dinsdag 27 mei 2014

Ook in hoger beroep zijn parcoursbouwer en ponysportvereniging aansprakelijk voor schade door overlijden paard tijdens wedstrijd


Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 20-05-2014,ECLI:NL:GHSHE:2014:1426

Dit is een hoger beroep in DEZE zaak.
Zie ook het Blog van de advocate van de in het gelijk gestelde partij HIER 

De feiten
Een ruiter neemt, met zijn paard deel aan een crosscountry wedstrijd. Bij een cross country wedstrijd dienen door ruiter en paard volgens een vooraf bepaalde route verschillende soorten hindernissen te worden genomen zoals wallen, waterbak passages, greppels en constructies met boomstammen.
Bij de 21ste hindernis gaat het mis. Het paard zet niet goed af, waardoor het niet hoog genoeg van de grond komt en het in aanraking komt met de hindernis. Als gevolg hiervan zijn ruiter en paard ten val gekomen, waarbij het paard zo ernstig gewond is geraakt dat het ter plaatse door de dierenarts geeuthaniseerd.
De hindernis was niet goed opgebouwd. Bij de hindernis heeft het paard niet hoog genoeg gesprongen en is daardoor met de voorbenen tegen het dak van de boerderij-hindernisbaan gekomen. Omdat de boerderij niet verankerd was is de hindernis twee keer gekanteld waarbij de hindernis een veilige landing voor het paard belemmerde.
De rechtbank veroordeelt Princenhage (organisator van de wedstrijd) en de parcoursbouwer tot het betalen van schadevergoeding aan de ruiter. Tegen dit vonnise stellen de parcoursbouwer en de organisator hoger beroep in.

Oordeel gerechtshof
In hoger beroep bevestigt het gerechtshof het oordeel van de rechtbank.

Grief 1: Princenhage en parcoursbouwer(appelanten) maken bezwaar tegen de verwerping door de rechtbank van het beroep op exoneratie-clausule. Grief 2: Appelanten maken bezwaar tegen oordeel van de rechtbank dat de veiligheid van ruiter en paard het best gediend is met een constructie van een hindernis die vast zit, niet van zijn plaats komt en bij aanraking niet omver valt.

In de toelichting op de eerste grief stelt [Paarden- en Ponysportvereniging] dat zij er mee akkoord is dat de rechtbank haar relatie met de ruiter als contractueel heeft gekwalificeerd, en stelt de parcoursbouwer  dat zijn eventuele aansprakelijkheid moet worden beoordeeld binnen de sleutel van de onrechtmatige daad.
Princenhage en de parcoursbouwer  wijzen er op dat alle partijen bekend waren met de risico’s van cross country wedstrijden en dat de ruiter wist van de exoneratie-clausule. Volgens hen heeft de rechtbank ten onrechte aan het feit dat Princenhage en de parcoursbouwer verzekerd waren, de conclusie verbonden dat aan hen geen beroep op de exoneratie-clausule toe komt.

Het hof oordeelt als volgt.
Het antwoord op de vraag of redelijkheid en billijkheid aan een beroep op een contractueel beding in de weg staan, hangt af van alle relevante omstandigheden, zoals de aard en de verdere inhoud van de overeenkomst waarin het beding voorkomt, de maatschappelijke positie en onderlinge verhouding tussen partijen, de wijze waarop het beding tot stand is gekomen, de mate waarin de wederpartij zich de strekking van het beding bewust is geweest, en – bij exoneratiebedingen – de zwaarte van de schuld ter zake van het veroorzaken van de schade, mede in verband met de aard en de ernst van de bij enige gedraging betrokken belangen (standaardjurisprudentie sinds Hoge Raad 19 mei 1967, NJ 1967, 261 Saladin/HBU, Hoge Raad 20 februari 1976, NJ 1976, 486 Pseudo-vogelpest en Hoge Raad 25 april 1986, NJ 1986, 714 Smilde).
Een exoneratie-clausule dient in het algemeen buiten toepassing te blijven, indien de schade is veroorzaakt door opzet of bewuste roekeloosheid van de aansprakelijk gestelde partij (Hoge Raad 12 december 1997, NJ 1998, 208 Gemeente Stein/Driessen). Uit de omstandigheid dat geen sprake is van “grove schuld” kan, zonder verder onderzoek, niet worden afgeleid dat de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid zich niet doet gelden, omdat alle omstandigheden van het geval van belang zijn. Daaronder vallen bijvoorbeeld ook de gevolgen van het verzuim en in hoeverre de daardoor ontstane schade door verzekering is gedekt (Hoge Raad 18 juni 2004, NJ 2004, 585 Kuunders/Swinkels).
het oordeel van het hof valt aan Princenhage als organisator van de wedstrijd en eindverantwoordelijke voor de veiligheid, alsmede aan de parcoursbouwer  als bouwer van de hindernis, een ernstig verwijt te maken omtrent het niet vastzetten van de hindernis. Anders dan Princenhage en de parcoursbouwer  hebben betoogd, blijkt uit alle van toepassing zijnde reglementen, alsmede uit de instructies voor de hindernisbouwers, dat het in het geval van cross country wedstrijden voor de veiligheid van groot belang is dat de mobiele hindernis vast staat, in die zin dat de hindernis bij aanraking met ruiter en paard niet omvalt. Ook als uit die reglementen niet zonder meer zou kunnen worden afgeleid dat altijd een verankering in de grond nodig is, blijkt uit de aangehaalde regelgeving dat omverspringen van de hindernis moet worden voorkomen. Dat kan mogelijk ook door middel van een voldoende solide stut worden bereikt, maar daarvan was in dit geval evenmin sprake. Terecht heeft de rechtbank dan ook overwogen, dat de veiligheid van ruiter en paard het best gediend is met een constructie van een hindernis die vast zit, niet van zijn plaats komt en bij aanraking niet omver valt.
Dat de ruiter zich bewust was van de risico’s van een cross country wedstrijd en zich vrijwillig heeft blootgesteld aan het risico van een val van hem en/of zijn paard, bevrijdt Princenhage en de parcoursbouwer  niet van hun aansprakelijkheid ter zake van het niet treffen van de met het oog op dat risico geboden veiligheidsmaatregelen. Voorts valt zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet in te zien dat het enkele feit dat de parcoursbouwer als vrijwilliger is opgetreden, in de weg zou staan aan het concluderen tot aansprakelijkheid aan zijn zijde.
Daarnaast acht het hof van belang dat het voor de Paarden- en Ponysportvereniging en de parcoursbouwer  niet bezwaarlijk was om voorzorgsmaatregelen te treffen, zoals bijvoorbeeld het in de grond verankeren door middel van een L-ijzer of het stutten met zware balken. Princenhage en de parcoursbouwer hebben dit niet bestreden, maar aangevoerd dat dat niet nodig was. Zij miskennen hiermee echter dat het tegendeel is gebleken; de hindernis is immers bij botsing met het paard in de rijrichting (twee maal) gekanteld.
Gelet op het ernstige verwijt dat zowel aan Princenhage als aan de parcoursbouwer moet worden gemaakt , in samenhang met het feit dat Princenhage en de parcoursbouwer zijn verzekerd tegen aansprakelijkheid zoals in dit geval aan de orde is, acht het hof, evenals de rechtbank, het door Princenhage en de parcoursbouwer gedane beroep op de exoneratie-clausule naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.
Grief 3:Appelanten maken bezwaar tegen in tussenvonnis verstrekte bewijsopdracht
Princenhage en de parcoursbouwer hebben immers hun stelling dat de bewijsopdracht ten onrechte is gegeven, enkel onderbouwd met de aan hun tweede grief ten grondslag gelegde stelling dat de hindernis op zorgvuldige wijze is gebouwd en dat aan hen terzake geen verwijt kan worden gemaakt. Zoals hiervoor is overwogen, oordeelt het hof anders.

Grief 4; betreft de verwerping door de rechtbank van het beroep op eigen schuld
Paarden- en Ponysportvereniging] en de parcoursbouwer hebben aangevoerd, dat het impulsieve en onberekenbare gedrag van het paard moet worden toegerekend aan de ruiter en dat dit het door hen gedane beroep op eigen schuld rechtvaardigt. Volgens Princenhage en de parcoursbouwer moet “naar verkeersopvattingen deze schade met betrekking tot een dier voor eigen rekening van de eigenaar en gebruiker blijven”. Princenhage en de parcoursbouwer wijzen verder naar rechtsoverweging 3.12 van het tussenvonnis van 7 maart 2012, waarin de rechtbank overweegt dat Eventing een risicovolle sport is, waarbij geregeld ongelukken gebeuren, dat de ruiter niettemin aan de wedstrijd heeft deelgenomen en als geen ander de risico’s kende.
Het hof oordeelt als volgt. Indien zou moeten worden aangenomen dat de in dit geval geleden schade mede een gevolg is van de omstandigheid dat het paard de hindernis niet goed heeft genomen, welke omstandigheid aan de ruiter kan worden toegerekend, blijft de daarop in beginsel volgende verdeling van de vergoedingsplicht achterwege, indien de billijkheid dat wegens de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten of andere omstandigheden van het geval eist (artikel 6:101 lid 1 BW). De rechtbank heeft kennelijk aan dit laatste invulling gegeven, door te overwegen dat juist omdat bekend is dat een paard een hindernis soms niet goed neemt, het van belang is dat de regelgeving en aanwijzingen op veiligheidsgebied bij het bouwen van mobiele hindernissen, worden nageleefd. En voorts dat de ruiter, bij het aanvaarden van de hem bekende algemene risico’s verbonden aan eventingwedstrijden, er op mocht vertrouwen dat de hindernissen in overeenstemming met die regelgeving waren uitgevoerd. Het verweer van de ruiter heeft dezelfde strekking.
Princenhage en de parcoursbouwer hebben niet toegelicht waarom deze toepassing van de billijkheidscorrectie niet juist zou zijn. Evenals de rechtbank is het hof van oordeel dat de vergoedingsplicht van Princenhage en de parcoursbouwer geheel in stand blijft, omdat de billijkheid dat eist, gelet op de uiteenlopende ernst van de gemaakte fouten (een paard dat een hindernis niet goed neemt versus een organisatie en parcoursbouwer die een hindernis niet goed hebben vastgezet) en de omstandigheid dat het niet goed nemen van een hindernis door een paard nu juist inherent is aan dit soort wedstrijden, hetgeen het belang bij het naleven van de in verband met de veiligheid aan hindernissen te stellen eisen extra zwaarwichtig maakt, van welke naleving de deelnemer aan de wedstrijd mag uitgaan.

Grief 5: is gericht tegen de bewijswaardering door de rechtbank
Princenhage en de parcoursbouwer hebben betoogd dat het paard geen roterende val heeft gemaakt, dat juist indien de hindernis vast zou hebben gestaan, het paard een roterende val zou hebben gemaakt en dat de schade dan ook zou zijn ontstaan of zelfs nog groter zou zijn geweest.
Het gerechtshof is van oordeel dat al met al het door Princenhage en de parcoursbouwer bijeengebrachte tegenbewijs onvoldoende om het voorshands aangenomen causale verband tussen de (aansprakelijkheid vestigende) gedraging van Princenhage en de parcoursbouwer (in dit geval bestaande uit het niet naleven van de besproken veiligheidsvoorschriften) en de aldus ontstane schade te ontzenuwen.

Grief 6: tegen de hoogte van het toegewezen schadebedrag

 De ruiter heeft de waardebepaling op basis van het bod van aspirant kopernader onderbouwd en voor wat betreft nut en noodzaak van een eventueel deskundigenbericht aangevoerd, wat thans ook in hoger beroep door hem is betoogd.
Bij deze stand van zaken valt niet in te zien waarom een op de voet van artikel 6:97 BW uit te voeren schadebegroting niet zou kunnen worden verricht door aansluiting te zoeken bij het door aspirant koper op het paard uitgebrachte bod. Onbestreden is dat aspirant koper een ervaren paardenhandelaar is. De conclusie is dan gerechtvaardigd dat aspirant kopereerder onder dan boven de waarde van het paard heeft geboden. In ieder geval hebben Princenhage en de parcoursbouwer niets aangevoerd, wat op het tegendeel zou wijzen.


Geen opmerkingen:

Een reactie posten