijkheden. Daarna zullen de garanties stuk voor stuk beschreven worden.

Lees verder HIER

donderdag 5 juli 2012

Deelname "trackday" is behendigheidsrit, en in polis uitgesloten



X is eigenaar van een BMW Hartge Z3 coupé. Voor deze auto heeft X bij Noordhollandsche een ‘all risk’ verzekering afgesloten. Op 15 juni 2011 is X met de auto naar het motor- en autosportcircuit Zolder te Heusden-Zolder (België) gegaan om daar te gaan rijden in het kader van een zogeheten ‘trackday’ (ook genoemd ‘open circuitdag’ en ‘vrij rijden’). Kort na aankomst overkwam X met zijn auto een eenzijdig ongeval. De auto raakte bij het uitkomen van de ‘Terlamenbocht’ in een spin en botste eerst met de neus en daarna met een zijkant tegen een stapel banden aan het eind van de binnenkant van deze bocht. Hierdoor raakte de auto zwaar beschadigd.
X vordert in dit geding een voorschot op de verzekeringsuitkering ten bedrage van € 24.500,-, te vermeerderen met wettelijke rente en een vergoeding wegens buitengerechtelijke kosten.
Noordhollandsche heeft zich ter afwering van de vordering onder meer beroepen op de uitsluitingsclausule in artikel 3 aanhef en onder i van de algemene voorwaarden behorende bij de verzekeringsovereenkomst. Daarin is bepaald dat van de verzekering is uitgesloten:
 “schade, veroorzaakt tijdens of voortvloeiende uit het deelnemen aan snelheids-, regelmatigheids- of behendigheidsritten, -wedstrijden of –proeven met uitzondering van zogenaamde oriëntatie- en puzzelritten welke geheel binnen Nederland worden gehouden”.

Oordeel kantonrechter
De kantonrechter heeft de vordering van X afgewezen. De deelname aan een ‘trackday’ moet volgens de kantonrechter worden gekwalificeerd als het deelnemen aan een behendigheidsrit zodat het beroep van Noordhollandsche op de uitsluitingsclausule gegrond is.

Hoger beroep
X gaat in hoger beroep en keert zich tegen het oordeel van de kantonrechter dat de deelname aan de ‘trackday’ moet worden aangemerkt als het deelnemen aan een behendigheidsrit. Volgens hem wordt met deelname aan een behendigheidsrit in het normale spraakgebruik bedoeld het volgen van slipcursussen, slalomoefeningen en dergelijke. X brengt ook nog onder de aandacht dat er verzekeraars zijn die het rijden op een circuit expliciet opnemen in de uitsluitingsgronden en dat Noordhollandsche dat niet heeft gedaan.

Oordeel gerechtshof
Het gerechtshof bekrachtigt het oordeel van de kantonrechter. Ook het gerechtshof is van oordeel dat de deelname aan de ‘trackday’ op 15 juni 2011 moet worden aangemerkt als het deelnemen aan een snelheids- of behendigheidsrit. Het hof houdt in de eerste plaats rekening met de mogelijkheid dat reeds de deelname aan de ‘trackday’ door andere deelnemers en de wijze waarop tijdens deze dag door die andere deelnemers gebruik wordt gemaakt van het circuit meebrengen dat gesproken moet worden van het deelnemen door X aan een snelheids- of behendigheidsrit in de zin van de eerder geciteerde polisbepaling. Het is immers aannemelijk dat minst genomen een belangrijk deel van de deelnemers aan de ‘trackday’ naar het circuit is gekomen om daar in georganiseerd verband hard te rijden teneinde prestaties van de deelnemers of van de voertuigen te vergelijken. Op het circuit geldt geen snelheidslimiet en het is toegestaan links en rechts in te halen. Dat de aanwezigheid van een rescueteam en een circuitarts niets met de ‘trackday’ te maken heeft, zoals X betoogt – deze veiligheidsmaatregelen hebben er volgens hem mee te maken dat op het circuit ook officiële wedstrijden worden gehouden -, komt weinig aannemelijk voor. Ook indien zou worden aangenomen dat het rijgedrag van X op zichzelf beschouwd “individueel en rustig” zou zijn geweest, geldt voorshands dat X door zijn deelname aan de ‘trackday’ zich bewust in een situatie heeft begeven waarvan aannemelijk is dat deze reeds door de aanwezigheid en het verkeersgedrag van andere deelnemers moet worden aangemerkt als een snelheids- of behendigheidsrit.

dinsdag 3 juli 2012

Algemene voorwaarden sportschool/fitnessclub onredelijk bezwarend (en eiser weet dat)




Een klant heeft een tweejarig abonnement bij een sportschool. Na een aantal maanden loopt de klant een betalingsachterstand op. De sportschoolhouder vordert op grond van de algemene voorwaarden niet alleen de reeds vervallen termijnen, maar ook alle nog te vervallen termijnen.
Volgens de algemene voorwaarden zijn bij een betalingsachterstand ook de nog resterende termijnen ineens opeisbaar, waarbij de sportschool ook nog het recht heeft om de klant de toegang tot de faciliteiten te ontzeggen tot het moment dat de klant geheel aan die betalingsverplichting heeft voldaan.
De klant voert geen verweer, maar wordt in dit geval geholpen door de kantonrechter die uit zichzelf, ook wel ambtshalve genoemd, gaat toetsen of de voorwaarde niet onredelijk bezwarend is. De kantonrechter is van mening dat de wanverhouding tussen de tekortkoming van de schuldenaar (dat wil zeggen: het niet betalen van één of meerdere maandtermijnen) en de consequenties die voormelde bepaling aan die tekortkoming verbindt. De consequenties zijn de directe opeisbaarheid van alle (resterende) maandtermijnen bij een overeenkomst met een duur van twee jaar en het recht van de sportschool de klant niet toe te laten zolang niet het gehele abonnement van twee jaar betaald is.
De kantonrechter oordeelt dat het beding onredelijk bezwarend is (artikel 6:233 onder a BW).
De kantonrechter wijst de vordering daarom maar gedeeltelijk toe. De kantonrechter veroordeelt de klant tot het betalen van de opeisbare termijnen en geeft de klant het recht weer gebruik te maken van de faciliteiten als hij weer "bij " is met betalen.

Tot slot:
De namens de eiser, Health City?, optredende deurwaarder Sneijders vliegt m.i. hier uit de bocht. Vorig jaar had die deurwaarder in een zelfde zaak, hetzelfde oordeel ook al eens van de rechter in Den Bosch te horen gekregen. Uitspraak HIER

maandag 2 juli 2012

Match-fixing in sport: A mapping of criminal law provisions in 27 EU member states



The European Commission entrusted KEA European Affairs with the study on thelegal framework applicable to sporting fraud, notably match-fixing in the EU member states. 

KEA is a Brussels-based consultancy specialised in culture, creativity, media and sports. 

KEA studied how match-fixing is covered in the national criminal laws of the member states of the EU. Aim of the study is to enable the European Commission to assess whether intervention is required, and if so, at what level and in what form.


The study can be found HERE

Ook turnster Masela verliest kort geding Olympische Spelen



Turnbond KNGU paste de regels juist toe bij het voordragen van turnster Céline van Gerner voor deelname aan de Olympische Spelen in Londen. Dat oordeelde de kort gedingrechter maandag 2 juli. Turnster Wyomi Masela verloor het kort geding dat ze aanspande tegen de KNGU om naar de Spelen te kunnen.
Zuur
De kort gedingrechter deed meteen mondeling uitspraak en sprak Masela toe: “Het is zuur voor je dat je door de KNGU op het verkeerde been bent gezet doordat ze eerst jou aanwezen voor de Spelen. Maar iedereen is gebonden aan de regels die door de KNGU samen met het NOC*NSF zijn opgesteld. Jij, ik, iedereen. Een sporter moest eerst een prestatie neerzetten en vervolgens vormbehoud tonen. Daarna kon de KNGU iemand aanwijzen.”

Eerdere zaken over selectie KNGU
Eerder dit jaar waren er twee kort gedingen van turners Jeffrey Wammes en Céline van Gerner tegen de KNGU over de uitleg van die selectieregels. De turnbond koos Epke Zonderland en Wyomi Masela om naar Londen af te reizen. De kort gedingrechter stelde Wammes en Van Gerner in het gelijk, zodat de KNGU opnieuw een keuze moest maken. 13 juni wees de turnbond Van Gerner en Zonderland aan voor de Olympische Spelen.

De uitspraak staat HIER